Artikel

“We worden steeds rijker, gezonder en vrijer.” Ah bon?

Koen Bogaert

— 20 april 2017

“Het gaat goed met de wereld.” Dat is de boodschap van een recente opinie van Hans Bevers, hoofdeconoom bij de bank Degroof Petercam. De armoede daalt, de levensverwachting stijgt, de toegang tot onderwijs neemt toe en het democratisch bestuur vindt wereldwijd steeds meer ingang. Bevers staat niet alleen met zijn pleidooi. Vanuit verschillende (ideologische en politieke) hoeken klinkt heel vaak dezelfde overtuiging: we worden rijker, gezonder en zijn steeds vrijer.

© istock by Getty Images

Vaak wordt er verwezen naar objectieve cijfers om dit vooruitgangsoptimisme te onderbouwen. De Wereldbank en de Verenigde Naties zijn twee veel geciteerde autoriteiten op dit vlak. Het aantal mensen in de ontwikkelingslanden dat in extreme armoede leeft (minder dan 1,25 dollar per dag) zou volgens een onderzoek van de Wereldbank gedaald zijn van 52,2% in 1981 naar 25,7% in 2005. Volgens de VN zou het aantal mensen dat moet rondkomen met minder dan 1,25 dollar per dag gedaald zijn van 47% in 1990 naar 22% in 2010.

Bovenstaande cijfers betekenen dat de extreme armoede in de wereld meer dan gehalveerd werd. Dit was ook één van de acht Millenniumdoelstellingen van de VN. Maar de naakte cijfers verbergen soms een veel complexere maatschappelijke realiteit die men moeilijk in cijfers kan uitdrukken. Ondanks het populaire cliché, spreken cijfers — jammer genoeg — niet altijd voor zich. In dit debat kunnen we op zijn minst vier belangrijke nuances aanbrengen.

Centen zeggen niet alles

Eerst en vooral worden armoedecijfers meestal in monetaire hoeveelheden weergegeven. En net wanneer we cijfers over een langere periode met elkaar willen vergelijken moeten we voorzichtig zijn met de interpretatie en de vergelijkbaarheid daarvan. Zelfs wanneer armoedecijfers worden aangepast aan de inflatie, zeggen ze nog niets over belangrijke sociologische veranderingen die ook een impact hebben op het fenomeen ‘armoede’. Het klopt dat het gemiddeld monetair inkomen is gestegen over de decennia heen. Maar dit zegt niets over de impact van de zeer snelle verstedelijking tijdens de laatste eeuw, vooral in het Zuiden, en de grote verschillen tussen stad en platteland op vlak van levensonderhoud.

Mensen op het platteland hebben andere (niet-monetaire) zaken die in hun levensonderhoud kunnen voorzien. Een stuk land (vaak in gemeenschapsbezit), de beschikbaarheid van vee, mechanismen van solidariteit op dorpsniveau, etc. spelen een belangrijke rol in het welzijn van individuele families. In de stad worden arme families bijna uitsluitend afhankelijk van een monetair inkomen en dus ook van ‘de markt’. In de stad kan je bijvoorbeeld geen eigen groenten meer kweken, maar moet je ze kopen. Een stijging van het monetair inkomen geeft dus niet noodzakelijk een daling van de armoede weer.

Zeker wanneer men 200 jaar wil teruggaan in de tijd om armoede over de eeuwen heen te vergelijken, zoals Hans Bevers en ook anderen doen, dan moet men rekening houden met het feit dat toen een monetair inkomen, of zelfs privébezit, veel minder belangrijk was voor het welzijn van heel veel mensen. Bovendien leefde in die tijd de overgrote meerderheid van de arme bevolking op het platteland en niet in steden. Een monetair inkomen was toen veel minder noodzakelijk om te overleven.

Povere statistieken

Ten tweede worden cijfers over extreme armoede gedomineerd door internationale instellingen zoals de Wereldbank. Recent antropologisch onderzoek naar de manier waarop die cijfers tot stand komen, wijst er echter op dat deze cijfers misschien niet altijd even betrouwbaar zijn. Het recente en veel besproken boek van de Noorse professor Morten Jerven, Poor Numbers, toont aan dat de statistische gegevens voor een groot aantal Afrikaanse landen hoogst onbetrouwbaar zijn. Jerven beweert niet dat de armoede stijgt of daalt, maar stelt dat we gewoon niet goed weten hoe het werkelijk gesteld is met het inkomen van de armsten onder ons.

Langer leven… in sloppenwijken

Ten derde wordt er naast het monetaire inkomen ook vaak verwezen naar een stijgende levensverwachting of betere gezondheidsstatistieken om aan te tonen dat de armoede daalt. Maar hier verwart men vaak technologische vooruitgang, iets bijna onomkeerbaar, met sociale vooruitgang. Is een stijgende levensverwachting niet de normaalste zaak gezien de technologische en medische vooruitgang van de laatste 100 jaar? Ook arme mensen zullen er alles aan doen om langer in leven te blijven en de juiste medicijnen te proberen bemachtigen. Dat zegt evenwel nog niet direct iets over hun stijgende welvaart. Mijn eigen onderzoek in Marokko heeft bijvoorbeeld uitgewezen dat armere families soms moeilijke keuzes moeten maken en besparen op scholing voor hun kinderen om zaken als gezondheidszorg of huisvesting te kunnen financieren. Om het wat simplistisch uit te drukken: wat is het wezenlijke verschil tussen 50 jaar of 70 jaar oud worden in een sloppenwijk zonder toekomstperspectief?

Kiezen tussen gsm en sanitair

Ook het toenemende bezit van hoogtechnologische producten zoals smartphones wordt vaak aangegrepen om te beargumenteren dat de armoede daalt. Maar zaken zoals stijgend gsm-gebruik zijn niet altijd automatisch gelinkt aan toenemende welvaart. Onderzoek heeft uitgewezen dat arme mensen gsm’s absoluut nodig hebben om aan een inkomen te geraken in deze geglobaliseerde wereld of om geld te transfereren bij gebrek aan een bankrekening. In Indië zijn er bijvoorbeeld meer mensen met een gsm dan dat er mensen zijn die toegang hebben tot sanitaire basisvoorzieningen. Een smartphone moet dan ook gezien worden als veel meer dan een luxeproduct. In veel delen van de wereld is het meer en meer een soort van global banking tool voor internationale geldtransfers, vooral in die arme gebieden waar conventionele bankinstellingen beperkt aanwezig zijn. Ook dit zegt dus niet direct iets over het armoedepeil.

Cijfers over armoede en cijfers over protest

Tot slot dreigt een te eenzijdige focus op armoede en andere indicatoren die vooral peilen naar individuele welvaart meer structurele problemen te negeren. De sociale ongelijkheid is samen met de ecologische crisis misschien wel de grootste uitdaging waarmee we vandaag geconfronteerd worden. En die ongelijkheid gaat steeds meer gepaard met toenemend sociaal protest en politieke instabiliteit. Sinds de jaren ’80 zien we een exponentiële stijging van het sociaal protest, vooral in het Zuiden. Naast objectieve cijfers kan dit ook een belangrijke indicator zijn om na te gaan of het goed of slecht gaat met de wereld.

Een belangrijke les die we kunnen trekken uit het toenemende sociaal protest is dat mensen niet zozeer op straat komen omwille van extreme armoede maar eerder omwille van de extreme sociale ongelijkheid. Een situatie die door steeds meer mensen over de hele wereld als fundamenteel onrechtvaardig wordt gezien.

Ondergeschikte democratie

Dit gegeven is nauw verbonden met de kwestie van democratie. Hans Bevers wees erop in zijn stuk dat de democratische bestuursvorm zich steeds meer verspreidt over de wereld. Op hetzelfde moment zien we echter dat de democratische controle op de mondiale economie steeds verder afneemt. Nationale democratieën hebben nog maar weinig controle over de manier waarop internationaal kapitaal wordt geïnvesteerd of belast. Denk bijvoorbeeld aan de opvallend lauwe politieke reactie op superschandalen zoals LuxLeaks, de Panama Papers en Bahama’s Leaks.

Griekenland is een ander voorbeeld. De Griekse crisis werd één van de belangrijkste uitdagingen in de geschiedenis van de Europese Unie. Maar de Europese Unie zelf kampt met een groot democratisch deficit. En de manier waarop de Europese instellingen deze crisis hebben aangepakt, toont aan dat de nationale democratie en de soevereiniteit van Griekenland ondergeschikt waren aan de dictaten van de zogenaamde ‘Troika’ (Europese Commissie, ECB en het IMF).

Conclusie? Ik wil niet beweren dat er de laatste decennia of eeuwen geen belangrijke vooruitgang is geboekt. Maar eerder dan zich blind te staren op ‘objectieve cijfers’, is het noodzakelijk om stil te staan bij een veel complexere historische realiteit die zich niet altijd laat vatten in die cijfers.