Artikel

Naar solidaire financiering in federaal België

Damien Piron

+

Mathieu Strale

—22 maart 2024

Niet de transferts tussen de regio’s zijn belangrijk in de Belgische financiën, wel de ingebakken bezuinigingsdiscipline van de budgetverdeling. Of hoe Thatchers “I want my money back” echoot in de begrotingsdebatten.

De begrotingskwestie houdt de gemoederen in België bezig. Of het nu gaat over de federale of regionale schuld, overheidsuitgaven die onhoudbaar worden of de terugkeer van de Europese begrotingsregels, het dominante discours dringt aan op een terugkeer naar besparingsbeleid als enige mogelijkheid. De verdeling van de Belgische federale financiering is nochtans het resultaat van politieke keuzes: hoe worden overheidsbegrotingen gefinancierd? Welke rol spelen schulden in het ‘disciplineren’ van regeringen? Hoe botst de budgetverdeling tussen de federale staat en de gewesten en gemeenschappen met democratische keuzes?

Om wat licht op deze zaken te werpen, spraken we met Damien Piron. Zijn werk onderzoekt de neoliberale hervorming van de Belgische staat via overheidsfinanciën. In zijn thesis politieke wetenschappen belicht hij de politieke dimensie van de verdeling van de Belgische federale begroting, in het bijzonder door de Bijzondere Financieringswet (BFW) te bestuderen. De BFW kan worden gezien als de “ruggengraat van de verdeling van middelen tussen de federale staat, de gewesten en de gemeenschappen in België”, legt Piron uit. “De meeste literatuur over dit onderwerp bestudeert deze kwestie vanuit een economische of juridische invalshoek. Ik probeer juist de politieke oorzaken en gevolgen van deze financiering te reconstrueren.”

MATHIEU STRALE In uw werk benadrukt u net het feit dat het ideologische kader waarbinnen de onderhandelingen over de budgetverdeling binnen het toekomstige federale België zullen plaatsvinden, al wordt bepaald lang voordat er sprake is van een hervorming van de Belgische staat.

DAMIEN PIRON Inderdaad. Al in de jaren vijftig begonnen economen de begrotingskwestie in België te bestuderen vanuit het standpunt van intergewestelijke overdrachten. Dit geldt in het bijzonder voor het Centrum voor Economische Studiën van de KU Leuven, een onderzoekscentrum opgericht door Gaston Eyskens, die tussen de jaren vijftig tot en met zeventig verschillende keren eerste minister was voor de CVP (nu CD&V) en beschouwd wordt als een van de grondleggers van het Belgische federalisme.

Het doel van het onderzoek van dit centrum was om bij te dragen aan het publieke debat over de kwestie van de herverdeling van rijkdom in België, ten nadele van Vlaanderen. Maar de ambitie was ook om het toekomstige politieke kader te vormen dat zou leiden tot de federalisering van de Belgische staat. Een van de auteurs van deze studies over financiële overdrachten is bijvoorbeeld Paul Van Rompuy, die later expert werd voor CD&V tijdens de onderhandelingen over de staatshervormingen en later voorzitter werd van de Hoge Raad van Financiën, het orgaan dat verantwoordelijk is voor de correcte naleving van de BFW.

Het Belgische federalisme wordt gefinancierd volgens een neoliberale logica die door de Vlaamse werkgevers wordt gepusht.

Vlaamse werkgevers moedigen dit onderzoek aan en financieren het. Dat gebeurt vandaag de dag nog altijd. Zo financiert VOKA (de organisatie die de Vlaamse werkgevers vertegenwoordigt) nog steeds onderzoeken aan het VIVES-centrum (Vlaams Instituut voor Economie en Samenleving) aan de KU Leuven, dit keer om de impact van het confederalisme in kaart te brengen. Zo ontstaat er een wetenschappelijke en politieke elite die een bepaald discours uitdraagt en een financiële analyse van het Belgisch federalisme construeert die de economische belangen van Vlaanderen dient en de argumenten voor onafhankelijkheid voedt.

Damien Piron is doctor in de politieke en sociale wetenschappen en docent bestuurskunde aan de Universiteit van Luik. Zijn werk onderzoekt de neoliberale hervorming van de Belgische staat op vlak van de overheidsfinanciën. Onlangs publiceerde hij samen met Zoé Evrard een boek getiteld “ Le(s ) néolibéralisme(s ) en Belgique ”

Dit ideologische kader blijft bepalend voor de besluitvorming en het kader van de huidige onderhandelingen. De kwestie van de intergewestelijke financiële overdrachten domineert het publieke debat over het Belgische federalisme, ook al zijn ze relatief beperkt. Ze vertegenwoordigen minder dan 2% van de rijkdom die in België wordt geproduceerd. Hiermee ligt ons land onder het Europese gemiddelde voor financiële overdrachten tussen regio’s. Deze overdrachten liggen drie keer zo hoog in Duitsland en in Frankrijk, en bijna twee keer zo hoog in Nederland.

Wat zijn de praktische gevolgen van deze ideologische constructie?

Toen in 1970 de twee grote gemeenschappen, Franse en Vlaamse, werden opgericht en vanaf 1980 de gewesten, bestond de uitdaging erin ze financiële middelen te geven en te beslissen hoe ze die zouden gebruiken. Het idee van begrotingsautonomie en -verantwoordelijkheid zal de overhand krijgen: de gewesten en gemeenschappen beslissen over de toewijzing van de middelen die ze tot hun beschikking hebben, zonder dat de nationale en vervolgens de federale staat daar iets over te zeggen hebben. In ruil daarvoor zijn ze verantwoordelijk voor een evenwichtige begroting.

De kwestie van het budget dat aan deze entiteiten wordt toegewezen en de verdeling ervan werd in de jaren tachtig besproken. Voor de budgetverdeling tussen de gewesten was de oorspronkelijke logica om ze te verdelen volgens een “drie derde”-sleutel: een derde op basis van inkomsten uit de inkomstenbelasting (personenbelasting, d.w.z. belasting op het gezinsinkomen); een derde op basis van de grootte van het grondgebied; een derde op basis van de grootte van de bevolking.

Deze verdeelsleutel liet een relatief evenwicht tussen de entiteiten toe. Vlaanderen was bevoordeeld door het in rekening brengen van de belastinginkomsten die proportioneel hoger waren dan in Wallonië. Wallonië genoot van het in aanmerking nemen van de grootte van het grondgebied, dat proportioneel groter en minder dicht was dan in Vlaanderen, terwijl het in aanmerking nemen van de bevolkingsspreiding het relatieve evenwicht verzorgde.

Echter, als gevolg van de Vlaamse eisen die door deze economische onderzoeken worden ondersteund, wordt deze verdeelsleutel afgedankt en wordt geleidelijk aan voorrang gegeven aan de logica van de “juste retour”: gewesten die meer bijdragen aan personenbelasting (en dus een rijkere bevolking hebben) hebben recht op proportioneel meer financiering dan armere gewesten. Het Vlaams Gewest zal dus een proportioneel hoger deel van de staatsbegroting ontvangen vergeleken met het aandeel dat de Vlamingen uitmaken van de Belgische bevolking. Dit doet denken aan de slogan “I want my money back” van de toenmalige Britse conservatieve premier Margaret Thatcher, die een deel van de Europese begroting opeiste in verhouding tot de grote bijdrage van haar land.

Dit is het tegenovergestelde van een solidair beleid, waarbij we zouden zeggen dat de rijkere regio’s een solidariteitsinspanning moeten leveren om ervoor te zorgen dat de minder bedeelde regio’s hun achterstand in kunnen halen en kunnen voorzien in de (grotere) sociale behoeften. Deze neoliberale distributielogica ten gunste van de rijkere regio’s wordt gecompenseerd door solidariteitsmechanismen die het effect ervan gedeeltelijk temperen.

Dat is de logica voor de gewesten. De logica voor de financiering van de gemeenschappen is gebaseerd op het principe van evenredigheid van behoeften. Op het moment dat de onderwijsbevoegdheid in 1989 werd overgedragen aan de gemeenschappen, werd bijvoorbeeld het principe “één leerling is gelijk aan één leerling” ingevoerd. Gemeenschappen krijgen daarom middelen die in verhouding staan tot het aantal leerlingen dat ze onder hun hoede hebben.

De interregionale financiële overdrachten liggen drie keer zo hoog in Duitsland en in Frankrijk, en bijna twee keer zo hoog in Nederland.

Op het eerste gezicht is financiering op basis van behoeften minder ongelijk dan financiering op basis van de “juste retour”. Dit betekent echter niet dat de overgedragen middelen voldoende zijn om in deze behoeften te voorzien. Vanaf de jaren tachtig voeren de Belgische regeringen namelijk een besparingsbeleid, dat via chronische onderfinanciering op de gemeenschappen wordt afgewenteld. De gemeenschappen delen de middelen dus eerlijker, maar deze middelen zijn ontoereikend.

Of het nu op regionaal of communautair niveau is, dit vormt de basis voor latere spanningen. Gewestelijke financiering op basis van het “juste retour”-principe benadeelt vooral Wallonië en, in mindere mate, Brussel. De onderfinanciering van de gemeenschappen treft alle entiteiten, maar Vlaanderen omzeilde dit probleem door het gewest en de gemeenschap in 1980 samen te voegen. Dit stelt Vlaanderen in staat om gewestelijke middelen toe te wijzen aan de financiering van communautaire bevoegdheden. Hoewel de Franse Gemeenschap (nu bekend als de Federatie Wallonië-Brussel) autonoom bleef, kreeg ze onmiddellijk te maken met financiële moeilijkheden, die in de jaren negentig leidden tot grote stakingen van leerkrachten als gevolg van besparingen in het onderwijs.

De Franstaligen hebben zo extra middelen nodig, omdat ze hogere sociale behoeften kennen én minder middelen ter beschikking hebben. De Vlaamse regering komt hiermee in een sterke onderhandelingspositie.

Waarom aanvaardden Franstalige en Waalse onderhandelaars zo’n nadelige positie?

Er bestaan twee tegengestelde theorieën over dit onderwerp. De eerste is dat de Vlamingen beter voorbereid waren. Ze hadden economische simulaties uitgevoerd waardoor ze konden anticiperen op de financiële moeilijkheden van de gemeenschappen en hun herfinanciering door het gewest. De Franstalige onderhandelaars werden hierdoor overvallen.

Mathieu Strale is onderzoeker aan het Institut de Gestion de l’Environnement et d’Aménagement du Territoire ( het Instituut voor Milieubeheer en Ruimtelijke Ordening, DGES-IGEAT ) van de ULB. Hij doet onderzoek naar de problematiek van de grootstedelijke mobiliteit in Brussel en Europa.

De tweede is dat bepaalde Franstalige onderhandelaars die een regionalistische visie verdedigen hebben ingestemd met een onderfinanciering van de Franse Gemeenschap om de reorganisatie van de Franstalige instellingen af te dwingen. Door de Gemeenschap in financiële moeilijkheden te brengen, hoopten ze aan te dringen op een opsplitsing van de Gemeenschap zodat de bevoegdheden zouden kunnen worden overgenomen door het Brusselse en Waalse Gewest, naar het voorbeeld van Vlaanderen.

De Franstalige onderhandelaars waren misschien niet zo naïef als de heersende interpretatie doet denken. Hoe dan ook, het argument van onderfinanciering van de gemeenschappen wordt nog steeds gebruikt door voorstanders van meer regionalisering van Franstalige bevoegdheden.

Persoonlijk denk ik dat het belangrijkste probleem is dat noch de Vlaamse, noch de Franstalige onderhandelaars in staat of bereid waren om verder te denken dan het zeer restrictieve kader van de onderhandelingen. Zolang we de verdeling van de financiering van de entiteiten proberen te rechtvaardigen op basis van een economische logica, zullen de Walen en de Brusselaars, die minder rijk zijn, aan het kortste eind trekken.

Met deze achtergrond werd in 1989 de Bijzondere Financieringswet ondertekend. Wat stond er op het spel?

De Bijzondere Financieringswet (BFW) is een wet die de verdeelsleutels vastlegt voor de verdeling van middelen en bevoegdheden tussen de federale staat, de gewesten en de gemeenschappen. Dit wordt een bijzondere wet genoemd, omdat deze moet worden aangenomen en vervolgens alleen kan worden gewijzigd door een stemming waarbij zowel een meerderheid van de Franstalige en Nederlandstalige fracties als minstens twee derde van de parlementsleden betrokken zijn. Ze bepaalt ook nu nog de budgetverdeling binnen het Belgisch federalisme.

Het is belangrijk om terug te kijken naar de algemene begrotingssituatie van het land toen de BFW werd goedgekeurd. In 1989 beginnen de onderhandelingen over toetreding tot de Europese eenheidsmunt, de euro. Om deel te nemen moet worden voldaan aan strenge begrotingscriteria, zoals een beperking van de staatsschuld en het begrotingstekort. De Belgische regering zet daarom in op besparingen en zal de BFW gebruiken om de deelgebieden, de gewesten en de gemeenschappen bij deze besparingsronde te betrekken. De bedragen voor overheidsinvesteringen voor de bevoegdheden van de gewesten en gemeenschappen worden met 15% verlaagd. Dat is een enorme besparing. Dit is een van de oorzaken van de onderinvestering in publieke infrastructuur die we momenteel zien bij het onderhoud van scholen, wegen, ziekenhuizen enzovoort.

Om deze chronische nationale onderfinanciering te compenseren, bepaalt de BFW dat de deelgebieden schulden kunnen en moeten aangaan door te lenen op de financiële markten en bij banken.

Om deze markten te garanderen en controle te houden over de uitgaven en begrotingen van de federale overheid en deelgebieden, zal een toezichthoudende autoriteit worden opgericht, de Hoge Raad van Financiën. Dit orgaan bestaat uit twaalf economisch en financieel deskundigen. In theorie is de Hoge Raad van Financiën het onafhankelijke begrotingsorgaan dat niet alleen verantwoordelijk is voor het vaststellen van het begrotingsconsolidatietraject voor de entiteiten, maar ook voor het achteraf controleren van de naleving ervan en het opleggen van begrotingshervormingen. Aangezien er in de praktijk nooit overeenstemming is bereikt over deze begrotingstrajecten, fungeert de Raad voornamelijk als adviesorgaan. Advies dat wel doorslaggevend is, omdat het door de banken en financiële markten wordt gebruikt om te beslissen of ze al dan niet leningen verstrekken aan overheden en om het rentetarief vast te stellen. Kortom, het debat over het begrotingsbeleid vindt niet langer plaats in de federale en regionale parlementen.

Dit wekt de indruk dat we terugkeren naar de oneerlijke logica van de eurozone, waar de minder rijke zuidelijke landen, zoals Griekenland, Portugal, Italië en Spanje, door de rijkere noordelijke landen worden gedwongen tot eindeloze besparingen door middel van begrotingsregels die buiten het democratische debat tot stand komen.

Op Belgisch niveau zien we een gelijkaardig discours als op Europees niveau. Net zoals de zuidelijke lidstaten worden beticht van luiheid, worden de Franstaligen en Walen ervan beschuldigd dat ze niet ‘de nodige maatregelen’ nemen. Hun begrotingssituatie hebben ze aan zichzelf te danken. Net als op Europees niveau krijgt marktschuld de voorkeur boven overheidsfinanciering, wat betekent dat de banksector de bevoegdheid krijgt om de begrotingskeuzes van de Belgische deelgebieden te aanvaarden of te verwerpen. Met name de structurele besparingsmaatregelen die op Europees en Belgisch niveau worden genomen, zorgen ervoor dat het besparingsbeleid in ons land uitdijt.

België combineert de Europese soberheid, die in lidstaten overheidsuitgaven en -investeringen bevriest, met de neoliberale BFW, die de onrechtvaardige verdeling van de middelen binnen het land nog verscherpt.

Hoe verwerken de gewesten en gemeenschappen deze besparingen in hun beleid?

Aangezien de overheidsuitgaven beperkt zijn door de Europese begrotingsregels en de federale structurele onderfinanciering, moeten de gewesten en gemeenschappen proberen elders geld te vinden. Bijvoorbeeld door te proberen mensen aan te trekken die personenbelasting betalen, d.w.z. niet de rijksten die erin slagen belasting te ontwijken, maar eerder werknemers met hoge lonen. Dit vormt de kern van het huisvestingsbeleid in Brussel, dat deze profielen probeert aan te trekken en te behouden, waarmee het in concurrentie staat met de Vlaamse en Waalse rand, in plaats van bijvoorbeeld het socialewoningbestand te ontwikkelen. Een gelijkaardig beleid tekent zich nu af in Charleroi. Dit is het begin van een soort belastingconcurrentie tussen de gewesten.

Het aantal publiek-private partnerschappen groeit ook, d.w.z. particuliere investeerders betrekken bij de financiering, de bouw of het beheer van openbare infrastructuur, in ruil voor een vergoeding van de overheid, een soort huur. Zo wordt het renovatieplan voor scholen van de Franse Gemeenschap, de bouw van rusthuizen in het hele land en de renovatie van tunnels in Brussel enzovoort gefinancierd. In eerste instantie voorkomen deze regelingen dat de overheid de volledige investering moet financieren en dus een lening moet aangaan die de overheidsschuld zou opblazen. Hierdoor voldoen ze op papier aan de begrotingsregels. Maar op de lange termijn pakt het duurder uit: de vergoedingen die aan de privésector worden betaald, moeten de kosten van de initiële investering en de winstmarge dekken. (NVDR: er wordt geschat dat de terugbetaling van dit type partnerschap uiteindelijk 2 tot 3 keer zoveel kost als een zuivere overheidsinvestering zou hebben gekost).

Sociale rechten verschillen van gewest tot gewest, met bijvoorbeeld een lagere kinderbijslag in Vlaanderen.

Bovenal plaatst het particuliere spelers in het centrum van de financiering van openbare infrastructuur. Deze kunnen ‘shoppen’ en investeren alleen in projecten die winstgevend zullen zijn. Infrastructuur die minder rendabel wordt geacht voor deze particuliere spelers zal uitsluitend afhankelijk zijn van de beperkte overheidsbudgetten, wat ongelijkheid creëert. Dit is bijvoorbeeld te zien bij de Franstalige scholen die niet profiteren van een publiek-private samenwerking (PPS) voor hun renovatie en die nog verder verloederen. Dit gebruik van PPS’en is niet uniek voor België; het komt overal in Europa voor als een manier om het budgettaire keurslijf te omzeilen. Maar in België wordt het nog aangemoedigd door de BFW, die de middelen van de gefedereerde entiteiten vermindert en hun overheidsuitgaven beperkt.

Ten tweede zullen de gewesten en gemeenschappen het aantal semi-overheidsstructuren verhogen. Dit zijn de vele intercommunales in het hele land, Sofico voor de financiering van transportinfrastructuur in Wallonië, gewestelijke investeringsmaatschappijen zoals SRIB in Brussel, PMV in Vlaanderen en SRIW SOGEPA SOWALFIN die in Wallonië samensmelten tot “Wallonie Entreprendre”. Of het Centre régional d’Aide aux Communes (CRAC), dat financiële steun verleent aan Waalse gemeenten en lokale overheden.

Al deze structuren hebben één ding gemeen: aangezien ze geen overheidsinstellingen zijn, hun eigen raad van bestuur hebben en onderworpen zijn aan andere boekhoudregels, werden hun investeringen en schulden aanvankelijk niet opgenomen in de overheidsrekeningen. Hun opmars heeft het dus mogelijk gemaakt om de bezuinigingsregels te omzeilen. De prijs hiervoor? Beperkte democratische controle. De meerderheid van de bevolking is zich niet bewust van het nut of zelfs het bestaan van deze structuren. Ze worden niet rechtstreeks gecontroleerd door de parlementen of gemeenteraden. Het zelfbestuur van deze instanties die grote investeringen en budgetten beheren, heeft geleid tot talloze misstanden en schandalen.

Deze manieren om het Belgische en Europese besparingsbeleid te omzeilen werden onlangs in vraag gesteld door de Europese Unie, die een herconsolidatie heeft opgelegd, een herintegratie van een deel van de schuld van semi-overheidsinstellingen, evenals een herwaardering van bepaalde PPS’en, die nu ook als schuld worden beschouwd. Als gevolg daarvan zijn de schulden van de gewesten en gemeenschappen de hoogte in geschoten. De schuld van het Waalse Gewest is bijvoorbeeld verdrievoudigd onder deze nieuwe berekeningsmethode.

Is dat de reden voor het “faillissement” van het Waals Gewest, de Franse Gemeenschap en zelfs de federale staat?

Dat is één reden, maar niet de enige. Dit houdt ook verband met de hervormingen die plaatsvonden na de ondertekening van de BFW, en in het bijzonder met de zesde en laatste staatshervorming, die in 2010-2011 werd ondertekend.

Gezien het chronische gebrek aan middelen van de Franse Gemeenschap, zullen de Franstaligen vragen om herfinanciering. Dit verzoek wordt in 2001 ingewilligd. Op dat moment is de toetreding tot de euro een uitgemaakte zaak en herwint de federale overheid haar begrotingsmarges dankzij de economische groei. Deze marges worden ingezet om de spanningen tussen de gemeenschappen te temperen, tussen de vraag naar meer autonomie aan Vlaamse kant en meer middelen aan Franstalige kant. Maar de fondsen die van de federale overheid naar de gemeenschappen worden overgeheveld, worden overgeheveld volgens het principe van de ‘juste retour’, een principe dat de ongelijkheden tussen Franstaligen en Nederlandstaligen versterkt, terwijl de middelen die aan de federale begroting worden toegewezen, worden verminderd. In eerste instantie blijft dit onopgemerkt omdat we ons in een periode van groei en versoepeling van het besparingsbeleid bevinden.

De logica van “juste retour” voor de budgetverdeling tussen gewesten doet denken aan de slogan “I want my money back” van Margaret Thatcher.

De wereldwijde financiële crisis van 2008, gevolgd door de Europese schuldencrisis van begin 2010, brengt de plotselinge terugkeer van bezuinigingen met zich mee, door de Europese begrotingsregels. In deze context wordt de zesde staatshervorming onderhandeld. We bevinden ons in een situatie die ik erg vergelijkbaar vind met die van eind jaren tachtig, toen de BFW werd aangenomen: een groot aantal bevoegdheden en middelen worden overgedragen aan gewesten en gemeenschappen, terwijl er tegelijkertijd wordt bezuinigd op de overheidsbegrotingen. Een kwart van de opbrengst van de personenbelasting wordt van de federale overheid naar de gewesten overgeheveld, wat opnieuw nadelig is voor gewesten met een minder rijke bevolking.

Om deze ongelijkheid te compenseren wordt een tijdelijk solidariteitsmechanisme ondertekend, met een overdracht van zo’n 800 miljoen per jaar naar Wallonië, d.w.z. bijna 5% van de Waalse gewestbegroting. Toch blijft dit een magere troost na het besluit om de fiscale autonomie te versterken. Zo wordt deze overdracht bijvoorbeeld niet geïndexeerd. Ten tweede is dit mechanisme beperkt in de tijd. Vanaf 2024 zal het elk jaar met 10% worden verminderd totdat het verdwijnt. 5% van het budget verliezen op tien jaar tijd is een slok op een borrel.

In plaats van te breken met een kader waarin zij de verliezers zijn, gaven de Franstalige onderhandelaars de voorkeur aan kortetermijnwinst door de zesde staatshervorming en het bijbehorende solidariteitsmechanisme te aanvaarden. De prijs die zij hiervoor betaalden was een versterking van de ongelijke financiering die de toekomstige begrotingsproblemen zou verergeren.

Ondertussen hebben onvoorziene uitgaven de toestand van de federale overheidsfinanciën en die van de deelgebieden verslechterd: covid, vervolgens de energiecrisis en de kosten van overstromingen in 2021. Tot slot heeft de stijging van de rente de schulden opgedreven. In 2023 dreigt het faillissement van de federale staat en de deelgebieden, nu een besparingsbeleid op alle bestuursniveaus te rechtvaardigen.

De zesde staatshervorming verergert niet alleen deze financiële problemen, maar het begint ook het nationale socialezekerheidsstelsel uit te hollen.

De meest recente staatshervorming leidde tot de overheveling van de kinderbijslag en het rusthuisbeleid naar de gewesten. Het is nu aan de gewesten om te beslissen hoeveel geld ze toekennen en hoe ze het verdelen. Nu zien we de bijwerkingen ervan, die niet onverwacht zijn. Ten eerste verschillen de sociale rechten van gewest tot gewest, met bijvoorbeeld een lagere kinderbijslag in Vlaanderen. Niet vanwege een gebrek aan financiële middelen, maar vanwege een politieke keuze.

Sinds de regionalisering wordt dit beleid, dat vroeger beheerd werd via het socialezekerheidsstelsel — en dus met een sterke betrokkenheid van de ziekenfondsen en vakbonden — toevertrouwd aan de gewestelijke begrotingen via de BFW. De aanpak is niet meer dezelfde. De sociale partners zijn minder goed vertegenwoordigd en Vlaanderen heeft bijvoorbeeld besloten om zijn betrokkenheid aanzienlijk te verminderen. Deze regionalisering en gedeeltelijke communautarisering van de sociale zekerheid biedt daarom de kans om sociale garanties snel af te breken. Dit vormt overigens een verklaarde strategie van een partij als de N-VA, die af wil van het medebeheer van de sociale zekerheid door ziekenfondsen en vakbonden. Dit betekent dat ze minder in de pap te brokken hebben. Georges-Louis Bouchez, voorzitter van de MR, spreekt dezelfde taal aan Franstalige zijde.

Bovendien worden vakbonden en ziekenfondsen, die nationale structuren waren, gedwongen om te decentraliseren om de overheveling van bevoegdheden bij te benen, waardoor Noord en Zuid uit elkaar gedreven worden en de sociale beweging wordt verzwakt. De mensen zien elkaar minder, organiseren zich minder. Wat mij betreft is de toekomst van de sociale zekerheid in België een van de cruciale punten in de komende institutionele onderhandelingen.

Dit sluit aan bij mijn laatste vraag: wat zijn de vooruitzichten voor de organisatie en financiering van het Belgisch federalisme in de komende jaren, met name na de verkiezingen van 2024?

Als we bij de begrotingslogica van de BFW blijven, denk ik dat het ingewikkeld wordt om onderhandelingen met het Waals Gewest over herfinanciering uit de weg te gaan. Vlaams rechts zal deze gelegenheid ongetwijfeld aangrijpen om te pleiten voor een vorm van confederalisme, vooral gericht op het splitsen van de sociale zekerheid. De druk op de overheidsfinanciën op federaal, gewestelijk en gemeenschapsniveau zal weerklinken op Europees niveau, met de terugkeer van begrotingsregels die grenzen stellen aan tekorten en daarmee aan overheidsuitgaven.

Deze vooruitzichten leiden er volgens mij toe dat we dit kader ter discussie moeten stellen als we een vorm van interne solidariteit in ons land willen behouden. Financiering op basis van de ‘juste retour’ is niet de enige optie. Het is een ideologische constructie, die vooral gepusht wordt door Vlaamse werkgevers.

We kunnen de middelen op een andere manier verdelen. Bijvoorbeeld afhankelijk van de grootte van de bevolking of rekening houdend met het feit dat plattelandsgebieden meer middelen nodig hebben voor infrastructuur en de toegang tot sociale diensten. Deze gebieden zijn ook van onschatbare waarde in de strijd tegen klimaatverandering, voor het produceren van hulpbronnen en energie, de koolstoffixatie, het vasthouden en opslaan van water … We hebben nood aan een echt solidariteitsmechanisme, dat niet wordt gezien als een last, maar als een middel om projecten die collectief noodzakelijk zijn te ‘overfinancieren’.

De bedragen voor overheidsinvesteringen voor de bevoegdheden van de gewesten en gemeenschappen worden met 15% verlaagd. Dat is een enorme besparing.

In deze context is het zowel op Belgisch als op Europees niveau dringend noodzakelijk om de overheidsinvesteringen te bevrijden van het begrotingskeurslijf. We zullen de transitie naar duurzame energie (isolatie van gebouwen, hernieuwbare energieproductie, koolstofvrij maken van de industrie) niet kunnen realiseren als we alles tot op de laatste cent afwegen. We moeten ook nadenken over hoe we deze investeringen anders kunnen financieren dan door te lenen op de financiële markten. Overheidsfinanciering op basis van solidariteit in plaats van de huidige ieder voor zich-benadering. Als we een sterk socialezekerheidsstelsel willen behouden, moet dit ook uit het keurslijf van de BFW bevrijd worden.

Werknemers in het zuiden en het noorden van het land zouden er baat bij hebben als ze vraagtekens zetten bij deze mechanismen die geïnspireerd zijn door neoliberale economische rationaliteit bij de financiering van het Belgische federalisme. Walen en Brusselaars omdat dit leidt tot de chronische onderfinanciering van openbare diensten. Maar ook Vlamingen, want ook hun openbare diensten en sociale uitkeringen worden bedreigd, niet om budgettaire redenen, maar door het meer offensieve neoliberale beleid dat in Vlaanderen wordt gevoerd. Neem bijvoorbeeld de recente herstructurering van het netwerk van De Lijn. Het is geen kwestie van een gebrek aan middelen, het is een keuze van economische rationaliteit die leidt tot het schrappen van bushaltes in landelijke gebieden om de diensten te concentreren op de meest winstgevende routes.

Ik hoor bepaalde Franstalige en Waalse stemmen opgaan voor meer regionalisme, om de impasse van de BFW te doorbreken. Bijvoorbeeld door in te stemmen met onderhandelingen over confederalisme, om “onze toekomst in eigen handen te nemen” en verantwoordelijkheid voor onszelf te nemen. Dat lijkt me een riskante onderneming. Ten eerste voor de toekomst van de sociale zekerheid, zoals ik al zei, maar ook omdat het nog steeds betekent dat we het bezuinigingskader accepteren en goedkeuren. Met als bijwerking dat ze ingrijpendere besparingen moeten aanvaarden, aangezien het Waalse Gewest minder welvarend is, maar meer sociale behoeften moet dekken. Dit blijkt bijvoorbeeld al uit de sancties voor werklozen, die sinds de regionalisering van de controles veel talrijker zijn in Wallonië dan in Vlaanderen.

Als we ons beperken tot het nadenkenover het Belgisch federalisme binnen het huidige kader, loopt de weg opnieuw dood. Naar mijn mening is het tijd voor een grote en creatieve herziening. Uiteraard is dit slechts de mening van een kritische academicus die niet betrokken is bij de onderhandelingen. Het feit dat academische uiteenzettingen over deze kwestie steeds beperkt zijn gebleven tot de disciplines economie en recht zorgt ervoor dat kritisch denken het steevast moet afleggen tegen direct utilitaire analyses. De mensen die het onderzoek over dit onderwerp uitvoeren, zijn ook betrokken bij de politieke discussies en onderhandelingen over staatshervormingen en worden gefinancierd door Vlaamse en Franstalige instellingen om dit advieswerk uit te voeren.