Artikel

“Word wakker, schapen!” De cultuur van afwijzing en haar klassekarakter

Reeds vóór de pandemie stond men sceptisch tegenover de staat, de media en de politiek. Nu neemt deze afwijzing toe en consolideert zij zich door de anticoronaprotesten. Hoe ziet links zijn rol in deze gezagscrisis?

Unsplash

Reeds vóór de pandemie stond men sceptisch tegenover de staat, de media en de politiek. Nu neemt deze afwijzing toe en consolideert zij zich door de anticoronaprotesten. Hoe ziet links zijn rol in deze gezagscrisis?

In 1917 lanceerde de Amerikaanse National Tuberculosis Association (NTA) een moderne gezondheidskruistocht. De Modern Health Crusade mobiliseerde tienduizenden vrijwilligers en begon een nooit eerder geziene campagne. Het doel ervan was in het dagelijkse leven nieuwe gedragsnormen ter bestrijding van de besmettelijke infectieziekte tuberculose op te leggen. Niet alleen spugen in het openbaar en gedeelde drinkbekers zouden tot het verleden moeten behoren, maar ook gedeelde bedden (zelfs tussen echtgenoten) en microbenhuisvestende mannenbaarden. De anti-tb-campagnes maakten deel uit van een gedragsrevolutie die werd aangewakkerd door de nieuwe wetenschappelijke inzichten van het einde van de 19e eeuw. De ontdekking van bacteriën (en later virussen) als ziekteverwekkers werd, zoals historica Nancy Tomes (1998) aantoont, vertaald in een evangelie van de ziektekiemen. Maatregelen op het gebied van volksgezondheid waren niet langer alleen gericht op de openbare ruimte, maar verplaatsten zich naar de privéwoning, het dagelijkse leven – vooral van vrouwen – en de consumptiegewoonten. De verkondiging van dit evangelie kan worden omschreven als een samenspel van initiatieven van het maatschappelijk middenveld, overheidsdwang en door de massamedia geadverteerde bedrijfsmodellen. De nieuwe producten die in naam van de volksgezondheid werden verkocht, varieerden van porseleinen toiletpotten tot mondwater en stofzuigers; de nieuwe gedragingen omvatten bijvoorbeeld het uitkoken van babyflessen, wat nu vanzelfsprekend is, of de schijnbaar bizarre waarschuwing om kinderen niet op de vloer te zetten.

Alexander Harder is politicoloog en werkt aan het Institut für empirische Integrations- und Migrationsforschung (BIM) van de Humboldtuniversiteit Berlijn, waar hij onderzoek doet naar de aanvaardbaarheid van afwijzingsculturen in sociaal-ruimtelijke en digitale omgevingen.

Zoals de actie aan het begin van de 20e eeuw dwingt de covid-19-pandemie ons nu oude gewoonten op te geven en nieuwe routines aan te kweken – van social distancing tot het dragen van een mondmasker in het dagelijkse leven en het regelmatig uitvoeren van coronatests. De medisch historicus Robert Aronowitz wees onlangs op deze historische parallellen en merkte daarbij op: “Een van de vele verontrustende aspecten van de huidige situatie is dat zelfs praktijken die onder medici en gezondheidsdeskundigen brede steun genieten, zoals het dragen van gezichtsmaskers, nauw verbonden raken met partijgebonden overtuigingen en identiteiten.” Dit staat volgens hem in schril contrast met de door Tomes beschreven hervormingen in de levensstijl aan het begin van de 20e eeuw, die een soort van public health citizenship vertegenwoordigden en dienden als een “neutrale basis voor het vormen van een consensus” in de samenleving.1

Afwijzingscultuur en hegemoniecrisis

We dienende coronamaatregelen te zien binnen een ruimere toestand van de maatschappij waarin de politieke machthebbers nauwelijks in staat zijn binnen de bevolking waarover zij regeren, een consensus te verwezenlijken. Sterker nog, zelfs de maatschappelijke instellingen die lange tijd grotendeels onbetwist als autoriteiten werden erkend, worden nu in twijfel getrokken. Het gaat hierbij om de staat en zijn instellingen, internationale organisaties, gevestigde media met inbegrip van de openbare omroepen en zelfs natuurwetenschappelijke of technische expertise. Belangrijke onderdelen van de samenleving komen in de greep van wantrouwen en afwijzing. Deze dynamiek komt het duidelijkst tot uiting in de massale protesten tegen de coronamaatregelen, die sinds de zomer van 2020 in bijna alle steden van het Duitse taalgebied plaatsvonden, gedeeltelijk zelfs tegen officiële verboden in. Ook in het dagelijkse leven worden de meesten van ons geconfronteerd met min of meer uitgewerkte samenzweringsmythes van kennissen of familieleden, of op zijn minst met een uitgesproken onderbuikgevoel dat er iets niet pluis is met de hele coronakwestie.

Benjamin Opratko is postdoctoraal onderzoeker aan het Institut für Politikwissenschaft van de Universiteit Wenen. Hij doet onderzoek naar afwijzingsculturen, populisme, racisme en hegemonie en is redacteur van het maandblad Das Tagebuch.

De politieke conflicten en onlusten die wij het afgelopen jaar hebben waargenomen, en de tegendraadse attitudes die zij inhouden, zijn niet alleen met de pandemie ontstaan. Ze zijn gebaseerd op bestaande maatschappelijke breuklijnen. Wij hebben deze verschijnselen reeds vóór corona onderzocht en stelden de term afwijzingsculturen voor: algemeen verspreide houdingen en betekenisstructuren die worden gekenmerkt door de afwijzing van enerzijds instellingen en elites die als machtig worden beschouwd, en van anderzijds anderen die als inferieur of gevaarlijk worden beschouwd.2 Aan de hand van interviews, informele gesprekken en observaties onderzochten wij in hoeverre deze afwijzingsculturen de verwerking van veranderingen op het werk en in het dagelijkse leven weerspiegelen. De vraag rijst nu of de afwijzingsculturen, die in de coronacrisis nieuw leven werd ingeblazen, de uiting zijn van een diepgaand maatschappelijk proces dat ten gronde ligt aan de hedendaagse politieke wereld. Mag men coronademonstraties, om zich heen grijpende samenzweringsmythes of het zich afkeren van gevestigde media en partijen terecht interpreteren als symptomen van een hegemonie- of gezagscrisis? Als dat zo is, heeft dat verstrekkende gevolgen voor de linkse politiek.

Het concept van de hegemoniecrisis gaat terug op de Italiaanse marxist Antonio Gramsci en zijn Quaderni dal carcere (Notities uit de gevangenis) uit de jaren twintig en dertig van de vorige eeuw. Gramsci verklaart de stabiliteit en de veerkracht van de burgerlijke heerschappij door het feit dat bepaalde delen van de burgerij erin slagen hun belangen voor het algemeen belang te doen doorgaan en de consensus van de geregeerden te organiseren door middel van selectieve toegevingen en het creëren van integrerende instellingen. Als zij erin slagen een “politiek-ethische hegemonie” te bereiken, zullen de massa’s zelfs drastische veranderingen in hun dagelijkse leven als redelijk en noodzakelijk aanvaarden.3 Vanuit dit oogpunt kan het evangelie van de ziektekiemen op Gramsciaanse wijze worden gelezen: als epidemiebeleid dat gevoerd wordt in het kader van een succesvolle hegemonie. Omgekeerd verkeert de hegemonie in een crisis, aldus Gramsci, wanneer “de heersende klasse de consensus heeft verloren […], de grote massa’s niet meer geloven in wat zij voorheen geloofden”. Dit gebeurt niet in één keer, maar in een proces dat zich over tientallen jaren kan uitstrekken en dat Gramsci een “interregnum” noemt, waarin “het oude sterft en het nieuwe nog niet geboren kan worden” en waarin “de meest uiteenlopende ziekteverschijnselen” zich voordoen – een duistere metafoor die dezer dagen weerklinkt. Subjectief wordt de crisis uitgedrukt als een veralgemeend scepticisme, dat met name betrekking heeft op de economie en de politiek: de drijfveer van de heersers wordt verondersteld hun individueel economisch voordeel te zijn en politiek wordt opgevat als een oneerlijke, cynische onderneming. Crisis in de context van hegemonie betekent dus in wezen gezagscrisis.4 In onze ontmoetingen met arbeiders, die een centraal onderdeel van ons onderzoek vormen, komen elementen van een dergelijke gezagscrisis – het wantrouwen tegenover democratie en politiek, alsook tegenover media en wetenschap – steeds weer naar voren.

Verdwijnende politiek

Voor het uitbreken van de pandemie was de perceptie van een machteloze staat in de meeste gesprekken het dominante thema. Onze gesprekspartners berichten over de verslechtering van het dagelijkse leven, de toenemende werkdruk en de dreiging van ontslag, maar ook over de krachten van de natuur of de goddelijke voorzienigheid. Zelfs zij die “de politiek” formeel verantwoordelijk achten voor bijvoorbeeld het bestaan van inkomensongelijkheid, zien deze toch niet als een speler die in staat is actie te ondernemen, noch als iets waarop zij zelf invloed kunnen uitoefenen. Verkiezingen zijn belangrijk, beweren velen, maar de meesten betwijfelen of ze veel uithalen. De mogelijkheid van democratische invloed bestaat in hun ogen eigenlijk niet, of zij vinden het niet de moeite waard ernaar te streven.5 Veel van onze ondervraagden verdelen hun leven in twee sferen: enerzijds het werk, waar de harde eisen, de hiërarchische machtsstructuren en de toenemende druk worden betreurd, maar tegelijkertijd als het lot worden aanvaard en geregeld geïnternaliseerd als te verwezenlijken doelstellingen. Anderzijds het privéleven, dat wordt ervaren als een sfeer van ontspanning en amusement binnen het overzichtelijke kader van het gezin en de hechte vriendenkring. Reeds voor de coronapandemie werden sociale contacten vrijwillig beperkt, kreeg de leefomgeving de vorm van een uitgebreide privésfeer en keerde men zich af van sociale interactie.

De publieke sfeer, die liberale theoretici beschouwen als de arena van de democratie, wordt met overtuiging afgewezen. In onze gesprekken komen politici vaker voor als egocentrische mediafiguren dan als besluitvormers. “Als je ze allemaal in een zak stopt en erop slaat, raak je nooit de verkeerde,” spot een verkoopster uit Noord-Beieren. Politiek is een verwerpelijk woord. De activiteiten in de wijk en vrijwilligerswerk moeten worden opgevat als sociaal engagement, maar ze mogen zeker geen politiek werk worden genoemd. Met een helderheid die je alleen aan de toog tegenkomt, legt een van de ondervraagden ons dit verband uit: hij stemt eigenlijk niet en hij ziet niet in dat de politiek gevolgen heeft voor zijn dagelijkse leven. Als er nu een andere partij zou komen, wat zou er dan werkelijk veranderen? Uiteraard is de grote ongelijkheid tussen mensen een probleem. Maar dat is simpelweg de natuur. “Dat is gewoon het normale kapitalisme waarin we leven,” zegt hij tussen de trekjes aan zijn e-sigaret door.

De spieren van de staat

Het café is ondertussen vanwege de pandemie gesloten en of onze gesprekspartner na het afgelopen jaar nog van normaliteit zou durven spreken, weten we niet. Want de staat lijkt nu de spieren te gebruiken die hij al lang niet meer heeft gebruikt. Hij breekt ketenen, in het bijzonder als toezichthoudende en straffende biopolitieke autoriteit. De staat “eist weer een centrale positie in ons leven op”, schreef literatuurwetenschapper Hans Ulrich Gumbrecht in het voorjaar van 2020 in de Neue Zürcher Zeitung.6 Volgens hem was deze politieke regulering van het dagelijkse leven nooit eerder gezien. Op typische wijze neemt deze burgerlijke intellectueel zijn specifieke ervaring voor die van iedereen en ziet hij over het hoofd dat het van de klasseverhoudingen en van de vormen van ongelijke behandeling tussen de bevolkingssgroepen afhangt welke rol de staat in ieders leven speelt. Wel nieuw is dat repressieve staatsapparaten ook binnendringen in het dagelijkse leven van de hogere en middenklasse, d.w.z. die klassenfracties die de staat tot nu toe vooral tegenkwamen in de vorm van vervelende belastingaangiften en snelheidscontroles op de snelwegen, en die zelfs niet eens opmerkten hoe ze door diezelfde staat geprivilegieerd werden. Dit kan een van de verklaringen zijn voor de oververtegenwoordiging van mensen uit de kleinburgerij met zelfstandige beroepen tijdens de protesten tegen de coronamaatregelen. Maar het zou verkeerd zijn om hier alleen deze mensen te willen zien. Er zijn veel aanwijzingen dat wij hier (net als bij de kiezersbasis van rechts-populistische partijen) te maken hebben met een klassenoverschrijdende alliantie.7

De fundamenten van deze alliantie zijn racistisch geladen prestatie-ideologieën, antisocialistisch ressentiment, mythen van de self-made man en een hyperindividualisme dat naar het nihilisme neigt. Deze verschijnselen zijn we ook in ons onderzoek tegengekomen –zelfs bij hen die als arbeiders en gewone werknemers door het neoliberale kapitalisme worden uitgebuit. Bovendien reageren bepaalde delen van het proletariaat – vooral zij die op grond van ras worden gediscrimineerd en door de economie overbodig zijn gemaakt – afkerig op oproepen van een staat die hen nooit als volwaardige burgers heeft erkend. Als federale en deelstaatregeringen, stads- en gemeentebesturen nu plotseling iedereen samen willen mobiliseren voor een grote inspanning tegen de pandemie, zal dit niet in goede aarde vallen bij mensen die tot nu toe nauwelijks meegeteld hebben en die in het publieke debat normaal gesproken alleen als probleem worden genoemd.

Infodemie en expertise

Met de pandemie neemt ook de bezorgdheid over een infodemie toe, waarbij de Wereldgezondheidsorganisatie (WGO) een toename van desinformatie op sociale media en een verlies aan autoriteit bij het interpreteren van problemen constateert. Hieruit worden twee dingen duidelijk: de essentiële positie van Californische techbedrijven en een diep onbehagen met de nieuwe digitale publieke sfeer.

Zonder techmiljardairs als Mark Zuckerberg, Jack Dorsey of Jeff Bezos kan men vandaag niet over wereldpolitiek denken noch deze maken. Als particuliere infrastructuren zijn hun platforms van essentieel belang, niet alleen voor politieke communicatie, maar voor de wereldpolitiek in het algemeen. De winnaars van de Screen New Deal stellen onderzoeksgegevens, rekencapaciteit en geautomatiseerde adviesdiensten ter beschikking, geven gratis advertentieruimte aan gezondheidsorganisaties en beloven de bestrijding van de pandemie zo vlot mogelijk te laten verlopen.8 Vaak wordt daarbij over het hoofd gezien dat essentiële politieke taken zo worden overgeheveld naar de particuliere infrastructuren van Google, Amazon en Facebook.

Dat er sprake is van een infodemie wijst er tegelijkertijd op dat velen zich zeer ongemakkelijk voelen bij de rol van gevestigde communicatiekanalen in een door de sociale media versnipperde publieke sfeer. In Duitsland werd hierop gereageerd met een bijzondere samenwerking tussen gevestigde publicaties, nieuwe digitale formats en virologische expertise. Het grootschalige mediaoffensief werd gevoerd via de kanalen van de publieke omroep en via de grote dag- en weekbladen. Termen als incidentie, reproductiegetal en oversterfte zijn het jargon geworden van een pandemiebeleid dat stevig op wetenschappelijk bewijs tracht te steunen. Sinds ten laatste de winter van 2020-21 vertoont deze samenwerking echter barsten. Tegenstrijdigheden tussen ramingen door epidemiologen en dubbelzinnige versoepelingen voeden het wantrouwen over het overheidsbeleid. In de vorm van de Querdenkers (letterlijk “laterale denkers”, in werkelijkheid een Duitse beweging van anti-vaxxers, tegenstanders van het coronabeleid en gelovers in allerlei mythes en theorieën, nvdr) breidden de op politiek en media gerichte afwijzingsculturen zich vorig jaar uit tot het domein van medisch-technische kennis. Vaccinatieweigering, esoterie, kritiek op de orthodoxe geneeskunde en de winstgedreven farmaceutische industrie, maar ook op de “staatsmedia” of de “leugenpers” deden denken aan de oude soundbite van de Britse conservatief Michael Gove. In 2017 loochende hij de waarschuwingen uit de wetenschappelijke wereld over de gevolgen van een vertrek uit de EU: “Mensen hebben genoeg van experts!”

Duistere media

“Ik heb al zes jaar geen tv meer – helemaal weg,” vertelt een verkoopster trots, “en ik wil hem niet terug ook.” Onze gesprekspartners laten regelmatig horen dat zij deskundigheid en massamedia beu zijn of er sceptisch tegenover staan, maar ook dat zij zich zorgen maken over censuur of boos zijn over verborgen motieven of manipulatie door de publieke omroepen. Een netwerk van “onafhankelijke” informatiebronnen is in dat geval aantrekkelijker. Je vindt al het nieuws op het internet, en van de rest weet je toch niet welke belangen erachter zitten. Vooral op Youtube kan men zichzelf beter en zelfstandiger bijscholen, je leert elke dag nieuwe dingen, over de ware gemiddelde leeftijd van de mens, over spirituele energieën en goede voeding.

Bezorgdheid over de gezondheid is begrijpelijk, maar het diepgewortelde scepticisme over de gevestigde media geeft te denken. Want de vermeende “staatsomroep” wordt nu tegengewerkt door een netwerk van protestplatforms en door alternatieve media die ervan profiteren dat ze geen redactionele normen kennen en dat ze sensationele koppen snel en vlot kunnen verspreiden. Met name de berichtendienst Telegram is gedurende de pandemie tot het belangrijkste medium voor Querdenkers geworden. De gedereguleerde en clandestien ogende groepen en kanalen bieden een tegenmodel, niet alleen voor de traditionele publieke massamedia, maar ook voor de onlangs gedomesticeerde publieke sfeer van Facebook en Twitter. Antisemitische samenzweringstheorieën vermengen zich non-stop met oproepen voor donaties en advertenties voor ingeblikt vlees als noodvoorraad. De strengere regulering van de gevestigde sociale media leidt tot een migratie naar Dark Social Media zoals Telegram, waar de retoriek duidelijk wordt opgedreven. Hun pleitbezorgers halen er nu een levensonderhoud uit.

Onze gesprekken gaan echter verder dan de algoritmische bijzonderheden van de digitale infrastructuur en hun neiging om de publieke sfeer te fragmenteren en sensationele inhoud te versterken. Zij tonen aan dat de scepsis ten aanzien van de gevestigde media gepaard gaat met de behoefte om de context van de leefwereld zelfstandig te begrijpen. Querdenken, zo betogen ook Quinn Slobodian en William Callison, komt niet alleen voort uit het oude idee van het strategische Querfront (een tijdens de Weimarrepubliek gebruikte taktiek om te trachten zowel links als rechts voor bepaalde strategieën te winnen. Een voorbeeld is de NSDAP, die zowel socialistisch als nationalistisch heette te zijn, nvdr), maar combineert esoterie met het individualistische out-of-the-boxdenken van de start-upideologie.9 Deze wijze van streven naar de waarheid oogt vrij, zelfgestuurd en antiautoritair, maar zij bevestigt de antisemitische en racistische ressentimenten die men vroeger reeds als waar aannam. Pogingen om via de massamedia op grote schaal over virologische wetenschap te communiceren en de samenzweringsbeweging af te doen als covidioten lopen daarom in het beste geval op niets uit en leveren in het slechtste geval die beweging juist koren op de molen. Want het Querdenken komt fundamenteel voort uit de noodzaak om de realiteit van de pandemie en de tegenstrijdigheden in de manier waarop de politiek ze aanpakt, met elkaar in verband te brengen. Daarbij wordt gebruikgemaakt van ideologische elementen die reeds lang voor corona maatschappelijk verankerd waren en in sommige gevallen nu meer benadrukt worden.

Geen schaap zijn

Dat het evangelie van de ziektekiemen welkom vergelijkingsmateriaal is voor een liberale historicus als Aronowitz, die een posttraumatische stresstoornis heeft overgehouden aan het presidentschap van Trump, is niet verwonderlijk. Want het vertelt over de zegen van de burgerlijke hegemonie. Onder leiding van verlichte elites combineert het wetenschappelijke vooruitgang, bestuurlijke rede en ondernemerschap ten bate van een volk dat zijn verstand gebruikt. De gedragsrevolutie aan het begin van de 20e eeuw viel samen met de Progressive Era in de Verenigde Staten, waarin sociale hervorming en progressivisme, kapitalistische beloften van welvaart en wetenschappelijke beloften van efficiëntie elkaar ontmoetten. De nieuwe gedragsnormen werden onderdeel van een liberaal-kapitalistische hegemonie en hun vanzelfsprekendheid werd nauwelijks ter discussie gesteld. Het medisch welzijn van de massa’s ging er ongetwijfeld op vooruit: de epidemiologische transitie sloeg aan, de infectie- en sterftecijfers ten gevolge van besmettelijke ziekten daalden drastisch, zelfs nog voor de uitvinding van doeltreffende vaccins.

Maar het verhaal kan ook anders verteld worden. Al in het midden van de 19e eeuw staken de eerste georganiseerde tegenstand(st)ers van vaccinatie de kop op: een populaire – of populistische? – alliantie van de middenklasse, arbeidersklasse en armen in de steden vocht tegen de verplichte pokkenvaccinatie in het Victoriaanse Engeland.10 Zelfs in de Progressive Era in de VS waren nieuwe maatregelen ter bestrijding van infecties niet zonder controverse. Het verzet kwam van kleine ondernemers en handelaars die bezwaar maakten tegen dure hygiënevoorschriften. Maar ook arme arbeiders protesteerden toen de gemeenschappelijke drinkbekers bij de openbare fonteinen werden afgeschaft en zij die op het gratis drinkwater rekenden, nu hun eigen bekers moesten aanschaffen. En net als tijdens de coronapandemie waren repressie en discipline in de eerste plaats gericht tegen de onderdrukte delen van de loontrekkende klasse. “Voor veel Amerikaanse arbeiders,” schrijft Tomes, “drong de gedragsrevolutie die gepaard ging met het evangelie van de ziektekiemen, hun leven binnen in de vorm van een autoritair regime dat werd opgelegd door werkgevers of gezondheidsautoriteiten”.11 Dat trof vooral immigranten en de afstammelingen van zwarte slaven.

Dit alles was toen geen argument tegen volksgezondheidsmaatregelen, en dat is het nu ook niet. De verwijzingen naar tegenstellingen en breuklijnen moeten echter duidelijk maken dat de linkse politiek zich niet mag beperken tot informatiedrager van een empirisch onderbouwde epidemiologie, maar rekening moet houden met de realiteit van een door het patriarchaat en racisme verdeelde klassenmaatschappij. Zo niet, dan bestaat het gevaar dat er van een linkse politiek niet veel meer overblijft dan een stabiliserende functie en dat hij gaat deel uitmaken van een structureel conservatieve alliantie van conservatieven, liberalen en linksen ter verdediging van macht, orde en gezagshandhaving. Omgekeerd echter maken de pandemische gebeurtenissen, de politieke dynamiek en de sociaal-culturele onderstromen het onmogelijk eenvoudigweg een politieke uitdrukking van de afwijzingscultuur te worden. Links bevindt zich dus in een lastig parket –zoals blijkt uit opiniepeilingen die uitwijzen dat de kiezers sterk verdeeld zijn over de coronakwesties. Links moet geen evangelie voorschrijven dat waarheden verkondigt in de naam van een zogenaamd prepolitiek gezag. Maar links heeft er ook niets bij te winnen door zich in te laten met een informatieoorlog die tenslotte een dystopische vorm van politisering is: hier wordt elke uitspraak beschouwd als een mening en elke mening een raket in de cultuurstrijd.

De uitdaging vloeit voort uit de diep tegenstrijdige aard van de afwijzingsculturen. Aan de ene kant zitten ze stevig vast in een autoritaire dynamiek. Wie probeert hen aan zich te binden door ze te vlijen, sleept zijn eigen project in de verdoemenis – en in het ergste geval vele mensen in de dood. Tegelijkertijd moet men echter beseffen dat de afwijzingsculturen zelf vormen zijn van de verwerking van de tegenstellingen van het reëel bestaande kapitalisme. Daarbij komen we rebelse tradities, kritiek op overheersing en zelfactivering tegen. Het scepticisme tegenover machtselites achter hoge muren en op winst gerichte industrie is immers gegrond. De massamedia wantrouwen en het schandaal van hun verstrengeling met staat en kapitaal aanklagen was ooit een basisonderdeel van de linkse kritiek. Het verlangen om geen schaap te zijn dat geleid wordt door goedbedoelende herders, is in de kern een autonoom-plebejisch verlangen. Per se een eigen mening willen verwerven over hoe alles in elkaar steekt en de oproep, alomtegenwoordig in samenzweringen, om “je eigen onderzoek te doen”, is een democratisch motief. Als links tegenover dit alles stelt dat de mensen in deze uitzonderlijke situatie gewoon moeten doen en geloven wat de autoriteiten en deskundigen zeggen, wanneer links zich slechts aanbiedt als een betere herder, heeft het zijn historische functie verzaakt.

Een nieuwe hegemonie creëren

Dit brengt ons terug bij de these van de hegemoniecrisis. Voor Gramsci was de crisis van de burgerlijke hegemonie niet alleen de mesthoop waaruit het vergif van het fascisme opsteeg, maar ook de voorwaarde voor de mogelijkheid van het socialisme. Links kon falen, zoals Gramsci zelf heeft moeten ondervinden, maar zijn taak leek hem duidelijk: “om de geregeerden onafhankelijk te maken van de regerenden […] om de ene hegemonie te vernietigen en een andere te creëren”.12 Links mocht zich volgens hem niet inpassen in de hegemonieverlangens van burgerlijke groepen en ijveren voor consensus en sociale cohesie over de klassenlijnen heen: “De filosofie van de praxis […] is niet het regeringsinstrument van heersende groepen om consensus te bereiken en hegemonie uit te oefenen over ondergeschikte klassen; het is de uitdrukking van deze ondergeschikte klassen die zich willen bekwamen in de kunst van het regeren en die erop uit zijn alle waarheden te leren kennen, zelfs de onaangename, en de (onmogelijke) misleidingen van de hogere klasse en nog meer die van henzelf te vermijden.”13

De “filosofie van de praxis”, zoals Gramsci het marxisme noemt, is dus geen wetenschappelijke kennis noch de uitdrukking van een klassenbelang, maar het resultaat van een wil: van de wil van de geregeerden om zichzelf te besturen en zo de historische taak op zich te nemen om de maatschappij rationeel te organiseren. Vandaag is echter niet alleen het vertrouwen van de ondergeschikten in de heersers verloren gegaan, maar ook het vertrouwen in hun eigen capaciteiten en de wil om collectief verantwoordelijkheid te nemen voor wat we delen. De plebejische wil tot macht en het zelfvertrouwen in het socialisme, die Gramsci zelfs in de kerkers van het Italiaanse fascisme als vanzelfsprekend kon beschouwen, werden decennialang met succes uit de arbeid(st)ers in Europa verdreven. Een linkerzijde dat geen mislukkingen meer wil oplopen, moet zich dus op lange termijn verzekeren van zijn taak in het “interregnum”. Deze moet niet bestaan in het herstellen van het vertrouwen in de autoriteiten, maar in het opbouwen van het vertrouwen bij de massa’s in de democratie, in het zelfbestuur, in zichzelf – en daarvoor de noodzakelijke infrastructuren voorzien.

Footnotes

  1. Robert Aronowitz, “Learning to Live with the Virus”, Isis 111/4, 2020, p. 787-790.
  2. Alexander Harder, Benjamin Opratko, “Cultures of Rejection at Work: Investigating the Acceptability of Authoritarian Populism”, Ethnicities (i. E.), 2021. & Benjamin Opratko, “Die Kultur der Ablehnung” Tagebuch 7/8, 28.6.2020, p. 16-21.
  3. Antonio Gramsci, Klaus Bochmann (red.), Wolfgang Fritz Haug (red.), Peter Jehle (red.), Gefängnishefte, Argument-Verlag, Berlin/Hamburg, 1991-2002, p. 1567.
  4. Ibid., p. 354f.
  5. Benjamin Opratko, “Wenn die Politik verschwindet”, Jacobin, 15 september 2020, p. 98-101.
  6. Hans Ulrich Gumbrecht, “Der Notstands-Staat”, Neue Zürcher Zeitung, 24 maart 2020.
  7. Oliver Nachtwey, Robert Schäfer, Nadine Frei, Politische Soziologie der Corona-Proteste, SocArXiv Papers, Universität Basel, 2020.
  8. Naomi Klein, “Screen New Deal: Under Cover of Mass Death, Andrew Cuomo Calls in the Billionaires to Build a High-Tech Dystopia”, The Intercept, 8 mei 2020.
  9. William Callison, Quinn Slobodian, “Coronapolitics from the Reichstag to the Capitol”, Boston Review, 12 januari 2021.
  10. Nadja Durbach, Bodily Matters. The Anti-Vaccination Movement in England, 1853-1907, Duke University Press, Durham, 2005.
  11. Nancy Tomes, The Gospel of Germs: Men, Women, and the Microbe in American Life, Cambridge, MA./London, 1998, p. 182.
  12. Antonio Gramsci, Klaus Bochmann (red.), Wolfgang Fritz Haug (red.), Peter Jehle (red.), Gefängnishefte, Argument-Verlag, Berlin/Hamburg, 1991-2002, p. 1325.
  13. Ibid.