Sinds enkele jaren is de inflatie terug, aangewakkerd door een reeks crises. Nu ze geconfronteerd wordt met exposieve prijsstijgingen, legt de ‘economische wetenschap’ uit dat ze het gevolg zijn van de wetten van de markt. Er was echter een tijd dat de overheid niet aarzelde om een zeer doeltreffend blusmiddel in te zetten.

Op een slagveld vallen altijd wel gouden tanden te trekken. En om te voorkomen dat je met beide handen in de mond van het lijk wordt betrapt, is het nog steeds het veiligst om een brancardiersuniform aan te trekken. Patrick Pouyanné, de topman van TotalEnergies, weet dat maar al te goed. Bij de explosieve stijging van de brandstofkosten besloot hij een maximumprijs in te stellen bij de 3.300 tankstations van de groep. ‘Dit zijn krachtige, genereuze en solidaire beslissingen’, legde hij uit aan Sud Ouest (5 mei 2026). De kosten zullen worden gecompenseerd door het ‘enthousiasme van het volk’. Maar in werkelijkheid streeft de multinational met de prijsbevriezing van benzine en diesel een tweeledig doel na.Enerzijds wil hij de beschuldigingen van ‘oorlogswinsten’ ontkrachten die het bedrijf regelmatig te horen krijgt. Elke verstoring van de toeleveringsketens leidt immers tot kolossale marges voor de oliemaatschappijen. Zij profiteren er telkens van om hun prijzen nog verder te verhogen. Zo waren ze er bij het begin van de oorlog in Oekraïne (2022) in geslaagd hun winsten te verdrievoudigen ten opzichte van het gemiddelde van de voorgaande jaren. En dat terwijl de koopkracht overal ter wereld erop achteruitging. 1 Het is een ijzeren wet dat speculatieve inflatie de conjuncturele inflatie verergert.
Naar aanleiding van de oorlog in het Midden-Oosten werd prijsregulering in ten minste 23 landen ingezet om de koopkracht van de consumenten te beschermen. Waarom dan niet in België of Nederland?
Anderzijds wil hij voorkomen dat de overheid de superwinsten belast. ‘In het geval van een extra heffing op onze raffinaderijen [waar TotalEnergies het grootste deel van zijn marges realiseert], zullen we de prijsplafonds bij onze tankstations in Frankrijk niet kunnen handhaven’, dreigt Pouyanné in hetzelfde interview met Sud Ouest. Op 3 april jongstleden drongen de ministers van Financiën van Oostenrijk, Duitsland, Portugal, Italië en Spanje er bij de Europese Commissie op aan om een EU-brede belasting in te voeren op de uitzonderlijke winsten van energiebedrijven in oorlogstijd. Dat initiatief werd door de Franse regering genegeerd, hoewel ze zich, volgens woordvoerster Maud Brégon op 29 april 2026 ‘niets ontzegt’. Bij gebrek aan maatregelen tegen de speculatieve dynamiek die de prijsstijgingen aanwakkert, probeert de Franse regering in de praktijk wel de symptomen ervan wat te verzachten. Er zijn cheques, compensaties en gerichte steunmaatregelen voor huishoudens met een bescheiden inkomen of voor beroepsgroepen die het meest te lijden hadden onder de twee inflatiegolven van de voorbije vier jaar. Wat de grote distributeurs betreft… hen wordt gevraagd ‘zich verantwoordelijk op te stellen’.

Maar voor sommigen is zelfs dat al te veel. Op 28 mei gaf Michel-Édouard Leclerc, voorzitter van het gelijknamige winkelnetwerk, tijdens een interview op RMC, de minister van Economische Zaken, Roland Lescure, flink de wind van voren. De dag ervoor had de minister voor het eerst opgeroepen om het voorbeeld van TotalEnergies te volgen en de prijzen te verlagen. ‘De strijd voor koopkracht door middel van lage prijzen, dat zijn wij!’, reageerde de ondernemer verontwaardigd. ‘Dat is Leclerc, dat is Système U, dat is Intermarché, dat is Carrefour (…). Wij zijn het die een schild vormen tegen de inflatie.’
‘Een roofoverval en een broedermoord’
Nu het leven zo duur is geworden, keerde echter een andere vorm van bescherming terug in het publieke debat: de politieke prijssturing. Het Internationaal Energieagentschap (IEA) identificeerde 91 landen die een reeks maatregelen invoerden ter ondersteuning van de koopkracht van hun consumenten. Zij deden dat naar aanleiding van het conflict in het Midden-Oosten. Bij 23 van hen ging het om de regulering van de brandstofprijzen voor transport en verwarming. Onder hen landen als Chili, India, Japan en Polen. De controverses reiken inmiddels verder dan alleen de kwestie van energieproducten. De Schotse Nationale Partij (SNP, een centrumlinkse partij die naar Schotse onafhankelijkeid streeft), won de Schotse parlementsverkiezingen van mei 2026. De SNP is van plan een maximumprijs vast te leggen voor ‘twintig tot vijftig producten’, zoals brood, melk, kaas, rijst en kip. Op die manier wil ze de levensmiddelen ‘die nodig zijn voor een evenwichtige voeding, betaalbaar houden’. 2 Al in 2024 stond het bevriezen van de prijzen van basisbehoeften op het programma van het Franse Nieuwe Volksfront (Nouveau Front Populaire).
Fanatieke voorstanders van de vrije markt beschouwen het nog steeds als ketterij of populisme om bepaalde goederen aan de wetten van de markt te onttrekken. Dat geldt ook voor revisionistische historici. Over de ‘Meelopstanden’ (1775) schreef François Furet het volgende: ‘De lagere klassen, van de dagloner tot de kleine ambachtsman, protesteerden tegen de conjunctuurpieken met gewelddadige acties tegen de prijzen. Het ging dus niet om een politiek verzet tegen de machthebbers. De mislukking [van de opstanden] zat dan ook verankerd in het wezen zelf van de beweging.’ 3 In 1775 braken er inderdaad rellen uit in Parijs en op het omliggende platteland. De rebellie was het gevolg van slechte oogsten en, vooral, van een decreet van de minister van Financiën, Anne Robert Jacques Turgot, die de graanhandel had geliberaliseerd. Zijn doel was de ontwikkeling te bevorderen van grote landbouwbedrijven. Tegenover die ‘economische wetenschap’ stelt het volk wat de Britse historicus Edward Palmer Thompson een ‘morele economie’ 4 noemt. Daarbij stormen menigten de kraampjes van graanhandelaren of bakkers binnen, nemen er de producten in beslag, en komen vervolgens gezamenlijk een ‘eerlijke prijs’ overeen die ze aan de handelaars betalen.
Prijsplafonds waren tot het einde van de jaren zeventig de norm in de meeste Europese landen… totdat het liberale dogma weer de overhand kreeg.
Historica Florence Gauthier ziet in deze controlerende volkspraktijken de eerste tekenen van een tegenmodel voor de samenleving. Gabriel Bonnot de Mably en later Maximilien de Robespierre en Louis Antoine Saint-Just werkten er later de theorie van uit. 5 De twee revolutionairen beschouwen het eigendom waarop de vrije handel berust niet als een natuurlijk recht. In tegenstelling tot het ‘recht op bestaan’, dat zij tot de hoeksteen van al hun politiek handelen maken: ‘De voor de mens noodzakelijke voedingsmiddelen zijn even heilig als het leven zelf,’ verkondigt ‘de Onomkoopbare’ op 2 december 1792 in de Conventie. ‘Alles wat onmisbaar is om het leven in stand te houden, is gemeenschappelijk eigendom van de gehele samenleving.’ (…) ‘Elke commerciële speculatie die ik ten koste van het leven van mijn medemens verricht, is geen handel, maar roof en broedermoord.’ In augustus 1793 werden openbare graanschuren opgericht om de ‘kunstmatige voedseltekorten’ te bestrijden. De producenten moeten verantwoording afleggen over hun oogsten. Die kunnen zelfs op bevel van de gemeenten in beslag worden genomen. De in september aangenomen wet op de algemene maximumprijzen legt een bovengrens vast voor de prijs van negenendertig levensmiddelen en producten, zoals boter, olie en suiker, zeep, tabak, schoenen, leer … En dus niet langer voor graan alleen.
Bij elke verslechtering van de economische situatie duikt telkens weer de vraag op of de levensbehoeften voorrang moeten krijgen boven de vrijhandel en de speculatie. Na de oliecrisis van 1973 vereeuwigde de schrijver Dario Fo deze spanning in een satirisch toneelstuk, Non si paga! Non si paga! (Wij betalen Niet!). Hij actualiseerde het in 2008, midden in de subprime-crisis. Het verhaal gaat over twee vriendinnen, Antonia en Margherita, die uiteindelijk door de politie worden achtervolgd nadat ze zich schuldig hebben gemaakt aan ‘zelfkorting’. Samen met andere vrouwen die de hoge prijzen in de supermarkten beu waren, weigerden ze hun boodschappen aan de kassa te betalen. In het voorwoord bij de tweede uitgave geeft de auteur de reacties van de toeschouwers weer. Het publiek verbaast zich erover dat een stuk dat dertig jaar eerder is geschreven nog steeds zo actueel kan zijn. ‘U spreekt over feiten die we net in de kranten hebben gelezen: (…) dezelfde misbruikpraktijken, dezelfde gekonkel als toen’, merkt een van de toeschouwers op. Niets nieuws onder de zon. Tenminste niet, tot de recente crises de economische wetenschap dwong zich te verdiepen in de strategieën van grote bedrijven in tijden van inflatie.
Sinds de jaren zestig leek het vanzelfsprekend: tekorten en aangekondigde prijsstijgingen (bijvoorbeeld bij flessenhalzen na een geopolitieke schok zoals in Hormuz) veranderen het gedrag van de economische actoren. In een poging om de gevolgen van bottlenecks te verzachten, zouden ze die door hun koopgedrag nog eens extra versterken. Consumenten hebben nu eenmaal de neiging om goederen waarvan een tekort dreigt, meteen en in grote hoeveelheden aan te schaffen. [De rush op toiletpapier bij het begin van de Coronacrisis, bijvoorbeeld, vert.] Zij doen dat nog voor de prijzen omhoogschieten. Die reacties leiden tot een self-fulfilling prophecy, aangezien ze de vraag kunstmatig opdrijven en de prijzen omhoog stuwen nog voor er effectieve voorraadtekorten ontstaan. Deze theorie, ook wel de theorie van de ‘inflatieverwachtingen’ genoemd, schrijft de ernst van de crises dan ook toe aan de impulsiviteit van de massa.
Maar… in 2023 besluiten twee economen in een artikel over ‘verkopersinflatie’ (sellers’ inflation) zich eens te concentreren op de verwachtingen van de bedrijven, en dus niet op die van de consumenten. 6 Isabella Weber en Evan Wasner tonen aan hoe multinationals in een oligopolistische situatie tijdens de Covid-19-pandemie hun macht over de markt gebruikten om economische verstoringen om te zetten in forse winsten. Op basis van een analyse van teleconferenties tussen de leidinggevenden van grote Amerikaanse concerns (Chevron, DuPont, ExxonMobil, PepsiCo) en hun aandeelhouders, stellen de auteurs vast dat tekorten, leveringsproblemen of de op hol geslagen grondstofprijzen fungeerden als signalen voor impliciete coördinatie. ‘Zonder onderling overleg, zonder een kartel te vormen, hebben concurrenten binnen dezelfde sector hun prijzen op buitensporige wijze aangepast,’ leggen ze uit. De ontwrichting van de productieketens diende vervolgens als excuus zowel tegenover consumenten als tegenover overheden om de prijsstijgingen aanvaardbaar te maken. Alleen de bedrijven weten nog hoe buitensporig ze zijn.
Tijdens de coronacrisis was de ontwrichting van de productieketens het excuus voor grote concerns om de prijzen op ondoorzichtige en buitensporige wijze te verhogen.
Het gericht bevriezen van bepaalde prijzen zou deze dynamiek kunnen doorbreken voordat hij zich over de hele economie verspreidt, stelt Isabella Weber. In tegenstelling tot anti-inflatoire bezuinigingsmaatregelen die de totale vraag verzwakken door begrotingsdiscipline en renteverhogingen, zijn de effecten van prijsplafonds onmiddellijk merkbaar. ‘Ze maken het in principe mogelijk om de inflatieverwachtingen van marktdeelnemers te doorbreken en de economische kosten van desinflatie voor de werkgelegenheid en de productie te verminderen,’ vat Basile Clerc samen. Clerc verdedigt in september een proefschrift over prijscontrole. 7
Er zijn echter ook argumenten die tegen prijsplafonds pleiten: de administratieve rompslomp, het risico op het ontstaan van een zwarte markt, marktverstoringen, en het ontmoedigen van investeringen of innovatie… Zo kon de directeur-generaal voor de prijzen tussen 1974 en 1978 constateren hoe vindingrijk de Franse bakkers waren. Om de door de overheid vastgestelde prijs voor croissants te omzeilen, bedachten ze croissants met een andere vorm. 8
Maar ten eerste komen deze ongewenste effecten minder vaak voor als de maatregel tijdelijk is en wordt gevolgd door een fase van soepeler prijsregulering. Ten tweede, zoals Jean-Philippe Simon, inspecteur voor mededinging, consumentenzaken en fraudebestrijding, benadrukt: ‘schuilt er in het idee om de concurrentie vrij spel te laten zonder overheidsingrijpen een volkomen onlogisch grondbeginsel. De concurrentie heeft namelijk de neiging zichzelf uit te roeien. Na verloop van tijd blijft er in een bepaalde sector slechts een minderheid van spelers over. Die verkeren dan snel in een positie waarbij ze hun wil en chantage kunnen opleggen.’
Van pasteitjes tot bouten
In werkelijkheid stelt de door de particuliere sector verdedigde ‘vrijheid om de prijs te bepalen’ hem vooral in staat om in zijn eentje het winstniveau te bepalen dat hem goed uitkomt. Voor de overheid was en is die vrijheid niet altijd vanzelfsprekend. Basile Clerc herinnert eraan dat prijsplafonds in Frankrijk de regel waren tot eind jaren zeventig. Bovendien was dat in de meeste Europese landen het geval. Dit systeem van ‘prijszetting’ kwam voort uit de Tweede Wereldoorlog en de periode van wederopbouw. Het was gebaseerd op directe staatsinmenging in de prijsvorming. De overheid onderhandelde met bedrijven en vakbonden en stelde vervolgens een maximum vast voor prijsstijgingen. Om de naleving te controleren, zette zij duizenden ambtenaren in over het hele grondgebied. Het systeem werd vanaf 1977 geleidelijk afgebouwd, toen er een ‘onafhankelijke mededingingscommissie’ werd opgericht. Tegen de achtergrond van de openstelling van de Europese economieën en de opkomst van de interne markt, maakte het liberale dogma een grote comeback: prijzen – net als de huurprijzen overigens – moesten opnieuw door de markt worden bepaald en niet door de overheid.
Die ontwikkeling zie je bijna overal. In het Verenigd Koninkrijk bereidde de Labour-partij het afschaffen van de prijscontrole voor. De conservatieven bekrachtigden het in 1980. In Frankrijk was het Édouard Balladur, destijds minister van Economische Zaken, die de laatste nagel in de doodskist sloeg. Met zijn verordening van 1 december 1986 maakte hij van ‘de vrijheid van prijs’ de regel. Hij behield enkele zeldzame uitzonderingen die vandaag nog steeds bestaan (boekenprijs, taxitarieven of brandstofprijzen in de overzeese departementen). Als afgevaardigde van de Confédération générale du travail (CGT) bij de Direction générale de la concurrence, de la consommation et de la répression des fraudes (DGCCRF) heeft Simon deze omwenteling van binnenuit meegemaakt: ‘Al onze expertise, al ons werk op het gebied van prijsvorming, tariefanalyse en marges werd toen met één pennenstreek tenietgedaan. De ondernemers, van de fabrikant van pasteitjes tot de producent van bouten, bleven ons radeloos bellen: “Hoe moeten we onze prijzen nu vaststellen?”’
Door degenen die van de chaos profiteerden steeds weer de taak te geven de gevolgen van de crisis in te dammen, vergat de overheid uiteindelijk dat ze lange tijd over haar eigen noodpakket had beschikt.
Vertaling van Clément Quintard „Qui a peur du contrôle des prix ?“, Le Monde Diplomatique, juli 2026. Lava Media maakt deel uit van Les éditions internationales van Le Monde Diplomatique. Maandelijks publiceren we drie artikelen uit het Franse maandblad in Nederlandse vertaling. Vertaling door Jan Reyniers.
Footnotes
- Benjamin Braun en al., ‘Best of times, worst of times : record fossil-fuel profits, inflation and inequality’, (PDF), Energy Research & Social Science, vol. 127, Elsevier, september 2025.
- SNP Manifesto 2026. Always on Scotland’s side’, 16 april 2026, SNP.
- François Furet, ‘Pour une définition des classes inférieures à l’époque moderne’, Annales. Économies, sociétés, civilisations (ESC), n° 3, Parijs, 1963.
- Edward P. Thompson, La Formation de la classe ouvrière anglaise, Hautes Études – Gallimard – Seuil, Parijs, 1988.
- Florence Gauthier, ‘De Mably à Robespierre. De la critique de l’économique à la critique du politique’, in Florence Gauthier en Guy-Robert Ikni (o.l.v.), La Guerre du blé au XVIIIe siècle, Éditions de la Passion, Parijs, 1988.
- Isabella M. Weber en Evan Wasner, ‘Sellers’ inflation, profits and conflict : why can large firms hike prices in an emergency ?’, (PDF), Review of Keynesian Economics, vol. 11, n° 2, Cheltenham, april 2023.
- Basile Clerc, « Économie politique du contrôle des prix », thèse de doctorat, sous la direction de Laurence Scialom en Alexandre Chirat, Universiteit van Parijs, Nanterre.
- Laurent Warlouzet, ‘“La liberté des prix devient la règle”. La libération des prix et l’établissement de la politique de la concurrence en 1986’, Histoire, économie et société, n° 2, Parijs, juni 2022.
