“Waarom heeft Iran zich nog steeds niet overgegeven?”, vroeg de Amerikaanse president Donald Trump zich op 20 februari af. Het theocratische regime lijkt niet van plan om toe te geven. De onderdrukking van de bevolking afgelopen januari toont eens te meer aan dat het regime heeft gefaald. Terwijl Washington het gebruik van geweld niet opgaf, wacht een deel van de Iraanse elite op het juiste moment.

Vanaf het begin van dit jaar bliezen de Verenigde Staten afwisselend warm en koud tegenover Iran. Enerzijds heeft de Amerikaanse regering een indrukwekkende lucht- en zeemacht ingezet in de wateren van de Perzische Golf en op haar bases in de regio. Voor veel waarnemers lijdt het geen twijfel dat een dergelijke concentratie van vliegtuigen en oorlogsschepen, waaronder twee vliegdekschepen, slechts de opmaat kan zijn voor een grootschalige aanval, ook al zou die beperkt zijn in de tijd. Anderzijds zijn Washington en Teheran overeengekomen de onderhandelingen over het Iraanse nucleaire programma te hervatten. Achter deze strategische kwestie schuilt echter een poging om het algemene politieke geschil op te lossen dat Iran en de Verenigde Staten al sinds de gijzeling van Amerikaanse diplomaten in 1979 verdeelt. Hoewel het moeilijk is te voorspellen wat de gevolgen van een militaire operatie zouden zijn, met name wat betreft het voortbestaan van het Iraanse regime, zou een eventuele, langdurige en moeizame ‘normalisering’ van de betrekkingen tussen Iran en de Verenigde Staten een nieuwe revolutie voor de Iraniërs betekenen. De ideologische grondslagen van de Islamitische Republiek zouden er immersonder lijden.
De Iraanse revolutie van 1979 werd gekenmerkt door de opkomst van de volksislam als politieke kracht. Sindsdien is de Islamitische Republiek vooral bekeken door de bril van de revolutionaire islam en werd de naderende val ervan regelmatig voorspeld. Daarbij werden de politieke krachten en ideeën van onafhankelijkheid, vrijheid, eerbiediging van de mensenrechten en sociale rechtvaardigheid, die hadden geleid tot de omverwerping van een despotische en aan de Verenigde Staten ondergeschikte monarchie, telkens verdoezeld. Deze krachten zijn nooit verdwenen, terwijl het regime zich opsloot in despotisme en corruptie en de samenleving zich bleef ontwikkelen en vaak in opstand kwam.
De ‘culturele revolutie’ van 1980, die het onderwijs moest islamiseren, heeft vooral miljoenen plattelandsvrouwen naar school gebracht, een paradox die de geestelijkheid te boven ging.
Aan dit wankele evenwicht komt nu een einde. De bloedbaden van januari 2026 vormen inderdaad een breekpunt en zouden wel eens fataal kunnen zijn voor de Islamitische Republiek. Die maakt een existentiële crisis door die haar onvermogen om te regeren aan het licht brengt. Het is zelfs ideologische zelfmoord, aangezien zij nu gedwongen is om rechtstreeks te onderhandelen over een akkoord met de “Grote Satan”, de Verenigde Staten.
De erfenis van de Islamitische Republiek
Afgezien van de scenario’s voor institutionele veranderingen, die zowel noodzakelijk als onvoorspelbaar zijn, is de vraag hoe een nieuw Iran kan worden opgebouwd dat voldoet aan de eisen van de samenleving en zich bezighoudt met buitenlandse betrekkingen die ver afstaan van die van de jaren zeventig. Welke politieke krachten, welke sociale groepen, welke internationale allianties zullen in staat zijn het land weer op te bouwen? Moet er een monarchie worden hersteld, zoals een deel van de machtige en rijke diaspora droomt, of moeten de in beslag genomen idealen van de revolutie van 1979 nieuw leven worden ingeblazen? Wat kan er worden behouden van de ervaring van de Islamitische Republiek?

Het Iran van vandaag is niet meer dat van 1979. Toen droeg een ‘verlichte minderheid’ – stedelijk, geschoold en open voor de waarden van de hedendaagse wereld – bij aan de omverwerping van de sjah. Daarna werd ze gemarginaliseerd door een meerderheid van de bevolking die hoopte dat de traditionele sjiitische islam aan haar verwachtingen zou voldoen. Vier decennia later is deze minderheid een meerderheid geworden, aangezien de stedelijke bevolkingsdichtheid en het alfabetiseringspercentage, die in februari 1979 de symbolische drempel van 50 % hadden overschreden, verder zijn gestegen. Ondertussen evolueerde ook het politieke leven met de goedkeuring van een ‘republikeinse’ grondwet. In de loop van de tijd raakten de geestelijkheid en de traditionele islamistische machthebbers achterop bij deze ingrijpende maatschappelijke veranderingen. De openstelling naar de hedendaagse wereld was niet langer het voorrecht van een elite, maar van de meerderheid van de bevolking, die zich aan de religieuzen onttrok.
Een vroege episode illustreert deze tegenstrijdige ontwikkeling goed. De ‘culturele revolutie’ van april 1980 had tot doel het onderwijs en de universiteiten te islamiseren. In werkelijkheid hebben de uitzending van onderwijzeressen naar de dorpen en de oprichting in alle steden, zelfs de kleinste, van afdelingen van de Vrije Islamitische Universiteit (daneshgah azad eslami, opgericht door Abdollah Jasbi en Ali-Akbar Rafsanjani) vooral gezorgd voor massale scholing van vrouwen op het platteland en toegang voor jongeren tot de wetenschap en de internationale cultuur. In 1976 was 17,3 % van de vrouwen geletterd; in 2016 was dat 73 %. Tegelijkertijd, en ondanks enkele pogingen tot ‘modernisering’, zijn de theologische scholen van Qom of Mashhad niet in staat geweest om deze educatieve en wetenschappelijke uitdagingen aan te gaan en hebben ze de sociale band verloren die hen in 1978 in staat had gesteld de massa’s te mobiliseren.
De Iraanse revolutie van 1979 werd gedragen door een volksislam, maar ook door idealen van vrijheid, onafhankelijkheid en sociale rechtvaardigheid – krachten die nog steeds springlevend zijn ondanks het despotisme van het regime.
De verstedelijking van Iran (74 % van de bevolking in 2016) heeft de provinciale cultuur van het land niet uitgewist, integendeel: de meeste dorpen maken tegenwoordig deel uit van het nationale economische, politieke, culturele en medialeven. De sociaal-politieke verschillen zijn minder uitgesproken tussen stad en platteland dan tussen de stadscentra en de nieuwe, steeds dichterbevolkte volkswijken: 40 % van de inwoners van Groot-Teheran zijn forenzen. Deze nieuwe stadsbewoners hebben niet altijd dezelfde politieke belangen en ambities als de hogere middenklasse in de stadscentra. Ze laten hun politieke identiteit en eisen gelden, zoals in november 2019 bij de stijging van de benzineprijs. Bovendien heeft de concentratie rond de grote steden van bevolkingsgroepen uit soms verafgelegen provincies de politiek-etnische geografie van Iran veranderd, omdat elke wijk of kleine voorstad voortdurend in interactie staat met de provincies van herkomst.
De institutionele en politieke erfenis van de Islamitische Republiek is natuurlijk moeilijk te aanvaarden, aangezien Iran verre van een democratie is, maar het is niettemin een republiek. De bevoegdheden die de Opperste Leider en de sjiitische geestelijkheid zich hebben toegeëigend, mogen niet verhullen welke plaats verkiezingen hebben verworven in de Iraanse volkscultuur (tweeënveertig nationale of lokale verkiezingen sinds 1979). Het uitsluiten van ‘slechte kandidaten’ vóór de stembusgang of grootschalige fraude, zoals in 2009, heeft de Iraniërs er niet van weerhouden om de verkiezingen te gebruiken om hun ideeën en eisen kracht bij te zetten, met name tijdens verschillende presidentsverkiezingen die korte momenten van debat boden en een glimp lieten zien van wat een vrij politiek leven zou kunnen zijn. Op alle gebieden heeft de nieuwe Iraanse samenleving voortdurend laten zien dat zij van plan was de belangrijkste speler in haar eigen toekomst te zijn.
Hoe zal het verder gaan met de betrekkingen met het Westen, en meer in het bijzonder met de Verenigde Staten? De Iraanse staat, die lange tijd het slachtoffer was van Russisch, Brits en vervolgens Amerikaans imperialisme, heeft altijd naar onafhankelijkheid gestreefd. De weigering van de politieke en militaire overheersing van Iran door de Verenigde Staten leidde tot een Iraanse consensus. Daardoor werd de gijzeling van tweeënvijftig Amerikaanse diplomaten op 4 november 1979 gezien als een overwinning in een virtuele ‘onafhankelijkheidsoorlog’ die zich in feite tegen Iran keerde.
Het regime zit in een klem: onderhandelen met Washington, de ‘Grote Satan’, zou ideologische zelfmoord betekenen. Toch is de opheffing van de internationale sancties de enige duurzame uitweg uit een onhoudbare economische en sociale crisis.
In de context van de Koude Oorlog werd deze zowel nationalistische als islamistische strijd geïnterpreteerd als steun aan de USSR. Dat leidde tot een radicale, wederzijdse en eindeloze ideologische vijandigheid tussen Iran en de Verenigde Staten. Dit bilaterale conflict stond sindsdien centraal in de meeste regionale oorlogen en conflicten, en de politieke oplossing ervan blijft de hoeksteen van de veiligheid in het Midden-Oosten.
Het nucleaire akkoord van 2015 (JCPOA, Joint Comprehensive Plan of Action), bekrachtigd door de Verenigde Naties (VN), was slechts een intermezzo dat betwist werd door zowel de Republikeinse Partij en Israël als door de radicale islamistische facties in Iran die dicht bij de Gids Ali Khamenei staan. In 2018 stortte de afwijzing van het akkoord door president Donald Trump, gevolgd door het terugtrekken van de Europeanen, het land in een ongekende economische crisis en veroorzaakte het wanhoop bij de nieuwe middenklasse, die een mogelijke economische, culturele en politieke normalisatie in rook zag opgaan. De volksopstanden werden toen steeds vaker en massaler. Ze werden ook blindelings en brutaal onderdrukt.
Twee grote nederlagen hebben het regime verzwakt. Enerzijds heeft de sjiitische geestelijkheid uiteindelijk toegegeven wat betreft het dragen van de sluier. Anderzijds leden de buitenlandse bondgenoten van de Revolutionaire Garde, die deel uitmaken van de ‘as van het verzet’, nederlagen (de Libanese Hezbollah, en niet te vergeten de val van het regime van Bashar al-Assad in Syrië). De aanval van Hamas op Israël op 7 oktober 2023, gevolgd door de verwoesting van Gaza en de directe militaire confrontatie met Israël, hebben de verdeeldheid en spanningen binnen een regime nog verder aangewakkerd. Een regime dat overigens niet in staat is om anders te reageren op de economische en vervolgens politieke eisen van de Iraniërs dan door het afslachten van duizenden demonstranten.
De impasse is dus totaal. Om een aanvaardbare uitweg te vinden, is de Islamitische Republiek gedwongen te zoeken naar een alomvattende en duurzame politieke oplossing voor het conflict met de Verenigde Staten. De nucleaire kwestie blijft de hoeksteen, een symbool waarover de internationale gemeenschap vaak debatteert. Maar in werkelijkheid is het opheffen van de economische sancties het cruciale punt voor Teheran. Die sancties zijn een vorm van agressie die het leven van alle Iraniërs beïnvloedt en een corrupte parallelle economie voedt die wordt gecontroleerd door families en sociale groepen die banden hebben met de machthebbers. Een oplossing voor het conflict met de Verenigde Staten zou betekenen dat Iraans kapitaal wordt vrijgegeven, de nationale markt wordt opengesteld voor Amerikaanse bedrijven en het dagelijks leven van de bevolking op korte termijn verbetert. Voor het theocratische regime zou dit een waarschijnlijk fatale politieke nederlaag betekenen.
Het zou daarentegen een overwinning zijn voor veel Iraniërs die door de Islamitische Republiek op korte termijn pro-Amerikaans werden. De terugkeer van de Verenigde Staten in Iran, met de interne en regionale gevolgen die dit met zich meebrengt, zou dus met wapens kunnen plaatsvinden, in het geval van een grootschalige interventie om het regime ten val te brengen. Waarschijnlijker is dat het met dollars gebeurt. Er zijn echter talloze obstakels, al was het maar het hardnekkige nationalisme onder de Iraniërs. De inertie en de duizenden problemen die het gevolg zijn van decennia van isolatie zullen evenmin helpen. Daar komen nog de regionale ambities van Israël bij, de politieke ambities van de royalistische diaspora en de vijandigheid van de radicale islamistische facties die zich voortdurend tegen deze aangekondigde normalisatie verzetten. Toch lijkt deze normalisatie onomkeerbaar, onder druk van de samenleving maar ook van de landen in de regio (de monarchieën van de Golf, Turkije, Egypte), die steeds meer vrezen voor de militaire en politieke macht van Israël.
Maar wie zou het stokje kunnen overnemen? Ondanks de schijn beperkt het politieke leven van de Islamitische Republiek zich niet tot despotisme en onderdrukking. De grondwet geeft de Gids Ali Khamenei weliswaar zeer uitgebreide bevoegdheden, maar men kan zich afvragen wat zijn werkelijke rol is: strateeg, scheidsrechter, besluitvormer, of louter een steunpilaar van de facties of personen die de stabiliteit van zijn regime kunnen waarborgen? Door zijn zeer lange ervaring blijft hij echter de enige politicus die in staat is om de vele rivaliserende clans, groepen en financiële belangen te controleren die verenigd zijn in het overvolle “kantoor van de Leider” (beyt-e rahbari). De macht ligt minder in de handen van één man dan in de kracht en de inertie van een ideologisch, financieel en repressietelsel. Dat ‘systeem’ is erin geslaagd door middel van corruptie talrijke individuen of sociale groepen aan zich te binden of te verenigen. Het deed dat nog voor de cycli van repressie zijn onvermogen om te regeren duidelijk maakten.
De erfgenamen van de revolutionairen die de sjah omverwierpen met hun derdewereldideeën, onafhankelijkheid, vrijheid, democratie en sociale rechtvaardigheid, zijn nog steeds actief. Tussen twee gevangenisstraffen door hielden ze nooit op met het aan de kaak stellen van het machtsmisbruik van de geestelijkheid, de corruptie, het gebrek aan vrijheid en het geweld van de onderdrukking.
De afwisseling tussen conservatieven en hervormers heeft lange tijd gezorgd voor een schijnbare eenheid en, binnen bepaalde grenzen, voor het behoud van een politiek leven en de uiting van oppositie. Die staan echtrer onder streng toezicht, met name in het parlement en in een moedige pers. De erfgenamen van de revolutionairen die de sjah omverwierpen met hun ideeën over de derde wereld, onafhankelijkheid, vrijheid, democratie en sociale rechtvaardigheid, zijn nog steeds actief. Tussen twee gevangenisstraffen door zijn liberale persoonlijkheden of leden van de ‘islamitische linkse beweging’ nooit opgehouden met het aan de kaak stellen van het machtsmisbruik van de geestelijkheid, de corruptie, het gebrek aan vrijheid en het geweld van de onderdrukking. De meesten van hen wilden echter niet breken met de macht van de Gids, uit voorzichtigheid of uit het streven om opnieuw een hoop op verandering binnen het regime te belichamen. Deze Panja o hafti (‘die van 1357’, Iraanse kalender, ‘die van 1978’, dus) zijn vandaag het voorwerp van scherpe kritiek van de voorstanders van een radicale regimewisseling – voornamelijk van royalisten – omdat ze een despotisch monarchisch regime ten val hebben gebracht en niet in staat zijn gebleken de opkomst van de geestelijke macht tegen te gaan.
Een gecontroleerde politieke overgang?
Deze weinig gestructureerde persoonlijkheden en groeperingen behouden, in de huidige context van verval, een publiek en nog steeds actieve netwerken binnen het staatsapparaat, het hogere ambtenarenapparaat, het bedrijfsleven en zelfs onder de geestelijkheid of de Revolutionaire Garde. Ze komen nog steeds over als degenen die blijven zoeken naar een deugdzaam evenwicht tussen het Iraanse nationale erfgoed, de sjiitische volkscultuur en deelname aan de hedendaagse wereld. Ze presenteren zich als bekwaam genoeg om een gecontroleerde politieke overgang te waarborgen, ter voorbereiding op een ingrijpende verandering van beleid of systeem.
Misschien worden ze wel verdrongen door andere spelers, maar ze wachten op hun moment en op de steun van een bredere volksconsensus, waaronder de middenklasse die in het hogere ambtenarenapparaat werkt en van de volkswijken die vaak tot de Azerbeidzjaanse gemeenschap behoren. Hún steun aan de revolutie van 1978-1979 was doorslaggevend. Ze zijn zich ook bewust van de scheuren die de macht steeds meer verdelen na de bloedbaden van januari, de oorlogsdreigingen en de onderhandelingen met de Verenigde Staten. Het jaar 2026 zal waarschijnlijk doorslaggevend zijn, maar het antwoord ligt bij de Iraniërs in Iran, zij hebben een troef in handen tegenover de Verenigde Staten.
