Artikel

Wat het neoliberalisme met arbeid doet

Alexis Cukier

— 17 december 2018

Het neoliberalisme was zeker niet enkel een economisch project om de winsten van het kapitaal te maximaliseren, het was ook een stevige aanval op de democratische mogelijkheden van arbeid.

In recent academisch onderzoek wordt ‘neoliberalisme’ meestal in economische termen gedefinieerd, als een doorstart van het project om de meerwaarde toe te eigenen. De winsten, die onder druk stonden in de jaren 1970, moesten gemaximaliseerd worden voor de allerrijksten, in de eerste plaats door middel van financialisering.

Met deze term omschrijven we de structurele transformaties in de kapitalistische economie de laatste 50 jaar die de “hegemonie van de kapitalistische klasse, verbonden aan het topmanagement, en vooral het financieel management, op globaal niveau hebben bevestigd”.1 We kunnen de financialisering karakteriseren op basis van drie factoren: 1. de grote bedrijven in de productieve sector hebben ook de mogelijkheid om te financieren verworven; 2. de banken geven meer leningen aan gezinnen en speculeren meer op de financiële markten; 3. gezinnen zijn op structurele manier ingebed in de activiteiten van de financiële markten als schuldenaars of houders van aandelen.2

Maar op politiek vlak kunnen we de financialisering van de economie slechts zien als één aspect van de nieuwe offensieve kapitalistische fase die werd ingezet tegen de arbeidersklasse, die aan macht had gewonnen tussen het einde van de Tweede Wereldoorlog en de jaren 1970.3

Wij stellen, net zoals Wendy Brown, dat het neoliberalisme een project van “ontdemocratisering”4 van de samenleving is. Dit antidemocratisch proces heeft als doelstelling om de macht van de kapitalisten te versterken, niet tegenover het volk, maar tegenover de arbeiders. Zoals vooral David Harvey aantoonde is het neoliberalisme een “politiek project geïnitieerd door de kapitalistische klasse omdat ze zich zwaar bedreigd voelde op zowel politiek als economisch vlak op het einde van de jaren 1960 en de jaren 1970. De kapitalistenklasse wilde, koste wat kost, een politiek project uitwerken dat de macht van de arbeidersklasse zou verminderen.”5 Vanuit dit perspectief is het proces van “ontdemocratisering” dat het neoliberalisme met zich meebracht in de eerste plaats een aanval op de democratische mogelijkheden van arbeid.

Om deze these te onderbouwen zal dit artikel drie belangrijke aspecten van de “ontdemocratisering van arbeid” onderzoeken, in de Europese Unie en vooral in Frankrijk: de “neo-manageriale” organisatie van de arbeid (op bedrijfsniveau), de verdwijning van het recht op arbeid ten voordele van het recht op concurrentie en tenslotte de herschikking van de verhoudingen op vlak van klasse, ras en gender in de internationale arbeidsverdeling. Het artikel wil onderzoeken wat het neoliberalisme met arbeid doet (en specifiek met haar organisatie, haar instituten en haar verdeling). Zo wil het ook de voorwaarden bekijken voor een ander soort arbeid.

De “neo-manageriale” organisatie van arbeid

De “neo-manageriale” organisatie van arbeid moeten we bekijken als een reeks zaken die samen een geheel vormen (softwarebesturing voor projecten en competenties, geïndividualiseerde evaluaties, algemene kwaliteitsnormen, benchmarking, persoonlijke ontwikkelingstrajecten enz.) die financiële normen proberen op te leggen binnen de arbeidsactiviteit. Het gaat over een algemene doelstelling om arbeid te organiseren volgens nieuwe gesegmenteerde objectieven die de kaders en het vloerpersoneel actief moeten nastreven en waarnaar ze hun gedrag en hun taken moeten aanpassen. We kunnen aantonen dat deze nieuwe vormen van arbeid als gevolg hebben dat arbeiders zelf minder kunnen beslissen, dat collectieve besluitvorming onmogelijk wordt gemaakt en dat hun collectieve actie wordt gedesorganiseerd. Laten we enkele voorbeelden bekijken.

In zijn sociologisch onderzoek naar de effecten van managementstechnieken opgelegd sinds de jaren 1990 bij La Poste6 in Frankrijk toont Fabienne Hanique een van de eerste gevolgen van de “neo-manageriale” reorganisatie van arbeid aan: de mogelijk om te overleggen, te communiceren en naar elkaar te luisteren en tijdens de activiteit collectief problemen op te lossen neemt af. De loketbedienden komen steeds tot dezelfde vaststelling: “we verstaan elkaar niet meer”, “we kunnen niet meer op elkaar rekenen”, “de relaties worden slechter” en “nu is het elk voor zich”.7 De teamleider klaagt erover dat er steeds meer problemen bij hem komen die vroeger onderling door de bedienden werden opgelost: “ik begrijp het niet, je zou echt gaan zeggen dat ze niet meer kunnen werken”.8

De schuldige is de nieuwe organisatie van de arbeid, verbonden met de nieuwe financiële doelstellingen opgelegd door het topmanagement, die de activiteiten coördineert en die het contact met de cliënten verkiest boven de samenwerking tussen de bedienden. Dat is de reden dat de “modernisering als gevolg heeft dat er een verandering komt in het collectief functioneren: over wie wat wel of niet doet, kan niet meer gediscussieerd worden”.9 Zoals in ontelbaar veel andere gevallen heeft de reorganisatie van de arbeid ertoe geleid dat de noodzakelijke voorwaarden om tot een collectief overleg tijdens de arbeid te komen niet langer aanwezig zijn.

Het is ook de mogelijkheid om beslissingen te nemen, of ze nu collectief of individueel zijn, die moeilijker wordt, als het al niet onmogelijk is. Patrick Viveret was vroeger adviseur bij de Rekenkamer, hij herinnert zich een discussie met een budgettair verantwoordelijke die onder druk stond om de resultaten bekend te maken die hij moest berekenen. Hij antwoordde dat de deadline onhaalbaar was en dat hij extra tijd nodig had om de studie te verrichten, de voorstellen op te stellen en de beslissing te verfijnen.

“- Je hebt zeker gelijk, maar ik zal je toch moeten vragen om dit te doen »

– waarom ?

– omdat het informaticasysteem anders blokkeert.”10

De wildgroei aan digitale controles en evaluaties van arbeiders kan zo tegelijkertijd als gevolg hebben dat het tempo van de beslissingen verhoogt en dat de beslissingen worden vervangen door rigide voorschriften. Dit zorgt voor een “paradoxale logica”11 waarbij men “autonoom moet zijn maar zonder beslissingen te nemen”. De werknemers stellen dus de algemene kwaliteitsnormen in vraag, zoals bijvoorbeeld de managerial tools voor de opvolging van de kwaliteit en beheersing van de kosten in een ziekenhuis, die uiteindelijk leiden tot verplichtingen die de collectieve beslissingen rond goede zorg in problemen brengen.12

De diagnose van een desorganisatie van de collectieve actie en van de arbeidscollectieven die de collectieve actie mogelijk maken, is nu duidelijk aangetoond. Het gaat over verschillende vormen, van de individualisering van arbeidsverslagen tot collectieve dekwalificering van arbeid, tot een expliciete politiek van desyndicalisering.13 Danièle Linhart legde de nadruk op het verdwijnen van de solidariteit tussen de sectoren en de afname van de syndicale trots van de arbeidersklasse. Ze beschrijft een verpakkingscentrum voor mineraalwater waar de oudere arbeiders vol nostalgie terugdenken aan de jaren 1970-1980 toen er volgens de arbeiders “een grote collectieve participatie met veel onderling respect” was, want “de vakbonden waren machtig. We stonden schouder aan schouder. We waren vroeger bijna allemaal vrienden. Als er een probleem was, zou iedereen tussenkomen”.14

De afbraak van de solidariteit tussen de arbeiders is ook het gevolg van de “neo-manageriale” organisatie van de arbeid. De doelstellingen van de werkers zijn allemaal verschillend. De implementatie van de financiële logica in de diensteneconomie (publiek of privaat) wordt vergezeld van een opsplitsing tussen het personeel op de vloer en de kaders. Philippe Zarifian toonde dit aan in een onderzoek naar de reorganisatie van arbeid bij het bedrijf France Telecom. Er komt een antagonisme tussen de “competenties” van de arbeiders en de “neo-manageriale” “controle” op het personeel door middel van vele “productiviteitsmodellen”, die we ook bij andere massadienstverleningen terugvinden. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het technisch personeel: productiviteitscriteria meten de arbeid per specifieke handeling en niet de “effectieve deelname aan de dienstverlening”.15 De activiteit wordt hier gedesorganiseerd omdat het technisch personeel en de kaders niet dezelfde normen hanteren om de kwaliteit van de arbeid te evalueren.

Naast deze specifieke voorbeelden zien we dat de “neo-manageriale” veranderingen, in al hun diversiteit, altijd de doelstelling gehad hebben om het risico uit te schakelen dat de arbeiders de macht zouden overnemen. Dat zou tegen de belangen ingaan van de aandeelhouders en het topmanagement. Daarom komt er een geïndividualiseerde evaluatie van de prestaties die de arbeid systematisch wil vertalen in gegevens die in een computer worden ingegeven.

De bedoeling was altijd al om te beletten dat de arbeiders hun macht over het arbeidsproces zouden vergroten.

Zo wordt de ruimte voor overleg en samenwerking in een bedrijf vervangen door hiërarchie en een georganiseerde concurrentie tussen de arbeiders. Algemene kwaliteitsnormen bepalen het volledige arbeidsproces op basis van codes, regels en statistieken. Het collectief overleg wordt vervangen door gestandaardiseerde voorschriften. De gegevens nemen de leiding. En dit zorgt voor segmentering en een arbeidsproces dat nog verder gestuurd wordt door statistieken, aandelen en verkoopcijfers. De collectieve reorganisatie van het arbeidsproces wordt verhinderd.

Tenslotte zijn er bepaalde personeelsvormingen en coachingsessies die willen ingaan tegen “het verzet tegen de vernieuwing” en die personeel moeten overtuigen om nieuwe procedures en organisatievormen te accepteren, ook al zijn ze er niet mee akkoord en kunnen ze niet deelnemen aan de uitwerking ervan. Het is elke keer opnieuw tijdens de arbeidsactiviteit dat de “neo-manageriale” organisatie van de arbeid de mogelijkheid tot democratische activiteit van de arbeiders ondermijnt.16

Het recht op arbeid in de Europese Unie

De analyse van het sociale en economische beleid van de Europese Unie de afgelopen drie decennia toont hoe een democratisering van de arbeid in het neoliberalisme onmogelijk werd gemaakt.

Het Europees beleid rond werk, sinds de jaren 1970, heeft niet enkel als doel om de meerwaarde en de kapitaalsaccumulatie voor de kapitalisten te verzekeren maar ook om de versterking van de macht van de arbeidersklasse onmogelijk te maken. Dat is bijvoorbeeld wat een ‘activeringsbeleid’ beoogt. Zo kan de concurrentie op de arbeidsmarkt opgedreven worden.17 Of een ‘herwaardering van arbeid’ die het verschil tussen de inkomsten uit arbeid en de uitkeringen wil verhogen. Of ‘flexicurity’, die de inzetbaarheid van de arbeiders uitdrukt, een minimale sociale zekerheid toekent en de arbeidsmarkt flexibiliseert. Deze flexibiliteit kan zelfs offensief worden als die “door een crisis naar een nieuwe verhouding tussen de lonen streeft”18 of toch defensief, als het de wettelijke bepalingen van de arbeidswetgevingen aanvalt.

We kunnen hier niet ingaan op de effectieve ontmanteling van de nationale sociale rechten door de Europese verdragen en de “structurele hervormingen” die de Europese Unie oplegt om een concurrentiële, antidemocratische orde op te bouwen. We zullen daarentegen ingaan op het feit dat sinds het begin van de jaren 2000 het recht op arbeid het doelwit bij voorkeur geworden is van het neoliberale Europese project.

“Het recht op arbeid moet gemoderniseerd worden zodat de uitdagingen van de 21e eeuw kunnen aangegaan worden”19, wordt er gezegd. Om ‘flexicurity’ te bereiken, moeten enerzijds de niet-klassieke arbeidscontracten veralgemeend en geïnstitutionaliseerd worden. In de eerste plaats gaat het over contracten van bepaalde duur en deeltijdse contracten, nulurencontracten en interims. Deze “zijn vandaag kenmerkend voor werk in Europa”.20 Anderzijds moeten de klassieke contracten naar beneden geharmoniseerd worden. Vanuit dit perspectief moeten de contracten geëvalueerd worden en indien mogelijk herbekeken. Ze moeten flexibeler worden op vlak van kosten en procedure bij een individueel of collectief ontslag, de termijnen waarin aanpassingen aan het uurrooster gecommuniceerd worden, moeten korter, en de definitie van een onterecht ontslag moet herschreven worden.21

Andere aanbevelingen in het document van de EU behandelen de “professionele transities” (ontslag gemakkelijker maken), de “triangulaire arbeidsrelaties” (zorgen dat de interimarbeid en het statuut van de gedetacheerde werknemer conform zijn met het “vrij verkeer van diensten in de interne markt”), of de planning van de arbeidsduur (het Groenboek van de EU wil dat deze flexibeler kan ingevuld worden).

Deze doelstellingen zijn aanbevelingen voor nationale hervormingen maar ook de achterliggende principes die het Europees Hof van Justitie van de Europese Unie mogelijk maken om arresten uit te spreken die “in naam van de vrijheid van handel de syndicale actie en de rechten van de werknemers beperken”.22

De arbeidsverdeling op vlak van gender en ras is een beslissende factor in de ont­democratisering van de arbeid.

Een reeks legislatieve hervormingen heeft sinds 2016 de feitelijke amputatie van de Code du travail ingezet. De hervormingen waren expliciet bedacht in een “aanbeveling” van de Europese commissie op 14 juli 2015: “Frankrijk moet resolute maatregelen nemen om de wettelijke drempels af te schaffen die in het arbeidsrecht voorzien zijn” om zo “de kost van arbeid te verminderen en de winstmarges van de bedrijven te verhogen”.23

Deze doelstelling loopt gelijk met de Europese juridische techniek om “een statuut in een contract binnen te brengen” dat toestaat om zaken uit de nationale wetgevingen te schrappen die betrekking hebben op de bescherming van specifieke vormen van concrete arbeid (ontbering, risico’s, arbeidsduur enz.) Dat draagt ook bij aan het “uitbreiden van het rijk van de abstracte arbeid door de eenmaking van de statuten te promoten, en het geleidelijk aan verdwijnen van de verschillen die rusten op de specifieke evaluatie van de arbeidsprestatie”.24 Met andere woorden, het Europees “sociaal recht” dient als oorlogsmachine tegen de nationale arbeidsrechten, en specifiek tegen het arbeidsrecht dat de economische uitbuiting kan beperken, maar ook tegen de deelname van de arbeiders aan de besluitvorming in een bedrijf en de gehele economie.25

De vernietiging van de nationale arbeidswetgevingen met steun van de Europese Unie (institutionalisering van de nulurencontracten in het Verenigd Koninkrijk, Agenda 2010 en de Hartz-wetten in Duitsland, de afbraak van het collectief onderhandelingsmodel in de Griekse memoranda, de Jobs Act in Italië, de wetten Macron, Rebsamen en El Khomri in Frankrijk, enz.) valt niet los te koppelen van de nieuwe “Europese governance”26 die “het publieke leven herleidt tot management, politiek vervangt door administratie en conflict en overleg over gedeelde waarden of doelstellingen uitschakelt”.27 De bedoeling is om een proces van “economisering” van de politieke beslissingen door te voeren en de economische beslissingen te “ontdemocratiseren”.

Gender, ras en klasse

De ontdemocratisering van arbeid is ook voelbaar in de herschikking van de verhoudingen op vlak van klasse, ras en gender in de neoliberale arbeidsverdeling, die ongelijkheid en dominantie met zich meebrengt op vlak van toegang tot arbeid. De neoliberale arbeidsverdeling reproduceert ongelijkheden op vlak van toewijzing van beroep, arbeidsomstandigheden en positie in de hiërarchie van de arbeidsorganisatie.

Laten we twee aan elkaar gelieerde verschijnselen bekijken die de politieke effecten van de neoliberale arbeidsverdeling28 vastleggen: de vervrouwelijking van economische migratie en de ondergeschiktheid van vrouwelijke zorgverleners.

Het neoliberalisme “valt samen met een specifiek proces van vervrouwelijking van de internationale migratie en de ‘creatie’ van een groep arbeidskrachten die uit vrouwelijke migranten bestaat”.29 Deze groep heeft in het bijzonder de vermarkting van de diensten aan personen mogelijk gemaakt in een context van een verhoogde vraag naar huishoudelijk werk en zorgwerk bij de blanke midden- en hogere klasse in de steden die een bevoorrechte positie innemen in de neoliberale mondialisering. Dit proces was het onderwerp van veel sociologisch onderzoek, vooral in de VS, Brazilië, Japan en Frankrijk.30 Het onderzoek stipt aan dat zorgwerk vandaag een noodzakelijke voorwaarde is voor reproductie in de neoliberale samenlevingen en een van de beste indicatoren is voor de nieuwe verhoudingen en overlappingen op vlak van gender, klasse en ras.

De congruentie tussen racisme en professionele hiërarchie heeft zeker ook een invloed op mannen en andere sectoren maar een dergelijke raciale verdeling wordt vooral gecombineerd met een seksuele arbeidsverdeling in het geval van zorgwerk.31 Zorgwerk is sterk gefeminiseerd, dat toont deze typologie van de professionele hiërarchie in een ziekenhuis in de Verenigde Staten aan: bovenaan de hiërarchie vind je de dokters, blanke mannen. Daarna komen de hoofdverplegers, blanke vrouwen. Dan komen de hulpverplegers, hoofdzakelijk vrouwen van andere afkomst. Onderaan de piramide vind je het onderhoudspersoneel, vaak mannen van andere afkomst en het zorgpersoneel, in grote meerderheid vrouwen van andere afkomst.32 In Europa kent deze verdeling in elk land een specifieke vorm die het gevolg is van de koloniale geschiedenis van elk land.

Deze hiërarchische opdeling volgens ras en gender33 mag niet enkel gezien worden als een opdeling van individuen en groepen in verschillende beroepen, maar ook als een versterking van de dagelijkse machtsverhoudingen tussen de werkers. Dat is wat Pascale Molinier aantoont in een onderzoek naar een bejaardentehuis in Ile-de-France: racistische categoriseringen van “blanke vrouwen die zwarte en maghrebijnse vrouwen leiden”, die bijvoorbeeld stellen dat “maghrebijnen een sterke mening hebben, leidersfiguren zijn en een gebrek aan respect voor hiërarchie hebben, terwijl zwarte vrouwen onderdanig en vriendelijk zijn”34, stemmen overeen met de ongelijke toegang tot de middelen om de arbeidsorganisatie te controleren.

In een andere organisationele context, die van de thuiswerkers in de regio rond Parijs, schets Christelle Avril het gebruik van racistische stereotypes in de arbeidsverdeling door blanke bazen maar ook de manier waarop de professionele omgeving racisme uitlokt bij de thuiswerkers zelf. De nieuwe verhoudingen tussen gender, ras en klasse functioneren eveneens als rem op de solidariteit tussen de werkers.35

Het verschil tussen geschoolde en niet-geschoolde arbeid bevindt zich op dezelfde plaats als de raciale opdeling.

De verdeling op vlak van gender en ras is een beslissende factor in de “ontdemocratisering” van de arbeid. Ze breekt de solidariteit die zou kunnen opgebouwd worden tussen de werkers tijdens de arbeid. Evelyn Nakano Glenn toont hoe door de overlapping tussen gender en ras “het conflict tussen mannen en vrouwen geheroriënteerd wordt naar een clash tussen vrouwen” omtrent werkdruk, taakverdeling en arbeidsomstandigheden. Dit is bijvoorbeeld manifest het geval bij gezondheidszorg waar “de raciale verdeling van de arbeid toestaat dat de spanningen op dergelijke wijze geheroriënteerd worden dat de spanningen zich voordoen tussen de verschillende soorten verzorgend personeel over de toewijzing van de taken en de supervisie”.36 Deze neoliberale arbeidsverdeling verdeelt dus de vrouwen: de klasse van de blanke vrouwen vindt in de uitbesteding van het thuis- en zorgwerk een manier om zich te emanciperen tegenover de klasse van de mannen. Omdat de “verdeling tussen het ‘geschoold’ en het ‘ongeschoold’ personeel zich precies daar bevindt waar de raciale scheiding zich bevindt” is het noodzakelijk om naast de arbeidsverdeling op vlak van gender en ras ook de kapitalistische arbeidsverdeling in vraag te stellen:

De problemen van gekleurde vrouwen die in de dienstensector werken in vraag stellen impliceert ook een radicale kritiek van de sociale waardering van arbeid; het impliceert dat we het recht op een degelijk loon voor alle werkers moeten eisen, ongeacht hun competenties of verantwoordelijkheden.37

Het is net het democratisch potentieel van de rapporten over onderdrukking tijdens de arbeid dat de neoliberale versterking van verdeling op vlak van ras en gender wil tegengaan. Het is ook daarom dat gekleurde vrouwen vaak het eerste slachtoffer zijn van neoliberaal beleid. Niet enkel omdat ze “het belangrijkste deel van de bevolking zijn voor het neoliberale systeem van accumulatie en de concrete realisering van arbeid”38 maar ook omdat ze door hun positie in neoliberale arbeidsverdeling op de eerste linie staan in de strijd voor alternatieve verhoudingen tussen betaald werk, huishoudelijk werk en activisme.39

Conclusies

Als we stellen dat de politieke logica van het neoliberalisme leidt tot een ontdemocratisering van arbeid dan moet een alternatief, antikapitalistisch, anti-patriarchaal en antiracistisch politiek project erop gericht zijn om de macht van de arbeiders te vergroten. Eerst tijdens de arbeid zelf maar daarna ook op het geheel van de instituten in de maatschappij.

In Le travail démocratique heb ik gekeken hoe een project van democratische arbeid, dat arbeid ten dienste plaatst van de democratisering van de samenleving en niet van de winsten, een sociaal legitiem en politiek noodzakelijk project is als we ons willen verzetten tegen het neoliberalisme maar ook als we een democratische planning van de ecologische transitie willen mogelijk maken. Om dat te doen moeten we een reeks voorstellen hebben die deze democratisering kunnen op gang trekken zoals de implementatie van het recht op werk, een drastische reductie van de arbeidsduur, meer tijd voor vorming tijdens de arbeidstijd, de transformatie van de arbeidsplaats in een democratisch, politiek instituut waar iedereen even veel te zeggen heeft en de uitbouw van de democratische rechten voor arbeiders gekoppeld aan nieuwe instituten voor de “arbeider-burger” waar er collectief beslist kan worden over de arbeidsomstandigheden (in bedrijfsraden), over de productie (in raden die over de economische oriënteringen beslissen) en de kwalificering van wat deel uitmaakt van de arbeidsactiviteit en wat niet (in sociale raden).

De eerste voorwaarde voor zo’n arbeidspolitiek blijft echter een collectieve bevraging naar de realiteit van de arbeid. Als de analyses die hier voorgesteld werden kloppen, dan moet een van de prioriteiten voor arbeiders, vakbonden en antikapitalistische partijen zijn om een onderzoek uit te voeren naar het arbeidsproces, de organisatie en verdeling van de arbeid en de bestaande normen en praktijken (ook in coöperatieven en arbeiderscollectieven) om een concreet tegenwicht te kunnen bieden. Men kan zich inspireren op de enquêtes die bij arbeiders en vakbonden werden uitgevoerd in de 19e eeuw, een praktijk waarvan de methoden en de resultaten een beetje uit het oog werden verloren. Zo kunnen ze een project uitbouwen dat zich kan verzetten tegen de klassenstrijd die de voorstanders van de neoliberale ontdemocratisering begonnen zijn.

Footnotes

  1. Gérard Duménil & Dominique Lévy, The crisis of neoliberalism, Cambridge, Harvard University Press, 2013, p. 1.
  2. Zie vooral Costas Lapavitsas, Theorizing financialization, Work, employment and society, nr. 25, 2011.
  3. Deze tekst herneemt sommige elementen uit mijn artikel “Le néolibéralisme contre le travail démocratique” (Contretemps, nr. 31, 2016, p. 30-44) en uit de eerste hoofdstukken van mijn boek Le travail démocratique (Parijs, Puf, “Actuel Marx Confrontation”, 2018).
  4. Wendy Brown, Les habits neufs de la politique mondiale, Parijs, Les prairies ordinaires, 2007, p. 115. Zie ook Wendy Brown, Undoing the Demos: Neoliberalism’s Stealth Revolution, Cambridge, MIT Press, 2015.
  5. David Harvey, “Neoliberalism is a political project”, Jacobin, 23 juli 2016. Zie ook Une brève histoire du néolibéralisme, op. cit., Parijs, Les prairies ordinaires, 2014, p. 237 sq.
  6. Fabienne Hanique, Le sens du travail. Chronique de la modernisation au guichet, Parijs, Erès, 2004.
  7. Ibid., p. 177.
  8. Ibid., p. 179.
  9. Ibid., p. 275.
  10. Geciteerd in Vincent de Gaulejac, Travail, les raisons de la colère, Parijs, Seuil, 2011,
    p. 281.
  11. Zie ibid., p. 239 sq.
  12. Zie bijvoorbeeld Marie-Anne Dujarier, L’idéal au travail, Parijs, Puf, 2012, p. 199.
  13. Zie Jean-Philippe Deranty, “Travail et expérience de la domination dans le néolibéralisme contemporain”, Actuel Marx, nr. 49, 2011, p. 85-86.
  14. Danièle Linhart, Travailler sans les autres, Parijs, Seuil, 2009, p. 71.
  15. Philippe Zarifian, Le travail et la compétence: entre puissance et contrôle, Parijs, PUF, 2009, p. 14.
  16. Zie ook Alexis Cukier, “Critique démocratique du travail”, in Anaïs Albert, Clyde Plumauzille, Sylvain Ville (dir.), “Déplacer les frontières du travail”, Revue Tracés, nr. 32, 2017, p. 145-164.
  17. Zie Christine Ehrel, “Politiques de l’emploi: la tendance à l’activation donne-t-elle une place accrue à l’accompagnement ?”, Informations sociales, nr. 169, 2012.
  18. Zie Emmanuel Mazuyer, “Les mutations du droit du travail sous influence européenne”, Revue de la Régulation, nr. 13, 2013.
  19. Commissie van de Europese Gemeenschap, “Moderniser le droit du travail pour relever les défis du 21e siècle”, 2006.
  20. Ibid., p. 8.
  21. Ibid., p. 3-4.
  22. Zie Pierre Khalfa, “Le droit européen contre l’Europe sociale,” Libération, 15 avril 2008.
  23. Europese Raad, Recommandation du Conseil du 14 juillet 2015 concernant le programme national de réforme de la France pour 2015 et portant avis du Conseil sur le programme de stabilité de la France pour 2015, 2015.
  24. Alain Supiot, Critique du droit du travail, Parijs, PUF, 2007, p. 33-34.
  25. Zie ook Alexis Cukier, “Exploitation, marxisme et droit du travail,” Contretemps, 13 octobre 2016.
  26. Zie Europese Commissie, Gouvernance européenne – Un livre blanc, 2001.
  27. Pierre Dardot en Christian Laval, Ce cauchemar qui n’en finit pas. Comment le néolibéralisme défait la démocratie, Parijs, La Découverte, 2016, p. 128-129.
  28. Zie Jules Falquet, Héléna Hirata, Danièle Kergoat, Brahim Labari, Nicky Le Feuvre, Fatou Sow (ed.), Le sexe de la mondialisation. Genre, classe, race et nouvelle division du travail, Parijs, Presses de Sciences Po, 2012,
  29. Sara Farris, Néolibéralisme, femmes migrantes et marchandisation du care, Vacarmes, n°65, 2013.
  30. Zie Nadya Guimarae, Helena Hirata, Kurumi Sugita, “Care et travail du care dans une perspective comparative: Brésil, France, Japon”, Regards croisés sur l’économie, nr. 15, 2014.
  31. Zie Nicolas Jounin, “L’ethnicisation en chantiers. Reconstructions des statuts par l’éthnique en milieu de travail”, Revue européenne des migrations internationales, nr. 3, 2004.
  32. Evelyn Nakano Glenn, “De la servitude au travail de service: les continuités de la division raciale du travail reproductif payé”, in Elsa Dorlin (dir.), Sexe, race, classe. Pour une épistémologie de la domination, Parijs, Puf, 2009, p. 46-47.
  33. Ibid., p. 46
  34. Pascale Molinier, Le travail du care, Parijs, La Dispute, 2013, p. 22-23.
  35. Zie Christelle Avril, “Les aides à domicile. Un autre monde populaire”, La Dispute, Parijs, 2014, p. 158 sq.
  36. Evelyn Nakano Glenn, De la servitude au travail de service: les continuités de la division raciale du travail reproductif payé, p. 59.
  37. Ibid., p. 63.
  38. Jules Falquet, “L’État néolibéral et les femmes”, in Jules Falquet, Héléna Hirata, Danièle Kergoat, Brahim Labari, Nicky Le Feuvre, Fatou Sow (dir.), Le sexe de la mondialisation, cit.
  39. Zie ook Alexis Cukier, “De la centralité politique du travail: les apports du féminisme matérialiste”, in Annie Bidet-Mordrel, Elsa Galerand, Danièle Kergoat (dir.), Analyse critique et féminisme matérialiste, Parijs, L’Harmattan, 2016.