Artikel

Authentieke zoektocht naar de wortels van een wereldwijd ongenoegen

Jan Orbie

—27 maart 2024

Muiterij analyseert niet alleen de kantelende wereldorde maar handelt ook over het verzet tegen onrechtvaardigheden. Peter Mertens levert een diep en breed inzicht in de binnen- en buitenlandse politiek.

Shutterstock

‘Muiterij’ vat het huidige tijdsgewricht op een heldere, kritische én onderbouwde manier. Boeken slagen er zelden zo goed in om de complexiteit van de politiek zo duidelijk en geëngageerd te duiden. Peter Mertens overstijgt hier de puur partijpolitieke boodschap door zich uitgebreid te inspireren op ervaringen van mensen wereldwijd, inzichten van academici en inspirerende citaten van linkse stemmen zoals Thomas Sankara, Angela Davis, Bertolt Brecht, Rosa Luxemburg, Salvador Allende, Martin Luther King… maar ook Thomas Shelby uit Peaky Blinders en Tokyo uit La Casa de Papel.

Wie na 261 pagina’s het boek naast zich neer legt, heeft het idee een dieper en breder inzicht te krijgen in de politiek. Het gaat dan om de binnenlandse politiek, internationale politiek en de complexe manier waarop sommige tendensen zich over de hele wereld manifesteren. Diverse puzzelstukjes krijgen een plaats in een groter geheel: de groeiende ongelijkheid, de graaiflatie, de macht van graanconcerns, Brexit, het bezuinigingsregime van de Europese Unie (EU), de Russische oorlog in Oekraïne, de zoektocht naar zeldzame metalen, het belang van halfgeleiders, enzovoort.

Het is ook verfrissend om eens een analyse te lezen die de opkomst van extreemrechts niét centraal stelt – Vlaams Belang en consoorten blijken zelfs grotendeels afwezig in het boek. In de plaats hiervan volgen we een authentieke zoektocht naar de politieke, economische en historische wortels van een wijdverspreid ongenoegen.

Het onderscheid tussen bovendek en benedendek is een creatieve vondst die helpt om de complexiteit van ons tijdsgewricht te duiden.

Er zit ook een hoopvol element in het verhaal: het boek analyseert niet alleen de kantelende wereldorde, zoals de subtitel verduidelijkt, maar het gaat ook over reacties tegen onrechtvaardigheden, zoals de titel ‘muiterij’ mooi samenvat. De vele anekdotes over huidige en vroegere vormen van verzet maken duidelijk dat geschiedenis geen extern of mechanisch proces is, maar door mensen gemaakt wordt. Ze tonen ook aan dat verzet van alle tijden is en vaak net de motor van verandering is.

Bovendek en benedendek

Mertens situeert de ‘muiterij’ metafoor bij de grootschalige werkonderbreking van zeelui in de haven van het Britse Sunderland 1768. Aangezien ze de zeilen streken, is sindsdien het woord ‘strike’ ingeburgerd als aanduiding voor staking (p.25). Hij verwijst ook naar de waarschuwing van Fiona Hill, oudgediende in het Witte Huis, voor “een muiterij van het globale zuiden” tegen het westen, omdat hun leiders zich niet automatisch aansluiten bij het VS-standpunt over de Russische oorlog in Oekraïne (p.182). De auteur vergelijkt dit met de term ‘geuzen’ – we zouden ook kunnen verwijzen naar het spottende ‘deplorables’ van Hillary Clinton – en stelt voor om het woord ‘muiterij’ voortaan ook als eretitel te dragen (p.252).

Hij maakt verder een onderscheid tussen het ‘bovendek’ en het ‘benedendek’. Veel aandacht gaat naar het bovendek. Op het niveau van de staatshoofden van de BRICS zien we een toenemend verzet tegen de westerse wereldorde. Dat is een groep van landen bestaande uit Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika, en meer recent ook Egypte, Ethiopië, Iran en de Verenigde Arabische Emiraten. Ze vormen een blok tegen de westerse landen die al decennialang samenkomen in de G7. Opvallend feit: sinds mei 2023 is het aandeel van de BRICS-landen in de wereldwijde rijkdom groter dan dat van de G7 (p.149). Over een kanteling gesproken.

Maar even belangrijk is het protest van onderuit, de gewone mensen binnen landen die zich verzetten tegen onrechtvaardigheden zoals hoge prijzen, discriminatie en willekeur van werkgevers. Het onderscheid tussen bovendek en benedendek is een creatieve vondst die helpt om de complexiteit van ons tijdsgewricht te duiden. Het is een onderscheid dat kritische denkers al langer maken: wereldpolitiek kenmerkt zich niet enkel door een kloof tussen ‘Noord’ versus ‘Zuid’, maar ook door spanningen tussen ‘elites’ versus ‘de bevolking’ binnen de landen.

Mertens had dieper kunnen ingaan op de moeizame spanningen tussen de regeringen van landen als India en Brazilië en de binnenlandse tegenwerking van sociale groepen. Dat figuren als Nasendra Modi (eerste minister van India) of Jair Bolsonaro (voormalig president van Brazilië) tegen de schenen schoppen van westerse wereldleiders mogen dan wel sympathie opwekken, het is uiteraard ook zo dat zij in eigen land emancipatorische bewegingen onderdrukken. Het boek wijst wel op het verzet tegen de Modi-regering. De Indische gesprekspartner van Mertens in het boek pleit voor een “dialectisch begrip” van India’s rol: enerzijds ontplooit India een kapitalistisch project tegen de eigen bevolking, anderzijds verzet het zich tegen de hegemonie van de westerse landen (p.181). Enigszins eufemistisch wordt vermeld dat de BRICS-landen geen “gezamenlijke linkse agenda hebben” (p.183) en dat het gaat om een “nieuwe vorm van ongebondenheid in het globale zuiden, die zich politiek uit in bonte kleuren” (p.151). Dat is inderdaad een belangrijk verschil met de progressieve agenda van de ongebonden landen op de Bandungconferentie van 1955 en hun plannen voor een Nieuwe Internationale Economische Orde (NIEO) in de daaropvolgende decennia.

Het Globale Oosten

Dan moeten we het uiteraard ook over Poetin hebben. Wie het boek zou lezen vanuit een partijpolitiek of ideologisch vooroordeel dat de auteur de Russische leider zou steunen, zal bedrogen uitkomen. Mertens gaat uitgebreid in op de complexe historiek die geleid heeft tot de Russische agressie in Oekraïne. Hij veroordeelt de oorlog als een schending van het internationaal recht (p.224, p.232). Hij wijst er ook fijntjes op dat de PVDA in 2000 al Poetin associeerde met de macht van oligarchen, patriottisme, repressie en oorlog; terwijl politici zoals Guy Verhofstadt, Tony Blair en George W. Bush in dezelfde periode goeie maatjes waren met de Russische leider (pp.211-213).

De nieuwe ongebondenheid in het Globale Zuiden verschilt politiek met de ongebondenheid van de Bandungconferentie van 1955.

Dat veel aandacht gaat naar de impact van de neoliberale schoktherapie in de jaren 1990, de financiële crisis op het einde van de jaren 1990, de uitbreidingsrondes van de NAVO in de jaren 2000, en de herhaaldelijke pogingen van westerse concerns zoals Cargill om het landmoratorium in Oekraïne op te geven, is op zich niet problematisch noch incorrect. Het draagt integendeel bij tot een minder naïef begrip van de huidige situatie en het illustreert de jarenlange complexe aanloop naar de Russische agressie in Oekraïne. Zoals Mertens ook aanstipt, is het weinig vruchtbaar om de oorlog simpelweg te duiden vanuit psychologische verklaringen rond de “gestoorde” persoon van Poetin (p.214). Wel is het jammer dat er niet meer aandacht gaat naar de eeuwenoude imperiale ambities van Rusland. Er is een korte verwijzing naar “de terugkeer van het groot-Russisch gedachtegoed uit de tsaristische tijd” (p.233), maar hier ligt de nadruk toch vooral op het Russische nationalisme dat Poetin gebruikt “om een en ander te rechtvaardigen” (p.232) en niet op de dieper gewortelde imperiale ambities.

Prof. Dr. Jan Orbie is professor aan de vakgroep Politieke Wetenschappen van de Universiteit Gent, waar hij de externe betrekkingen van de Europese Unie doceert en onderzoekt.

De Oekraïners zelf komen hier nauwelijks aan bod. Waar ‘gewone mensen’ uit het VK, Brazilië, Libanon, België, India en andere landen een stem krijgen in het boek, lezen we in de episode geen verhalen over dagdagelijkse onderdrukking én verzet uit Oekraïne of uit andere regio’s onder Russische dominantie. Er is enkel een zeer korte passage die illustreert hoe rijke Oekraïners de dienstplicht kunnen ontlopen en gewone mensen wel naar het front moeten (p.209). Wanneer er aandacht is voor de strijd van Oekraïners, wordt ook gewezen op de aanwezigheid van nazi-groepen in Maidan en op pro-Russische posities in het zuidoosten van Oekraïne (p.230). Deze laatste aspecten worden niet meer uitgewerkt, wat verwarring creëert bij de lezer.

Verder kan de verwijzing naar Oekraïne als “bufferstaat tussen oost en west” (p.200) de indruk wekken dat kleinere landen de wetten van de grootmachten nu eenmaal moeten ondergaan. Dit wordt nog versterkt door een verwijzing naar de Cubacrisis van 1962, die opgelost is dankzij de diplomatie van de VS en de Sovjet-Unie (opnieuw, waar zit de agency van Cuba?) (p.238). En last but not least, door de herhaaldelijke verwijzingen naar de Amerikaanse politicoloog John Mearsheimer (p.182, p.226, p.232).

Mearsheimer staat in elke cursus internationale politiek geboekstaafd als een invloedrijke ‘offensieve realist’. Zijn theorie staat voor een cynische visie op de wereldpolitiek als een spel waarbij grootmachten botsen in hun strijd voor hegemonie. Hiermee navigeert de academicus van de University of Chicago een grijze zone tussen de zogenaamd objectieve vaststelling dat de wereldpolitiek draait rond agressie van grootmachten en de subjectieve overtuiging dat dit ook een goeie zaak is. Ook specifiek wat betreft de Russische inval in Oekraïne, legde Mearsheimer veel nadruk op de westerse verantwoordelijkheid waarbij het leek alsof hij Poetins beleid legitimeerde. Hij had wel verkeerdelijk ingeschat dat Poetin enkel geïnteresseerd zou zijn in het oostelijke deel van Oekraïne. Kortom, Mearsheimer is niet echt een progressieve of emanciperende denker. Hij staat ver af van de mensen uit de zogenaamde bufferzone die dagelijks de gevolgen van het Russische imperialisme ervaren.

Oost-Europese collega’s waren niet verwonderd over de Russische invasie, maar hun waarschuwingen werden weggezet als irrationele angstdromen uit het verleden.

In plaats van professoren uit het Amerikaanse establishment, zou het goed zijn om Russische verzetslui en critici uit Oost-Europa te horen. Althans, dat is een les die wij geleerd hebben aan West-Europese universiteiten. Veel collega academici hebben de voorbije jaren beseft dat we onvoldoende weten over ‘Oost-Europa’, en dat wat we er over weten vooral doorheen een Russische bril bekeken is. De perspectieven van Centraal- en Oost-Europa zijn nooit echt serieus genomen. Daarom waren vele waarnemers verrast over de Russische invasie, en zeker over de uitgebreidheid ervan (tot in Kiev!). Oost-Europese collega’s waren niet verwonderd, maar hun waarschuwingen werden altijd weggezet als irrationele angstdromen uit het verleden. Dit is dus een pleidooi om niet alleen het Globale Zuiden maar ook het zogenaamde Globale Oosten meer ernstig te nemen in dit soort analyses.

De koers van het Europese schip

Theoretisch gezien hebben offensieve realisten sowieso weinig inspirerende inzichten te bieden voor kritische, linkse en emancipatorische bewegingen. Het was wellicht beter geweest om theoretische mosterd te halen bij auteurs die nauwer aanleunen bij de neo-marxistische traditie zoals Jason Hickel en uiteraard ook post- en dekoloniale denkers en activisten uit het Globale Zuiden. Of bijvoorbeeld bij iemand als Angela Davis, naar wie al kort verwezen wordt in het citaat: “Ik aanvaard niet langer de dingen die ik niet kan veranderen. Ik verander de dingen die ik niet kan aanvaarden.” (p.250) Zoals veel andere kritische denkers maakt Davis met succes de link tussen de klassenstrijd, de strijd tegen racisme, en het feminisme (zie ook verder).

Wel besteedt Mertens veel aandacht aan de koloniale geschiedenis en hoe die doorwerkt tot op vandaag. Hij vermeldt onder meer het fenomeen van koolstofkolonisatie in de context van Europese waterstofprogramma’s in Afrika (pp.172-173), de koloniale heerschappij van de in Gent geboren Karel V (p.250), de conferentie van Bandung uit 1955, (p.155), het blijvende belang van de Haïtiaanse revolutie (p.153) en het Palestijnse verzet tegen de Israëlische bezetter (p.176).

Verder waarschuwt de auteur terecht voor de heropkomst van een “binair wereldbeeld” en het “klimaat van kampisme” (p.138), met andere woorden de terugkeer van koude oorlogslogica’s. Zo kadert hij het ook de recente grootschalige investeringsinitiatieven van de VS. De ‘Bidenomics’ grijpen niet terug naar de socialistische recepten van de New Deal, ze herbevestigen wel de Koude Oorlogslogica van het militaire keynesianisme tegenover China (p.118). Wat dan het alternatief is voor de Koude Oorlogslogica blijft eerder vaag: dialoog, partnerschap en samenwerking tussen landen, waarbij vooral de grote landen de meeste verantwoordelijkheid hebben (p.133). Dat lijkt overeen te komen met wat wereldleiders nu zelf al beweren (hoewel niet toepassen) en is niet uitgewerkt in dit boek. Om de metafoor verder te zetten: wanneer de muiters hun slag hebben geslagen en de boot hebben veroverd, weten we nog niet precies waarheen het schip moet varen.

Dat geldt ook voor de rol van de EU. Het verbaast niet dat het boek de gekende kritieken op de “bezuinigingsfetish” van de EU overneemt (p.89). Terecht laakt Mertens het imperiale uitbreidingsbeleid (ook met Oekraïne), het slaafse volgen van Duitsland (binnen de EU) en van de VS (op wereldvlak). Hij beschrijft ook hoe belangen van de Europese agribusiness een rol speelden in de associatiepolitiek tegenover Oekraïne (pp.201-204). Verder waarschuwt hij voor een Europees imperialistisch project met een eigen protectionisme (p.141). Hij verwijst ook een paar keer naar de ‘Doe De Switch’-campagne van de PVDA, maar meer informatie over welke koers de EU concreet moet varen krijgen we niet. Europa moet “ongebonden zijn, een breder waaier van relaties aangaan in plaats van zich in strategisch blokdenken op te sluiten en moet eerlijke handelsakkoorden nastreven met landen van het Zuiden” (pp. 141-142). Opnieuw, dat laatste strookt met wat de meeste Europese politici vandaag al stellen – althans in hun discours. Wat eerlijke handelsakkoorden dan precies inhouden, is niet zo duidelijk.

Een meer onafhankelijk Europa staat jammer genoeg niet garant voor een minder gewelddadig Europa – zoals ook de pas overleden vredesonderzoeker Johan Galtung wellicht zou beamen. Het wordt ook vaak onderschat in welke mate de EU nu al een sterke internationale rol speelt, maar dan in problematische zin. Denk bijvoorbeeld aan het grensbeleid met de versterking van Frontex en de vele migratieakkoorden, aan de internationale handelsakkoorden met bijvoorbeeld Canada, Nieuw-Zeeland, Japan (de akkoorden met de VS en Mercosur zijn mislukt, deels door muiterij), de neokoloniale Economische Partnerschapsakkoorden met voormalige kolonies, etc. Zelfs nu Europese handelsakkoorden strengere eisen stellen op het vlak van duurzaamheid in derde landen, blijven ze sterk ingebed in een neokoloniale logica.

Het hoofdstuk over de EU vermeldt ook de Europese vredesmythe. Mertens herbevestigt hiermee het klassieke verhaal dat de Europese eenmaking geboren zou zijn uit de overtuiging dat vrede tussen de Europese grootmachten noodzakelijk is voor de toekomst van het continent (p.134). Zo’n optimistische framing van de EU-geschiedenis is nogal populair, wellicht omdat die het makkelijker maakt om een positieve en hoopvolle boodschap te brengen over de vreedzame rol die die EU vandaag zou moeten spelen. Maar de voorbije jaren hebben nogal wat historici, op basis van archiefonderzoek, de minder nobele drijfveren achter de Europese eenmaking blootgelegd. Ze wijzen in het bijzonder op de pogingen om de nakende dekolonisatie van Afrika te counteren met behulp van een nieuwe tegenmacht op Europees niveau.

Zo was er een consensus bij de onderhandelaars van het Verdrag van Rome (1957) dat de Europese Economische Gemeenschap (EEG) moest toelaten om het kolonialisme verder te zetten via een ‘Eurafrikaanse’ associatie die de dreigende dekolonisering zou counteren. De EEG was ook reactie tegen het opkomende panafrikanisme van Kwame Nkrumah, Léopold Senghor, Sékou Touré en anderen (sommigen onder hen komen ook voor in het boek). De onderhandelingen over de EEG (1955-57) verliepen samen met de muiterijen van Bandung (1955), de Suezcrisis (1956), de opkomende pleidooien voor een NIEO etc. Ze waren een expliciete poging van Frankrijk, België en (deels) Nederland om antikoloniale en panafrikaanse bewegingen te stoppen, door als het ware het kolonialisme te europeaniseren. Voor Duitsland was dit een mooie kans om ook toegang te krijgen tot de Franse en Belgische kolonies, en voor Italië om de overbevolking op te lossen door mensen te laten emigreren naar Afrika.

Een meer onafhankelijk Europa staat jammer genoeg niet garant voor een minder gewelddadig Europa.

De stichtende leden van de EEG, waaronder ook België met Paul Henri Spaak in een hoofdrol, waren het volmondig eens met die koloniale kijk. Bij de ondertekening van de Verdragen van Rome in 1957 was helemaal niets voorzien over een eventuele onafhankelijkheid. De kolonies van de lidstaten werden helemaal opgenomen in het EEG-kader via associatieregimes. Algerije was zelfs integraal grondgebied van de EEG bij haar oprichting – hoewel je dat op veel kaarten niet (of zelfs marginaal) zal zien. De EEG heeft de rol van België, Frankrijk en andere lidstaten in antikoloniale oorlogen ook nooit veroordeeld (integendeel). Denk bijvoorbeeld aan de Algerijnse oorlog van 1954-1962 of de Belgische unilaterale militaire interventie in Congo na de onafhankelijkheid in juli 1960. De Verdragen van Rome zwegen ook in alle talen over de naoorlogse mensenrechtenverdragen, precies omdat deze problematisch waren vanuit koloniaal perspectief.

Kortom, de EU is niet ontspoord als aanvankelijk vredesproject, maar de koloniale logica is onderdeel van haar DNA. De EU is nooit een vredesproject geweest, de Nobelprijs van 2012 ten spijt. Het is een mythe die ook door veel onderzoekers bestendigd is en waarin ook de Europese Commissie een rol speelt, onder meer door het financieren van onderzoeksprojecten. De pogingen tot uitbuiting van het Zuiden én van Oost-Europa zijn een constante in de EU-geschiedenis. Dat inzicht maakt het ook makkelijker om de huidige rol van de EU te duiden in bepaalde regio’s zoals de Sahel, en uiteraard ook tegenover het Israëlische apartheidsregime en de genocide in Gaza.

Nog meer muiterij

Nu we toch stof aan het aanleveren zijn voor volgende boeken: er zijn minstens nog drie andere recente muiterijen die meer centraal hadden kunnen staan in het boek. Meer bepaald de anti-racisme beweging (sinds Black Lives Matter, dekolonisering, etc.), de klimaatbeweging (schoolstakingen, klimaatklevers, etc) en de feministische beweging (#metoo, LGBT+ activisme, etc). Ze werden alle drie zeer actueel in de voorbije jaren, ze zijn transnationaal georganiseerd en manifesteerden zich lokaal op verschillende manieren. Meer en meer theoretici (en ook activisten) leggen de link tussen de klassieke sociale strijd en die andere muiterijen. Met een dure term spreken ze dan over intersectionele rechtvaardigheid, namelijk erop wijzend dat al deze vormen van onderdrukking samenhangen en dat we ze ook enkel samen goed kunnen begrijpen. In het boek staan wel een aantal korte verwijzingen naar bijvoorbeeld vrouwenbewegingen in India en de oneerlijke gevolgen van het westerse klimaatbeleid, maar hier is dus ruimte voor meer analyse. Zeker in het ‘benedendek’ zien we dat de strijd tegen het kapitalisme samengaat met een strijd tegen de klimaatopwarming, tegen het patriarchaat en tegen allerlei vormen van racisme. Het is ook hier dat de hoop op progressieve verandering zich situeert – meer dan op het bovendek.