In zijn nieuwe boek Werk, zwijg & sterf legt pensioenexpert Kim De Witte uit hoe de Arizona-regering met zes klinkende slogans zijn keiharde pensioenbeleid verpakt als een zegen. In deze voorpublicatie lichten we er drie uit.
Leugen 1 – ‘We redden het pensioen van onze kinderen’
Harmoniseren of ruïneren?
Daags voor de algemene staking van 31 maart kwam de minister van Pensioenen Jan Jambon in een videoboodschap met presidentiële allures vertellen: ‘En toch gaan wij onze verantwoordelijkheid nemen, omdat we vinden dat onze kinderen en kleinkinderen ook een pensioen verdienen.’
De Arizona-regering die het pensioen van onze kinderen redt? Really? Toen de pensioenplannen van de nieuwe regering bekend raakten, was Pieter Timmermans van het Verbond van Belgische Ondernemingen er als allereerste bij om ze toe te juichen. Hij was niet alleen tevreden, maar ook trots. Want de contouren van deze pensioenhervorming komen rechtstreeks uit de memoranda van het VBO.1 Zijn reactie op de plannen was dan ook navenant: ‘Eindelijk een moedige pensioenhervorming!’2

Een andere grote supporter is Geert Noels, de man die zijn geld verdient met het beheren van grote vermogens in België, Zwitserland en Singapore. Hij is een echte basher van de ambtenarenpensioenen. Hij noemt ze ‘buitensporige en disproportionele gunstregimes’. De jongeren die actie voeren tegen de plannen van Arizona, schaden hun eigen toekomst, beweert Noels. Hij verdedigt wat de regering de ‘harmonisering’ van het ambtenarenpensioen met dat van de werknemers noemt.3
Harmoniseren wil zeggen: op elkaar afstemmen. De hoogste pensioenen verlagen en de laagste verhogen? Is dat het plan van de regering? Eens kijken.
Er zijn drie grote maatregelen die iedereen – zowel ambtenaren, werknemers als zelfstandigen – treffen. Ten eerste, de pensioenmalus. Wie niet tot 67 jaar kan werken, riskeert een vierde van zijn pensioen te verliezen. Een zeer ingrijpende maatregel, die op termijn miljarden euro’s moet opbrengen. We komen er zo dadelijk op terug.
Vooral vrouwen die veel huishoudelijke taken en zorgtaken op zich genomen hebben, zullen het slachtoffer zijn van een overgangsuitkering
Ten tweede wil de regering de toegang tot het vervroegd pensioen beperken. Voor die toegang moet je minstens 42 jaar gewerkt hebben. De regering wil een jaar pas gaan meetellen als ‘gewerkt jaar’ wanneer je zes maanden voltijds aan de slag bent. Nu is dat vier gewerkte maanden. Door die maatregel zullen zeer veel werknemers minstens een jaar langer moeten werken. Wie als schoolverlater in augustus of september is beginnen werken, is dat jaar volledig kwijt. Wie twee vijfde werkt of, na een onderbreking, in een jaar vijf maanden heeft gewerkt, verliest héél dat jaar.
Ten derde, het overlevingspensioen wordt vervangen door een overgangsuitkering van maximum twee jaar. Het gezinspensioen en het echtscheidingspensioen worden afgeschaft. Vooral vrouwen die veel huishoudelijke taken en zorgtaken op zich genomen hebben, zullen daar het slachtoffer van zijn.
De pensioenen van de werknemers in de privé worden ook door drie maatregelen geraakt. Ten eerste is er de afschaffing van het brugpensioen (SWT) waar vooral de zware beroepen van gebruikmaakten. Die bestaan volgens de Arizona-partijen niet meer. ‘Er zijn geen zware beroepen, alleen zwakke lichamen.’ Ten tweede: er komt een maximum aan gelijkgestelde periodes en wie in een landingsbaan stapt of tijdelijk werkloos is, ziet zijn pensioen voortaan berekend op een beperkt minimumloon. Ten derde, de welvaartsvastheid van het minimumpensioen wordt afgeschaft. Daardoor gaat de verhoging van het minimumpensioen tijdens de afgelopen jaren grotendeels weer verloren.
Tot slot zijn er drie maatregelen die de ambtenarenpensioenen helemaal omvormen. Ten eerste, hun pensioen zou voortaan berekend worden op het loon van alle loopbaanjaren in plaats van op de laatste tien jaren. Daardoor verliest hun pensioen tien tot vijftien procent. Ten tweede, de regeling voor de zware beroepen in de publieke sector verdwijnt bijna volledig. Zo zakt hun pensioen met nog eens vijf à tien procent. En ten derde, het regeerakkoord wil de welvaartsvastheid van de ambtenarenpensioenen afschaffen en de indexering van de hogere pensioenen inperken.
De maatregelen zijn zo talrijk en complex, dat het moeilijk is om door het bos de bomen te zien. De tabel op de volgende pagina geeft een overzicht van het ‘reddingsplan’ van Arizona:
Laten we een beetje serieus blijven: dit is geen ‘harmonisering’. Alle pensioenen zullen fors dalen. Dit is ook geen reddingsoperatie, dit is sociale afbraak. Een zekere Sacha Segers schreef eind april de volgende comment op de facebookpagina van Conner Rousseau: ‘Hoeveel jaar al wordt bij iedere afbraak gezegd dat het is om ons pensioen te redden? Maar op het einde is er zoveel afgebroken dat er niets deftigs meer overblijft.’4 Sacha heeft gelijk.
Dat is ook wat Ria Janvier en Bea Cantillon, samen goed voor ruim een eeuw aan expertise in de sociale zekerheid, zeggen in Visie: ‘De jongeren zullen de pensioenhervorming betalen’. Janvier waarschuwt ook voor een verborgen agenda: ‘De begrotingsdoelstellingen lijken een dekmantel om maatschappelijke keuzes door te voeren, zoals een gedeeltelijke privatisering van de pensioenen. Het risico bestaat dat we dan evolueren naar een basispensioen dat genoeg is om net niet dood te gaan.’5
De Studiecommissie voor de Vergrijzing rekende de pensioenmaatregelen van de regering door en kwam tot hetzelfde besluit: werknemers zullen negen procent van hun pensioen verliezen, ook als ze een pak langer werken. Ambtenaren zullen twaalf procent verliezen. Wie niet langer kan werken, zal nog veel meer verliezen. Je houdt het bijna niet voor mogelijk, maar de vooruitzichten van de Studiecommissie houden geen rekening met het feit dat niet iedereen langer kan werken. We volgen ‘een zuiver financiële benadering’, schrijft de Commissie in haar verslag. ‘Het spreekt voor zich dat andere factoren individuen kunnen aanzetten tot het verlaten van de arbeidsmarkt, zoals gezondheidstoestand, familiale omstandigheden, vrije tijd. De ramingen in dit rapport dienen dus met de nodige voorzichtigheid te worden gehanteerd’.6 Ja, de ramingen zijn bijzonder optimistisch, want acht op tien mensen zeggen dat ze niet kunnen werken tot 66 jaar. Daar geen rekening mee houden, is je dromen voor werkelijkheid nemen. We komen erop terug in het laatste hoofdstuk van dit boek.
In tegenstelling tot wat vermogensbeheerder Noels beweert, hebben de jongeren op de pensioenbetogingen de inzet van het pensioengevecht perfect begrepen. Wat de regering-De Wever van plan is, zogezegd in naam van de jonge generaties, keert zich nog het meest tegen hen. De jongeren zullen de Arizona-maatregelen met volle kracht voelen, want voor hen is er dan geen enkele overgangsmaatregel meer. De jongeren willen niet dat het wettelijk pensioen ontaardt in een dun verzekeringsdraadje dat niet volstaat om van te leven. De jonge generaties betalen mee aan de pensioenen van vandaag. Zij wensen niet dat zij daar bovenop nog eens apart moeten sparen voor hun eigen oude dag en zeker niet in het casino van de dure, risicovolle en ongelijke privé-pensioenregelingen.
De pensioenmalus, een elitaire boete tegen hardwerkende mensen
De pensioenmalus is een natte droom van Bart De Wever. Hij stond al in 2014 in het kiesprogramma van de N-VA. Ik heb er toen een opiniestuk tegen geschreven op knack.be dat maar liefst 35.000 keer gedeeld werd.7 De Wever heeft er geen speerpunt van gemaakt in de kiescampagne. Zo slim is hij wel. Maar na de verkiezingen heeft… Frank Vandenbroucke het idee weer op tafel gelegd, in zijn rapport ‘Een sterk en betrouwbaar sociaal contract: voorstellen van de Commissie Pensioenhervorming 2020-2024’.8
De regering van Michel en De Wever wilde het puntensysteem, dat ook in het rapport van Vandenbroucke stond, invoeren. De pensioenmalus was daar een cruciaal onderdeel van. Maar er was zoveel weerstand tegen de verhoging van de pensioenleeftijd naar 67 jaar dat de regering haar puntensysteem met die malus niet meteen op tafel durfde leggen. Zij heeft het twee jaar later geprobeerd, maar ook dat is niet gelukt omdat de vakbonden hun volle gewicht in de weegschaal hebben gelegd. Hoe dat precies verlopen is, bespreken we in deel 3 van dit boek. Nu riskeren we opnieuw de malus door de strot geduwd te krijgen.
Hoe werkt de malus concreet? De Wever probeert hem voor te stellen als een ‘redelijke’ maatregel die alleen mensen zal treffen die weinig of niet gewerkt hebben. ‘Je moet “mààr” vijfendertig jaar halftijds gewerkt hebben’, zegt hij. ‘Op een carrière kan je zeven jaar ziek zijn zonder enig gevolg voor je pensioen’.9 Hij bedriegt en beliegt de mensen om een zware besparingsmaatregel erdoor te krijgen zonder eerlijk debat.
De pensioenmalus is een natte droom van Bart De Wever. Hij stond al in 2014 in het kiesprogramma van de N-VA.
Er zijn namelijk twee voorwaarden, en niet één, om geen malus te krijgen. Je moet vijfendertig jaar lang minstens zes maanden effectief en voltijds gewerkt hebben. Wie halftijds werkt en één maand ziek is, verliest een heel jaar. Wie kanker heeft, een zware burn-out, een knie-operatie of een rugletstel en minstens zes maanden per jaar moet recupereren, verliest ook een heel jaar. Bovendien is er nog een tweede bindende voorwaarde: je moet minstens 7.020 dagen effectief gewerkt hebben. De helft van de vrouwen komt niet aan dit aantal gewerkte dagen. Niet omdat ze niet werken. Maar omdat ze daarnaast nog altijd veel andere taken opnemen – huishoudelijke taken en zorgtaken – die niet meetellen voor ons pensioen.
Een voorbeeld om de impact van de pensioenmalus juist te begrijpen. Een huishoudhulp werkt 32 jaar voltijds. Ze is geen enkele dag ziek. Daarna zijn haar gewrichten versleten en werkt ze nog tien jaar halftijds. In die tien laatste jaren is ze acht keer één maand ziek, voor operaties, rust en herstel van het zware werk. Ze komt dus helemaal niet aan ‘zeven jaren ziekte’, zoals De Wever beweert. Ze is acht maanden ziek geweest op héél haar loopbaan. That’s it! Maar, daardoor komt ze slechts aan 34 loopbaanjaren met minstens zes effectief gewerkte maanden. Ze kan ook niet zomaar nog een jaar extra werken zonder ziek te vallen. Voor de meeste mensen in een zwaar beroep is dat gewoon geen optie aan het einde van hun loopbaan. Als ze vervroegd op pensioen wil gaan, vóór de leeftijd van 67 jaar, zal ze een malus krijgen en tot een vierde van haar pensioentje verliezen.
De regeringspartijen weten dat de mensen de pensioenmalus niet pikken. Daarom hebben zij, onder druk van de zeven nationale betogingen en stakingsdagen dit voorjaar, ondertussen al twee toegevingen gedaan. De periodes van tijdelijke werkloosheid, opgelegd door een werkgever aan een werknemer buiten diens wil om, zullen niet meetellen voor de malus. In het regeerakkoord stond dat je ook voor die periodes een malus zal krijgen. Ten tweede, de korte ziekteperiodes – twee weken voor arbeiders en een maand voor bedienden – zullen ook niet meetellen voor de malus. Het onderscheid tussen arbeiders en bedienden dateert van de vorige eeuw. Dit verder meenemen vandaag is totaal onaanvaardbaar. Daar zal dus nog een hartig woordje over gesproken worden. Een derde uitzondering, voor de langere periodes van ziekte, is nog niet afgedwongen. De regering heeft in haar zomerakkoord besloten om daar later op terug te komen. Op het ogenblik dat dit boek naar de drukker gaat, weten we dus nog niet hoe de langere periodes van ziekte precies in rekening zullen worden gebracht.
De malus is een elitaire maatregel. Hij bestraft wie vroeg is beginnen werken in een zwaar beroep en hij beloont wie later is beginnen werken in een minder zwaar beroep. Wat is daar nu eerlijk aan?
(…)
Leugen 2 – ‘We leven langer, dus: we kunnen langer werken’
In april 2025 publiceerde het Internationaal Monetair Fonds, het IMF, het rapport The Rise of the Silver Economy. Daarin staat dat werken tot 70 jaar gewoon moet worden: ‘70 is het nieuwe 50’. De Nederlander Marnix van Rij, bestuurder bij het IMF, gaf uitleg bij het rapport vanuit de hoofdzetel in Washington. ‘In een aantal Europese landen is de pensioenleeftijd verhoogd naar 67 jaar’, vertelde hij, ‘maar in de VS en Japan werken mensen nog veel langer door. We moeten daarnaartoe in Europa. En ons daar individueel op voorbereiden.’ Of dat wel haalbaar is? ‘Nou, laat ik mezelf als voorbeeld nemen’, antwoordde Van Rij. ‘Ik ben in 1960 geboren. Ik houd er echt rekening mee en ik zou het ook heel leuk vinden, mits ik gezond blijf, om tot mijn 75e te blijven werken.’
Marnix van Rij zou het heel leuk vinden te werken tot zijn 75 jaar. Dat is dan zijn argument om te beweren dat werken tot 70 gewoon moet worden voor iedereen. Ook Jan Jambon, Stijn Baert en andere mensen die van hun hobby hun beroep hebben gemaakt, waagden zich aan zo’n uitspraken. De bubbel waarin veel beleidsmakers leven is zo groot dat de eigen werkelijkheid hen als de enige werkelijkheid verschijnt. Als je zelf je agenda kan bepalen, je uren kan kiezen, je werk kan doen vanuit een leren zetel in een chique bureau met een mooi uitzicht en een nog veel mooier loon… ja, dan ga je veel mensen vinden die langer willen werken. Maar wie heeft zo’n job?
Om geen pensioenmalus te krijgen moet je minstens 7.020 dagen effectief gewerkt hebben. De helft van de vrouwen komt niet aan dit aantal gewerkte dagen.
Ik zette het interview met Marnix van Rij op Facebook en kreeg een stortvloed aan reacties. Wel 3.000 mensen plaatsten een comment. ‘Alleen mensen die geen echte job hebben, doen zulke uitspraken’, schreef Bart. ‘Dit zijn gasten die tot hun 28 hebben gestudeerd, daarna alleen maar een pen hebben vastgehouden, een nietjesmachine hebben ingedrukt en twee keer per dag naar de printer zijn gelopen. Ja, zo kan ik ook werken tot 70!’
‘Als ze zo verdergaan, kunnen ze palliatieve zorg op het werk aanbieden’, reageerde Emine. ‘Inderdaad’, antwoordde iemand. ‘Laten we in elk bedrijf ook een mortuarium voorzien, een nieuw extralegaal voordeel. Dat bespaart de nabestaanden veel geloop. En dan kan iedereen écht actief blijven tot de laatste minuut.’
Veel mensen reageerden ook met ongeloof: ‘Wie verzint nu zoiets, dat is toch pure fictie!’ Pure fictie? Welgeteld één maand later besliste de Deense regering van sociaaldemocraten en liberalen de pensioenleeftijd te verhogen naar 70 jaar. De levensverwachting stijgt, dus ook de pensioenleeftijd, vond ze. Enkele Vlaamse kranten beweerden dat die beslissing zonder protest passeerde. Zij zaten er meer dan stevig naast. In de weken voor de stemming over de pensioenverhoging in de Folketing, het Deense parlement, waren er dagelijks protesten in Kopenhagen. Jesper Rasmussen, de voorzitter van de Deense vakbondsfederatie, noemde de maatregel ‘compleet onrechtvaardig’ en ‘een verlies van het recht op pensioen voor heel veel mensen’. Karsten Hønge, de pensioenspecialist van de Socialistische Volkspartij aan de uiterst linkse kant van het politieke spectrum, zei:’Zie je timmerlieden op hun zeventigste nog over de daken klauteren? Tachtig procent van de Denen denkt dat ze het niet volhouden tot de huidige pensioenleeftijd, laat staan tot 70 jaar. De politici hier leven in een parallelle wereld.’
Niet alleen het land van de lego, maar ook Finland, Nederland, Portugal, Griekenland, Italië beslisten de pensioenleeftijd automatisch te koppelen aan de levensverwachting. En ook daar is er veel boosheid en verzet tegen deze maatregel. Zolang het kapitalisme al bestaat, is pensioen een zaak van strijd: een strijd voor vrije tijd aan het einde van je leven. Op die vrije tijd kan geen winst gemaakt worden. Integendeel, die vrije tijd moet betaald worden met een deel van het loon tijdens je arbeid. En dat vinden werkgevers niet fijn. De automatische koppeling van de pensioenleeftijd aan de levensverwachting wil die strijd om tijd uitschakelen en ons stap na stap langer doen werken. Maar dat zal niet lukken. Het zal vroeg of laat ontploffen. Daar zijn drie redenen voor. Eén, de bevolking wordt ouder, niet de mens. Twee, we zijn niet gelijk voor de dood. En drie, op een bepaald moment zegt ieders lichaam ‘Stop!’
De bevolking wordt ouder, niet de mens
Er zijn vandaag meer mensen die langer leven, vergeleken met twee eeuwen geleden. Het ouder worden is voor een stuk ‘gedemocratiseerd’. We tellen nu meer zeventigers en tachtigers. Toch wordt de mens niet ouder. Dat klinkt tegenstrijdig. Ik leg het wat beter uit.
De levensverwachting is een gemiddelde waarin elke inwoner van een land meetelt. Ze is bij uitstek een sociale maatstaf. Doorheen de tijd is ze gestegen en gedaald. Demograaf Patrick Deboosere beschrijft dat glashelder in zijn nieuwe boek Worden onze kinderen 120 jaar? Het idee dat er vroeger geen oude mensen rondliepen, is fout. In het Romeinse Rijk leefden maar liefst vier miljoen zestigplussers. Goedele Liekens beweerde onlangs dat vrouwen vroeger niet oud genoeg werden om de menopauze mee te maken. Een uitschuiver. In 1900 werd 75 procent van de meisjes die de kaap van vijftien jaar rondden, 75 jaar oud. Maar de zuigelingensterfte, de kindersterfte en de sterfte bij jongvolwassenen lag toen een pak hoger dan vandaag. Dat trok de gemiddelde levensverwachting fors naar beneden.
Ongeveer negen op de tien mensen worden vandaag 65 jaar. Maar er is een maar: de ouderen van vandaag worden niet veel ouder dan de ouderen van vroeger. De levensverwachting van 65-jarige mannen is de laatste 200 jaar amper met zeven jaar gestegen.10 En de levensverwachting van 85-jarige mannen is niet eens met twee jaar gestegen. Slechts 1,9 jaar erbij in twee eeuwen tijd.
We worden gemiddeld ouder, omdat er minder mensen vroegtijdig sterven. Betere voeding, meer gezondheidszorg en – geen detail in ons verhaal – minder lang werken hebben ervoor gezorgd dat hoge ouderdom niet langer voorbehouden is aan de elite. De bevolkingspiramide van vroeger is vandaag een appartementsgebouw geworden.
Maar een mens blijft een mens, onze soort is niet fundamenteel veranderd. ‘Nee, de mensenkinderen van vandaag hebben niet allemaal honderd jaar te leven’, zegt Patrick Deboosere.11 ‘Het ouder worden is gedemocratiseerd. Maar er is niets veranderd aan ons fysiologisch verouderingsproces. Genetisch zijn wij exact dezelfde mensen gebleven. Voor genetische veranderingen is veel meer tijd nodig. Mettertijd, door het gebruik, komt er nog altijd evenveel sleet op onze zintuigen, organen en gewrichten’.
Daarom ligt volgens Deboosere de pensioenleeftijd van oudsher tussen 60 en 65 jaar: ‘Dat 60 en 65 jaar zomaar toevallig gekozen leeftijden zouden zijn, is niet waar. Zij komen overeen met de leeftijden waarop de meeste mensen niet meer de capaciteit hebben om met dezelfde intensiteit als jongere mensen te functioneren. Veertig procent van de 65-jarigen heeft gezondheidsproblemen en tien procent van de mensen is op die leeftijd al overleden, ook vandaag nog. Nee, het is niet zo dat mensen vandaag makkelijk langer zouden kunnen werken.’12
Evenmin is het zo dat onze kinderen en kleinkinderen per definitie veel langer zullen gaan leven. In de VS is de levensverwachting weer gedaald tot op het niveau van twintig jaar geleden. De aanhoudende strijd van de werkende klasse voor betere werk en leefomstandigheden heeft de gemiddelde levensverwachting stapje na stapje omhooggetrokken.13 Maar die strijd is nog volop bezig. Ook in de komende decennia zal de uitkomst van deze strijd de evolutie van de levensverwachting bepalen. Rapporten van het IMF, de Wereldbank, de OESO en de Europese Commissie doen wilde voorspellingen over de stijging van de levensverwachting en… allemaal leiden ze tot forse besparingen op onze pensioenen. Zo nemen ze ons in het ootje.
We zijn niet gelijk voor de dood
De gemiddelde levensverwachting bij geboorte vandaag in België is 82,3 jaar. Maar dat gemiddelde verbergt grote ongelijkheden: de kloof in levensverwachting tussen de groep met de hoogste en de laagste sociaaleconomische status, tussen de klassen zeg maar, bedraagt 9,3 jaar bij mannen en 6,3 jaar bij vrouwen.14
Deze ongelijkheid is nog een pak groter als we kijken naar de levensverwachting in goede gezondheid. Gemiddeld staat die in België op 63,7 jaar. Vijftien jaar geleden was dat ook al 63,7 jaar.15 De uitroep ‘langer leven is gelijk aan langer werken’ klinkt in dit licht opeens veel minder logisch. Want wat heb je eraan dat je leven twee of drie jaar langer wordt als je helemaal uitgeput, ziek en versleten bent? Het zijn je beste jaren, die tussen 60 en 70 jaar, die ze willen afpakken en de slechtste jaren, die boven de 85, willen ze teruggeven in de plaats.
De Deense regering van sociaaldemocraten en liberalen besliste de pensioenleeftijd te verhogen naar 70 jaar.
In Nederland is de levensverwachting in goede gezondheid van de 20 procent meest welvarende mannen bij geboorte gemiddeld 25 jaar hoger dan die van de 20 procent minst welvarende mannen. Voor vrouwen is het verschil 23 jaar.16 België heeft geen recente cijfers daarover, maar wie een diploma hoger onderwijs op zak heeft, leeft bij ons 10,5 tot 13,4 jaar langer in goede gezondheid dan iemand zonder diploma, zo leren oudere cijfers ons. Deze kloof wordt ook nog eens snel groter, zo wijst een studie van Sciensano uit.17
Gilbert De Swert, de vroegere chef van de ACV-studiedienst zei dat ‘de sociale ongelijkheid in levensverwachting en vooral gezónde levensverwachting de grootste discriminatie is die er inzake pensioenen bestaat.’18 Het is een sleutelzin. Van een rechtvaardig pensioenstelsel wordt geacht dat het aangepast is aan de gezonde levensverwachting. Dat betekent dat brugpensioen en vervroegde uittreding mogelijk moeten blijven.
Heeft minister Jambon deze diepe sociale kloof, deze ‘grootste discriminatie’ stilletjes weggemoffeld? Zijn pensioenplannen houden er alleszins op geen enkele manier rekening mee. Integendeel, hij vergroot en verdiept ze nog.
Op een bepaald moment zegt ieders lichaam ‘Stop!’
Ons land heeft de kaap van een half miljoen langdurig zieken genomen, meer dan een verdubbeling vergeleken met 2010. Het zijn cijfers om van te duizelen. In geen tijd hebben werkstress en burn-out de proporties van een Egyptische plaag aangenomen. Mensen moeten werken ‘tot de dokter komt’. Het gaat niet over een bijzaak, het is geen fout in de marge die we nog even moeten bijsturen. Nee, er zit een error in het systeem zelf. Ze draaien ons zot, zo heb ik mijn vorige boek erover genoemd.
Nog niet zo lang geleden konden mensen met een zwaar beroep via het brugpensioen ontsnappen aan de zotte koers op de arbeidsmarkt en op tal van andere manieren actief blijven. Nu gaat dat niet meer.
Eerst heeft de regering-Di Rupo het brugpensioen omgevormd tot het SWT, het ‘stelsel voor werkloosheid met bedrijfstoeslag’. Daarna heeft de regering van Michel en De Wever de beschikbaarheid op de arbeidsmarkt verplicht gemaakt, wat de aantrekkelijkheid van het stelsel volledig onderuit haalde. Bijna elke mogelijkheid om de arbeidsmarkt vroeger te verlaten, werd de pas afgesneden. Het doel was: mensen langer aan de slag houden en op die manier besparen op de sociale uitkeringen.
Veertig procent van de 65-jarigen heeft gezondheids-problemen en tien procent van de mensen is op die leeftijd al overleden, ook vandaag nog.
Dat is faliekant uitgedraaid: wat men bespaarde op de pensioenen werd meer dan tenietgedaan door de stijgende ziektekosten. Tussen 2011 en 2024 daalde het aantal bruggepensioneerden met 108.648 eenheden. In diezelfde periode kwamen er 124.582 oudere langdurige zieken bij. Voor elke bruggepensioneerde minder kwam er dus meer dan één oudere (55-plusser) langdurig zieke bij.
Maar liefst 290.000 van de oudere langdurige zieken werden ziek verklaard ‘tot aan het pensioen’.19 Dat is zo logisch als wat. Op een bepaald moment zegt ieders lichaam: Stop! Psychische en mentale ziektes zoals depressie en burn-out en spier-, bot en bindweefselziektes zijn de voornaamste boosdoeners: wie langdurig ziek is, zit er ofwel helemaal door of is versleten. Securex vat alles goed samen: ‘Doordat meer oudere mensen aan de slag zijn en we langer moeten werken, neemt het ziekteverzuim toe. Bij de arbeiders is dat effect groter dan bij de bedienden. Zij zitten dan ook met een zwaardere fysieke belasting, die doorweegt als ze langer moeten werken.’20
De sociale werkelijkheid verander je niet zomaar met de afschaffing van een sociaal recht. Mensen die ziek, uitgeput of opgewerkt zijn, zoeken uitwegen. Het zou een open deur moeten zijn, maar ze is helaas weer dichtgespijkerd: langer werken zal niet werken. Het brugpensioen was voor veel werknemers met een zwaar beroep een uitweg. Maar daar trekt Arizona nu definitief een kruis over. Ook het vervroegd pensioen zet ze verder op de helling. Een Duitse studie wijst uit: langer werken zal erop uitdraaien dat mensen vroeger zullen sterven. Hoe zwaarder je beroep en hoe langer je loopbaan, hoe vroeger je sterft.21
Waarom blijven we dat accepteren? Overal rijst die vraag. Ken je het nummer Santé van Stromae? ‘Frotter frotter, ça a payé’, zo klinkt het daar vrolijk. Wrijven, wrijven, dat loont! Maar frotter betekent ook: de strijd aanbinden, het niet meer pikken. En brosser, brosser is: iemand uitborstelen, naar z’n voeten geven. ‘Brosser brosser, si tu ne me respectes pas’, als je mij niet respecteert. Een van mijn favoriete liedjes.
Respect, daar draait het om. Iedereen heeft een gelijk recht op rust en vrijheid in de herfst van het leven. Het is dan ook alleen maar fair dat er systemen zijn die werknemers vroeger met pensioen laten gaan. Ik zou alvast het vervroegd pensioen weer toelaten vanaf zestig jaar voor wie 40 jaar gewerkt heeft of 35 jaar in een zwaar beroep. Daarnaast zou ik de mogelijkheid van landingsbanen breed openstellen: vanaf 50 jaar in de zware beroepen en vanaf 55 jaar voor iedereen.
(…)
Leugen 3 – ‘De pensioenen worden onbetaalbaar’
‘We sturen mensen massaal op vervroegd pensioen. Dat is onhoudbaar’, zei Conner Rousseau in Humo.22 ‘De pensioenen, dat swingt de pan uit! We moeten ingrijpen om het allemaal houdbaar te houden’, herhaalde Jan Jambon in De Morgen.23 Zijn adviseur Marjan Maes op Radio 1: ‘De pensioenleeftijd op 65 jaar houden? Dat is waanzin, hallucinant, verkeerd!’24 En Georges-Louis Bouchez ontwikkelde al evenveel decibels toen hij zei: ‘Op een bepaald moment zullen we niet meer in staat zijn de pensioenen te betalen’.25
We verdrinken in doemscenario’s en onheilstijdingen. Zodra het over pensioenen gaat, is de apocalyps nooit ver weg. Elke tegenstem wordt afgedaan als aanmatiging en onkunde. Want waar gaat het heen als gewone mensen nu ook al een mening hebben over hoe lang zij kunnen werken?
De pensioenen onbetaalbaar? De vergrijzing jaagt onze sociale zekerheid niet méér op kosten dan in andere landen. Integendeel, Frankrijk, Oostenrijk, Italië en Spanje betalen nu al meer aan hun pensioenen dan wij in 2050 zullen moeten doen. Maar onze pensioenen zouden onbetaalbaar zijn… We moeten voorbij de grenzen van de pensée unique kijken. Er zijn twee grote drogredenen die de waarheid proberen te verdringen.
‘De vergrijzing duwt ons naar de afgrond’
De drogredenering nummer één rond de pensioenen wordt al jaren herhaald. Ze lijkt correct, maar dat is ze niet. Bart De Wever kwam er in zijn eerste vragenuurtje als premier in de Kamer nog maar eens mee op de proppen: ‘Dat er hervormingen nodig zijn, staat buiten kijf. Want de feiten zijn wat ze zijn. In de jaren 1990 waren er vier actieve mensen voor elke 65-plusser. Vandaag zijn dat er nog drie. En tegen 2060 zal het cijfer zakken naar twee.’ Hoe die voorstelling van zaken mag zijn ontstaan, weet vandaag de dag niemand meer. Maar zeker is: in 2010 al, toen hij Europees president was, gebruikte Herman Van Rompuy identiek dezelfde cijfers: ‘Met een evolutie van vier naar twee actieven voor één gepensioneerde binnen vijftig jaar is het geen kwestie meer van links of rechts, maar van louter rekenkunde.’26 Ook de Europese commissie bazuinde in een Groenboek over de pensioenen dat doemscenario uit: we gaan van vier naar twee actieven voor één gepensioneerde.
Maar dat koppig herhaald scenario vergelijkt appelen met citroenen. Want let op: de groep niet-actieven en de groep gepensioneerden, dat zijn twee verschillende zaken. Haal je die door elkaar, dan beland je prompt in een kromme redenering en in valse cijfers. De niet-actieven, daarmee zijn immers niet alleen de gepensioneerden bedoeld, maar ook de kinderen, de jongeren, de studenten, de zieken, de werklozen en de vrijwillig niet-actieven op de arbeidsmarkt. En het opmerkelijke is: de verhouding, de ratio, tussen al die niet-actieven samen versus de actieven gaat in de toekomst nauwelijks veranderen.
Het zou een open deur moeten zijn, maar ze is helaas weer dichtgespijkerd: langer werken zal niet werken
Ja, er komen meer ouderen bij, maar er zullen ook minder kinderen, minder zieken, minder arbeidsongeschikten en minder werklozen zijn. België heeft vandaag 11,7 miljoen inwoners. Daarvan zijn er 4,5 miljoen aan het werk. Voor elke ‘actieve’ zijn er dus 1,6 ‘niet-actieven’. Ik zet actieven tussen aanhalingstekens, want het gaat hier louter over actief zijn op de arbeidsmarkt. Heel veel mensen zijn niet actief op de arbeidsmarkt, maar wel in het huishouden, in de zorg voor jonge kinderen, voor mensen met een beperking, voor hoogbejaarden, in tal van verenigingen, organisaties en netwerken. Al dat werk is essentieel voor onze samenleving. De opdeling tussen actieven en niet-actieven op de arbeidsmarkt is dus zeer eenzijdig. Maar laten we ze nu nog even aanhouden, om ons punt te kunnen maken.
In 2070 zullen we volgens het Planbureau vijf miljoen werkenden tellen en 12,9 miljoen inwoners.27Dat is nog altijd: 1,6 niet-actieven per actieve. Als het aantal langdurig zieken gelijk zou blijven of verder zou toenemen, dan kan deze verhouding een beetje verslechteren: 1,7 of 1,8 niet-actieven per actieve. Maar de productiviteit van onze arbeid zal in 2070 ook een stuk hoger zijn, dankzij de artificiële intelligentie en andere innovaties. De situatie is dan ook helemaal niet zo catastrofaal als De Wever en Van Rompuy het doen uitschijnen.
In mijn boek De Grote Pensioenroof heb ik in geuren en kleuren beschreven hoe de vriendelijke professor Jim Stewart uit Dublin protest aantekende tegen het misleidende basisconcept van het Groenboek over de pensioenen van de Europese Commissie. Jim werkt al heel zijn leven rond de pensioenen. Hij schreef er vele boeken en artikels over. Ik leerde hem kennen op een internationale pensioenconferentie in Washington. Hij was boos. Hij zag met lede ogen hoe het met het pensioenbeleid de verkeerde kant uitging. En hij was een van de velen. Van wetenschappers en experten kwam er een stapel van wel twaalfduizend bladzijden kritiek op het Groenboek van de Commissie. De kritiek was: jullie maken de keuze om de publieke, wettelijke pensioenen af te breken en de private, aanvullende pensioenen te stimuleren. En jullie onderbouwen dat met pseudowetenschappelijke argumenten. Dat is niet ernstig.
De kritieken gingen onder meer over de verhouding tussen het aantal gepensioneerden en het aantal werkenden. De vergrijzing heeft veel kanten, zo stond in de kritieken. Ja, er komen meer ouderen bij. Maar er zullen ook minder andere niet-actieven zijn: kinderen, werklozen, vrijwillig niet-werkenden, zieken als we de ouderen met pensioen laten gaan. Je moet het geheel bekijken en niet eenzijdig focussen op één groep.
De Commissie kon niet anders dan rekening houden met zoveel reacties. In haar definitieve Witboek over de pensioenen liet ze haar foute gelijkschakeling van de groep niet-actieven met de groep 65-plussers vallen en gaf ze toe: ons doemscenario was overdreven en fout.28
Maar, alsof deze hele discussie niet had plaatsgehad, heeft de Europese Commissie later, in haar nieuwe Groenboek van 2021, haar oude foute vergelijking toch weer afgestoft. Opnieuw heeft ze uitsluitend en alleen met de ratio gewerkt waarmee ze zoveel wetenschappers al op stang had gejaagd. Een beleefd man kan dan alleen maar zeggen: de Europese Commissie bekijkt de pensioenen met oogkleppen op. En ze doet dat wetens en willens. De conclusie van haar nieuwe Groenboek was dan ook waar ze op wilde uitkomen: we moeten de pensioenleeftijd optrekken naar zeventig jaar.29 Punt. Erger nog, bij die zeventig jaar stopt het niet. Litouwers zouden moeten werken tot… 72 jaar. Dat is bijna zo hoog als de levensverwachting in dat land. Ook Luxemburgers zouden het tot hun 72 jaar moeten trekken. Nederlanders, Duitsers, Italianen en Spanjaarden tot 71 jaar, Belgen tot 70 jaar.30
De Europese Commissie werkt in haar nieuwe Groenboek maar één enkele piste uit om de pensioenen betaalbaar te houden: de verdere verhoging van de pensioenleeftijd. Het Groenboek schuift deze piste uitdrukkelijk naar voor, berekent die piste tot in de details en tekent haar aanschouwelijk uit. Alsof dat de enige uitweg is. Een schoolvoorbeeld is het van een tunnelvisie: er is geen oog voor de elementen, feiten en aanwijzingen die niet in de eigen kraam passen.
Waarom, zo kan je je afvragen, blijven mensen als De Wever vandaag nog koppig dezelfde denkfout herhalen? Om de stijging van het aantal gepensioneerden de proporties aan te meten van een tsunami, een nationale tragedie? Om verwarring en twijfel te zaaien door cijfers en begrippen door elkaar te haspelen? Om de babyboomers met pek en veren in te smeren? Wie zal het zeggen? De befaamde Duitse wetenschapper Thomas Bryant deed ooit volgende voorspelling: ‘In de toekomst zal je de gevaarlijk kleine afstand tussen de demografie – (dat is de wetenschap die zich bezighoudt met de studie van de bevolking) – en de demagogie beslist overal gaan bespeuren.’31 Demagogie, daar valt het woord! Mijn dikke van Dale omschrijft het als ‘het in beweging brengen van de massa door leugenachtige voorstellingen en valse leuzen’. In dit verband loont het de moeite eens te kijken naar hoe premier De Wever van een heuveltje een col buiten categorie maakt.
‘De budgettaire situatie laat ons geen keuze’
De tweede grote drogreden gaat over het budget. ‘We willen wel, maar we kunnen de pensioenen gewoon niet meer betalen’, klinkt het. Wat zijn de feiten? Vandaag hebben 2,6 miljoen Belgen een pensioen. Dat is ongeveer tweeëntwintig procent van de bevolking. Tegen 2050 stijgt dat wellicht naar vijfentwintig procent. Meer ouderen betekent: een grotere pensioenlast. Als we de pensioenen niet willen afbouwen, moet het totaalbedrag voor de pensioenen inderdaad stijgen. Maar onbetaalbaar zijn ze daarom zeker niet. Welke proporties heeft de stijging dan?
Momenteel geven we 11,4 procent van ons bbp uit aan de pensioenen. Dat zegt de Studiecommissie voor de Vergrijzing, die het globale budget voor de pensioenen al jaren opvolgt.32 Zonder al de besparingsmaatregelen van de regering-De Wever zal dat in de komende 25 jaar stijgen naar 13,3 procent.33 Daarna zal het stagneren. Het gaat met andere woorden over een stijging van 1,9 procent over 25 jaar of 0,08 procent van het bbp per jaar. In cijfers van vandaag is dat iets minder dan 500 miljoen euro per jaar die we moeten zoeken om de pensioenen betaalbaar te houden. Dat is geen ‘col buiten categorie’, zoals premier De Wever beweert. Het is eerder iets als Scherpenheuvel, of beter nog: een vals plat.
Het is de tactiek van Starve the Beast, met de sociale zekerheid als the beast die uitgehongerd moet worden.
Onze samenleving heeft al veel grotere schokken doorstaan. Denk maar aan de bankencrisis van 2008. Die deed de sociale uitgaven van de overheid in één jaar met een volle drie procent van het bbp stijgen, dankzij de graaicultuur van de financiële wereld. Of neem de verhoogde NAVO-norm. Volgens de Arizona-partijen kunnen we op tien jaar tijd naar vijf procent van het bbp voor militaire uitgaven gaan. Dat is 3,7 procent méér dan vandaag. Daarmee heeft De Wever zijn eigen riedel aan diggelen geslagen. In de komende tien jaar wil de regering bijna dubbel zoveel extra uitgeven aan oorlogsmateriaal als aan de extra uitgaven voor onze pensioenen. Als het eerste betaalbaar is, waarom het tweede dan niet?
Als je de zaken niet vanuit misleidende kronkelconstructies bekijkt, maar met een nuchter wetenschappelijk oog, dan kan je alleen maar besluiten: onze pensioenen zijn betaalbaar. Vijf Europese landen zitten vandaag al boven de dertien procent van het bbp die wij pas in het jaar 2050 moeten halen.34Oostenrijk en Frankrijk spenderen nu al meer dan veertien procent, Italië en Griekenland zelfs meer dan vijftien procent van het bbp aan de pensioenen. Overigens is het perfect logisch dat een verhoudingsgewijs wat groter deel van de welvaart ten goede zal komen aan de ouderen, vermits deze groep verhoudingsgewijs ook een beetje zal groeien.
De Wever schreeuwt moord en brand over de potverterende babyboomers en maakt met zijn zin voor overdrijving van Scherpenheuvel een col buiten categorie. Maar hij doet dan weer alsof zijn neus bloedt wanneer het gaat over de gigantische pensioenroof die ondertussen zijn beslag krijgt langs de inkomstenzijde van onze sociale zekerheid. Erger nog, zijn regering organiseert en pleegt deze kraak van de eeuw zelf mee. Daarom zwijgt ze erover in alle landstalen en trekt ze de aandacht voortdurend naar de uitgaven. Om het eeuwige credo van Georges-Louis Bouchez even om te draaien: ‘Het probleem in België zijn niet de uitgaven, wel de inkomsten.’35
De pensioeninkomsten smelten sneller weg dan de poolkappen. Ik schreef het al: het bedrog waarover ik het in dit boek heb, is een weloverwogen bedrog: het is de bedoeling bepaalde feiten af te schermen en geheim te houden en andere feiten eenzijdig te belichten. Al wie erbij betrokken is, weet dat deze korting op de waarheid gemaakt moet worden omwille van de belangen van degenen die onze pensioenkas plunderen.
Hoe komt het dat de pensioeninkomsten wegsmelten en verdwijnen? Zoals ik al schreef, onze pensioenen worden grotendeels betaald met de sociale bijdragen op onze lonen. Een deel van de vrucht van onze arbeid moet de werkgever doorstorten naar de sociale zekerheid. Het gaat over ongeveer een derde van ons loon.
Maar hoe langer hoe meer tonen de werkgevers zich weigerachtig om de sociale bijdragen door te storten naar de sociale zekerheid. Zij willen dat liever voor zichzelf houden of voor hun aandeelhouders. Om dat gedaan te krijgen, zetten ze druk op de regering en de publieke opinie. ‘De loonlast is niet houdbaar,’ zeggen ze dan. En het beleid? Dat volgt hen. Jozef Van Langendonck, een specialist sociale zekerheid aan de KU Leuven, schreef daarover: ‘België heeft zich op dat gebied opgeworpen als een kampioen, tot in het bijna belachelijke toe.’ De laatste jaren hebben de werkgevers meer vrijstellingen, verminderingen en kortingen verkregen dan ooit. Een almaar groter deel van onze indirecte lonen moeten ze niet meer doorstorten. Daardoor slaan ze grote bressen in de financiering van onze sociale zekerheid en hebben ze ons uitgesteld loon sluipenderwijs met meer dan een kwart verlaagd.
Hoe deden ze dat? De taxshift van de regering-Michel verlaagde de werkgeversbijdragen voor de sociale zekerheid met een vierde, van 32,5 naar 25 procent. Dat zorgde voor een afbouw van die bijdragen met acht miljard per jaar. Dat zal verder oplopen tot tien miljard in 2029, een gigantisch bedrag. Naast die structurele verlaging zijn er vrijstellingen van sociale bijdragen voor flexijobs, maaltijdcheques, eco-cheques, aanvullende pensioenen en tal van andere nieuwe loonvoordelen. Zij dragen veel minder bij aan de sociale zekerheid en ondergraven zo de pensioenkas.
Alles samen bedragen de vrijstellingen, verminderingen en kortingen nu al 16 miljard per jaar, berekende het Planbureau. 36 De regering-De Wever doet er nu nog een schep bovenop.
De vrijstelling voor de eerste aanwervingen bijvoorbeeld toont hoe groot de onwil wel is van de werkgevers en het beleid. Deze vrijstelling is grotendeels weggegooid geld voor de sociale zekerheid: een half miljard euro per jaar. Dat hebben het Planbureau en het Rekenhof al aangekaart als een dwaze maatregel.37 Toch blijft Arizona eraan vasthouden. ‘Hoeveel argumenten heb je dan nog nodig om zo’n evidente geldverkwisting meteen af te schaffen?’ vraagt professor Ive Marx zich af.38
Of de vrijstelling voor de hoogste lonen. De regering wil België aantrekkelijker maken voor topverdieners en plafonneert de sociale bijdragen voor de lonen boven 28.000 euro per maand. Verlies voor de sociale zekerheid: 150 miljoen euro per jaar. Is dat nu echt nodig?
In 2029 zou de sociale zekerheid maar liefst voor 19 miljard euro minder inkomsten krijgen door al de vrijstellingen, verminderingen en kortingen. Dat is bijna drie procent van het bbp en méér dan de stijging van de pensioenkosten tussen vandaag en 2070.
Het is de tactiek van Starve the Beast, met de sociale zekerheid als the beast die uitgehongerd moet worden. De Amerikaanse president Ronald Reagan paste deze tactiek al toe in de jaren 1980: snijden in de inkomsten zodat besparingen en afslankingen onvermijdelijk worden. ‘Zoals met schapen scheren, moet je stoppen wanneer je aan de huid zit’, zei Bart De Wever in het parlement. Inderdaad, al die vrijstellingen, verminderingen en kortingen snijden in het vlees van de sociale zekerheid.
Als jurist krijg ik het daarbij danig op de heupen. De Wever, Bouchez en Rousseau doen alsof zij zomaar over de sociale bijdragen kunnen wikken en beschikken alsof ze van hen zijn. Maar dat zijn ze niet. Onze pensioenen en onze sociale bijdragen zijn ons uitgesteld loon. Wij hebben daar zélf voor gewerkt en bijgedragen. De stelselmatige afbraak ervan is een hold-up, zonder meer.
Nog dit: Over het ‘weg goochelen’ van sociale bijdragen schrijft gewezen ACV-voorzitter Marc Leemans: ‘In elk van deze dossiers moet ik vaststellen dat noch de overheid, noch de werkgevers enige verantwoordelijkheid willen nemen voor een correctie financiering van de sociale zekerheid. Dat is hun zorg niet. Daartegen ingaan vereist een hele reeks antwoorden. Maar het vergt ook een strategie om die antwoorden effectief op te dringen.’39

