Artikels

Antwoord aan mijn critici

Francesca Albanese

—1 april 2026

De speciale rapporteur van de VN onthult de achtergronden van de internationale laster- en onderdrukkingscampagne waarvan zij het doelwit is. Tussen bedreigingen, sancties en mediamanipulatie negeren de grote westerse staten het internationaal recht en verdoezelen ze de realiteit van de genocide.

 

WikiMedia Commons

De voorbije twee jaar is mijn mandaat het onderwerp geweest van zorgvuldig georkestreerde polemieken die steeds heftiger worden. Op 8 februari viel een Frans parlementslid mij persoonlijk aan op basis van uit hun context gehaalde uitspraken. Ik zou hebben gezegd dat Israël “de gemeenschappelijke vijand van de mensheid” is, terwijl mijn toespraak gericht was tegen de landen die Israël hebben bewapend, én tegen de media en de algoritmen van sociale netwerken die het genocidediscours afzwakten1. Zonder de moeite te nemen de exacte inhoud van mijn uitspraken te verifiëren of de feiten te onderzoeken, heeft de Franse minister van Buitenlandse Zaken Jean-Noël Barrot deze aanvallen onmiddellijk op internationaal niveau herhaald. Hij veroordeelde uitspraken die ik nooit heb gedaan als “buitensporig en schuldig”. Hij kondigde aan dat Frankrijk de zaak zou voorleggen aan de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties om mijn ontslag te eisen. Zijn Italiaanse, Duitse en Tsjechische collega’s volgden zijn voorbeeld, zonder de elementaire verificaties uit te voeren waar hun functie om vraagt. Op 19 februari herhaalde de Franse premier Sébastien Lecornu dit verzoek nog eens in het openbaar.

Hoewel kritiek inherent is aan elke publieke functie, en nog meer wanneer het om mensenrechten gaat, maakt deze zaak iets verontrustends duidelijk: bepaalde staten geven er hardnekkig de voorkeur aan de boodschapper aan te vallen in plaats van de boodschap te weerleggen.

Het ongekende en schadelijke karakter van deze aanval op een door de Verenigde Naties aangestelde onafhankelijke deskundige ligt niet alleen in de heftigheid van de beschuldigingen en het opzettelijk verzinnen van leugens. Ze ligt vooral aan het feit dat de toplui van de staat dit soort manoeuvres aansturen en ondersteunen. Het gaat hier dan ook niet zomaar om een controverse. Het gaat hier om het falen van een systeem dat plechtige beloften en internationale verdragen inroept in vredestijd, maar ze begraaft van zodra de toepassing ervan hinderlijk wordt.

Francesca Albanese is als wetenschapper verbonden aan het Institute for the Study of International Migration van Georgetown University en ze is speciaal rapporteur van de Verenigde Naties voor de sinds 1967 bezette Palestijnse gebieden.

Ik ben door de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties (VN) benoemd tot speciaal rapporteur en vervul deze functie van 1 mei 2022 tot 2028. Als achtste persoon met dit mandaat – en als eerste vrouw in deze functie – heb ik deze vrijwillige taak op me genomen na een carrière die gewijd was aan het verdedigen van de mensenrechten. Ik deed dat voornamelijk bij de Verenigde Naties – met name bij het Hoog Commissariaat voor de Mensenrechten en bij het Bureau voor Hulp en Werk van de Verenigde Naties voor Palestijnse Vluchtelingen in het Nabije Oosten (UNRWA) in Jeruzalem – én via universitair onderzoek over Palestina.

De aandacht voor Israël is geen persoonlijke keuze of vooringenomenheid: ze vloeit voort uit resolutie 1993/2A van de Mensenrechtenraad, aangenomen op 19 februari 1993. Die resolutie kwam er als reactie op de bijna dertig jaar bezetting van Gaza, van de Westelijke Jordaanoever en  van Oost-Jeruzalem. Mij beschuldigen van een ‘gebrek aan neutraliteit’ komt neer op het bewust verdraaien van dit mandaat. Geen van de veertien andere VN-rapporteurs met een landenmandaat is het doelwit van dergelijke aanvallen; niemand beschuldigt de rapporteurs voor Afghanistan, Rusland of Iran van ‘obsessie’ bij de uitoefening van hun taak. Maar zodra het om Israël gaat, wordt de gewone uitvoering van een mandaat in de ogen van sommigen, zelfs binnen regeringen, een fout die moet worden gerechtvaardigd in plaats van een plicht die moet worden vervuld.

In plaats van mijn gedocumenteerde rapporten te weerleggen, geven landen als Frankrijk, Duitsland of Italië er de voorkeur aan de boodschapper aan te vallen.

Mijn werk bestaat uit het vaststellen en juridisch kwalificeren van feiten in de bezette gebieden, waar een geïnstitutionaliseerd juridisch dualisme heerst. Het burgerlijk recht is er van toepassing op de Israëlische kolonisten en het militair recht op de Palestijnen, inclusief op de kinderen. Israël is immers het enige land ter wereld waar kinderen systematisch door militaire rechtbanken worden vervolgd. Dit systeem omschrijven als een vorm van apartheid tegen de Palestijnen in de vorm van een militaire dictatuur is geen provocatie; het is een juridische kwalificatie. Mijn eerste rapporten – die in 2022-2023 aan de VN werden voorgelegd – documenteerden de systematische belemmering van het recht op zelfbeschikking van het Palestijnse volk, de willekeurige en systematische vrijheidsberoving en de structurele impact van de bezetting op kinderen.2

Een wassenbeeldenmuseum in openlucht

Elk volk heeft het recht om vrij te leven, om te beslissen over zijn politieke stem, om zijn hulpbronnen te beheren, om zijn eigen toekomst uit te stippelen. Zelfbeschikking is een voorwaarde voor het uitoefenen van alle andere rechten. De ontkenning ervan staat centraal in elk koloniaal bevolkingsproject. Al decennia lang maken feiten elk vooruitzicht op een vrij en onafhankelijk leven van Palestijnen onwaarschijnlijk. Er zijn de territoriale versnippering, de uitbreiding van de nederzettingen, de beperkingen op verplaatsingen, werk, onderwijs en toegang tot justitie, de inbeslagname van land, de sloop van tienduizenden huizen, de afsluiting van Gaza en de bijna 6.000 doden, waaronder ongeveer 1.200 kinderen, als gevolg van Israëlische aanvallen tussen 2008 en 2022.

In het gehele bezette Palestijnse gebied heeft Israël een gevangenisregime ingesteld – met wisselende intensiteit en methoden. Dat regime beperkt alle aspecten van het dagelijks leven. De Palestijnen worden voortdurend in de gaten gehouden. Ze worden in hun bewegingsvrijheid beperkt door controleposten, door muren en door een verstikkend bureaucratisch web. Ze worden voortdurend blootgesteld aan willekeurige arrestaties en detentie, foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandelingen. Ze leven in wat op een wassenbeeldenmuseum lijkt.3

Mijn rapport over de kindertijd werd net voor de aanvallen van 7 oktober 2023 voltooid en direct erna voorgesteld. Het is zowel het meest verpletterende als het minst besproken verslag. Het beschrijft het proces van ‘ontkindering’ (‘unchilding’), een term die ik ontleende aan de Israëlisch-Palestijnse wetenschapper Nadera Shalhoub-Kevorkian.4 Zij gebruikt de term voor het dagelijks leven van kinderen die verstoken zijn van bescherming en onschuld; voor kinderen die opgroeien tussen alomtegenwoordig geweld. Ze worden gedood, verminkt, verweesd. Ze zijn getuige van de dood of van de voortdurende vernedering van hun gezin en van de vernietiging van hun thuis. Hun wanhoop negeren betekent afstand doen van een deel van onze menselijkheid, van de heiligste plicht ter wereld én van het internationaal recht, namelijk: de bescherming van kinderen.

Het Israëlische rechtssysteem omschrijven als een vorm van apartheid tegen de Palestijnen in de vorm van een militaire dictatuur is geen provocatie, maar een juridische kwalificatie.

Mijn rapport van maart 2024 sluit aan bij deze benadering; ook dit rapport gaat over de slachtoffers van een gestructureerd systeem. Onder de titel “Anatomie van een genocide”5 documenteert het rapport de eerste vijf maanden van Israëlische aanvallen op Gaza, na de bloedbaden die Hamas op 7 oktober 2023 had aangericht. Het rapport somt de moorden op, de ernstig lichamelijke en geestelijke letsels, de onderwerping aan levensomstandigheden die gericht zijn op de vernietiging van de groep, en dat alles tegen de achtergrond van een ontmenselijkende retoriek van staatsfunctionarissen. Gedurende deze periode heeft Israël zijn optreden verhuld onder het mom van een ‘humanitaire dekmantel’. Het verwoordde zijn daden in verzachtende termen (‘conflict’, ‘collateral damage’, ‘safe zones’, ‘evacuatiebevelen’). Het deed dat om de geleidelijke uitwissing van Gaza en de Gazaanse identiteit te rechtvaardigen. Het deed dat om de wil van de Palestijnen te onderdrukken om als gemeenschap te bestaan. Het deed dat om de Palestijnen het recht te ontzeggen hun land te bewonen en hun herinneringen door te geven.

In het volgende rapport, ‘Kolonialisme uitwissen door genocide6 heb ik aangetoond hoe deze volkerenmoord zich door middel van etnische zuivering uitbreidt naar de Westelijke Jordaanoever en Oost-Jeruzalem. Die acties vormen het logische eindpunt van een koloniserings- en bevolkingsproject dat uitwist om te vervangen en vernietigt om te annexeren.

Ik ben niet de enige die tot dergelijke conclusies kom. Al in januari 2024 oordeelde het Internationaal Gerechtshof (ICJ) dat er een geloofwaardig risico bestond op schendingen van het Genocideverdrag. Het ICJ beval voorlopige maatregelen. In juli 2024 concludeerde dit gerechtshof ook nog dat de aanwezigheid van Israël in de bezette Palestijnse gebieden onwettig was. Het eiste dat die bezetting onmiddellijk en onvoorwaardelijk zou worden beëindigd. Het Hof constateerde ten slotte ook nog dat er sprake was van systematische discriminatie, schendingen van het verbod op rassensegregatie en apartheid, én van een ‘annexatiebeleid’. Er zijn talloze instellingen en organisaties die concluderen dat Israël genocide pleegt tegen het Palestijnse volk in het weinige Palestijnse grondgebied dat nog overblijft. Ook de Israëlische historicus Raz Segal sloeg in oktober 2023 alarm. In 2024 stelden ook Israëlische historici die gespecialiseerd zijn in de Holocaust (Amos Goldberg en Omer Bartov) dat hun land genocide pleegt.7 Enkele maanden later kwam Amnesty International tot dezelfde conclusie, en in juli 20258 publiceerde de Israëlische organisatie B’Tselem een rapport in diezelfde zin onder een vernietigende titel, die nog schokkender is als je je die kop voorstelt in het Hebreeuws: “Onze genocide”.9 Ten slotte, en naast vele andere(n), bevestigde ook de door de VN gemandateerde onafhankelijke internationale onderzoekscommissie in september 2025 dat er in Gaza sprake was van een genocide.10 Ondanks een nauwkeurige documentatie van de gepleegde misdaden, kregen deze rapporten slechts beperkte of geen aandacht van de media en de westerse regeringen. In afwachting van een formele gerechtelijke uitspraak, komt de VN-onderzoekscommissie het dichtst in de buurt van een quasi-juridische conclusie. Zij doet dat op basis van de vaststelling van feiten en via een analyse van het bestaande recht. In ieder geval is elke staat verplicht om een genocide te voorkomen van zodra er een ernstig risico daarvoor wordt vastgesteld. In januari 2024, toen het Internationaal Gerechtshof het geloofwaardig risico in Gaza erkende, hadden alle staten moeten handelen – te beginnen met het opschorten van wapenleveringen.

Israëlische historici en organisaties als Amnesty International en B’Tselem hebben het bestaan van een genocide in Gaza bevestigd – een conclusie die door de westerse media en regeringen wordt genegeerd.

Mijn analyse van de medeplichtigheid van bepaalde bedrijven, gepubliceerd in juli 2025, heeft de meest felle reacties uitgelokt. Daarin beschrijf ik de “genocide-economie”.11 Het gaat daarbij om een netwerk van particuliere actoren die door hun investeringen, technologieën, diensten en toeleveringsketens materiële steun verlenen aan de realiteit die in eerdere rapporten is beschreven. Hun betrokkenheid brengt ook verantwoordelijkheid met zich mee. Een einde maken aan de volkerenmoord houdt ook in dat de economische structuren moeten worden ontmanteld die de genocide mogelijk én winstgevend maken. Dit rapport heeft ertoe geleid dat de Verenigde Staten mij vanaf augustus 2025 draconische sancties hebben opgelegd. Dat soort praktijken werden eerder al toegepast op rechters van het Internationaal Strafhof (ICC) en op verschillende Palestijnse organisaties. Ik ben financieel van de wereld afgesneden. Iedereen die contact met mij onderhoudt, inclusief mijn familieleden (ik ben moeder van een dochter met de Amerikaanse nationaliteit), wordt bedreigd met boetes van 1 miljoen dollar en twintig jaar gevangenisstraf. Mijn vermogen om mijn mandaat uit te oefenen en, simpelweg, mijn leven te leiden, wordt hierdoor ernstig belemmerd.

Hoewel mijn eigen land, Italië, deze aanvallen steunt en ik geen concrete steun krijg van andere staten, zet ik mijn missie verder. In mijn meest recente rapport omschrijf ik de genocide in Gaza als een “collectieve misdaad”,12 omdat hij wordt mogelijk gemaakt én gefinancierd door de onwankelbare politieke en militaire steun van verschillende staten, waaronder de staten die mij vandaag het felst aanvallen.

De Verenigde Staten zijn veruit de grootste wapenleverancier van Israël, terwijl verschillende lidstaten van de Europese Unie die wapenleveringen blijven ondersteunen. De EU blijft overigens de belangrijkste handelspartner van Tel Aviv. Op enkele uitzonderingen na, zoals Spanje en Slovenië, hebben de landen van het Oude Continent gekozen voor passiviteit en/of medeplichtigheid. Frankrijk heeft bijvoorbeeld meerdere malen toestemming gegeven voor het overvliegen van zijn luchtruim door de heer Benjamin Netanyahu, ondanks het arrestatiebevel dat het Internationaal Strafhof tegen hem heeft uitgevaardigd. Parijs zet de handel in militair materieel verder, het faciliteert de doorvoer via zijn zee- en luchthavens en blijft intensieve handelsbetrekkingen onderhouden met Israël. Grote Franse banken financieren bedrijven die banden hebben met de Israëlische militaire industrie en met de nederzettingen, terwijl enkele duizenden Franse Israëlis dienen in het Israëlische leger.

Solidariteit criminaliseren

Tegelijkertijd neemt de repressie op mobilisaties tegen de genocide toe: demonstraties worden verboden, academische conferenties gecensureerd; activisten en journalisten worden ervan beschuldigd “het terrorisme te verheerlijken” en politie-interventies worden gewelddadiger. Duitsland, Italië, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk lopen op dit gebied voorop, onder het mom van een legitieme strijd tegen het ‘antisemitisme’. Wetsvoorstellen gooien de noodzakelijke strijd tegen judeofobie en tegen alle vormen van racisme op een hoopje met het verbod op elke vorm van kritiek op de staat Israël. Dit allegaartje dat onze joodse broeders en zusters gelijkstelt aan de Israëlische politiek, wordt als vanzelfsprekend voorgesteld en maakt deel uit van een politiek offensief. De strijd tegen antisemitisme wordt gebruikt om uitingen van solidariteit met het Palestijnse volk strafbaar te maken en lastercampagnes te rechtvaardigen. Omdat ze kritiek uiten op het beleid van Tel Aviv, worden Israëlische staatsburgers en joodse mensen overal ter wereld het slachtoffer van dezelfde lastercampagnes. Hun stemmen worden gesmoord en hun loyaliteit wordt in twijfel getrokken.

Antisemitisme is afschuwelijk en verachtelijk. Antisemitisme is haat tegen joden. Antisemitisme het heeft niets te maken met het werk van mensenrechtenverdedigers dat zich richt op de analyse van de daden van een staat. Het gehele systeem van internationaal recht is gebaseerd op het beginsel van staatsverantwoordelijkheid. Het zijn de staten die juridische verplichtingen op zich nemen en dragen. Zij zijn het die in de eerste plaats verantwoording moeten afleggen voor hun schendingen. Israël vormt hierop geen uitzondering: de kritiek op de staat Israël is niet gericht op wat de staat Israël is of op de godsdienst die het belijdt, maar op wat het land doet, met name in het licht van het internationaal recht. De waarheid is dat Israël op ernstige wijze, herhaaldelijk en met aanhoudende straffeloosheid het internationaal recht schendt.

Kritiek op Israël is geen antisemitisme: het is eisen dat deze staat, net als elke andere, verantwoording aflegt voor zijn schendingen van het internationaal recht.

De vraag die hier aan de orde is, is niet ideologisch maar juridisch van aard: voldoet Frankrijk aan zijn internationale verplichtingen door dergelijke acties te ondernemen? Mijn mandaat als speciale rapporteur heeft mij één essentieel ding geleerd: wanneer de macht in het geding is, gaat zij niet in debat, maar slaat zij toe. Ze maakt mensen zwart om ze uit te sluiten, ze intimideert ze om ze het zwijgen op te leggen. Dat soort van geweldpleging verraadt eerder nervositeit dan kracht.

Mijn werk ligt in het verlengde van dat van mijn voorgangers: John Dugard, Richard Falk en Michael Lynk. Ook zij werden beschuldigd van antisemitisme of van toegeeflijkheid jegens terrorisme. Ook tegen hen werd de tactiek ingezet waarbij gedocumenteerde feiten werden vervangen door polemiek, en juridische analyse door persoonlijke aanvallen. Dat mechanisme loopt inmiddels als een tierelier. Pro-Israëlische groeperingen – met, als koploper vanuit Genève, de organisatie UN Watch – produceren al jaren lasterlijke rapporten tegen iedereen, vooral binnen de Verenigde Naties, die de schendingen van het internationaal recht door Tel Aviv durft te documenteren. Onder het voorwendsel een “onevenredige behandeling van Israël” te willen compenseren, isoleren, fragmenteren en verdraaien deze actoren uitspraken. Aansluitend vergroten ze hun desinformatie en blijven ze die herhalen tot ze een schijn van waarheid krijgt.

Bij nader inzien klinken de ‘rapporten’ van deze groepen hol. Binnen de Verenigde Naties is hun leugenachtige en lasterlijke karakter al lang bekend. De beschuldigingen dat ik de wreedheden van 7 oktober 2023 zou hebben gerechtvaardigd, seksueel geweld zou hebben ontkend of het lijden van de gijzelaars zou hebben gebagatelliseerd, komen uit deze fabriek. Toch heb ik de aanvallen op Israëlische burgers op 7 oktober en de misdaden van Hamas in het algemeen ondubbelzinnig en onophoudelijk veroordeeld.

Ik heb ze zonder aarzeling scherp afgekeurd als oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid. Ik vind dat de daders ervan in het kader van internationale procedures voor de rechter moeten verschijnen. Ik heb het seksueel geweld tegen Israëlische slachtoffers veroordeeld, zoals gedocumenteerd door de onderzoekscommissie van de Verenigde Naties.13 In overeenstemming met het internationaal recht, beschouw ik verkrachting in een context van vijandigheid als een oorlogswapen dat een oorlogsmisdaad kan vormen en, afhankelijk van de omstandigheden, ook een misdaad tegen de menselijkheid. Het internationaal recht functioneert niet op basis van selectieve verontwaardiging of politieke instrumentalisering. Het berust op de juridische kwalificatie van de feiten, het vaststellen van individuele verantwoordelijkheden en de eerbiediging van de due process (eerlijke rechtsgang), voor iedereen, zonder uitzondering.

Hoewel mijn veroordeling van de bloedbaden en andere misdaden tegen Israëlische burgers ondubbelzinnig was, betwist ik de wijdverbreide bewering (vooral in Frankrijk om een of andere reden die mij ontgaat) dat de slachtpartij hoofdzakelijk door antisemitisme werd ingegeven.14 Vooraanstaande specialisten op het gebied van de Shoah en het antisemitisme verwerpen die interpretatie niet alleen als onjuist, maar ook als gevaarlijk, omdat ze de structurele oorzaken van het geweld verhult en de analyse ervan vertekent.15 Hoewel antisemitisme voor sommige aanvallers op individueel niveau een rol kan hebben gespeeld, vonden deze bloedbaden, zoals de secretaris-generaal van de Verenigde Naties, António Guterres, verklaarde, plaats in de context van 56 jaar verstikkende bezetting.16 Geen enkele misdaad rechtvaardigt een andere misdaad. Maar het negeren van de context houdt een vertekend beeld in stand dat de geweldsspiraal dreigt aan te wakkeren in plaats van op te lossen, waardoor zowel Palestijnen als Israëli’s in gevaar worden gebracht.

We moeten durven benoemen wat deze campagne ytegen mij aan het licht brengt: de energie die in mijn kwaadwillige beschuldigingen wordt gestoken staat in schril contrast met de stilte over de misdaden die momenteel in Gaza plaatsvinden en met de passiviteit ten opzichte van degenen tegen wie internationale arrestatiebevelen van het Internationaal Strafhof zijn uitgevaardigd. Onder het voorwendsel van het “verantwoordelijk maken van de VN”, gaat het in werkelijkheid om het herdefiniëren van de verdediging van de mensenrechten als een partijdig standpunt.

De ironie is bijtend. In september 2025 erkende Frankrijk de Staat Palestina. Dat gebaar werd geprezen als een krachtig signaal, als een symbolische ommekeer. Maar het erkennen van een staat en tegelijk de bezetter ervan actief steunen – zonder druk uit te oefenen op die bezetter om het internationaal recht te eerbiedigen en over te gaan tot de onvoorwaardelijke terugtrekking uit de bezette gebieden zoals geëist door het Internationaal Gerechtshof – is meer een diplomatieke houding dan een juridische en politieke verbintenis. De erkenning van een staat zonder grondgebied, zonder soevereiniteit, zonder beëindiging van de bezetting, is slechts holle retoriek, vooral wanneer men tegelijkertijd bezig is de deskundigen te intimideren die zijn aangesteld om juist de schendingen te documenteren die de concrete oprichting van deze staat onmogelijk maken. Men kan Palestina niet op maandag erkennen en de rest van de week proberen zijn verdedigers de mond te snoeren.

De leiders die zich tot dit spel lenen, richten zich niet alleen op mij persoonlijk. Ze offeren de internationale rechtsorde zélf op en versnellen de ontmanteling van het internationaal humanitair recht en de instellingen die daarvoor instaan. En ze doen dat op het moment dat hun voortbestaan op het spel staat.

Het Westen kan niet langer de ogen sluiten: Israël is geen uitzondering, maar de spiegel van zijn eigen koloniale logica.

Men kan de waarheid ontvluchten, maar het is moeilijker om haar te verbergen. Het is slechts een kwestie van tijd: het recht zal aankloppen bij de daders van de misdaden in Gaza en bij hun medeplichtigen. De verwoesting van Gaza heeft gewetens wakker geschud waarvan men dacht dat ze in slaap waren gewiegd. De verwoesting van Gaza heeft zichtbaar gemaakt wat velen weigerden te zien: niet alleen de wreedheid van de bezetting, maar ook de actieve medeplichtigheid van onze westerse democratieën aan de voortzetting ervan. Want Israël is geen anomalie in de wereldorde. Israël is in veel opzichten de spiegel ervan. En in die spiegel ontdekken we uitzonderingslogica’s en koloniale hiërarchieën. We ontdekken er het verschil in tussen levens die het waard zijn om voor te rouwen en levens die opgeofferd kunnen worden. We  vinden er een veiligheidsretoriek in terug die straffeloosheid garandeert. De meeste westerse regeringen gaan de confrontatie met Israël niet aan, omdat ze daarmee zichzelf in twijfel zouden trekken.

Bakermat van de mensenrechten?

Daarom is het zowel leerzaam als triest dat Frankrijk, de zelfbenoemde bakermat van de mensenrechten, in de frontlinie staat, niet om een principe te verdedigen, maar om een status quo te beschermen. Niet om het internationaal recht te bevorderen, maar om de hoeders ervan uit te schakelen.

Toch is er iets veranderd. Er is een beweging ontstaan – op campussen, sociale media, in de straten, in de rechtszalen – die opkomt voor echte sociale rechtvaardigheid, voor daadwerkelijke eerbiediging van de mensenrechten, voor een dekoloniaal multilateralisme en voor de universaliteit van deze principes, zonder uitzondering. Een universaliteit die geen apartheid toestaat, zelfs niet als die wordt toegepast door een staat die bondgenoot is van de westerse hoofdsteden. Deze beweging laat zich niet het zwijgen opleggen door lastercampagnes. Ze laat zich niet ontmoedigen door sancties en repressie. Ze groeit en wordt sterker naarmate de leugens en verdraaiingen die haar in diskrediet willen brengen, aan het licht komen.

Vertaling van Francesca Albanese “Réponse à mes détracteurs”, Le Monde Diplomatique, maart 2026. Lava Media maakt deel uit van Les éditions internationales van Le Monde Diplomatique. Maandelijks publiceren we in Nederlandse vertaling drie artikels uit het Franse maandblad. Vertaling door Jan Reyniers.

Footnotes

  1. Cf. l’intégralité de ma déclaration au forum d’Al-Jazira (AJ Forum), X (ex-Twitter), 9 februari 2026.
  2. Cf. « Situation des droits humains dans les territoires palestiniens occupés depuis 1967 » (A/77/356), « Privation arbitraire de liberté dans le territoire palestinien occupé : l’expérience des Palestiniens derrière les barreaux et au-dehors » (A/HRC/53/59) et « Situation des droits humains dans les territoires palestiniens occupés depuis 1967 » (A/78/545), respectivelijk 21 september 2022, 28 augustus 2023 en 20 oktober 2023.
  3. Zie: Michel Foucault, Surveiller et punir. Naissance de la prison, Gallimard, Paris, 1975.
  4. Nadera Shalhoub-Kevorkian, Incarcerated Childhood and the Politics of Unchilding, Cambridge University Press, 2019.
  5. « Anatomie d’un génocide » (A/HRC/55/73), 1 juli 2004.
  6. « L’effacement colonial par le génocide » (A/79/384), 1 oktober 2024.
  7. Cf. Raz Segal, « A textbook case of genocide », Jewish Currents, 13 oktober 2023 ; Amos Goldberg, « Ce qui se passe à Gaza est un génocide, car Gaza n’existe plus », Le Monde, 29 oktober 2024 ; Omer Bartov, « Un historien du génocide face à Israël », Orient XXI, 5 september 2024.
  8. « Israël et territoire palestinien occupé. Une enquête d’Amnesty International conclut qu’Israël commet un génocide contre les Palestiniens et Palestiniennes à Gaza », Amnesty International, 5 december 2024.
  9. « Our genocide », B’Tselem, juli 2025.
  10. Cf. Bulletin d’ONU Info, 16 september 2025.
  11. « D’une économie d’occupation à une économie de génocide » (A/HRC/59/23), 2 juli 2025.
  12. « Gaza genocide : a collective crime » (PDF), 20 oktober 2025, www.ohchr.org
  13. Cf. « Detailed findings on attacks carried out on and after 7 October 2023 in Israel » (PDF), VN, 10 juni 2024.
  14. Zie: « Israel’s symbolic “ban” must not distract from atrocity crimes in Gaza : UN expert », United Nations Human Rights, 15 februari 2024.
  15. Cf. Omer Bartov, Christopher R. Browning, Jane Caplan, Debórah Dwork, David Feldman et al., « An open letter on the misuse of Holocaust memory », The New York Review of Books, 20 november 2023.
  16. Cf. « Secretary-General’s remarks to the Security Council — on the Middle East », 24 octobre 2023.