Monocle

Lof van het lastige – van Hadewijch naar Lenin (en verder)

Joris Note

— 10 september 2017

Misschien moet een stokoude en bovendien godsdienstig geïnspireerde tekst per se ver van ons verwijderd blijven. Of kunnen we hem toch dichterbij halen, bijvoorbeeld door te luisteren naar zijn radicaliteit en zijn afkeer van gemakzucht.

Lof van het lastige – van Hadewijch naar Lenin (en verder)

De dertiende-eeuwse begijn en mystica Hadewijch had het altijd over de liefde, de minne. Dat deed ze ook in de eerste tekst die ik als jonge jongen toevallig van haar las, het befaamde gedicht dat begint met de regel Dat suetste van minnen sijn hare storme. Liefde is het zoetst wanneer ze aanvalt, maar ook omgekeerd: haar zachtste liefkozing is woeste agressie. We krijgen hier twee reeksen met opsommingen, om ons diets te maken dat in elk positief aspect van de liefde iets negatiefs schuilt, en vice versa, met andere woorden: in de liefde zijn positief en negatief onscheidbaar verbonden.1 De liefde is dubbel en wispelturig. Ze is zacht en hard, ijselijk en aangenaam – of zoals Sapfo het vele eeuwen eerder al uitdrukte, ze is ‘bitterzoet’.

Ook in andere teksten voelt Hadewijch zich aangevallen en belegerd; of ze loopt ongeneeslijke kwetsuren op, ze beleeft de liefde als een lastige zwangerschap, ze heeft altijd honger omdat ze nooit genoeg krijgt, ze moet in een wedloop de minne proberen in te halen, de minne leert haar iets en neemt het daarna weer af, de minne plaagt haar met drogbeelden en slaat haar in de kluisters. In de liefde moet je veel genot lijden, zegt Hadewijch (joye doghen, L18). De goddelijke geliefde heeft haar wreder behandeld dan een duivel, en meer dan eens gruwt ze van haar eigen leven. Maar evengoed blijft ze herhalen dat al die dingen waardevol zijn, en zelfs dat het hoogste leven erin bestaat ‘te vergaan en te verkwijnen door minnesmart(B30).2

Tot op zekere hoogte is die dubbelheid van de liefde iets banaals. Iedereen wéét dat plus en min samen bestaan of elkaar afwisselen, en misschien juist daarom willen we het steeds opnieuw lezen of horen; we kennen het uit ervaring én we laten het ons voorhouden in ontelbare verhalen en liederen en gedichten: de liefde is verrukkelijk en verschrikkelijk. Het is zo banaal dat illustraties overbodig zijn, maar ik maak een uitzondering voor een naamloze Limburgse dichter uit dezelfde tijd als Hadewijch. Hij verklapt dat als we tot op de bodem van zijn hart zouden kunnen kijken, we daar vele bloedende open wonden zouden vinden, meneghe versche blodende wonde, ‘en diep gedrukt in elk van die wonden, haar zoet gelaat’, haer suete aensicht.3 Het kan niet romantischer, het kan niet rauwer.

Nu ligt het voor de hand om te willen dat de schrijnende kanten van de liefde zouden verdwijnen, zodat alleen het heerlijke overblijft; maar talloze dichters en zangers verzekeren ons dat dat niet kán, dat liefde zonder ellende niet mogelijk is, en dat we dit zonder meer moeten aanvaarden. Hadewijch zegt tegen de minne: of ik nu in de put zit of op een roze wolk, of ik nu win of verlies, alles mag gaan zoals jij het besloten hebt, Uwe slaghen sijn mi genoech genade, ik heb niet meer genade nodig dan jouw slagen (L45); en aan het eind van het gedicht waarmee ik begon lezen we: ik geef me over, en of de liefde nu goed of kwaad is, dat blijft me hetzelfde: Si goet, si fel: al eens eest mi.

Je vindt die woorden bijna letterlijk terug in een van de populairste liedjes van Edith Piaf, ‘Non, je ne regrette rien’: ik heb nergens spijt van, het goede en het kwade, tout ça m’est bien égal. Dat liedje dateert van 1960, en in hetzelfde jaar begon Piaf een andere tekst te zingen, een die ze zelf geschreven had, ‘C’est l’amour’. Daarin gaat ze nog een stap verder dan de aanvaarding van iets onvermijdelijks, ze verkondigt nu dat liefde zonder groot verdriet gewoon geen echte liefde is, dat je tranen móet storten om te kunnen liefhebben, om het recht op liefhebben te verwerven: Et ceux qui n’ont pas de larmes, ne pourront jamais aimer. Hadewijch zou Edith Piaf gelijk gegeven hebben, denk ik.

Niet normaal

Laten we de vraag stellen naar het Waarom: hoe komt het dat mensen zoveel hartzeer ervaren in de liefde? Je kunt stellen dat het lijden altijd voortkomt uit de afwezigheid. Dat kan letterlijke afwezigheid zijn: de geliefde is er niet, of ze is dood, of ze is bij een ander – maar minstens zo vaak figuurlijke afwezigheid: ze is met haar hóófd bij een ander, ze wil mij niet, ze is van een foute familie, ze zegt dingen die me kwetsen, ze begrijpt me niet of ik begrijp haar niet, ik schiet tekort tegenover haar, ze wil dat ik anders ben… Afstand, verte. Ook bij Hadewijch is dikwijls sprake van verte, en ook hier ervaart zij grilligheid: ze weet niet of ze de ander nadert of zich van hem verwijdert (B2), en ze zegt tegen hem, paradoxaal: ‘Jij bent ver van mij terwijl ik dicht bij jou ben’, Ghi sijt mi verre ende ic u bi (L44).

Maar afstand of afwezigheid volstaat niet als verklaring voor de pijn, want dan rijst opnieuw de vraag waarom dat zo moet zijn, waarom het water zo diep is. Ik voel op dit punt veel voor de opvattingen van Alain Badiou; volgens hem houdt de liefde in dat je de wereld gaat ervaren vanuit de twee in plaats van de één, vanuit het verschil in plaats van de identiteit.4 Het cruciale punt lijkt te zijn dat de één of de identiteit in feite het gewone is: leven vanuit mezelf en voor mezelf, voor mijn eigenbelang – dat is de normale gang van zaken, en de kapitalistische maatschappelijke orde is daarop gebaseerd; de stuitende slogan van Mark Rutte, ‘normaal doen’, vindt hier zijn diepste grond.

Maar dit is niet bepaald een nieuwe en niet speciaal een ‘linkse’ voorstelling. Gregorius de Grote (zesde eeuw) meende dat God met zijn liefde ‘de hardheid van het naar-zichzelf-gekeerd-zijn’ wil doorbreken, ‘het pantser van zelfgenoegzaamheid’; daardoor raakt de mens verwond, maar kan hij tevens terugkeren naar zijn oorspronkelijke aard en zelf God liefhebben.5 En de volgende verwoording van een middeleeuws mensbeeld valt niet mis te verstaan:

De vermogens van de natuurlijke mens (en ook zijn verstand) zijn egocentrisch gericht op zelfverrijking. Zij zoeken rijkdom en macht, prestige en genot, om zo te komen tot een grootser en intenser leven. Gods Geest corrigeert dat grondstreven van de natuurlijke mens. Hij ontledigt de bezitsdrang van de vermogens en Hij brengt deze terug tot het ene grondverlangen van de mens: openheid voor Gods Geest.6

Terug naar Badiou. Als je geraakt wordt door de liefde, betekent dat een inbreuk op die normaliteit. Dat is het begin, en het komt erop aan vanuit dat begin iets te construeren dat blijft duren; dat vraagt om werk en om halsstarrigheid, dat brengt ruzies en risico’s met zich mee, en dus pijn. Immers, de inbreuk is nooit definitief, in mijn dagelijkse leven blijft de spanning aanwezig tussen mezelf als één en mezelf als deel van een twee. Het conflict is dus ingebouwd, en mijn vijand of tegenstander in de liefde is niet de geliefde of pakweg een rivaal; ik ben het zelf, in zoverre ik nog als identiteit wil leven, samenvallend met mijzelf.

Ook bij Hadewijch wordt de ik getroffen door de liefde als iets buiten-gewoons, en ook bij haar bestaat de moeilijkheid erin om dat te laten duren, om vol te houden. Badiou bestempelt de liefde als een ‘koppig avontuur’, une aventure obstinée, en die formulering zou van Hadewijch kunnen zijn. Daarmee zijn we al een heel eind verwijderd van het banale samengaan van plaisir d’amour en chagrin d’amour.

Bewakers van identiteit

De liefde is bij Hadewijch dus geen plek of geen punt, maar een tocht, een pelgrimstocht, die ondernomen wordt om op de lange duur iets te bereiken. Tijdens die tocht zijn er vlotte, comfortabele momenten, maar vaker gaat het moeizaam, is er angst en duisternis; steeds weer is er sprake van ronddolen, van de weg kwijt zijn, en van de bijbehorende gevoelens. Die droevige kant is essentieel, verplicht zelfs, want de mystica wijdt zich aan de navolging van Christus, en dat betekent allereerst dat zij moet lijden zoals Hij als mens geleden heeft; maar, niet onbelangrijk, dat lijden is juist on-menselijk, het is ‘je kruis opnemen’, jezelf verloochenen en je leven verliezen. De deelname aan Christus’ goddelijkheid blijft daarentegen een vurige verwachting, die op aarde maar heel soms en heel kort wordt ingelost, en zelfs dat is niet zeker.

Op zo’n tocht moet je volharden ondanks alles, trouw zijn; die trouw houdt in dat je door tegenslagen niet ontmoedigd raakt, dat de tegenslag geen reden vormt om genoegen te nemen met iets minders. Wees niet tevreden met een klein genot en een tweede keus; dat is de radicaliteit van Hadewijch, en de radicaliteit van de liefde tout court. In een brief aan een vriendin schrijft ze: ‘Steeds als een verstotene ver van Hem te dwalen, dat moet je liever zijn dan alle rust die je beneden Hem doet belanden. Je volmaaktheid hangt helemaal hiervan af: mijd het vreemde genoegen, dat is iets wat minder is dan God zelf’ (B6, mijn cursivering).

Hadewijch waarschuwt tegen de geneigdheid tot lichte liefde en goedkope blijdschap, en tegen de laag-bij-de-grondse mensen die daar wél aan toegeven: die mensen zijn de zogenoemde ‘vreemden’, die niets begrijpen van de echte liefde, en van wie wij ons moeten afgrenzen. Het lijkt wel alsof Hadewijch hier een snobistische of sektarische houding aanneemt, maar eigenlijk richt ze zich vooral tegen de weg van de minste weerstand, tegen de aanpassing, die alleen eigen voordeel zoekt. Eigen voordeel, dat behoort tot het gebied van de identiteit, en volgens mij mag je de vreemden dan ook zien als behoeders van die identiteit, dus van het ‘normale’ leven.

De figuur van de onbegrijpende vreemde – de jaloerse kwaadspreker – is een overbekend gegeven uit de wereldlijke liefdesliteratuur, maar Hadewijch geeft dat cliché een nieuw leven. En die vreemde zit weer in de eerste plaats in mezelf. Wanneer de minnares haar hoge streven staakt en vrede heeft met een ‘vreemd genoegen’, dan geeft ze toe aan eigen gemakzucht. Altijd blijft het gevaar bestaan dat het koppige avontuur afgebroken wordt.

Op de tocht van Hadewijch is vooruitgang alleen mogelijk via obstakels en botsingen en dwaalwegen, via negatieve dingen die zij moedig moet accepteren. Maar dat stramien kan natuurlijk ook toegepast worden buiten het terrein van de liefde, op de ontwikkeling van een mens als zodanig. Dat wordt bijvoorbeeld duidelijk bij enkele bijbelplaatsen die Hadewijch aanhaalt. Ze alludeert dikwijls op het boek Job – en Job is toch bij uitstek de mens die beproevingen moet doorstaan om (opnieuw) voorspoed en geluk te bekomen. Interessant is ook de verwijzing naar de aartsvader Jakob, die in de nacht worstelt met een onbekende man die misschien God is (Genesis 32:25-33); hij bedwingt die tegenstander en laat zich door hem zegenen, maar hij houdt er een ontwrichte heup aan over. Volgens Hadewijch (B12) overwint Jakob God om door God overwonnen te worden; hij is nu kreupel, kreupel aan de kant waar hem iets anders dierbaar was dan God alleen, en daarom kan hij voortaan de sukkelaars helpen die zich helaas nog zonder manken voortbewegen, sukkelaars zoals u en mij. De kapotte heup is een ereteken en stelt Jakob in staat zichzelf te worden, door iets anders of iets meer dan zichzelf te zijn.

De dood verdragen

Ik probeer nu het negatieve element uit Hadewijch in verband te brengen met enkele teksten van totaal andere aard. In de eerste plaats zijn er intrigerende overeenkomsten tussen haar weg en de dialectiek van Hegel, dus Hegels gedachten over de groei van de kennis en de geschiedenis van de wereld.

Wat houdt dialectiek in, in het algemeen? Extreem vereenvoudigend: de hele werkelijkheid is altijd in beweging, alles bevindt zich in een rusteloze staat van overgang, dus van ontstaan en vergaan (wat impliceert dat de dood aanwezig is in het leven.) Die beweging wordt beheerst door tegenstellingen en conflicten tussen entiteiten, en de entiteiten dragen ook tegenstellingen in zich. Nieuwe dingen en toestanden en ideeën komen voort uit de werking van de tegenstellingen, uit het beleven en doordenken ervan. En al die tegenstellingen in beweging vormen toch een groot geheel, alles staat met elkaar in een zinvol verband, het leidt ergens toe.

Als we dan kijken naar de groei van of het zoeken naar de waarheid, dan zien we dat de waarheid niet alleen in het resultaat ligt, maar ook juist in die groei en dat zoeken; en alle onware, valse momenten die er onderweg geweest zijn, zijn op de een of andere manier in de eindwaarheid opgenomen. Het bereiken van de waarheid gaat gepaard met strijd; er duiken onderweg schijnresultaten en deelresultaten op, vooroordelen en doodlopende straatjes, en de geest klampt zich tijdelijk daaraan vast, om althans íets te hebben, maar hij gaat toch weer verder, eeuwig onvoldaan. Hegel heeft het over ‘beperkte bevredigingen’ die de geest moet overstijgen in gevecht met zichzelf.7 We kunnen zeggen dat elk denken altijd negatief is, omdat het zichzelf voortdurend corrigeert; het wijst af wat het al heeft, om te kunnen vooruitgaan.

We hebben dus een beweging vol negativiteit in de richting van iets positiefs, en er is weinig hersengymnastiek nodig om hier aan Hadewijch te denken. Ik wil vooral graag wijzen op een passage in het Voorwoord van Hegels Fenomenologie van de geest (1807). Hegel spreekt daar over de macht van het verstand, de reusachtige macht van het negatieve, en als een beeld ervoor noemt hij de dood:

Het leven van de geest is […] niet het leven dat de dood vreest, en zich enkel en alleen voor de vernietiging behoedt; nee, dat is het leven dat de dood verdraagt en in de dood standhoudt. De geest verwerft zijn waarheid alleen wanneer hij zichzelf vindt in de absolute verscheurdheid. Die macht is de geest niet als het positieve dat van het negatieve wegkijkt, zoals wanneer we over iets zeggen dat het niets is, of dat het onwaar is en vervolgens, in de mening het te hebben afgehandeld, ons ervan afwenden en tot iets anders overgaan; nee, de geest is deze macht alleen doordat hij het negatieve recht in het gezicht kijkt en erbij verwijlt.8

De Israëlische filosoof Yirmiyahu Yovel voegt hier het volgende aan toe:

Lijden, hartstocht, oorlog, destructie, leugen, geweld en andere vormen van negativiteit zijn [volgens Hegels dialectiek] organische onderdelen van de waarheid, en van de groei en werkelijkheid van de geest. Zelfs het einde van de weg zal ze niet compleet uit de weg ruimen. De geschiedenis leidt niet naar een utopie in de sprookjesachtige zin van zuiver positieve vrijheid en geluk.9

Hegels formulering vertoont een frappante gelijkenis met een vaak geciteerde tekst die honderd jaar later geschreven werd door de toen nog jonge componist Arnold Schönberg:

Kunst is de noodkreet van degenen die het lot van de mensheid aan den lijve ervaren. Degenen die niet in dat lot berusten, maar zich er kritisch mee bezighouden. Die niet versuft de motor ‘donkere machten’ bedienen, maar zich in de lopende machinerie storten om de constructie ervan te begrijpen. Die de ogen niet afwenden om zich tegen emoties te beschermen, maar ze opensperren om aan te pakken wat aangepakt moet worden.10

Maar ‘recht in het gezicht van het negatieve kijken’ en zichzelf en de waarheid vinden ‘in absolute verscheurdheid’, dat is ook wat Hadewijch doet. En het verstand of de rede is ook bij haar vooreerst negatief. Ze schrijft (L30): ‘Zo berokkende rede mij pijn. / Het leek me een vijandige daad / dat ze mij de overvloed ontnam, / die minne mij zelf gegeven had. / […] Toch leerde rede mij in de waarheid te leven.’ De rede komt erop wijzen dat de minnares tekortschiet, dat er een enorme afstand blijft tussen haar en de beminde, dat de beminde veel groter is dan zij. En de rede komt daar het liefst mee op de proppen wanneer ik aan het genieten ben, wanneer ik me behaaglijk aan het koesteren ben in eenheid met de geliefde, op een moment van ‘geneugte’. Die geneugte, dat is opnieuw het mindere genoegen, het ‘vreemde genoegen’, en je kunt het vergelijken met de ‘beperkte bevrediging’ van Hegel. De rede komt me daarbij storen – maar ze komt me ook stimuleren. Haar negatieve inzicht is tegelijk een aansporing om voort te streven naar volmaaktheid, om actief te werken tot er weer een ervaring van vereniging en genieten mogelijk is. Die nieuwe ervaring van vereniging volgt echter niet rechtlijnig uit mijn actieve moeite, het zal uiteindelijk iets zijn wat me overvalt, passief. Ik word overweldigd en verslonden door iets wat nog altijd veel groter is dan ikzelf; dus ook hier wordt, zoals bij Hegel, het negatieve mee opgenomen in het eindresultaat: terwijl ik overwin word ik overwonnen, ik heb de zaken niet in de hand, ik schiet nog altijd tekort – maar ‘dit tekortschieten van het genieten, dát is het zoetste genieten’ (B16). En de cyclus herhaalt zich, de rede zal opnieuw optreden en komen zeggen dat dit toch nog niet je ware is, dat ik weer verder moet.

Ongehoorde mogelijkheden

Ik kijk nu nog even naar een andere dialecticus, een die dit jaar enigszins in de actualiteit staat, Vladimir Iljitsj Lenin. Toen in augustus 1914 de Eerste Wereldoorlog uitbrak, zag Lenin dat als een absolute ramp – niet alleen om de oorlog zelf, maar evenzeer om het feit dat de grote Europese arbeiderspartijen ermee hadden ingestemd. Tot vlak voordien had immers de verwachting geleefd dat in geval van oorlog de Europese arbeiders niet mee zouden vechten, maar dat ze onder leiding van de sociaaldemocraten in opstand zouden komen tegen hun regeringen, en zo het begin maken van een internationale revolutie. Dat gebeurde dus niet, tot frustratie van Lenin en een handvol andere leiders. Maar in plaats van ongelukkig met de handen in de schoot te blijven zitten, stortte Lenin zich vanuit Zwitserland meteen in een koortsachtige activiteit.11 Hij schrijft teksten en houdt lezingen, herstelt de contacten met het buitenland en vooral Rusland, zoekt een drukker die pamfletten en een krant wil drukken, bereidt een bolsjewistische conferentie voor, enzovoort. We mogen wel zeggen dat Lenin het negatieve recht in het gezicht keek. Hij trachtte greep te krijgen op de oorlog en op het failliet van de sociaaldemocratie, hij trachtte de gevolgen ervan te doen verkeren in hun tegendeel: in opstanden binnen de oorlogvoerende naties.

En Lenin deed nog iets merkwaardigs in de laatste maanden van 1914. Hij ging naar de bibliotheek in Bern – waar hij zich (onder veel meer!) verdiepte in filosofische werken. Zo bestudeerde hij Hegels zeer gecompliceerde Wissenschaft der Logik, en sommige commentatoren zijn van mening dat zijn politieke praktijk toen grondig door Hegel beïnvloed en veranderd werd.12 Dat is zeker overdreven, maar uit zijn uitvoerige aantekeningen kunnen we wel opmaken dat die lectuur voor hem allesbehalve vrijblijvend was: hij wilde het wezen van de dialectiek bevatten, en kijken hoe hij er gebruik van kon maken.

Ik laat in het midden of Lenin toen echt iets nieuws leerde, maar het is in elk geval verantwoord om zijn filosofische interesse in verband te brengen met zijn benadering van de historische crisis waarin hij zich bevond. Lenin had geen simpele deterministische maatschappijvisie, hij beeldde zich niet in dat bepaalde sociaal-economische factoren onontkoombaar tot een omwenteling zouden leiden; hij had weinig op met intellectuele rechtlijnigheid en gemakzucht. Theorie was voor hem altijd verbonden met praktijk. Om een doel te bereiken moest je voortdurend strijden, en niet alleen met de vijand en de omstandigheden, maar (daar gaan we weer) ook met jezelf, met je eigen vaste standpunten – dus ook met de identiteit van de partij, met haar neiging om ‘zichzelf te blijven’ en niet te veranderen. Die strijd vereiste altijd een lucide analyse van alle elementen en alle contradicties die in een situatie samen zaten. Uit zo’n analyse konden ongehoorde mogelijkheden tevoorschijn treden, en die moest je aangrijpen. Dat is precies wat Lenin deed in de eerste oorlogsmaanden van 1914 – en hij deed het nog opvallender in de maanden na de Februarirevolutie van 1917. In dat laatste geval zien we hem gedurig evolueren naargelang er zich nieuwe feiten voordoen; hij beseft dat het vrijwel onmogelijk is dat zijn partij de bovenhand haalt, maar hij weet de kansen en de tegenkanting zo te gebruiken dat het toch lukt.

Wat is hier eigenlijk het negatieve? Het is het verloop van de gebeurtenissen zelf. Je mag dat verloop niet laten verlopen, niet laten betijen, je moet het juiste moment en de juiste manier zoeken om erin in te breken en om het om te buigen. Je moet Gods water niet over Gods akker laten lopen, geen genoegen nemen met minderwaardige of minder wenselijke oplossingen.

In diezelfde maanden van 1917 schreef Lenin zijn boek Staat en revolutie, waarin hij droomt over het verdwijnen van de bureaucratische en repressieve staat. Dat doet wat bizar aan in het licht van wat er daarna in de Sovjet-Unie gebeurd is. Blijkbaar koesterde Lenin min of meer de illusie dat de bevolking na de revolutie vrij snel homogeen zou worden, dat de fundamentele contradicties dus uit de maatschappij zouden verdwijnen en dat er uiteindelijk vanzelf overeenstemming zou ontstaan.13 Wellicht was dat de grote zwakheid in zijn denken, want de tegenstellingen verdwijnen niet en er komt geen definitieve eindtoestand; het negatieve verdwijnt nooit, op geen enkel gebied, en het is noodzakelijk erop voorbereid te zijn. De betere wereld is er geen van algehele harmonie. Je mag misschien zeggen dat Lenin bepaalde obstakels niet voldoende serieus nam, en ze daarom gewoon vertrapte. Zou je bijvoorbeeld de ontbinding van de Grondwetgevende Vergadering (januari 1918) niet vanuit dat oogpunt kunnen beschouwen?

Ongetwijfeld zullen sommigen het verband of de parallel tussen de goddeloze bolsjewiek en de mystica dubieus vinden. Laat ik er dan nog kort aan herinneren dat sommige tijdgenoten van Lenin er niet voor terugschrokken om de revolutie in een religieuze zin te interpreteren. Een illuster geval is het verhalende poëem De twaalf (1918) van de symbolistische dichter Alexander Blok.14 Daarin treden twaalf Rode-Gardisten op die door Petrograd lopen; het zijn nogal ongure types, en een van hen is zelfs een moordenaar, hij heeft de prostituee gedood op wie hij verliefd was. Maar wat blijkt? Deze ‘slechte’ mensen zijn eigenlijk twaalf apostelen, die zonder het te beseffen achter een vlag stappen die gedragen wordt door Jezus Christus zelf. Het gedicht suggereert dat Christus profiteert van duistere en destructieve barbaren om een geestelijke wedergeboorte van Rusland teweeg te brengen. Nog een keer, zij het op een heel andere manier: via het negatieve naar het positieve.

Tegen de kitsch

Als we al het voorgaande willen samenbrengen in één beeld, dan dringt zich de graankorrel uit het evangelie op, de graankorrel die in de aarde moet vallen en sterven om vrucht te kunnen dragen: de dood is noodzakelijk om het leven te vinden (Johannes 12:24). Het negatieve verschijnt dan niet alleen als een beproeving zonder meer, maar ook als een soort initiatie, een test die je moet doorstaan om te komen tot eenwording of waarheid. Meer algemeen uitgedrukt, het negatieve, en dus ook het kwaad, heeft een functie. Zoals Paul Claudel het ergens zegt: het kwaad in de wereld is maar een slaaf die het water omhooghaalt uit de put.15 En Hadewijch leert ons dat de roos niet gewoon doornen heeft, maar metten dauwe comt ute den doerne ghegaen: ze rijst door de dauw uit de doorn op (L2).

Ter aanvulling geef ik nog een uiterst radicaal voorbeeld, dat afkomstig is uit een schromelijk onderschat meesterwerk van de Nederlandse literatuur, de roman De tienduizend dingen (1955) van Maria Dermoût. Hier herdenkt een oude Nederlands-Indische vrouw jaarlijks op Allerzielen de mensen die op haar eiland vermoord zijn, onder wie haar eigen zoon. Maar aan het slot is ze in staat om niet alleen over de slachtoffers te rouwen maar ook over de daders: ‘Al de moordenaars omdat die er ook moeten zijn.’16 Nochtans, op het eerste gezicht hebben die moordenaars niets gunstigs teweeggebracht; maar zonder hen had het personage nooit zoveel wijsheid kunnen opbouwen.

Dergelijke opvattingen zijn om meer dan één reden waardevol, in de liefde en daarbuiten. Ze helpen ons inzien dat tegenslag, tegenwerking en zelfs wreedheid niet vreemd zijn aan het leven, geen vreemde lichamen tegenover ons eigen lichaam; bovendien hebben we ze vaak broodnodig om te komen waar we moeten komen. Op een ander vlak leren die opvattingen ons ook dat we nooit moeten blijven hangen in een idee van het Kwaad met hoofdletter; dat idee is sinds het begin van deze eeuw weer in de mode – ik las een poosje geleden zelfs dat in een tv-reeks over de maffia ‘het absolute Kwade’ wordt afgeschilderd, toe maar.17 Maar ook wanneer het etiket slaat op Hitler of IS, is het onbruikbaar, omdat het iets kwaads losmaakt uit zijn context. In plaats van ons op te winden in moralisme en verontwaardiging, kunnen we maar beter nadenken om iets te begrijpen, en dat betekent altijd: het in verband brengen met andere dingen.

In de hierboven belichte passage van Hegel staat ook dat ‘de krachteloze schoonheid’ het verstand haat, omdat ze een afkeer heeft van negativiteit; en Yovel merkt terecht op dat die krachteloze schoonheid, dus het mooie zonder het lelijke (of de flou artistique), een definitie is van kitsch. Ook de definitieve rimpelloze eenheid is kitsch, net als de definitieve utopische overwinning op alle contradicties.

En nog meer: ook de humanistische boodschap van liefde en broederlijkheid die ons sinds de recente aanslagen in Europa soms wordt voorgehouden, behoort tot de kitsch. De makers van het door Hadewijch geïnspireerde multimediaproject Revelations18 zochten – uit actualiseringsdrang? – een verwantschap tussen de mystica en Mohamed El Bachiri, die met zijn ‘jihad van liefde’ veel media-aandacht gekregen heeft19; in de programmaflyer is sprake van ‘treffende gelijkenissen’ en van beider ‘keuze voor wat mensen verbindt’. Maar ik denk dat Hadewijch weinig te maken heeft met zo’n algemeen menselijke identiteit, die helaas een identiteit blijft – makkelijk aan te voelen, maar imaginair en star. El Bachiri’s boekje verdient (zoals zijn eerdere videotoespraak) respect als persoonlijk document, maar het zit boordevol clichés, mijdt elke vorm van analyse en miskent politieke en sociale tegenstellingen; het praat aan het negatieve voorbij. Daarom is het ongeschikt om mensen in het reine te helpen komen met terreur, en niet toevallig ligt steeds weer de nadruk op het ‘ontroerende’ karakter ervan (voor ‘miljoenen’!): de receptie blijft puur sentimenteel.

De schoonheid van Hadewijchs werk is een krachtige schoonheid, met gevaarlijke stekels en haken en ogen, een schoonheid die nergens voor terugdeinst, een schoonheid die trots gaat op haar ontwrichte heup. En haar teksten vormen geen dood cultureel erfgoed. Ze gaan niet zoet naar binnen, maar ze voeden ons denken – en ons verzet tegen het leven zoals het meestal is en niet zou mogen zijn.

Dit is de enigszins bewerkte tekst van een lezing die ik op 27 april 2017 hield in de Koninklijke Academie voor Taal- en Letterkunde te Gent, in het kader van een Hadewijch-festival. Frank Willaert bood me deze gelegenheid tot spreken, en ik dank hem daarvoor.

Footnotes

  1. Gerrit Komrij, De Nederlandse poëzie van de twaalfde tot en met de zestiende eeuw in duizend en enige bladzijden, Bert Bakker, Amsterdam, 1994, pp. 47-49.
  2. Ik verwijs naar Hadewijchs Brieven en Liederen met de afkortingen B en L, gevolgd door het nummer. (B30 is dus: dertigste brief.) De gebruikte uitgaven zijn: Paul Mommaers, De brieven van Hadewijch, Altiora, Averbode / Kok, Kampen, 1990, en Hadewijch, Liederen, editie en vertaling Veerle Fraeters en Frank Willaert, Historische Uitgeverij, Groningen, 2009. De vertalingen zijn soms heel licht aangepast.
  3. Komrij, op. cit., p. 70.
  4. Alain Badiou (met Nicolas Truong), Éloge de l’amour, Flammarion, Parijs, 2009. Er bestaat een Nederlandse uitgave: Ode aan de liefde, vert. Ype de Boer en Robert Vinkesteijn, Parrèsia, Amsterdam, 2016.
  5. Paul Verdeyen, Willem van Saint-Thierry en de liefde. Eerste mysticus van de Lage Landen, Davidsfonds, Leuven, 2001, p. 67-69.
  6. Id., p. 99.
  7. Georg Wilhelm Friedrich Hegel, Fenomenologie van de geest, vert. Willem Visser, Boom, Amsterdam, 2013, p. 62.
  8. Hegel, op. cit., p. 28-29. Alternatieve versie in: Hegel, Het wetenschappelijke kennen: Voorwoord tot de ‘Fenomenologie van de geest’, vert. Peter Jonkers, Boom, Meppel/Amsterdam, 1978.
  9. Hegel, Hegel’s Preface tot the ‘Phenomenology of Spirit’, vert. en commentaar Yirmiyahu Yovel, Princeton University Press, Princeton/Oxford, 2005, p. 128-129.
  10. Arnold Schönberg, ‘Aphorismen’, in Die Musik, 9, 1909-1910. Zie https://miro-niklewicz-art.eu/credo/. Een deel van de hier behandelde passage uit Hegel fungeert als motto in de beroemde debuutbundel van Yves Bonnefoy, Du mouvement et de l’immobilité de Douve (1953); ook in dit boek is de erkenning van de dood voorwaarde voor en doorgang naar het leven. Zie Bonnefoy, Poèmes, Gallimard, Parijs, 1982, en in het Nederlands: Over de beweging en roerloosheid van Douve, vert. Jan H. Mysjkin, Poëziecentrum, Gent, 1999.
  11. Lars T. Lih, ‘“The New Era of War and Revolution”: Lenin, Kautsky, Hegel and the Outbreak of World War I’, in Alexander Anievas (red.), Cataclysm 1914: The First World War and the Making of Modern World Politics, Haymarket Books, Chicago, 2016 (2015), p. 394 e.v
  12. Kevin Anderson, Lenin, Hegel, and Western Marxism, University of Illinois Press, Urbana/ Chicago, 1995; zie ook de bijdragen van Étienne Balibar en Stathis Kouvelakis in Sebastian Budgen e.a. (red.), Lenin Reloaded: Toward a Politics of Truth, Duke University Press, Durham/Londen, 2007 (waarvan Franse versies te vinden zijn op http://revueperiode.net/le-moment-philosophique-determine-par-la-guerre-dans-la-politique-lenine-1914-1916/ en http://revueperiode.net/lenine-lecteur-de-hegel/). Voor een stevige kritiek op die teksten, zie Lih, op. cit.
  13. Daniel Bensaïd, ‘“Les sauts! Les sauts! Les sauts!’: Lénine et la politique” (2002), in Bensaïd, La politique comme art stratégique, Syllepse, Paris, 2011, p. 46.
  14. Engelse vertaling (door Maria Carlson) met commentaar, zie http://russiasgreatwar.org/docs/twelve_notes.pdf.
  15. Paul Claudel, Théâtre I, Gallimard (Pléiade), Parijs, 2011, p. 648.
  16. Maria Dermoût, De tienduizend dingen, Querido, Amsterdam, 199810, p. 243.
  17. De Standaard, 1-2 oktober 2016.
  18. Revelations van Wouter Van Looy, Wim Henderickx, Kurt d’Haeseleer & Muziektheater Transparant ging op 21 april 2017 in première in deSingel, Antwerpen.
  19. Mohamed El Bachiri, ‘Mijn jihad van de liefde’ (toespraak). Zie, https://radio1.be/mijn-jihad-van-de-liefde, en Een jihad van liefde (opgetekend door David Van Reybrouck), De Bezige Bij, Amsterdam/Antwerpen, 2017.