Artikels

Authenticiteit, een politieke deugd?

Ogenschijnlijk heeft de geschiedenis politiek en beleefdheid zo nauw met elkaar verbonden dat grofheid vandaag als een vorm van verzet wordt gezien. Er is een nieuwe stijl van leiderschap ontstaan die opvalt door zijn dreigementen, zijn beledigingen, en zijn gezwaai met kettingzagen. De aanhangers van deze nieuwe stijl doen zich voor als ‘authentieke’ aanhangers van het anti-establishment. Hun reactie op het tanende vertrouwen in de institutionele politiek wakkert echter het groeiende wantrouwen verder aan.

Shutterstock

In de realityshow The Apprentice nam Donald Trump aspirant-ondernemers in dienst en ontsloeg hij ze. Hij pochte destijds dat hij ook was uitgeroepen tot beste televisieacteur. De miljardair voegde er echter aan toe: ‘Ik speel geen rol. Ik ben gewoon mezelf’. Die opmerking legt de ambivalenties bloot van een genre waarin gescript drama vermengd wordt met authentieke reacties. In zekere zin bleek Trumps gedrag zowel in overeenstemming als in tegenspraak met de codes van het programma. In overeenstemming, omdat de toekomstige president op televisie een reeks eigenschappen vertoonde die al met zijn publieke imago werden geassocieerd: dat van een zakenman die laveert tussen verleiding en psychologische intimidatie. In tegenspraak echter, omdat zijn onhandelbare temperament hem ertoe bracht regelmatig af te wijken van het script dat de producenten rond zijn personage hadden opgesteld. Hij deed dat met zo’n overtuiging dat hij de controle over het verhaal overnam.

Guillaume Orignac est réalisateur et auteur d’essais sur la culture contemporaine. Ses analyses paraissent régulièrement dans Le Monde Diplomatique.
Guillaume Orignac is filmmaker en auteur van essays over de hedendaagse cultuur. Zijn analyses verschijnen regelmatig in Le Monde Diplomatique.

Het succes van The Apprentice katapulteerde de figuur van Trump van de roddelbladen naar de grote media. De serie presenteerde hem als een onfeilbare ondernemer. Die reputatie zou hem de onverwachte brede steun opleveren. Tijdens de Republikeinse voorverkiezingen van 2016 kon hij er maximaal van profiteren.1 ‘Niet meespelen’, om het in zijn eigen woorden te zeggen, stelde hem in staat zich te onderscheiden van de traditionele kandidaten. Die werden gezien als louter vertolkers van een door anderen geschreven rol. De conservatieve historicus Victor Davis Hanson merkte tijdens de campagne op dat, hoewel Trump ‘afstotelijk en vulgair’ was, zijn ‘grove authenticiteit’ hem in staat stelde zijn al te conventionele tegenstanders te overschaduwen.2 Door ‘zichzelf te zijn’ kon hij de traditionele beperking overstijgen waarmee politici worden geconfronteerd: enerzijds moeten ze trouw lijken aan hun overtuigingen maar tegelijkertijd moeten ze een publieke rol spelen én een presidentieel aura uitstralen.

De noodzaak om een onderscheid te maken tussen het publieke en het privéleven van politici, lange tijd een hoeksteen van de moderne politiek, begint aan het einde van de twintigste eeuw af te brokkelen.

Al sinds Jean-Jacques Rousseau wordt deze spanning tussen theatraliteit en politiek geprezen of veroordeeld. De Franse filosoof had zich opvallend verzet tegen de opening van een theater in Genève. Hij argumenteerde dat deze kunst ertoe neigt het verlangen te bevredigen om buiten onszelf te treden. De acteur, zo merkte hij op in zijn Brief aan d’Alembert uit 1758, beheerst de ‘kunst van het doen alsof, een gedrag dat schadelijk is voor de politiek omdat het burgers aanmoedigt om te bedriegen en hun ware aard te verbergen.’ Met andere woorden, het creëert het gevaar van een theatralisering van de democratie in plaats van collectief overleg te bevorderen. Van dat laatste is de volksvergadering het model, niet het theater.

‘Mensen zoals u en ik’

Maar er was ook een andere vorm van publieke aanwezigheid mogelijk, zo betoogde Rousseau: die van de redenaar. Wanneer deze in het openbaar verschijnt, ‘is dat om te spreken en niet om een spektakel op te voeren: hij vertegenwoordigt alleen zichzelf, speelt alleen zijn eigen rol, spreekt alleen in eigen naam, zegt of moet alleen zeggen wat hij denkt; aangezien de man en het personage hetzelfde wezen zijn, is hij op zijn plaats.’3 Zo staat de authenticiteit van de redenaar, die trouw blijft aan zichzelf, haaks op het bedrog en het verraad waar de acteur zijn beroep van maakt.

Daniel Zamora is hoogleraar sociologie aan de Université Libre de Bruxelles. Hij is co-auteur van Welfare for Markets : A Global History of Basic Income ( University of Chicago Press, 2023, met Anton Jäger ).

Met het einde van het Ancien Régime en de geleidelijke ontwikkeling van de representatieve democratie, werd het maken van een duidelijk onderscheid tussen de publieke en de privépersoon van de politicus een pijler van de moderne politiek. Aan het begin van de twintigste eeuw vatte de socioloog Max Weber deze spanning samen door de ethiek van de overtuiging tegenover de ethiek van de verantwoordelijkheid te plaatsen. Politici zijn volgens Weber verplicht om een ‘hartstochtelijke toewijding aan een zaak’ te tonen en tegelijkertijd, net als de acteur, een ‘onthechting van zichzelf’ te bewaren.4 Van zodra de kandidaat is gekozen, wordt die tegenstrijdigheid nog sterker, aangezien het mandaat impliceert dat men zich houdt aan de scripts en kunstgrepen die het ambt vereist. Met andere woorden: de politiek verbindt de kunst van het regeren nauw met de kunst van de enscenering.

Naarmate de betrokkenheid bij massabewegingen afneemt, groeit de afkeer van de publieke rol en identificeren kiezers zich steeds sterker met de persoon achter de politicus.

In tegenstelling tot Rousseau neigt de moderne politicus er dus naar om zich als acteur te gedragen om zijn functie te kunnen uitoefenen. In de jaren zeventig ontdekte de Amerikaanse socioloog Richard Sennett zelfs een diepe verwantschap tussen het openbare leven en de theatraliteit. Een democratische publieke sfeer, zo legt hij uit in The Fall of Public Man (1977)5, vereist toegang tot vormen van spel die zowel burgers als politici in staat stellen maskers te dragen. Zij moeten zichzelf kunnen ensceneren, los van hun intieme of privéleven. De ‘theatraliteit’, concludeert Sennett, onderhoudt zowel een ‘antagonistische relatie met de intimiteit’ als, omgekeerd, een ‘positieve relatie met een sterk openbaar leven’.6 Rousseau’s afwijzing van de acteur verdwijnt daarmee echter niet. Sennett constateert dat een introspectieve opvatting van het zelf in de loop van de twintigste eeuw de openbare ruimte begint te ondermijnen. De ‘moderne obsessie met authenticiteit’, merkt hij op, ondermijnt het vermogen van burgers om zich in te zetten voor ‘uiterlijke zelfbeelden’ die nochtans noodzakelijk zijn voor het maatschappelijk leven. Volgens hem maakt de ‘ideologie van de intimiteit’ de persoonlijkheid van de kandidaten belangrijker dan hun ideologische overtuigingen.

Deze dynamiek werd zichtbaar door de ontwikkeling, in dezelfde periode, van de eigenschappen die aan de ‘goede politicus’ werden toegeschreven. De Amerikaanse Erica J. Seifert merkte op dat politici moeten voldoen aan steeds hogere eisen op het gebied van authenticiteit.7 In de Verenigde Staten legde presidentskandidaat James Carter de nadruk op eerlijkheid en transparantie na de ineenstorting van het publieke vertrouwen door het Watergate-schandaal. Hij zette daarmee een beslissende stap in deze verschuiving. Om de woorden van de New York Times (5 augustus 1979) te gebruiken: Carter voerde campagne als een ‘antipoliticus tegen het “establishment” in Washington’. Hij legde daarbij minder nadruk op een politiek programma dan op het in de schijnwerpers zetten van zijn persoonlijkheid als man van het volk, die een beroep deed op ‘mensen zoals u en ik’. Nadat het paranoïde presidentschap van Richard Nixon het beeld had gecreëerd van het Witte Huis als een ‘bunker van geheimen’, kwam de verheerlijking van zijn persoonlijke integriteit aantrekkelijk over.

De relatie van de Amerikanen tot de politiek veranderde door de opkomst van de televisie en de teloorgang van de politieke partijen. De eisen om ‘authenticiteit’ namen het daaropvolgende decennium dan ook toe. Zoals Seifert opmerkt: ‘Ze werden minder geneigd zich aan te sluiten bij politieke partijen, beoordeelden kandidaten steeds vaker op basis van hun persoonlijke kwaliteiten en waren minder bereid zich persoonlijk, emotioneel en cultureel nog te vereenzelvigen met hun politieke keuzes.’ Met andere woorden: naarmate burgers zich minder organiseren binnen gestructureerde politieke organisaties – een verschijnsel dat bekendstaat als de desintermediatie van de politiek – hechten zij steeds meer belang aan het afwerpen van het masker op het publieke toneel.

Nu stabiele institutionele kaders voor het vormen van collectieve identiteiten ontbreken, is het privéleven uitgegroeid tot de voornaamste basis voor politieke oordeelsvorming.

Sinds de jaren negentig en 2000 zijn dergelijke verwachtingen schering en inslag geworden, vooral nu sociale media de leemte opvullen die is ontstaan door de terugloop van massa-organisaties, waardoor de traditionele grenzen tussen privé en publiek aan beide kanten van het politieke spectrum vervagen.

Sennett had echter niet voorzien dat de achteruitgang van collectieve vormen van politieke verbondenheid niet zou leiden tot depolitisering. Integendeel, bij gebrek aan stabiele institutionele kaders voor het vormen van politieke identiteiten neemt de politisering van het privéleven juist toe, omdat die zich nergens anders kan verankeren. Zoals politicoloog Anton Jäger aantoonde, heeft de desintermediatie de politiek niet in het privéleven doen opgaan, maar heeft ze het privéleven tot drager gemaakt van politieke opvattingen.8

De ineenstorting van het vertrouwen in de representatieve instellingen tijdens deze periode moedigde echter een andere impuls aan. De verwachting dat men zich conformeert aan bepaalde modellen van ‘normaliteit’ (berekende bekentenissen, uitstapjes met het openbaar vervoer, het in scène zetten van een alledaags leven) wordt vervangen door de drang om zich in het openbaar te tonen als iemand die vijandig staat tegenover de meest gangbare sociale normen en rollen. Deze transformatie van authenticiteit – van een existentiële benadering, gebaseerd op levensstijl, naar een expressieve benadering, gedragen door temperament – heeft de vormen van politieke meningsuiting hertekend. Dit kan gedeeltelijk het succes verklaren van figuren als Trump, Boris Johnson, Javier Milei of Giorgia Meloni. Hoe minder vertrouwen we hebben in instellingen en partijen, hoe meer we van politici verwachten dat ze trouw blijven aan zichzelf in plaats van aan de functie die ze bekleden.

Door op een humoristische, directe en ‘authentieke’ manier met het electoraat om te gaan, slagen politici erin mensen zonder gedeelde identiteit toch te verenigen – én hen de tegenstrijdigheden in hun eigen discours te doen vergeten.

De weigering om in het openbaar een masker te dragen schrapt ogenschijnlijk, net als bij de redenaar à la Rousseau, de afstand tussen de vertegenwoordiger en de vertegenwoordigde. Daardoor wordt de eerste de emotionele spiegel van de tweede. Het is precies deze figuur die Trump belichaamt. Door het systematisch gebruik van sarcasme en beledigingen toont hij een persoonlijkheid die authentiek lijkt, bevrijd van de conventies van het klassieke politieke discours, en put hij uit de tradities van de Amerikaanse stand-up comedy.9 Zijn schending van de codes fungeert als een bindmiddel met het electoraat en toont aan dat hij niet tot het establishment behoort – ook al is hij er zelf uit voortgekomen.

Hoewel Trump vandaag de grensoverschrijdende authenticiteit belichaamt, heeft hij ze niet uitgevonden. Die benadering kwam voor het eerst naar voren in het Italiaanse politieke laboratorium, met de opkomst van Giuseppe (‘Beppe’) Grillo. Grillo, een komiek die zich omschoolde tot politiek agitator, slaagde er via een uniek persoonlijk traject in om de codes van de humor over te brengen naar het politieke veld. Nadat hij eind jaren tachtig van de Italiaanse televisie was verbannen na een reeks provocaties tegen de Socialistische Partij van Bettino Craxi, veranderde hij zijn shows in comizi (politieke bijeenkomsten) en vervolgens maakte hij van zijn blog een mobilisatieplatform. In 2009 richtte hij de Vijfsterrenbeweging op.10 Zijn overgang van de humoristische podiumwereld naar de politiek was geen breuk, maar een vervolg. Een vervolg dat werd gekenmerkt door de emotionele toon van verontwaardiging, de afwijzing van institutionele bemiddeling en het rechtstreeks aanspreken van het volk als publiek.

Dit model, dat zorgvuldig is afgestemd op de dubbele eis van informaliteit en politieke desintermediatie, heeft zich over de hele wereld verspreid. In Brazilië heeft Jair Bolsonaro een provocerende stijl ontwikkeld, waarbij hij gebruikmaakte van seksistische grappen en opzettelijke verbale uitschieters om zijn afstand tot de traditionele politieke klasse te benadrukken.

In Argentinië voerde Milei deze logica nog verder door: hij verscheen op televisie terwijl hij schreeuwde en met een kettingzaag zwaaide. In zijn optredens fungeert de theatraliteit van de woede als een bewijs van authenticiteit in een verlamd politiek klimaat.

Een dergelijke houding is in de eerste plaats een reactie op de structurele problemen waarmee politieke actoren in dit gedesintermedieerde landschap worden geconfronteerd. Ze maakt het mogelijk om het beeld van het ‘volk’ in een geatomiseerde samenleving te verankeren. Bij gebrek aan stabiele collectieve identiteiten brengt de gedeelde emotionele identificatie – het lachen, de verontwaardiging, de jubelende grensoverschrijding – de componenten van een heterogeen electoraat samen. Ze biedt tevens een manier om het wantrouwen jegens elites en instellingen te overwinnen. Door zijn overdrijvingen toont de authentieke leider zijn afstand tot een in diskrediet geraakt politiek spel. Ten slotte beantwoordt ze aan de behoefte aan retorische en ideologische flexibiliteit die nodig is om een heterogeen electoraat tevreden te stellen. Omdat deze vorm van legitimiteit steunt op emotionele intensiteit in plaats van op programmatische coherentie, stelt zij politici in staat zich te onttrekken aan de eis van consistentie die vroeger kenmerkend was voor het klassieke politieke discours.

Niet-artistieke acteurs

Juist dankzij haar buitengewone ideologische flexibiliteit biedt het beroep op authenticiteit een antwoord op de crisis van de politieke vertegenwoordiging. Toch blijft het een delicate aangelegenheid. De enscenering ervan slaagt alleen door middel van een zeer gecontroleerde vorm van spel. Voor hedendaagse leiders is het een op maat gemaakte publieke versie van zichzelf – een beetje als een stand-upcomedian die de illusie wekt dat hij zonder script werkt.

De opvoering van authenticiteit in de politiek doet zo het onderscheid verdwijnen dat Rousseau maakte tussen de acteur en de redenaar: de redenaar wordt een nieuw soort acteur. Anders gezegd: de impulsieve uitvallen van Donald Trump, de geënsceneerde woede van Javier Milei en de nadrukkelijke grimassen van Giorgia Meloni vormen geen afwijking van de politieke communicatie, maar juist haar nieuwe grammatica. De retorische paradox van de hedendaagse publieke ruimte is dan ook dat in een samenleving die sterk getheatraliseerd is, maar haar regieaanwijzingen en repertoire verloor, degene die op het eerste gezicht het minst professioneel overkomt, het meest authentiek lijkt. Richard Sennett omschreef het fenomeen als dat van ‘niet-artistieke acteurs’. Onhandigheid, verspreking en houterige gebaren worden zo signalen van een afwijzing van enscenering – misschien wel de meest verfijnde vorm van theater.

Vertaling van Daniel Zamora en Guillaume Orignac L’authenticité, vertu politique ?”, Le Monde Diplomatique, juni 2026. Lava Media maakt deel uit van Les éditions internationales van Le Monde Diplomatique. Maandelijks publiceren we in Nederlandse vertaling drie artikels uit het Franse maandblad. Vertaling door Jan Reyniers.

Footnotes

  1. Kim Eunji en Patterson Shawn, ‘The American viewer: Political consequences of entertainment media’, American Political Science Review, Cambridge University Press, vol. 119, n° 2, mei 2025.
  2. Victor Davis Hanson, The Case for Trump, Basic Books, New York, 2024.
  3. Jean-Jacques Rousseau, Lettre à d’Alembert sur les spectacles, 1758.
  4. Max Weber, Le Savant et le Politique, 10/18, Parijs, 1963 (1e uitgave in het Duits : 1919).
  5. In het Nederlands verschenen als De tirannie van de intimiteit, Amsterdam, Bert Bakker, 1982.
  6. Richard Sennett, Les Tyrannies de l’intimité, Seuil, Parijs, 1979.
  7. Erica J. Seifert, The Politics of Authenticity in Presidential Campaigns, 1976-2008, McFarland & Company, Jefferson, 2012.
  8. Anton Jäger, Hyperpolitics, Verso, Londen, 2026.
  9. Zie Guillaume Orignac, ‘Donald Trump, seul en scène’, Le Monde diplomatique, juli 2025.
  10. Zie Raffaele Laudani, ‘Encore un homme providentiel pour l’Italie’, Le Monde diplomatique, september 2012.