Artikel

Antikapitalisme in tijden van corona

David Harvey

— 23 juni 2020

Het enige beleid dat de wereldwijde crisis ten gevolge van de pandemie kan bedwingen, is socialistisch. Maar de heersende oligarchie zal er ongetwijfeld naar streven dat het nationaalsocialistisch wordt.

Wanneer ik de dagelijkse nieuwsstroom probeer te interpreteren, te begrijpen en te analyseren, bekijk ik de gebeurtenissen binnen een context van twee verschillende maar elkaar kruisende modellen van de werking van het kapitalisme.

Het eerste niveau is het in kaart brengen van de interne tegenstrijdigheden van de circulatie en de accumulatie van kapitaal als geldwaardestromen op zoek naar winst door de verschillende “momenten” (zoals Marx ze noemt) van productie, realisatie (consumptie), distributie en herinvestering. Dit model bekijkt de kapitalistische economie als een spiraal van eindeloze uitbreiding en groei. Het wordt behoorlijk ingewikkeld als het wordt uitgewerkt vanuit bijvoorbeeld het perspectief van geopolitieke rivaliteit, ongelijke geografische ontwikkelingen, financiële instellingen, overheidsbeleid, technologische herschikkingen en het steeds veranderende web van arbeidsverdelingen en sociale verhoudingen.

Ik zie dit model echter ingebed in een bredere context van sociale reproductie (in huishoudens en gemeenschappen), in een voortdurende en steeds veranderende metabolische verhouding met de natuur (inclusief de “tweede natuur” van de verstedelijking en bebouwing) en allerlei culturele, wetenschappelijke (kennisgebaseerde), religieuze en de latente maatschappelijke structuren die de menselijke bevolking doorgaans in de ruimte en de tijd creëert. Deze laatste “momenten” omvatten de actieve uitdrukking van menselijke wensen, behoeften en verlangens, de honger naar kennis en betekenis en de steeds evoluerende zoektocht naar vervulling tegen een achtergrond van veranderende institutionele overeenkomsten, politieke strijd, ideologische confrontaties, verliezen, nederlagen, frustraties en vervreemding, dit alles uitgewerkt in een wereld van uitgesproken geografische, culturele, sociale en politieke diversiteit.

Dit tweede model vormt als het ware mijn praktisch begrip van het mondiale kapitalisme als een specifiek sociaal systeem, terwijl het eerste gaat over de tegenstrijdigheden binnen de economische motor die dit sociaal patroon langs bepaalde wegen van haar historische en geografische evolutie voortstuwt.

Van epidemie naar algemene crisis: een spiraal

Toen ik op 26 januari 2020 voor het eerst las over een coronavirus dat terrein won in China, dacht ik meteen aan de gevolgen voor de mondiale dynamiek van de kapitaalaccumulatie. Ik wist uit mijn studie van het economisch model dat blokkeringen en storingen in de continuïteit van de kapitaalstroom zouden leiden tot devaluaties en dat, als de devaluaties wijdverbreid en diepgaand zouden worden, dat het begin van een crisis zou betekenen. Ik was me er ook van bewust dat China de op één na grootste economie ter wereld is en dat het het mondiale kapitalisme in de nasleep van de jaren 2007-2008 effectief heeft gered. Bijgevolg zal elke klap op de Chinese economie ongetwijfeld ernstige gevolgen hebben voor een wereldeconomie die in ieder geval al in een hachelijke toestand verkeerde. Het gangbare model van kapitaalaccumulatie verkeerde volgens mij al in grote problemen. Bijna overal, van Santiago tot Beiroet, waren er protestbewegingen op gang gekomen, waarvan velen gericht waren op het falen van het dominante economische model voor het gros van de bevolking. Dit neoliberale model steunt steeds meer op fictief kapitaal, een enorme uitbreiding van de geldvoorraad en de creatie van een schuldenberg. Het wordt nu al geconfronteerd met het probleem dat er onvoldoende effectieve vraag is om de waarden te realiseren die het kapitaal kan produceren. Hoe zou het dominante economische model, met zijn tanende legitimiteit en zwakke gezondheid, de onvermijdelijke gevolgen van een potentiële pandemie kunnen opvangen en overleven? Het antwoord was sterk afhankelijk van hoe lang de ontwrichting zou duren en zich zou verspreiden, want zoals Marx aangaf, vindt er geen devaluatie plaats omdat grondstoffen niet kunnen worden verkocht, maar omdat ze niet op tijd worden verkocht.

De economische en demografische gevolgen van het virus zijn afhankelijk van de gaten in het huidig economische model.

Ik weiger al lang om “de natuur” te zien als iets dat buiten en los staat van cultuur, economie en het dagelijks leven. Ik heb een meer dialectische en relationele kijk op de metabolische verhouding met de natuur. Het kapitaal wijzigt de omgevingsvoorwaarden van zijn eigen reproductie, maar doet dit in een context van ongewilde gevolgen (zoals klimaatverandering) en tegen de achtergrond van autonome en onafhankelijke evolutionaire krachten die de omgevingsfactoren zelf voortdurend veranderen. Vanuit dit oogpunt bestaat er niet zoiets als een echte natuurramp. Virussen muteren uiteraard de hele tijd. Maar de omstandigheden waarin een mutatie levensbedreigend wordt, zijn afhankelijk van het menselijk handelen. Er zijn twee relevante aspecten.

Ten eerste: gunstige omgevingsfactoren verhogen de kans op krachtige mutaties. Het is bijvoorbeeld aannemelijk dat een snelle, intense en wanordelijke ingreep in habitat en voedselketens in bijvoorbeeld de vochtige subtropen hieraan kunnen bijdragen. Dergelijke systemen bestaan op veel plaatsen, onder andere in China ten zuiden van de Yangtse en Zuidoost-Azië. Ten tweede bestaat er een waaier aan omstandigheden die een snelle overdracht tussen de gastlichamen bevorderen. Een hoge bevolkingsdichtheid maakt hiervan uiteraard deel uit. Het is bekend dat bijvoorbeeld mazelenepidemieën alleen in grotere stedelijke bevolkingscentra voorkomen, maar in dunbevolkte regio’s snel uitsterven. De manier waarop mensen met elkaar omgaan, zich bewegen, discipline aan de dag leggen of vergeten hun handen te wassen, heeft invloed op de manier waarop ziekten worden overgedragen.

De laatste tijd lijken SARS, vogelgriep en Mexicaanse griep uit China of Zuidoost-Azië te komen. China heeft het afgelopen jaar ook zwaar te lijden gehad van de varkenspest, waardoor de varkens massaal zijn geslacht en de prijzen voor varkensvlees zijn gestegen. Ik zeg dit alles niet om China met de vinger te wijzen. Er zijn genoeg andere plaatsen waar de milieugevaren voor virusmutatie en -verspreiding hoog zijn. De Spaanse griep van 1918 is waarschijnlijk in Kansas begonnen. De westnijlziekte en ebola zijn uitgebroken in Afrika, HIV/AIDS allicht ook, terwijl dengue of knokkelkoorts in Latijns-Amerika lijkt te floreren. Maar de economische en demografische gevolgen van de verspreiding van het virus zijn afhankelijk van reeds bestaande gaten en kwetsbaarheden in het heersende economische model.

Het totaal aantal internationale reizen is tussen 2010 en 2018 gestegen van 800 miljoen naar 1,4 miljard.

Ik was niet al te verbaasd dat COVID-19 in eerste instantie in Wuhan werd gevonden (hoewel niet bekend is of het daar is ontstaan). De lokale effecten moesten dan ook aanzienlijk zijn en, vermits dit een groot industriecentrum is, met allicht wereldwijde economische gevolgen (hoewel ik geen idee had van de omvang ervan). De grote vraag was hoe de besmetting en de verspreiding zouden gebeuren en hoe lang het zou duren — tot er een vaccin wordt gevonden, allicht? Uit vroegere ervaringen kennen we de nadelen van de toenemende globalisering en weten we dat het onmogelijk is om een snelle internationale verspreiding van nieuwe ziekten te stoppen. We leven in een sterk verbonden wereld waar bijna iedereen reist, met enorme menselijke netwerken voor potentiële verspreiding die steeds open staan. Het gevaar (economisch en demografisch) was dat de storing een jaar of langer zou duren.

Terwijl er een onmiddellijke terugval was op de wereldwijde aandelenmarkten toen het eerste nieuws binnenstroomde, bereikten de markten verrassend genoeg een maand of iets later nieuwe hoogtepunten. Als we het nieuws mochten geloven was het business as usual, behalve in China. Het leek erop dat we een herhaling van SARS zouden meemaken, dat vrij snel in de kiem gesmoord kon worden gehouden met weinig invloed op de rest van de wereld, ook al was er een hoog sterftecijfer en ontstond er (achteraf gezien) onnodig veel paniek op de financiële markten. Toen COVID-19 de kop opstak, schilderde men het overwegend af als een herhaling van SARS: onnodig om te panikeren. Het feit dat de epidemie in China woedde, dat snel en vastberaden de gevolgen ervan probeerde in te dammen, leidde er ook toe dat de rest van de wereld het probleem ten onrechte behandelde als iets wat zich “daarginder” afspeelde, uit het zicht, ver van ons bed (met daarbij verontrustende tekenen van anti-Chinese xenofobie in bepaalde delen van de wereld). Het virus kwam stokken steken in het wiel van het anders zo triomfantelijke Chinees groeiverhaal, wat in bepaalde kringen van de Trump-administratie zelfs met blijdschap werd onthaald. Maar dan begonnen er verhalen de ronde te doen over de onderbrekingen in de wereldwijde productieketens die door Wuhan gaan. Men had ze grotendeels genegeerd of gewoon gezien als problemen voor welbepaalde productielijnen of bedrijven (zoals Apple). De devaluaties waren lokaal en specifiek, niet systemisch. De tekenen van een dalende consumptievraag waren ook geminimaliseerd, hoewel bedrijven als McDonald ’s en Starbucks, die erg actief zijn op de Chinese binnenlandse markt, daar een tijdje hun deuren moesten sluiten. Het feit dat het Chinese Nieuwjaar samenviel met de uitbraak van het virus maakte gedurende de hele maand januari de effecten onzichtbaar. De zelfgenoegzaamheid van deze reactie was erg misplaatst.

In het begin hoorde men hier en daar berichten over de internationale verspreiding van het virus met een ernstige uitbraak in Zuid-Korea en enkele andere brandhaarden zoals Iran. Het was de Italiaanse uitbraak die de eerste felle reactie uitlokte. De beurscrash die medio februari begon, was oorspronkelijk louter een schommeling, maar leidde midden maart tot een netto devaluatie van bijna 30 procent op de aandelenmarkten wereldwijd. De exponentiële toename van de besmettingen leidde tot een reeks van meestal onsamenhangende en soms zelfs paniekerige reacties. In het vooruitzicht van een mogelijke vloedgolf aan ziekte en dood, kroop president Trump in de rol van de Deense koning Knoet de Grote die dacht dat hij de zeeën kon bedwingen. Sommige reacties waren vreemd. Zo leek het bizar om de Centrale Bank in tijden epidemie lagere rentevoeten te laten toepassen, ook al werd erkend dat deze zet eerder bedoeld was om de gevolgen van het virus voor de markt te verzachten dan om de verspreiding van het virus tegen te gaan. Overheidsinstanties en gezondheidszorgsystemen kwamen bijna overal middelen tekort. Veertig jaar neoliberalisme in Noord- en Zuid-Amerika en Europa had de bevolking zeer kwetsbaar gemaakt en slecht voorbereid op een dergelijke volksgezondheidscrisis, hoewel eerdere schrikbeelden als SARS en ebola meer dan voldoende hadden gewaarschuwd. Ze hadden ook duidelijk geleerd wat er te doen stond. In veel delen van de zogenaamd “beschaafde” wereld zaten lokale en regionale overheden, die steevast het voortouw nemen in dit soort noodsituaties op het gebied van volksgezondheid en veiligheid, op droog zaad door een bezuinigingsbeleid om met dat geld belastingverlagingen voor en subsidies aan de bedrijven en de rijken te financieren.

De werkloosheid zal waarschijnlijk stijgen tot het niveau van de jaren dertig, als er geen massale overheidstussenkomst plaatsvindt.

Big Pharma heeft weinig of geen interesse in niet-commercieel onderzoek naar infectieziekten (zoals de hele familie coronavirussen die sinds de jaren zestig van de vorige eeuw bekend zijn). Big Pharma investeert zelden in preventie. Zij heeft er weinig belang bij te investeren in de voorbereiding op een crisis in de volksgezondheid. Zij houdt ervan om remedies te ontwikkelen. Hoe zieker we zijn, hoe meer ze verdienen. Preventie draagt niet bij tot het belang van de aandeelhouders, integendeel, preventie gaat in tegen de belangen van de aandeelhouders. Het bedrijfsmodel dat op de volksgezondheidsvoorziening wordt toegepast, hakte als een bijl in de overtollige opvangcapaciteit die in een noodsituatie nodig zou zijn. Preventie was niet eens een verleidelijk genoeg werkterrein om publiek-private samenwerking te rechtvaardigen. President Trump had het budget van het Centrum voor Ziektebeheersing verlaagd en de werkgroep voor pandemieën in de Nationale Veiligheidsraad ontbonden. In dezelfde geest had hij alle onderzoeksfinanciering, inclusief die voor klimaatverandering, verlaagd. Als ik hierop met een beeldspraak zou willen reageren, zou ik concluderen dat COVID-19 de wraak is van de natuur voor het gewelddadig, losgeslagen neoliberaal beleid dat al meer dan veertig jaar de natuurlijke hulpbronnen plundert.

Het is misschien symptomatisch dat de minst neoliberale landen — China, Zuid-Korea, Taiwan en Singapore — de pandemie tot nu toe beter hebben doorstaan dan Italië, hoewel Iran op deze redenering dan weer een uitzondering vormt. Terwijl China met SARS duidelijk de verkeerde maatregelen trof en het aanvankelijk zelfs verdoezelde en ontkende, eiste president Xi dit keer al snel transparantie, zowel in het rapporteren als in het testen, net zoals Zuid-Korea dat deed. Toch is er in China kostbare tijd verloren gegaan: slechts een paar dagen maken het verschil. Het boekte echter een opmerkelijk succes met het inperken van de epidemie tot de provincie Hubei, met Wuhan in het centrum. De epidemie is niet met dezelfde kracht naar Peking, het westen of nog verder naar het zuiden getrokken. Eind maart 2020 telde China geen nieuwe gevallen in Hubei en Volvo kondigde aan dat het de autoproductie weer op het normale niveau kon brengen terwijl de rest van de wereldwijde auto-industrie haar activiteiten stopzette. De maatregelen om het virus geografisch in te perken waren alomvattend en dwingend (zoals ze ook behoorden te zijn). Om politieke, economische en culturele redenen is het moeilijk ze elders toe te passen. Rapporten die uit China komen suggereren dat de behandelingen en het beleid allesbehalve zachtaardig waren. Bovendien hebben China en Singapore hun bevoegdheden op het gebied van persoonlijke bewaking en controle tot een ingrijpend en autoritair niveau gebracht. Maar ze lijken over het geheel genomen zeer effectief te zijn geweest, hoewel modellen voorstellen dat men veel sterfgevallen had kunnen vermijden als de maatregelen enkele dagen eerder in gang waren gezet. Dit is belangrijke informatie: in elk exponentieel groeiproces is er een punt en eens dit voorbij ontsnapt de groeiende massa aan elke controle (let hier nogmaals op de betekenis van “massa” ten opzichte van “groei”). Het feit dat Trump zoveel weken heeft getreuzeld, zal vrijwel zeker veel mensenlevens kosten.

De economische gevolgen zijn nu wereldwijd uit de hand aan het lopen. De verstoringen in de waardeketens van bedrijven en in bepaalde sectoren bleken meer systemisch en substantieel te zijn dan aanvankelijk werd gedacht. Het langetermijneffect kan zijn dat de toeleveringsketens worden verkort of gediversifieerd, terwijl er wordt overgestapt op minder arbeidsintensieve productievormen (met enorme gevolgen voor de werkgelegenheid) en een grotere afhankelijkheid van AI-productiesystemen. De verstoring van de productieketens leidt tot het ontslag of het verlof van werknemers, waardoor de uiteindelijke vraag afneemt, terwijl de vraag naar grondstoffen leidt tot een daling van de productieve consumptie ervan. Deze gevolgen aan de vraagzijde zouden op zich al een milde recessie hebben veroorzaakt.

Maar de grootste kwetsbaarheden lagen elders. De consumptiepatronen die na 2007-2008 zijn geëxplodeerd, zijn met verwoestende gevolgen ingestort. Deze patronen waren erop gebaseerd de omlooptijd van de consumptie zo dicht mogelijk tot nul te herleiden. De stroom van investeringen in dergelijke vormen van consumptiegedrag had alles te maken met een maximale opslorping van exponentieel toenemende hoeveelheden kapitaal in consumptievormen die de kortst mogelijke omlooptijd hadden. Symbool hiervoor staat het internationale toerisme. Het totaal aantal internationale reizen is tussen 2010 en 2018 gestegen van 800 miljoen naar 1,4 miljard. Deze vorm van “ervaringsgericht” consumptiegedrag vereiste enorme infrastructurele investeringen in luchthavens en luchtvaartmaatschappijen, hotels en restaurants, pretparken en culturele evenementen, enz. Dit terrein van kapitaalaccumulatie is nu ten dode opgeschreven; luchtvaartmaatschappijen zijn bijna failliet, hotels staan leeg en er dreigt massale werkloosheid in de horeca. Uit eten gaan is geen goed idee en restaurants en bars zijn op veel plaatsen gesloten. Zelfs take-away lijkt riskant. Het enorme leger van werknemers in de klusjeseconomie of in andere vormen van onzeker werk wordt ontslagen zonder zichtbare middelen van ondersteuning. Evenementen zoals culturele festivals, voetbal- en basketbaltoernooien, concerten, zakelijke en professionele congressen en zelfs politieke verkiezingsbijeenkomsten worden geannuleerd. Deze vormen van ervaringsgericht consumptiegedrag die bestaan dankzij evenementen, zijn stilgelegd. De inkomsten van de lokale overheden zijn ingestort. Universiteiten en scholen gaan dicht.

Een groot deel van het geavanceerde hedendaagse kapitalistische consumptiemodel is onder de huidige omstandigheden onuitvoerbaar. De drang naar wat André Gorz omschrijft als “compenserend consumptiegedrag” (waarbij vervreemde arbeiders verondersteld worden hun batterijen op te laden met een all-in reis op een tropisch strand) werd afgestompt.

Maar de hedendaagse kapitalistische economieën worden voor zeventig of zelfs tachtig procent gedreven door consumentisme. Consumentenvertrouwen en -stemming werden de afgelopen veertig jaar de sleutel tot het boosten van een effectieve vraag en het kapitaal is steeds meer vraag- en behoeftegestuurd geworden. Deze economische energiebron is niet onderhevig geweest aan wilde schommelingen (op enkele uitzonderingen na, zoals de IJslandse vulkaanuitbarsting die de trans-Atlantische vluchten een paar weken heeft geblokkeerd). Maar COVID-19 vormt niet de basis van een wilde schommeling, maar van een almachtige krach in het hart van het consumptiegedrag dat in de meest welvarende landen overheerst. De spiraalvorm van eindeloze kapitaalaccumulatie stort in, van het ene deel van de wereld naar overal elders. Het enige wat het kan redden is een door de overheid gefinancierde en geïnspireerde massaconsumptie die uit het niets wordt getoverd. Daarvoor is het nodig de hele economie in bijvoorbeeld de VS te socialiseren, zonder het socialisme te noemen. Wat er ook gebeurt, de wijdverbreide scepcis ten aanzien van regeringen met ruime bevoegdheden is begraven en het verschil tussen goede en slechte besturen wordt steeds meer erkend. Zelfs voor de financiers lijkt het een slecht idee om de overheid ondergeschikt te maken aan de belangen van de obligatiehouders en de financiers (zoals sinds 2007-2008 het geval is).

Frontlijnen

Er is dan een handig sprookje dat besmettelijke ziekten geen klasse of andere sociale barrières en grenzen erkennen. Zoals met vele van dit soort uitspraken, zit er ook hier een waarheid in. De cholera-epidemieën van de negentiende eeuw kenden hoegenaamd geen sociale grenzen en waren dramatisch genoeg om de basis te leggen van de beweging voor een (geprofessionaliseerde) openbare gezondheidszorg die tot op de dag van vandaag bestaat. Of deze beweging bedoeld was om iedereen te beschermen of alleen de hogere klassen was niet altijd duidelijk. Maar vandaag de dag vertellen de verschillende klassegebonden en sociale gevolgen een ander verhaal.

De economische en sociale gevolgen worden gefilterd door middel van “gebruikelijke” discriminaties, die overal zichtbaar zijn. Om te beginnen is de beroepsbevolking die geacht wordt voor de toenemende aantallen zieken te zorgen, in de meeste delen van de wereld doorgaans sterk bepaald door gender, ras en etnie. Het is een afspiegeling van de klassegebonden arbeidskrachten die bijvoorbeeld in luchthavens en andere logistieke sectoren te vinden zijn. Deze “nieuwe werkende klasse” wordt het hardst getroffen: ofwel lopen ze via hun werk een groot risico om door het virus besmet te worden, ofwel worden ze afgedankt; en dit zonder enige buffer, vanwege de economische bezuinigingen die het virus met zich meebrengt.

Zo is er bijvoorbeeld de vraag wie er thuis kan werken en wie niet. Dit scherpt de maatschappelijke breuklijn aan. Zo ook de vraag wie het zich kan veroorloven om zich te isoleren of in quarantaine te gaan (al dan niet verder uitbetaald) in geval van contact of besmetting. Op precies dezelfde manier als ik aangaf om de aardbevingen in Nicaragua (1973) en Mexico City (1985) “klassebevingen” te noemen, vertoont de voortgang van COVID-19 alle kenmerken van een klasse-, gender- en rassenpandemie. Terwijl de inspanningen om de situatie te verzachten worden gehuld in de retoriek dat “we allemaal in hetzelfde schuitje zitten”, geeft de praktijk, met name van de kant van de nationale regeringen, blijk van meer sinistere drijfveren. De hedendaagse arbeidersklasse in de Verenigde Staten (die voornamelijk bestaat uit Afro-Amerikanen, Latijns-Amerikanen en vrouwen in loondienst) wordt geconfronteerd met de verschrikkelijke keuze om ofwel besmet te worden in naam van de zorg en het openhouden van basisvoorzieningen (zoals kruidenierswinkels) ofwel werkloosheid te omarmen, zonder vergoedingen zoals adequate gezondheidszorg. Personeel met salaris (zoals ikzelf) werkt van thuis uit en trekt hun loon net als vroeger, terwijl CEO’s in privévliegtuigen en -helikopters rondvliegen. Werknemers in de meeste delen van de wereld zijn al langer sociale wezens die zich gedragen als goede neoliberale onderdanen (wat betekent dat ze zichzelf of God de schuld geven als er iets misgaat, maar nooit durven te suggereren dat het kapitalisme het probleem zou kunnen zijn). Maar zelfs goede neoliberalen kunnen zien dat er iets mis is met de manier waarop er op deze pandemie wordt gereageerd.

De grote vraag is: “Hoe lang gaat dit nog duren?” Het kan nog meer dan een jaar aanslepen en hoe langer dit is, hoe groter de devaluatie, ook van de beroepsbevolking. De werkloosheid zal vrijwel zeker stijgen tot een niveau dat vergelijkbaar is met dat van de jaren dertig van de vorige eeuw, als er geen massale overheidstussenkomsten plaatsvinden die tegen de neoliberale stroom ingaan. De onmiddellijke gevolgen voor de economie en voor het sociale dagelijkse leven zijn talrijk. Maar ze zijn niet allemaal slecht.

Er is een handig sprookje dat besmettelijke ziekten geen grenzen, klasse of andere sociale barrières zouden erkennen.

Het overdreven hedendaagse consumptiepatroon stond op het randje van wat Marx beschreef als “overconsumptie en krankzinnige consumptie, die uitdraait op iets ongewoon monsterlijks en de ondergang van het hele systeem betekent”. De roekeloosheid van deze overconsumptie heeft een grote rol gespeeld bij de aantasting van het milieu. De annulering van vluchten van luchtvaartmaatschappijen en de radicale beteugeling van het vervoer en de verplaatsingen hebben positieve gevolgen gehad voor de uitstoot van broeikasgassen. De luchtkwaliteit in Wuhan is momenteel veel beter dan in veel Amerikaanse steden. Ecotoeristische sites krijgen de tijd om te herstellen van trappelende voeten. De zwanen zijn teruggekeerd naar de kanalen van Venetië. In de mate dat de zin voor roekeloos en zinloos overconsumentisme wordt beteugeld, kan dit op de lange termijn voordelen opleveren. Minder doden op de Mount Everest zou een goede zaak kunnen zijn. En niemand durft het hardop te zeggen, maar de demografische voorkeur van het virus kan zich uiteindelijk op de leeftijdspiramides wreken, met langdurige gevolgen voor de sociale lasten en de toekomst van de “zorgsector”. Het dagelijks leven zal vertragen en voor sommige mensen zal dat een zegen zijn. De voorgestelde regels voor social distancing kunnen, als de noodsituatie lang genoeg duurt, leiden tot culturele verschuivingen. De enige vorm van ervaringsgericht consumptiegedrag die vrijwel zeker winst zal maken is wat ik de “Netflix”-economie noem, die zich toch al richt op “binge watchers”.

Aan economische kant zijn de reacties bepaald door de crash van 2007-2008 en de manier dat men toen uit de crisis is geraakt: een uiterst soepel monetair beleid in combinatie met het redden van de banken, aangevuld met een drastische toename van de productieve consumptie door een massale uitbreiding van de investeringen in de infrastructuur in China. Dit laatste kan niet op de vereiste schaal worden herhaald. De in 2008 opgezette reddingspakketten waren gericht op de banken, maar brachten ook de facto de nationalisatie van General Motors met zich mee. Het is wellicht veelzeggend dat de drie grote Detroitse autobedrijven door de ontevredenheid van hun werknemers en de ineenstorting van de marktvraag op zijn minst tijdelijk sluiten. Als China haar rol van 2007-2008 niet kan herhalen, dan verschuift de last om uit de huidige economische crisis te komen nu naar de Verenigde Staten, wat wel het toppunt van ironie zou zijn: het enige beleid dat zal werken, zowel economisch als politiek, is veel socialistischer dan wat Bernie Sanders ook maar zou kunnen voorstellen. En deze reddingsprogramma’s zullen moeten opgestart worden onder het wakend oog van Donald Trump, vermoedelijk in naam van Making America Great Again. Al die Republikeinen die zich zo fel verzetten tegen het reddinsplan van 2008 zullen in het stof moeten bijten of Donald Trump moeten verslaan. Deze laatste zal waarschijnlijk de verkiezingen met een nooddecreet annuleren en het begin van een keizerlijk presidentschap afkondigen om het kapitaal en de wereld te redden van oproer en revolutie. Als het enige beleid dat zal werken socialistisch is, dan zal de heersende oligarchie er ongetwijfeld naar streven hiervan een nationaalsocialisme te maken in plaats van een volkssocialisme. Het is de taak van de antikapitalisten om dit te voorkomen.

Een eerdere versie van dit artikel verscheen op 20 maart 2020 op de website van het Amerikaanse tijdschrift Jacobin.