|
In Harlem ontstaat in die tijd gaandeweg een zwarte burgerij die investeert in kunst en universiteitsstudies aanvat. Tegen die achtergrond duikt Langston Hughes op. Hij groeit op in een bescheiden milieu en trekt naar New York om te studeren. Hij schrijft zich in aan Columbia University en publiceert zijn gedichten in tijdschriften zoals The Crisis. Al snel botst hij echter op het racisme binnen de universitaire muren, waarna hij de instelling verlaat. Met zijn poëzie wil hij het harde leven van arme zwarte mensen belichten en het structurele racisme aankaarten. Ondertussen herleeft de Ku Klux Klan in de jaren twintig en breidt de organisatie zich uit naar het noorden, met landelijk bijna 4,5 miljoen leden tot gevolg. De druk op de lagere sociale klassen neemt toe: arbeidersbewegingen, stakingen en protesten volgen elkaar in snel tempo op. In 1929 treft de Grote Depressie de Amerikaanse samenleving keihard, met name de arbeidersklasse. Recessie, massaal banenverlies en uithuiszettingen dwingen mensen om zich onderling te organiseren om te overleven. In dit klimaat raakt Langston Hughes aangetrokken tot het communistische gedachtegoed, waardoor zijn werk steeds politieker wordt. In 1935 schrijft hij Let America Be America Again. In dit gedicht beschrijft hij de Amerikaanse droom die de arbeidersklasse en migranten was beloofd, maar die voor hen altijd onbereikbaar bleef. Hij spreekt de kwetsbare groepen in het land rechtstreeks aan en omschrijft hen als “degenen die mompelen in het donker en de sterrenbanner dwarsbomen”. Vervolgens spreekt hij in hun naam om het systeem aan te klagen. Hij beschrijft hoe de arbeidersstrijd wordt onderdrukt en hoe de armsten de dupe worden van een economische situatie die gecreëerd is door de kapitalistische klasse. Hij sluit af met een krachtige oproep om dát Amerika op te bouwen dat hem nooit echt is gegeven, hoewel het hem wel was beloofd en hij er nog steeds rotsvast in gelooft. |

Laat Amerika weer Amerika zijn.
Laat het de droom zijn die het ooit was.
Laat het de pionier op de vlakte zijn
Die een thuis zoekt waar hij vrij is.
(Amerika was nooit Amerika voor mij.)
Laat Amerika de droom zijn die de dromers droomden—
Laat het dat grote sterke land van liefde zijn
Waar nooit koningen samenspannen en tirannen plannen
Dat een man wordt verpletterd door iemand boven hem.
(Het was nooit Amerika voor mij.)
O, laat mijn land een land zijn waar Vrijheid
Gekroond is met geen valse patriottische krans,
Maar waar kansen echt zijn, and leven vrij,
Gelijkheid is in de lucht die we inademen.
(Er is nooit gelijkheid voor mij geweest,
Noch vrijheid in dit “vaderland van de vrijen.”)
Zeg, wie ben jij die in het donker mompelt?
En wie ben jij die jouw sluier over de sterren trekt?
Ik ben de arme witte, bedrogen en uit elkaar geduwd,
Ik ben de Negro met de littekens van slavernij.
Ik ben de Rode man, verdreven uit het land,
Ik ben de immigrant die de hope vasthoudt die ik zoek—
En vind alleen hetzelfde oude domme plan
Van hond eet hond, van de machtigen die de zwakken verpletteren.
Ik ben de jonge man, vol kracht en hoop,
Verstrikt in die oude eindeloze keten
Van winst, macht, nut, van grijp het land!
Van grijp het goud ! Van grijp de manieren om behoeften te vervullen!
Van werk de mannen ! Van neem het loon!
Van alles bezitten voor iemands eigen hebzucht!
Ik ben de boer, gebonden aan de aarde.
Ik ben de werknemer verkocht aan de machine.
Ik ben de Negro, dienaar van jullie allemaal.
Ik ben het volk, nederig, hongerig, gemeen—
Hongerig nog steeds vandaag ondanks de droom.
Verslagen nog steeds vandaag—O, Pioniers!
Ik ben de man die nooit vooruitkwam,
De armste werknemer die door de jaren heen werd verhandeld
Toch ben ik degene die onze basisdroom droomde
In de Oude Wereld terwijl ik nog een dienaar was van koningen,
Die een droom droomde zo sterk, zo moedig, zo waar,
Dat zelfs nu zijn krachtige durf nog zingt
In elke baksteen en steen, in elke geploegde voren
Die Amerika het land heeft gemaakt dat het is geworden.
O, ik ben de man die die vroege zeeën bevoer
Op zoek naar wat ik voor mijn thuis beschouwde—
Want ik ben degene die de donkere kust van Ierland verliet,
En de vlakten van Polen, and de graslanden van Engeland,
En van het strand van Het Zwarte Afrika kwam ik
Om een “vaderland van de vrijen” te bouwen.
De vrijen?
Wie heeft de vrijen gezegd ? Niet ik?
Zeker niet ik ? De miljoenen die vandaag hulp nodig hebben?
De miljoenen die neergeschoten worden wanneer we staken?
De miljoenen die niets hebben voor ons loon?
For al de dromen die we gedroomd hebben
En alle liederen die we gezongen hebben
En al de hoop die we vasthhelden
En al de vlaggen die we uithingen,
De miljoenen die niets hebben voor ons loon—
Behalve de droom die bijna dood is vandaag.
O, laat Amerika weer Amerika zijn—
Het land dat nog nooit is geweest—
En toch moet het zijn— het land waar iedere man vrij is
Het land dat van mij is—de arme man, de Indiaan, de Negro, IK—
Die Amerika heeft gemaakt,
Wiens zweet en bloed, wiens geloof en pijn,
Wiens hand aan de smeltoven, wiens ploeg in de regen,
Moet onze krachtige droom opnieuw terugbrengen.
Zeker, noem me elke lelijke naam die je wilt—
Het staal van vrijheid kleurt niet.
Van degenen die als bloedzuigers op het leven van de mensen leven,
Moeten we ons land weer terugpakken,
Amerika!
O, ya,
Ik zeg het duidelijk,
Amerika was nooit Amerika voor mij,
En toch zweer ik deze eed—
Amerika zal zijn!
Uit de chaos en verwoesting van onze gangsterdood,
De verkrachting en verrotting van corruptie, en heimelijkheid, en leugens,
Moeten wij, het volk, het land, de mijnen, de fabrieken, de rivieren,
De bergen en de eindeloze vlakte redden—
Alles, alles de uitgestrektheid van deze grote groene staten—
En Amerika opnieuw maken!

Let America be America again.
Let it be the dream it used to be.
Let it be the pioneer on the plain
Seeking a home where he himself is free.
(America never was America to me.)
Let America be the dream the dreamers dreamed—
Let it be that great strong land of love
Where never kings connive nor tyrants scheme
That any man be crushed by one above.
(It never was America to me.)
O, let my land be a land where Liberty
Is crowned with no false patriotic wreath,
But opportunity is real, and life is free,
Equality is in the air we breathe.
(There’s never been equality for me,
Nor freedom in this “homeland of the free.”)
Say, who are you that mumbles in the dark?
And who are you that draws your veil across the stars?
I am the poor white, fooled and pushed apart,
I am the Negro bearing slavery’s scars.
I am the red man driven from the land,
I am the immigrant clutching the hope I seek—
And finding only the same old stupid plan
Of dog eat dog, of mighty crush the weak.
I am the young man, full of strength and hope,
Tangled in that ancient endless chain
Of profit, power, gain, of grab the land!
Of grab the gold ! Of grab the ways of satisfying need!
Of work the men ! Of take the pay!
Of owning everything for one’s own greed!
I am the farmer, bondsman to the soil.
I am the worker sold to the machine.
I am the Negro, servant to you all.
I am the people, humble, hungry, mean—
Hungry yet today despite the dream.
Beaten yet today—O, Pioneers!
I am the man who never got ahead,
The poorest worker bartered through the years.
Yet I’m the one who dreamt our basic dream
In the Old World while still a serf of kings,
Who dreamt a dream so strong, so brave, so true,
That even yet its mighty daring sings
In every brick and stone, in every furrow turned
That’s made America the land it has become.
O, I’m the man who sailed those early seas
In search of what I meant to be my home—
For I’m the one who left dark Ireland’s shore,
And Poland’s plain, and England’s grassy lea,
And torn from Black Africa’s strand I came
To build a “homeland of the free.”
The free?
Who said the free ? Not me?
Surely not me ? The millions on relief today?
The millions shot down when we strike?
The millions who have nothing for our pay?
For all the dreams we’ve dreamed
And all the songs we’ve sung
And all the hopes we’ve held
And all the flags we’ve hung,
The millions who have nothing for our pay—
Except the dream that’s almost dead today.
O, let America be America again—
The land that never has been yet—
And yet must be—the land where every man is free.
The land that’s mine—the poor man’s, Indian’s, Negro’s, ME—
Who made America,
Whose sweat and blood, whose faith and pain,
Whose hand at the foundry, whose plow in the rain,
Must bring back our mighty dream again.
Sure, call me any ugly name you choose—
The steel of freedom does not stain.
From those who live like leeches on the people’s lives,
We must take back our land again,
America!
O, yes,
I say it plain,
America never was America to me,
And yet I swear this oath—
America will be!
Out of the rack and ruin of our gangster death,
The rape and rot of graft, and stealth, and lies,
We, the people, must redeem
The land, the mines, the plants, the rivers.
The mountains and the endless plain—
All, all the stretch of these great green states—
And make America again!
De jaren 1920 in de Verenigde Staten roepen vaak beelden op van welvaart en onbezorgdheid: het decennium van jazz en uitbundige feesten. In New York bloeit in die periode de

