Artikel

Coronatest voor de democratie

Jan Buelens

— 21 december 2020

Het coronabeleid neemt ook in België een loopje met de democratie en de rechtsstaat. Een logisch uitvloeisel van een staat die voorrang geeft aan de belangen van het bedrijfsleven op het algemeen maatschappelijk belang.

In een half jaar tijd hebben in België meer dan 100.000 mensen het coronavirus opgelopen. Meer dan 11.000 zijn eraan gestorven. Zowel in maart als in oktober werden maatregelen genomen die vooral het sociale leven sterk inperkten.

Het coronavirus vormt met zijn snelle verspreiding een zeer ernstige bedreiging voor de volksgezondheid. De bestrijding van een pandemie vereist natuurlijk drastische ingrepen. Overheden hebben de plicht om de gezondheid van de burgers te beschermen. Tijdens zo’n crisis het evenwicht bewaren tussen gezondheid, welzijn, werk en democratie is geen evidente, maar wel een noodzakelijke opgave. De maatregelen moeten het algemeen belang dienen en mogen de Grondwet en de rechtsstaat niet schenden, zo niet maakt de overheid misbruik van haar macht.

Maatregelen zijn nooit neutraal. Aan de basis ervan liggen ideologische keuzes. Op alle bovengenoemde terreinen maakte de Belgische regering vooral keuzes in het belang van het bedrijfsleven en legde ze het gewicht van de inspanningen grotendeels bij de bevolking. De manier waarop de beslissingen tot stand kwamen, was weinig democratisch.

Eerst ontwikkelen we de stelling dat het welzijn van de 99% niet de eerste bezorgdheid was van de bewindvoerders. Daarna gaan we in op de verenging van de democratische besluitvorming in deze pandemische tijden, die kan leiden tot de beperking van enkele fundamentele rechten en vrijheden.

Een coronabeleid voor de 99% of voor de 1%?

Bij de uitwerking van de maatregelen ter bestrijding van de coronapandemie schoot de regering schromelijk tekort in een planmatige aanpak om de bevolking in haar geheel te vrijwaren. Zo is er in ons land nooit een effectieve techniek voor grootschalig testen, opsporen en isoleren gekomen. In sommige Aziatische landen slaagde men daar wel in. Bij zo’n aanpak speelt de preventieve eerstelijnsgezondheidszorg een cruciale rol. Ze heeft tot doel het virus in te dijken (crush the curve). In plaats van hierop in te zetten, koos de regering voor een strategie die als doel had de ziekenhuiscapaciteit niet te overbelasten (flatten the curve). In deze strategie kwam de nadruk te liggen op maatregelen die gericht zijn op het gedrag van individuele mensen. Zíj dienden hun gedrag aan te passen, zíj werden als voornaamste verantwoordelijken gezien voor de bestrijding van het virus.

De aanwijzing van experts is op zich geen neutraal gebeuren, maar een door en door politiek proces.

Dat is een zeer eenzijdige kijk op de zaken. Natuurlijk zijn de burgers mee verantwoordelijk, maar de overheid is wel zelf verantwoordelijk voor haar falend beleid. Het ontbreken van echte preventie, de vernietiging van beschermingsmateriaal en de onwil om een brede test- en opsporingsstrategie uit te rollen zijn structurele weeffouten in het systeem. In plaats van bij het uitbreken van de pandemie de hand in eigen boezem te steken, koos de regering ervoor dit falen te verhullen. Tezelfdertijd nam ze zeer verregaande maatregelen met een enorme impact op het sociale leven. In de woonzorgcentra kwam dit op de meest in het oog springende en onmenselijke wijze tot uiting: de overheid kon er niet voor zorgen dat het personeel getest werd, wat ertoe bijdroeg dat bewoners werden besmet. Als reactie daarop werden dan de woonzorgcentra van de buitenwereld afgesloten, waardoor de mensen hun (groot)ouders niet meer konden bezoeken. Dat was een buitenproportionele, repressieve maatregel en een bewijs van een falend beleid. Wie geen zorg draagt voor de ouderen, laat de samenleving in de steek. Deze aanpak leidde ook tot andere ingrijpende maatregelen: een (feitelijk) betogingsverbod, het verbod voor dagjestoeristen om naar de kust te trekken, het instellen van een avondklok …

Dat de betrokkenheid van de bevolking belangrijk is, hoeft geen betoog. De bevolking zal zich echter pas betrokken tonen indien ze erop kan vertrouwen dat de maatregelen effectief zijn en dat alle actoren in gelijke mate moeten bijdragen.

Dat het op beide vlakken mis zat, zagen we het duidelijkst in de maatregelen op economisch en sociaal vlak en de maatregelen voor handhaving: werkgevers en werknemers werden verschillend behandeld.

Op economisch vlak

De overheid was vooral begaan met het vrijwaren van de belangen van het bedrijfsleven, de competitiviteit en de investeringen. Het spreekt voor zich dat de overheid ingrijpt om te verhinderen dat ondernemingen over de kop gaan en dat ze probeert jobs te redden. Veruit het meeste geld ging echter naar het grootbedrijf, dat vaak in de periode voor de coronacrisis miljoenen en miljarden euro’s aan dividenden uitkeerde.1 Het debat over welke steun juist nodig was en over de voorwaarden voor die steun werd amper gevoerd. Kleine zelfstandigen, de cultuursector en de horeca moesten vechten om de kruimels die overbleven.

Vervolgens spitste de discussie zich toe op de definitie van de essentiële sectoren; de sectoren die sowieso open moesten blijven. In het begin van de lockdown, maart 2020, werden de werkgevers in snelheid gepakt. Door de onduidelijkheid in het ministerieel besluit, maar vooral door acties van werknemers en vakbonden hadden vele bedrijven de deuren tijdelijk gesloten. Vrij snel kwam er sterke druk van het bedrijfsleven om hieraan iets te doen. Premier Wilmès verklaarde voor de camera’s dat te veel bedrijven de deuren hadden gesloten en veertien dagen na het begin van de lockdown breidde de regering het concept essentiële sector zo ruim uit dat twee van de drie miljoen werknemers in de privésector eronder vielen.2 Op dat ogenblik mocht men geen sociale contacten hebben buiten de gezinsbubbel. De tegenstelling tussen beide betekende concreet dat we eerder onze baas zouden zien dan onze ouders.

Op sociaal vlak

Bijna 1 miljoen werknemers werd tijdelijk werkloos, waardoor ze een substantieel loonverlies leden. Door acties van vakbonden en werknemers werd door een op tien bedrijven het loonverlies (deels) bijgepast. Het duurde eveneens lang eer de gelijkstelling van een aantal voordelen van de regering werd bekomen. Tegen misbruiken waarvan men kon voorspellen dat ze tijdens de coronacrisis zouden plaatsvinden, trad de regering niet op. Een voorbeeld is de achterpoort in de wetgeving waardoor werk­nemers bij een ontslag om economische redenen geen recht hadden op een opzeggingsvergoeding.3

Het toekennen van volmachten was een blanco cheque aan een federale regering, die op dat ogenblik zelfs geen meerderheid had.

Veel werknemers moesten, vooral tijdens de tweede golf, in quarantaine blijven; in sommige bedrijven tot 30%. Ook zij leden inkomensverlies. Dat, en de dreiging om de job kwijt te geraken deed vele werknemers ervoor ‘kiezen’ om aan het werk te blijven, hoewel ze vanuit gezondheidsoogpunt beter thuis waren gebleven. Om nog maar te zwijgen van werknemers in precaire omstandigheden, zoals uitzendkrachten, die vaak werk en inkomen kwijtgeraakten.

De economische werkloosheid werd betaald door de gemeenschap. Van een bijdrage van de bedrijven was geen sprake: geen coronataks, geen belasting op superwinsten van de voorbije jaren of een belasting voor bedrijven die juist konden profiteren van de coronacrisis (en vaak niet op de gezondheid van hun werknemers letten). In het begin van de coronacrisis schortten bedrijven onder publieke druk de uitkering van dividenden op, maar na enkele maanden gingen ze toch weer miljoenen uitkeren.4

Op het vlak van de handhaving

Officieel moesten bedrijven maatregelen nemen ter bescherming van de gezondheid van hun werknemers, maar zowel in de regels zelf als in de handhaving ervan was veel vrijblijvendheid te vinden.

De regels maakten een onderscheid tussen essentiële en niet-essentiële bedrijven. Bij niet-essentiële was telewerk verplicht “voor alle functies waar dit zich toe leent”, anders moest de anderhalvemeterregel worden gerespecteerd. Bij essentiële bedrijven moest de anderhalvemeterregel alleen worden gerespecteerd “in de mate van het mogelijke”.5 Burgers moesten in hun privéleven de social distancing daarentegen altijd respecteren.

Op het vlak van de bestraffing kwam de dubbele moraal nog scherper tot uiting. Burgers konden worden gestraft als ze de maatregelen niet naleefden, bedrijven niet. Eind mei liep het aantal boetes voor burgers al op tot 100.000.6 Op 1 november 2020 stond de teller op 143.000 corona-pv’s.7 Bovendien kregen burgers te verstaan dat ze boete onmiddellijk moesten betalen. Hoewel dit onwettig is (men heeft altijd de keuze om een zaak te laten voorkomen voor de rechtbank), moeten burgers al sterk in hun schoenen staan, hun rechten kennen en tegen de politie ingaan om zo’n onmiddellijke betaling te weigeren. Voormalig minister van Werk Muylle verklaarde onomwonden dat “boetes opleggen voor bedrijven weinig zin heeft”.8 Uit cijfers van de sociale inspectie die eind oktober werden bekendgemaakt, bleek dat ook in juli en augustus nog zes op de tien gecontroleerde bedrijven niet in orde waren met de coronamaatregelen. Wat erger is: negen op de tien bedrijven in overtreding kregen alleen een schriftelijke waarschuwing.9

De politiek van de regering was eenrichtingsverkeer van boven naar onder, en dat werkte niet.

Boetes voor onwillige bedrijven zijn echter nodig, ook en vooral als een vorm van preventie. Werknemers en vakbonden namen dan ook het heft in handen en door hun acties sloten vele niet-essentiële bedrijven waar de gezondheidsmaatregelen niet werden gerespecteerd, tijdelijk hun deuren. Met andere woorden: de vakbonden en de werkende klasse, die uitgesloten werden bij het opstellen van de maatregelen, zorgden er in de praktijk voor dat recht geschiedde. Door gebruik te maken van haar feitelijke macht zorgde de werkende klasse ervoor dat levens werden gered. Ook in andere landen kwamen er door de inzet van die macht maatregelen in het belang van de bevolking tot stand. Zo kwam er in Spanje en Italië een ontslagverbod.

Verenging van de democratische besluitvorming

Na de uitbraak van de pandemie in maart 2020 werd op enkele weken tijd de democratische besluitvorming sterk verengd. Dat uitte zich op drie manieren.

De rol van de Nationale Veiligheidsraad en de experts

Vanaf het begin vaardigde niet de regering, maar de Nationale Veiligheidsraad de maatregelen uit. De regering-Michel creëerde dit orgaan in 2015. De belangrijkste ministers maken er deel van uit; de hoofden van politie, veiligheids- en inlichtingendiensten, OCAD en College van procureurs-generaal kunnen worden uitgenodigd “wanneer de agenda hun aanwezigheid vereist”.10 Het is een van de enige organen van de uitvoerende macht11 waarop geen rechtstreekse parlementaire controle wordt uitgeoefend. Er bestaan ook geen notulen van de vergaderingen, zoals die er wel zijn van vergaderingen van parlement en ministerraad.

De officiële opdracht van de Nationale Veiligheidsraad luidt: “De Raad bepaalt het algemeen inlichtingen- en veiligheidsbeleid, verzekert zijn coördinatie en bepaalt de prioriteiten van de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. De Raad is eveneens bevoegd voor de coördinatie van de strijd tegen de financiering van het terrorisme en de verspreiding van massavernietigingswapens. De Raad bepaalt bovendien het beleid inzake de bescherming van gevoelige informatie.” Wat heeft dat allemaal met de bestrijding van een pandemie te maken? Bovendien kan de Nationale Veiligheidsraad met betrekking tot die kwesties in geen geval concrete beslissingen nemen. In de praktijk nam hij die wel en de deelstaten verwijzen in hun besluiten meermaals naar de maatregelen genomen door de Nationale Veiligheidsraad.

Zes op de tien gecontroleerde bedrijven waren niet in orde met de coronamaatregelen.

Sinds het aantreden van de Vivaldi-regering heeft het Overlegcomité de rol van de Nationale Veiligheidsraad overgenomen, zodat de deelstaten ook formeel nauwer betrokken zijn. Naar de letter van de wet hadden de minister-presidenten de vergaderingen van de Nationale Veiligheidsraad zelfs niet eens mogen bijwonen, maar in de praktijk deden ze dat wel. Dat de federale regering en de deelstaatregeringen, samen met experts, grondig overleggen, is noodzakelijk. Waarom en hoe dat in de Nationale Veiligheidsraad gebeurde, is bijzonder bedenkelijk.

De Nationale Veiligheidsraad en de regering deden een beroep op experts, in eerste instantie virologen, epidemiologen, microbiologen en infectiologen. De regering gebruikte de experts ook om zich achter te verschuilen: zij moesten de maatregelen, zeker de onpopulaire, verdedigen.

De aanwijzing van experts is op zich geen neutraal gebeuren, maar een door en door politiek proces. “Afhankelijk van de formulering van het probleem zullen andere vormen van expertise en kennis nodig zijn. Voor wie de coronacrisis een crisis vormt, is in essentie een politieke en geen wetenschappelijke vraag.”12 Dat werd treffend geïllustreerd door de samenstelling van de taskforces die de regering in het leven riep en die de Nationale Veiligheidsraad adviseerden.

Als eerste werd de GEES, Groep van Experts belast met de Exitstrategie, boven de doopvont gehouden. Deze taskforce moest nagaan wanneer en hoe de maatregelen konden worden afgebouwd. Naast wetenschappers werden er ook vertegenwoordigers en pleitbezorgers van de werkgevers in opgenomen,13 wat voor kritiek zorgde.14 Na een open brief15 werd de functie van de GEES begin september overgenomen door de evaluatiecel, Celeval. Die taskforce diende om de bevolking op langere termijn met het virus te leren leven. Opnieuw werd de samenstelling16 bekritiseerd omdat alleen experts uit gezondheidseconomie17 en klinische psychologie werden toegevoegd en omdat vertegenwoordigers van een aantal zeer specifieke belangen werden opgenomen.18 Langs Vlaamse kant was de patronale invloed nog opvallender. Dit ontlokte volgende commentaar bij Apache: “De uitverkoren experts zijn gepokt en gemazeld in de neoklassieke economische theorie en praktijk: een professor innovatiemanagement, de VOKA-voorzitter met een verleden bij BASF, een vermogensbeheerder, een arbeidseconoom, en twee toppers uit de managementopleidingen. Uitstekende keuze dus? Toch niet.”19

Ook in Vlaanderen is de samenstelling van raden en begeleidingsgroepen een politieke zaak: in september weerde minister Beke professor en huisarts Jan De Maeseneer uit de Vlaamse Stuurgroep Contactonderzoek nadat deze zich kritisch had uitgelaten over de falende aanpak van de contact tracing.20

De regeringen legden de kritieken op de samenstelling van de taskforces echter naast zich neer. Dit is geen fait divers. In deze taskforces zijn de ‘economische belangen’ van de werkgevers vertegenwoordigd, maar niet die van de vakbonden, werknemers, zorgpersoneel, leerkrachten en kleine zelfstandigen.21 “Hét economisch belang bestaat niet,” zegt professor Rummens van de KU Leuven terecht. “De belangen van werkgevers en werknemers kunnen verschillen”.22 De evenementensector kreeg ook een stem in Celeval, maar niet het jeugdwerk of de sociaal-culturele sector. Er werd niet één mensenrechten­expert opgenomen en niet eens een pedagoog, hoewel Celeval moest beslissen wat er met de schoolgaande kinderen zou gebeuren. Er kwam evenmin een vertegenwoordiging uit de vrouwen- en minderhedenbewegingen, terwijl geweten was dat de crisis hen verhoudingsgewijs harder treft.

Veruit het meeste geld ging naar het grootbedrijf. Kleine zelfstandigen, de cultuursector en de horeca moesten vechten om de kruimels.

Deze hele aanpak maakte dat de band die er in de samenleving met de democratische rechtsstaat zou moeten zijn, werd doorgeknipt: voor inspraak en advies van de bevolking was er geen plaats. De bevolking werd nooit op enigerlei wijze om haar mening gevraagd, laat staan dat ze participeerde aan de discussies of beslissingen. De strijd tegen een pandemie kan men nochtans alleen maar collectief winnen. Zeker omdat de meest fundamentele rechten van de bevolking onder druk kwamen te staan. Dit was uiteraard het geval voor het recht op gezondheid en het recht op leven, maar ook voor het recht op vrijheid van beweging en op de eerbiediging van privé- en gezinsleven.

De politiek van de regering was eenrichtingsverkeer van boven naar onder en dat werkte niet. Het creëren van solidariteit, bijvoorbeeld door initiatieven van wijkcomités, is cruciaal voor het hoog houden van het moreel, maar ook om bij te dragen aan het bestrijden van de crisis. Nu werd deze solidariteit van onderuit georganiseerd: applaus voor de zorgsector, vrijwilligers die zich opgaven om in ziekenhuizen te gaan werken of mondmaskers maakten, werknemers en vakbonden die het heft in handen namen door te eisen dat ze veilig konden werken en de bedrijven waar dit niet gegarandeerd was, stillegden.

Participatie van de bevolking en het middenveld betekent dat die hun zeg hebben over de gevolgde politiek en vooraf beschikken over alle adviezen en documenten van de experts. De bevolking kan goede ideeën over aanpak en uitvoering hebben. Dat mag niet voorbehouden worden aan politiek en experts. Een breed debat moet leiden tot een ruim draagvlak en mogelijkheden scheppen om vanuit het parlement en het middenveld het regeringsbeleid te beïnvloeden.

De organisatie van deze inspraak en participatie is des te belangrijker nu de ruimte voor acties van het maatschappelijk middenveld ten gevolge van de crisis beperkt is. Alleen op die manier kan men vertrouwen en een draagvlak creëren. Nu blijven terecht achterdocht en twijfel bestaan.

Bijzondere machten en ministeriële besluiten

Met de belangrijke rol voor de Nationale Veiligheidsraad ontnam de regering het parlement grotendeels de controle op de regering. Maar ook de wetgevende functie van het parlement werd grotendeels buitenspel gezet. In snel tempo joeg de regering een wet door het parlement die het de regering mogelijk maakte om te besturen met bijzondere machten, via genummerde koninklijke besluiten. De gewone parlementaire procedure volstond zogezegd niet om op een snelle en doortastende manier op te treden in de coronacrisis. Achteraf bleek dat het parlement wel degelijk in staat was om over alle nodige maatregelen snel te beslissen.23 De volmachten waren dus volstrekt overbodig.

Om grondwettig te zijn en de macht van het parlement niet helemaal uit te hollen, moeten de bijzondere machten volgens de Raad van State aan meerdere voorwaarden voldoen: er moeten uitzonderlijke omstandigheden zijn, de volmachten moeten nauwkeurig omschreven zijn en ze mogen slechts voor een beperkte periode worden toegekend. Toch was de Raad van State weinig kritisch over de toekenning van de bijzondere machten in de coronacrisis.

Nochtans gaf de volmachtenwet bijzondere machten met zeer ruime doelstellingen zoals “de continuïteit van de economie, de financiële stabiliteit van het land en de marktwerking te garanderen”, “aanpassingen door te voeren in het arbeidsrecht en het socialezekerheidsrecht, met het oog op de goede organisatie van de ondernemingen en de overheid, met vrijwaring van de economische belangen van het land en de continuïteit van de kritieke sectoren”. De volmachtenwet bepaalde zelfs dat de wetgever de domeinen die hij “buiten de bijzondere machten wilde houden” specifiek moest aanduiden, wat de omgekeerde wereld is, want het tegendeel van een nauwkeurige omschrijving. Voor verschillende domeinen was er bovendien geen voorafgaand advies van de Raad van State nodig. Dat was bijvoorbeeld het geval voor alle maatregelen inzake de openbare orde. Aangezien dat een rekbaar begrip is, is de uitschakeling van dit voorafgaand advies een gevaarlijke kwestie.

De vakbonden en de werkende klasse, die uitgesloten werden bij het opstellen van de maatregelen, zorgden er in de praktijk voor dat levens werden gered.

Er waren redenen om argwanend te zijn. In het verleden deden de regeringen vooral een beroep op ruime volmachten om een antisociaal beleid door te duwen: verhoging van het remgeld, verlaging van de sociale uitkeringen, doorvoeren van indexsprongen… Met die volmachten wilde de regeringen ook expliciet de vakbonden buitenspel zetten.24 Om die reden waarschuwden zowel organisaties als academici voor het potentiële gevaar van volmachten. Patricia Popelier, professor grondwettelijk recht aan de Universiteit Antwerpen, stelde: “Heel de grondwettelijke orde wordt omgekeerd bij een bijzondere-machtenwet. Ze kunnen beleid voeren dat nog jaren zeer zwaar op onze begroting kan wegen en de economie en volksgezondheid ingrijpend kan regelen.” Het toekennen van volmachten was een blanco cheque aan een federale regering die op dat ogenblik zelfs geen meerderheid had en enkel bevoegd was voor de lopende zaken. Alleen de PVDA stemde tegen de volmachten.

In de praktijk maakte de regering van de bijzondere machten gebruik om enkele oude verlangens van werkgeversorganisaties tot wet te maken. Zo werd het mogelijk gemaakt om, zonder akkoord van de vakbonden, in kritieke sectoren 220 ‘vrijwillige’ overuren op te leggen en om de beperkingen op (onbelaste) studentenarbeid tijdelijk volledig op te heffen.25 Deze maatregelen stonden bovenaan op het verlanglijstje van VOKA en ook op dat van de N-VA. Het zijn maatregelen die op geen enkele manier bijdroegen tot de strijd tegen het virus, maar alleen tegemoetkwamen aan wat werkgevers nodig achtten om hun winsten te vergroten en de arbeidsomstandigheden in hun voordeel te veranderen. Wat de regering dan weer niet deed, was de productie van levensnoodzakelijke goederen zoals medisch materiaal verplichten of de prijszetting van bedrijven op noodzakelijke goederen bepalen … Dat zegt veel over de prioriteiten van de regering.

De bevolking, de vakbonden en het middenveld toonden zich weerbaar tegen het plan om onder het mom van de strijd tegen corona bepaalde al langer bestaande ambities te realiseren. Twee voorbeelden kunnen dit illustreren. In april had de regering via minister De Block in stilte een koninklijk besluit aangenomen om zorgpersoneel te kunnen opvorderen en om niet-opgeleid personeel te kunnen inzetten voor verpleegkundige taken. Dat stootte op het protest van de ‘gedraaide ruggen’: tijdens een bezoek van premier Wilmès aan het UZ Sint-Pieter keerde het personeel haar de rug toe. De beelden gingen de wereld rond, de regering moest plooien en het koninklijk besluit werd ingetrokken.

Enkele weken later was het de beurt aan minister Geens. Onder het mom van de coronacrisis dienden zijn partijgenoten een wetsvoorstel in waarvan de grote meerderheid van de bepalingen geen verband had met de coronacrisis. Zo wilde hij de schriftelijke procedure permanent verankeren in het rechtssysteem. Daarmee bediende voormalig zakenadvocaat Geens zijn cliënten van weleer. Hij droomde al lang van “The Court of the Future”, een rechtbank waarbij alle zaken schriftelijk zouden worden afgehandeld. Een toekomst voor de multinationals dan toch, want gewone burgers hebben er meestal belang bij hun zaak mondeling te kunnen toelichten. Na protest van juristenverenigingen en de parlementaire oppositie moest hij zijn plannen opbergen.26

De volmachten werden toegekend voor drie maanden en niet verlengd. Op basis van de bijzondere machten had de regering nog veel verder kunnen gaan, maar door de verdeeldheid van de politieke wereld en de weerbaarheid van de bevolking en het middenveld bleef de schade beperkt. In andere landen, zoals Frankrijk, waar de uitvoerende macht sterker is, kwamen veel meer draconische maatregelen tot stand. De inkt van de Franse wet op de noodtoestand inzake gezondheid was nog niet droog of de regering vaardigde maar liefst 25 bepalingen uit. Sommige ervan betekenden een zware inbreuk op de bestaande arbeidswetgeving. Bedrijven konden “in sectoren die bijzonder noodzakelijk zijn voor de veiligheid van de natie en de continuïteit van het economische en sociale leven” afwijken van de maximale wekelijkse arbeidsduur en die optrekken tot 60 uur, het zondagwerk werd flexibeler, de minimale rusttijd tussen twee werkdagen werd teruggebracht van elf naar negen uur en zes vakantie­dagen konden eenzijdig door de werkgever worden vastgelegd.27

Binnen het jaar moet het parlement alle maatregelen die met volmachten werden ingevoerd, bevestigen. Anders vervallen ze. Het is belangrijk dat het parlement hierbij niet tot een stemmachine wordt gereduceerd, maar dat er een ernstig debat wordt gevoerd. De maatregelen moeten nuttig zijn in de strijd tegen het virus en niet verder gaan dan nodig. Anders moeten ze worden stopgezet.

De autoritaire verleiding

Als maatregelen vanuit gezondheidsoogpunt rechtvaardig en noodzakelijk zijn, moeten ze toegepast worden, ook als ze, tijdelijk, fundamentele rechten inperken. De regering slaagde er niet in haar eigen verantwoordelijkheid op te nemen in de strijd tegen de pandemie en werkte dan maar van in het begin maatregelen uit om de focus te leggen op het sturen van het gedrag van individuele burgers, wat leidde tot verregaande ingrepen in de democratie. Volgens het onderzoekscentrum CRISP zijn de maatregelen ongezien sinds de Tweede Wereldoorlog.28

Bij het opstellen van de coronamaatregelen zocht de regering de wettigheidsgrens op.29 Op het hoogtepunt van de crisis ging premier Wilmès zelfs zo ver om te zeggen dat “alles wat niet toegelaten is, verboden is”, waarbij ze een fundamentele regel van elke democratie omkeerde, namelijk dat “alles toegelaten is wat niet verboden is”.30 Ook liet de regering toe dat lokale overheden en politiediensten experimenteerden met allerlei antidemocratische maatregelen of er ballonnetjes over oplieten, zoals huiszoekingen, kliklijnen, GAS-boetes en warmtedrones. Zo beweerde de Antwerpse burgemeester De Wever dat huiszoekingen mogelijk waren zonder rechterlijk bevel. Niet toevallig had hij dit tijdens de periode na de terreuraanslagen ook al proberen door te voeren.31 Zijn lokale politie viel ook in iemands woning binnen zonder toestemming van de bewoner.32 Pas nadat er kritiek kwam op bepaalde van deze maatregelen,33 liet de regering weten dat zulke maatregelen onwettig waren.34 In de provincie Antwerpen werd in de zomer een avondklok ingevoerd. In plaats van een handhavingsbeleid te voeren tegenover die personen die bewust bepaalde maatregelen niet naleefden, werd iedereen getroffen. Het is als schieten met een kanon op een mug. De maatregel had tot doel het werk van de politiediensten makkelijker te maken, maar dat is geen voldoende en legitieme doelstelling. Nadien kwam een avondklok tot stand in heel België, zij het met regionale verschillen.

De betogingsvrijheid stond onder druk. Toen het normale leven zich begin mei begon te herstellen, kon na een tijd vrijwel alles opnieuw, behalve… betogen. Een debat organiseren of demonstreren in de openbare ruimte, met social distancing en mondmaskers? Niet toegestaan! Deze politiek van twee maten en twee gewichten was moeilijk te rechtvaardigen. Toen de regering erover ondervraagd werd, gaf ze echter niet thuis. Begin juni verklaarde premier Wilmes vaagweg dat de regering “perspectieven zou uitwerken voor de vormgeving van de vrijheid van meningsuiting”.35

Vakbonden en ngo’s klaagden de regering aan: “Wij zouden niet begrijpen – en we zullen niet accepteren – dat de volgende Veiligheidsraad geen toelating geeft voor het houden van debatten en vormingen, voor allerhande workshops met volwassenen en kinderen, voor het houden van vreedzame publieke bijeenkomsten, terwijl het nu al wekenlang is toegestaan om massaal naar de winkelstraten te trekken. Wij herinneren u aan het grondwettelijk recht op collectieve actie (met inbegrip van het recht om in de openbare ruimte te demonstreren) en de vrijheid van vereniging en openbare vergadering. Dit zijn fundamentele beginselen, die maar hoogst uitzonderlijk en tijdelijk beperkt kunnen worden. Behalve de algemene voorzorgsmaatregelen, die aan alle burgers gevraagd worden (fysieke afstand, hygiëne, maskers …), zijn de beperkingen op deze grondrechten niet langer aanvaardbaar. Er is een democratische, sociale en culturele urgentie!”36 Hoewel het tijdens een pandemie moeilijker te organiseren is, mag deze vrijheid niet onmogelijk worden gemaakt. De rest van het maatschappelijke leven gaat immers ook door.

Toen Swissport eind mei het faillissement aankondigde, kregen de vakbonden oorspronkelijk toelating om een actie te organiseren. Na de actie van Black Lives Matter op 7 juni, waarop 10.000 mensen aanwezig waren, werd die toelating plots ingetrokken. De motivering was niet gebaseerd op gezondheidsredenen, maar op economische redenen: het verkeer naar de luchthaven mocht niet worden verstoord.37 Dat argument werd al lang door bedrijven op de luchthaven naar voren geschoven en nu dus door de uitvoerende macht overgenomen. Het kabinet van minister De Crem kwam bovendien rechtstreeks tussen bij de burgemeester van Zaventem om de actie te laten verbieden. De vakbonden protesteerden tegen dit verbod, dat een gevaarlijk precedent uitmaakt.38 Uiteindelijk had er een veel beperktere actie plaats, maar ook daar dreigde de politie met boetes.

Betogingen moeten kunnen plaatshebben als de gezondheidsmaatregelen worden gerespecteerd. De grote werkgeverslobby’s hoeven niet te betogen om hun eisen in wetten te doen omzetten, zelfs niet in tijden van crisis. Ook vakbonden moeten het recht hebben om gehoord te worden in adviescommissies en in het parlement en om actie te voeren. De democratie leeft van publiek debat, demonstraties, straatactie, handtekeningeninzameling en volksinitiatieven. Sociale strijd is meer dan ooit nodig voor het behoud van jobs en tegen de shockmaatregelen die het VBO en VOKA, met hulp van de regeringen, willen invoeren. Actie voeren kan veilig en moet dus mogelijk blijven. Zoals de vakbonden benadrukten toen ze begin oktober bij het bedrijf Integrale actie voerden: “Masqués, pas bâillonnés” (vrij vertaald: “gemaskerd, maar niet gemuilkorfd”).

Om te beoordelen of maatregelen antidemocratisch zijn, is de tijdelijkheid een belangrijke graadmeter. Zodra de gezondheidscrisis in sterkte afneemt en zeker als ze achter de rug is, moeten vrijheidsbeperkende maatregelen onmiddellijk ophouden. Anders komt de shockdoctrine waarvoor Naomi Klein in haar boek met die titel waarschuwde, dichtbij.39 Ze beschrijft hierin de tendens om crisissituaties waarin de bevolking bereid is rechten af te staan of er minder aandacht voor heeft, te misbruiken om bepaalde maatregelen te nemen die al langer klaarlagen. Na afloop van de crisis worden die maatregelen niet meer teruggedraaid: de bevolking is er immers al aan gewend geraakt. Ook in België hebben we hier ervaring mee. Na vorige crisissen bleken tal van ‘tijdelijke’ inperkingen van vrijheden als verworven beschouwd. Zo zijn maatregelen die voortkwamen uit de IS-terreurgolf van enkele jaren terug van kracht gebleven. Denk maar aan de verlenging van de aanhoudingstermijn van verdachten van 24 naar 48 uur en aan de toename van slimme camera’s. Bij de stemming over de volmachten in het kader van de coronacrisis verklaarde de regering plechtig dat de maatregelen zouden opgeheven worden zodra de crisis voorbij is. Wij moeten erop toezien dat ze die belofte houdt.

Ook 25 grondwetspecialisten van universiteiten uit het hele land nemen de aanpak van de Vivaldi-regering op de korrel.40 De volmachten zijn dan al voorbij, de meest drastische inperkingen op onze grondrechten – quarantainemaatregelen, een avondklok en lockdown – steunen nog altijd op een eenvoudig ministerieel besluit en zijn genomen zonder advies van de Raad van State. Nochtans kan volgens de Grondwet alleen het parlement beslissen over zulke ingrijpende beperkingen. “De wetgeving waarop de regering zich beroept, was helemaal niet bedoeld voor de langdurige en drastische inperkingen die we nu kennen. Toch blijft de regering koppig verdergaan met het ministerieel besluit”, besluiten ze.

De regering liet toe dat lokale overheden en politiediensten experimenteerden met allerlei antidemocratische maatregelen.

In het buitenland werden maatregelen tegen corona al gebruikt voor andere doeleinden, onder meer tegen de sociale strijd. In Minnesota werden betogers via contact tracing gevolgd.41 Op kleinere schaal werd de registratieplicht in de horeca in Duitsland misbruikt voor politieonderzoek. Autoritaire maatregelen worden doorgaans ingezet met het argument dat ze criminaliteit tegengaan en de veiligheid van de burgers verhogen, maar met wat creativiteit kunnen maatregelen zoals huiszoekingen, kliklijnen en camera’s ook ingezet worden tegen burgers en protestbewegingen.

Het beëindigen van bepaalde maatregelen is des te belangrijker omdat er van werkgeverszijde een tendens bestaat om ze te misbruiken. Zo worden personeelsvergaderingen verboden onder het mom van coronamaatregelen. Vergaderingen van werkgever en vakbonden gaan wel door, maar dan via digitale weg en dat is vaak in het voordeel van de werkgevers, zeker als ze ‘moeilijke beslissingen’ moeten nemen. In de VS werd een stakingsleider door Amazon ontslagen toen hij met een handvol mensen op straat kwam voor veilige werkomstandigheden. Als reden werd de schending van de social distancing opgegeven.42

Conclusies

De coronapandemie is een uitzonderlijke situatie die vraagt om uitzonderlijke maatregelen. Krachtdadige en efficiënte maatregelen werden echter niet genomen. De aanpak van de regering schoot tekort om de samenleving in haar geheel te beschermen.

Om dat te bereiken moet men om te beginnen de bevolking betrekken bij de analyse van het probleem en bij het maken van keuzes en maatregelen. Er moet ook een klimaat van vertrouwen heersen. Maatregelen als huiszoekingen, kliklijnen en warmtedrones verhogen het wantrouwen, terwijl we vooral solidariteit nodig hebben, vertrouwen in elkaar en in de overheid. Dat vertrouwen kan er alleen zijn als de overheid aantoont dat ze heldere regels invoert die voor iedereen gelden, dat de maatregelen efficiënt zijn en dat rechten niet meer beperkt worden dan nodig.

De maatregelen die de regering nam, bevatten vooral inperkingen van het sociale leven, terwijl het bedrijfsleven grotendeels ongemoeid bleef. Deze politiek van twee maten en twee gewichten zette zich ook door bij de bestraffing. Er volgden geen ernstige sancties als gezondheidsmaatregelen in bedrijven niet werden toegepast, terwijl in volkswijken strikt werd toegezien op de naleving van de gezondheidsmaatregelen en de geringste overtreding hard werd aangepakt. Individuele burgers werden met andere woorden verantwoordelijk gesteld voor de bestrijding van het coronavirus, terwijl de overheid naliet om maatregelen te treffen die het maatschappelijk belang boven particuliere economische belangen plaatst.

Om de burgers te sturen werden ook autoritaire maatregelen genomen, zoals het verbod op betogingen die de overheden en het bedrijfsleven toevallig niet goed uitkomen. Maatregelen die rechten en vrijheden inperken, moeten tijdelijk zijn, in verhouding staan tot het gevaar en nuttig zijn om het coronavirus te bestrijden. Precies in crisissituaties is het belangrijk de democratische weerbaarheid te beschermen.

Het inperken van de democratische besluitvorming, de focus op de individuele verantwoordelijkheid van de burger en het inzetten van autoritaire maatregelen komen niet toevallig samen voor. Ze zijn alle drie logische uitvloeisels van een ideologische visie van een staat die de belangen van het bedrijfsleven voorrang geeft.

Footnotes

  1. Zie ook Peter Mertens, Ze zijn ons vergeten, EPO, Antwerpen, 2020, p. 116-121.
  2. Nic Görtz, “Corona en de terugkeer van de werkende klasse”, Lava 13.
  3. Dit werd o.a. gebruikt door schoenenimperium Torfs.
  4. Zie bv. Pieter Suy, “Ageas keert dit najaar toch dividend uit”, De Tijd, 7 augustus 2020; “Telenet legt aandeelhouders in de watten”, De Tijd, 29 oktober 2020.
  5. Ministerieel besluit van 18 maart 2020.
  6. De Morgen, 19 mei 2020.
  7. Het Laatste Nieuws, 1 november 2020.
  8. Tobias Santens, “Coronaregels op het werk: op 3 dagen meer dan 80 inbreuken geteld, 7 bedrijven gesloten”, VRT NWS, 27 maart 2020.
  9. De Tijd, 28 oktober 2020. De cijfers raakten bekend na een parlementaire vraag van PVDA-volksvertegenwoordigster Nadia Moscufo.
  10. Koninklijk besluit van 28 januari 2015.
  11. De politie- en inlichtingendiensten worden in parlement gecontroleerd via de parlementaire commissies “Vast comité P en I”.
  12. Zie ook Pascal Debruyne, Karim Zahidi en Brecht De Smet, “Welke kennis regeert?”, Lava, 26 oktober 2020.
  13. “Tien experts moeten België uit lockdown leiden”, De Standaard, 26 april 2020.
  14. “‘Wat als gezondheid botst met geld?’: filosoof heeft vragen bij experts die België uit greep van corona moeten gidsen”, VRT NWS, 7 april 2020.
  15. “Het huidige coronabeleid moet omgegooid worden”, De Tijd, 27 augustus 2020.
  16. “Coronavirus: New advisory body, but who are they?”, Brussels Times, 3 september 2020.
  17. O.a. gezondheidseconoom Lieven Annemans veroverde er een plaats in. Uiteindelijk nam hij medio oktober ontslag nadat zijn positie onhoudbaar was geworden door een reeks uitspraken waarin hij de omvang van de problematiek minimaliseerde. Deze uitspraken lagen in het verlengde van zijn uitgangspunt dat “koste wat het kost doden vermijden onverantwoord is” (De Standaard 31 maart 2020). Op dat punt sloot hij aan bij een standpunt dat opgang kende in werkgeversmiddens. In de Belgische financiële krant De Tijd formuleerde Francis Van Eeckhout, de CEO van De Ceuninck Plastics, het als volgt: “Als het sterftecijfer weer naar 300 per daggaat, moeten we misschien zeggen: ‘En dan?’”. Zie Görtz, Lava.
  18. Zie Debruyne, Zahidi en De Smet, ibid. Op 24 november werd Celeval uiteindelijk opgedoekt en nam de Risk Assesment Group haar taken over.
  19. Karl Van Den Broeck en Gie Goris, “De ondraaglijke eenzijdigheid van ‘economisch herstel’”, Apache, 13 mei 2020.
  20. “Kritische professor moest opstappen na tussenkomst Beke: ‘Ik ben niet gehecht aan dat zitje’, Het Nieuwsblad, 10 september 2020.
  21. Zie Debruyne, Zahidi en De Smet, Lava.
  22. VRT NWS, 7 april 2020.
  23. Dat het mogelijk is snel te beslissen toont de wet op de toekenning van de volmachten zelf. Die werd ingeblikt op enkele dagen.
  24. In de memoires van Martens lezen we: “Gelukkig was mijn regering ditmaal van heel wat hindernissen ontdaan. Al van bij het begin had ze zich formeel losgekoppeld van de sociale partners, die niet langer het sociaaleconomisch beleid zouden bepalen.” Vooral de regeringen-Martens-Gol en -Dehaene deden een beroep op volmachten.
  25. Zie bijzondere-machtenbesluit nr. 14. Een volledig overzicht van alle bijzondere-machtenbesluiten is hier te vinden: https://legalworld.wolterskluwer.be/nl/nieuws/domein/algemeen-justitie/overzicht-van-de-wettelijke-maatregelen-tegen-covid-19/.
  26. “Justice: les magistrats de tout le pays dézinguent les projets de réformes post-corona de Koen Geens”, Le Soir, 16 juni 2020.
  27. www.vie-publique.fr/loi/273942-loi-durgence-pour-faire-face-lepidemie-de-covid-19.
  28. F. Bouhon, A. Jousten, X. Miny, E. Slautsky, “L’État belge face à la pandémie de COVID-19: esquisse d’un régime d’exception”, Crisp, nummer 2020/1, 36.
  29. “Overheid zoekt legale grenzen op”, De Standaard, 31 maart 2020.
  30. A. Berenboom, “Les politichiens aboients, le corona passe…”, Le Soir, mei 2020, geciteerd in C. Leterme, “Un contournement, la démocratie. Le gouvernement par la taskforce”, Grésea Echos, nr. 103, 2020.
  31. Bart De Wever, “We hebben een strategisch relanceplan nodig”, N-VA, 6 april 2020.
  32. “Antwerpse politie doet eerste ‘woonstbetreding’ voor corona-inbreuken”, PZC, 21 april 2020.
  33. Wouter Verschelden, “Politiestaat vs privacy: de discussie ligt straks lang en breed op tafel superkern”, BusinessAM, 3 april 2020.
  34. I.v.m. de GAS-boetes, zie De Standaard; 30 maart. Op 6 april werd wel een koninklijk besluit (nr. 1) aangenomen dat een rechtsgrond verschafte voor de GAS-boetes. Slechts weinig gemeenten maakten er echter gebruik van.
  35. Sophie Wilmès, “Bericht aan de Belgen”, 9 juni 2020.
  36. Brief 16 juni 2020 aan Premier Wilmès vanwege het ACV, ABVV, Liga voor Mensenrechten, RWLP, MOC, PAC, Ligue des Droites Humains, en Defense des Enfants International.
  37. Beslissing burgemeester Zaventem, 10 juni 2020.
  38. Persbericht vakbonden, “Sociale actie met respect voor gezondheidsmaatregelen kan en moet kunnen”, 15 juni 2020.
  39. Naomi Klein, The Shock Doctrine, Londen, Penguin Books, 2008.
  40. De Standaard, 2 november 2020.
  41. Andy Meek, “Minnesota is now using contact tracing to track protestors, as demonstrations escalate”, BGR, 30 mei 2020.
  42. Glenn Greenwald, “Watch: Are We Vesting Too Much Power in Governments and Corporations in the Name of Covid-19? With Edward Snowden”, The Intercept, 9 april 2020.