Artikel

Links-populisme voorbij ‘identiteit’

Anton Jäger

— 13 juni 2018

Terwijl het rechts-populisme de Europese gemoederen blijft beroeren, tracht ook links zijn populisme te boetseren. Anton Jäger raadt een bezoekje aan het Amerikaanse, minder op identiteit georiënteerde populisme, aan.

Chantal Mouffe en Iñigo Errejón (Podemos). Twee bekende figuren van het Europese populisme.
Foto: Margarita Solé/ Ministerio de Cultura de la Nación.

Het populisme blijft onze politieke actualiteit bestoken. Van Parijs tot Madrid, van Londen tot Den Haag, van Athene tot Berlijn – het is ontzettend moeilijk om aan de verleiding te weerstaan ons tijdperk te karakteriseren als dat van een ‘populistische explosie’, zoals de Amerikaanse journalist John B. Judis onlangs stelde. Men zou zich de vraag kunnen stellen wie er vandaag de dag niet als populist geldt: Raoul Hedebouw, Jesse Klaver, Viktor Orban, Jeremy Corbyn, Alexis Tsipras – het lijstje is ellenlang en praktisch eindeloos.
Al te vaak echter lijkt die populistische tendens een exclusief rechtse aangelegenheid – denk aan Ruttes ‘goede’ populisme, Wilders, Orban. Nochtans heeft het populisme de laatste jaren ook ter linkerzijde aan populariteit gewonnen. Voor verscheidene Franse, Spaanse en Griekse politieke actoren, vaak geïnspireerd door het werk van de Argentijnse theoreticus Ernesto Laclau, is het populisme de enige basis voor een nieuwe emancipatoire politiek. Het is volgens hen ook de enige manier om te ontkomen aan de onvermijdelijke collaps van de Europese sociaaldemocratie, die in vele landen steeds enthousiaster met de kiesdrempel begint te flirten.

De argumenten voor dergelijk links-populisme zijn bekend. Juist omdat het links-populisme in staat is om enkele aloude tweedelingen te overstijgen – links en rechts, nationaal en globaal, cultureel en economisch – lijkt het ook de enige manier om links weer een uitzicht te bieden op de populaire soevereiniteit. Door politieke actoren als links-populisten te typeren (Bernie Sanders, Jeremy Corbyn, Alexis Tsipras en Pablo Iglesias), die allemaal de tweedeling volk en elite lijken te delen. Dat linkse-populisme, hoewel het weifelachtig staat tegenover klassenvertogen, is natuurlijk een stuk universeler dan het rechts-populisme. Het tracht verspreide groepen in de samenleving onder de moraal van een algemene deler te plaatsen, tegenover een strategische tegenpool, een vijand die de onderlinge kruispunten die kriskras door die groepen lopen uitgomt. In plaats van het over arbeiders te hebben heeft het links-populisme het over de underdog, de loebas, dé mensen, het kleine volk enz.

Links-populisme en identiteit

Het zou echter misleidend zijn om te denken dat een dergelijk nieuw universalisme een radicale verwerping van het identiteitsconcept inhoudt. In tegendeel: het hedendaagse links populisme neemt in het geheim zelfs gretig deel aan een zekere identitaire tendens, zoals Amerikaanse filosofe Jodi Dean recent opmerkte. “De interessantste eigenschap van het hedendaagse links populisme”, zo stelt ze, “is diens voortdurende omhelzing van de notie identiteit met de nadruk op het boetseren van een populaire identiteit”. Indien politiek wordt opgevat als het construeren van die identiteit door het gebruik van een ‘snoer van equivalenties’, dan bevinden we ons nog altijd in identitaire wateren. Volgens Dean ligt daar ook net het probleem met dat links-populisme – “De laatste twintig jaar”, zo stelt ze, “hebben de ontegenzeggelijke uitputting van het concept identiteit ten volle aangeduid”.

Het hedendaagse links populisme neemt in het geheim gretig deel aan een zekere identitaire tendens.

En daarin lijkt het links-populisme volgens haar ook een interessante overlapping te delen met dat vermaledijde rechts-populisme. Beiden trachten op een specifieke wijze voorbij een politiek der belangenverdediging te gaan, zo stelt ze (klassiek: liberalen voor burgers, socialisten voor arbeiders) en oriënteren zich op het construeren van ‘collectiviteiten’. In plaats van zich blind te staren op een afwezige arbeidersklasse, wier bewustzijn in de huidige economie toch fataal versnipperd is, probeert het uit de verstrooide restanten van het sociale na het neoliberalisme, een nieuw subject te kneden. Het links-populisme zet zich net zoals het rechts-populisme, bovendien af tegen een zekere vorm van minderheidspolitiek, die zich vroeger uitte in vormen van multiculturalisme of mondialisme. In plaats van minderheden als moslims, zwarten, of LGBTQ+ met hun specifieke belangen en interesses als afzonderlijke pressiegroepen te mobiliseren, zoekt het eerder naar een symbolisch schakelpunt waarbij al deze groepen hun particuliere eigenschappen terzijde schuiven en zich indopen in een gezamenlijke identiteit (het volk, om een typisch concept te gebruiken). In plaats van het concept identiteit exclusief voor te behouden aan minderheidsgroepen, probeert het links-populisme te verwerpen noch te recupereren; eerder rekt het zich uit tot een breder conceptueel vangnet, waarbij het ‘narcisme der kleine verschillen’ wordt opgelost. Maar waarom dan kan men zich afvragen, nog steeds die concentratie op identiteit, en waarom blijkt dat concept vandaag zo onontbeerlijk voor enig emancipatorisch project ter linkerzijde?

Populistisch-technocratisch monsterverbond

De aantrekkingskracht van dergelijke identitaire strategie verklaren kan moeilijk zonder een bredere historische kijk. Het feit dat wij maar recent over politiek zijn gaan nadenken in termen van identiteit, en waarom wij populisme vandaag als een vorm van anti-particuliere identiteitspolitiek zien, is een gegeven dat voortkomt uit bredere verschuivingen binnen het westerse politieke landschap in de laatste 30 à 40 jaar. Dat verklaart in zekere zin ook het vreemde huwelijk dat het zogenaamde populisme aangaat met zijn gedoodverfde vijand van vandaag – de technocratie. Vaak wordt aangenomen dat beide stromingen – populisme en technocratie – vijanden zouden zijn tot op het sterfbed, tendensen die zich laten mengen zoals water en olie. Als we echter een blik werpen op het hedendaagse politieke schouwspel, lijkt een huwelijk tussen populisten en technocraten een stuk minder omstreden.

Bernie Sanders bijeenkomst in Portland, Oregon, 2015.
Foto: Benjamin Kerensa

Populisme en technocratie lijken daarin zelf een bevreemde complementariteit te bezitten, als twee vijandige broers die, ondanks hun occasionele meningsverschillen, toch een primaire bloedverwantschap delen. Die tendens manifesteert zich op verscheidene manieren. Ten eerste merken we op dat de toenemende vraag om directe inspraak, de constante vraag naar een participatieve politiek, referenda, burgerraden, gedemocratiseerde partijmechanismen enzovoort, gepaard is gegaan met een steeds driestere isolatie van vele statelijke beslissingsniveaus, zowel op het Europese als op het nationale niveau. Voorbeelden zijn troef. Terwijl de Eurogroep – wiens samenkomsten gehouden worden in absolute geheimhouding en onder mediatieke zwijgplicht – een van de eerste besparingsmemoranda voor Griekenland ondertekende, werd er in Brussel een samenkomst gehouden van de G1000, die een lijst aan beleidsadviezen gaf aan het Belgische regering. Bijna acht jaar later worden diezelfde ‘participatieve’ technieken toegepast in de Europese Commissie (waarvoor David Van Reybrouck, de organisator van een burgerinitiatief, zichzelf op de borst klopte) onder curatele van Jean-Claude Juncker, om een van de meest antidemocratische instituten van de Unie een pseudo-democratisch elan aan te meten. Populisme en technocratie behoren hier, of ze het willen of niet, tot eenzelfde familie.
Dat populistisch-technocratisch monsterverbond gaat eigenlijk al een tijd mee – alvast langer dan wordt aangenomen in de vele recente besprekingen over het ‘p-woord’. Reeds in 1997 bijvoorbeeld, riep de toenmalige minister Marc Verwilghen naar aanleiding van de zaak-Dutroux op tot een ‘directe’ invloed van het volk op de rechtspraak. Hij stelde toen dat iedereen de kans moest krijgen om het toenmalige proces Dutroux rechtstreeks op zijn televisietoestel te volgen, zodat het doen en laten van de juridische diensten publiekelijk zichtbaar zou zijn – iets wat hij toen een onvervalst staaltje van directe democratie noemde, terwijl tegenstanders het als een ‘populistische’ dwaling afdeden.

Maar de eigenlijke implicaties van Verwilghens voorstel tonen ook de eigenaardige gevolgen van dat nieuwe populisme. Het feit dat de maatschappij live de handelingen van het rechtsapparaat kan volgen betekent nog niet dat zij meer invloed heeft op wat er gebeurt in datzelfde rechtsapparaat. Eerder ontstaat er een acuut gevoel van machteloosheid: alles neemt direct voor onze ogen plaats, maar we hebben er niet de minste zeggenschap over. Die valselijke transparantie – die vandaag als democratisch wordt verkocht – toont nogmaals de povere mogelijkheden van het populisme. Hoewel het wordt voorgesteld als ultieme remedie voor onze democratische malaise, is het er in feite volop deelachtig aan.

Populisme en mediacratie

Bovenal toont de zaak Verwilghen de dramatische verantwoordelijkheid van een bepaalde entiteit in die populistische ontkoppeling: de media. Die verantwoordelijkheid is er niet plots gekomen. Het is bekend dat in de jaren 1980 en 1990 het aantal partijleden in alle Europese landen drastisch daalde. Tegelijkertijd stuikten in vele Europese landen de klassieke instituten van het middenveld in elkaar: kerken, wijkclubs, politieke partijen, pressiegroepen. Op den duur dwong dat politici te ‘regeren over de leegte’, zoals de Ierse politicoloog Peter Mair dat omschreef. Tezamen met de gestage isolatie van het Europese machtsniveau, die nationale politici de kans bood om zich zonder tegenspraak met beleidskwesties bezig te houden, ontstond de beruchte kloof tussen burger en politiek – een term die de laatste twintig jaar een oorverdovende dooddoener is geworden.
En in die zogenaamde ‘representatieve leemte’ die tussen de burger en de politiek is gegroeid, zou één instantie instaan voor een directe inspraak op het staatsbestel: de media. Als zogenaamde “vierde onmacht” (Frank Thevissen) staan zij nu moederziel alleen in voor de verloren interactie tussen burger en politiek. Nadat deze in de jaren tachtig ook al hun ideologische veren hadden afgeschud en het commerciële medialandschap ook voor alternatieve spelers werd opengegooid (VTM kreeg nota bene in 1989 zijn licentie), namen zij de taak op om op de ruïnes van de ontzuiling een nieuwe volksverbondenheid op te bouwen.

Bernie Sanders heeft zich regelmatig opgeworpen als de verdediger van een Amerikaanse arbeidersklasse, in een betoog dat niet zelden als links-populistisch getypeerd wordt.

Dat zou voor een ontzuilde pers ook veel gemakkelijker lopen. Want gezien zij een aanzienlijk kleiner aantal fondsen uit de partijkas ontvangen en dus ook geen rekenschap moeten afleggen aan een partijlijn, is hun flexibiliteit een stuk groter. Bovendien zouden ze ook meer ruimte hebben om nieuwe stemmen een platform te gunnen, die anders bij geen partijraden of zuilen terecht konden. Maar helaas – zoals de zaak Verwilghen al voorbeeldig aangaf – is het onwaarschijnlijk dat de media deze rol ooit succesvol zal kunnen spelen. Enerzijds omdat hun marktafhankelijkheid nog steeds aanzienlijk is, en ze ook in competitie met een beeldcultuur opereren. Anderzijds omdat ze afhankelijker werden van het politieke bedrijf zelf. Dat diende op hun wijsheden te vertrouwen voor het vergaren van peilingen over de wensen van ‘het publiek’ – dat spookachtig wezen waarover de laatste twintig jaar zoveel is gepeild en gemeten, een te ontcijferen zwarte doos na een liberale vliegtuigcrash (brexit, Trump, Orban). In zeker opzicht lijkt het hedendaags links-populisme dus aan de valstrik van het identiteitsdenken te ontkomen.

Het populisme voorbij de identiteit: een Amerikaans alternatief?

Die diagnose roept misschien een bedroevende vraag op. Is het vandaag nog mogelijk om zich een populisme in te denken dat voorbij de identiteit gaat? Misschien. In de Verenigde Staten is een dergelijke associatie tussen populisme en klasse alvast een stuk minder omstreden. Een figuur als Bernie Sanders bijvoorbeeld, heeft zich regelmatig opgeworpen als de verdediger van een Amerikaanse arbeidersklasse, in een betoog dat niet zelden als links-populistisch getypeerd wordt door plaatselijke journalisten. Sanders, zo stellen ze, schrijft zich met zijn betoog in een eerbiedwaardige traditie in die er altijd heeft op gestaan dat volkssoevereiniteit betekenisloos zal blijven zonder economische soevereiniteit – het volk is daarbij een economische en niet exclusief een culturele, moraliserende of retorische categorie, die in de hoofden van spindoctors met hun statistische wichelroedes wordt uitgedacht. Het portret dat het parlementair bureau van Sanders in Washington siert bijvoorbeeld, is dat van Eugene V. Debs, een van de stichters van de American Socialist Party in de vroege jaren 1900. Hij was ook een van de meest fervente radicalen van de Amerikaanse twintigste eeuw.

De persoonlijke geschiedenis van Debs legt op een duidelijke wijze die bijzondere verhouding tussen populisme, klasse en economie in een Amerikaanse context aan de dag. In de jaren 1890, bijvoorbeeld, werd Debs herhaaldelijk voorgedragen als potentiële presidentskandidaat voor de People’s Party – de formatie waaraan de geschiedenis de aanduiding ‘populisme’ te danken heeft (in 1892 om precies te zijn). De People’s Party was de derde grootste partij in de Amerikaanse geschiedenis, de enige die ooit een reëel vooruitzicht bezat op een verbrijzeling van het aloude partijstelsel, en ook de partij die het grootste aantal zwarte leden telden binnen haar dochterorganisaties (“1,2 miljoen zwarte leden”, zoals een leider van de zwarte Populisten glunderde). Hun succes had, zoals we gezien hebben, alles te danken aan hun vastberadenheid om in het zuiden en in het westen zwarte en blanke arbeiders te mobiliseren voorbij hun raciale scheiding en tegen hun gezamenlijke economische onderdrukking. Dat deden ze op verschillende manieren. Populisten zetten zich af tegen de bestaande lynchwetten, bepleitten een algemene herverdeling van de landbouwgrond en een gedemocratiseerd muntbeleid.

Het dividend van deze tactiek was verre van verwaarloosbaar. In 1892 bijvoorbeeld, ging de populistische kandidaat Thomas E. Watson campagne voeren in het rurale Georgia, om kiezers te overhalen hun stem uit te brengen voor de derde partij (Watson zou later, lang na de populistische nederlaag, een tragische rol vervullen in de racistische renaissance die het hele Zuiden in het begin van de jaren 1900 teisterde, en die vele zuidelijke burgers toen de noordelijke steden injoeg. In 1892 echter was Watsons rabiate racisme nog ver te zoeken). Hij deed toen de volgende oproep aan zijn zwarte en blanke kiezers:

“Laten we veronderstellen dat een gekleurde man zal stemmen zoals zijn materiële belangen dat dicteren; en veronderstellen dat de toevallige verdeling van het kleurenverschil in het zuiden geen mogelijk onderscheid zal maken voor de belangen van boeren, pachters en arbeiders; veronderstel dat na uitgebreid en eerlijk overleg we erop kunnen vertrouwen dat mensen weten waar hun belangen zullen liggen – en zo komen we tot de conclusie dat de zuidelijke rassenkwestie door de People’s Party kan opgelost worden met het simpele voorstel dat beide rassen door hun eigenbelang geleid zullen kiezen voor wat hen ten goede komt, wanneer de zaak zo aan hun wordt voorgesteld dat ze niet meer gehinderd worden door de bittere partijtwisten uit het verleden.”

Eugene v Debs.
Foto: wikimedia commons

Watsons antiracisme was geenszins gebaseerd op wat men vandaag gemakzuchtig als een ‘identiteitsnotie’ zou afdoen. Zoals Judith Stein, een van de meest gefêteerde historici van het negentiende-eeuwse populisme, het omschreef:

Een ‘gemeenschap van belangen’ was van opperste belang voor de Populistische wereldvisie. Dergelijke visie schreef voor dat zwarten en blanken/witten allebei onderdrukt werden, en ze beloofden de rassenlijn in het zuiden ten volle uit te gommen. Zoals de leider van de Colored Farmers Alliance (‘Gekleurde boerenbond’) het zich voorstelde, “is er in het zuiden geen wet die goed is voor de arbeider die de zwarte zuiderling nog het best zou uitkomen”.

Zij die heden ten dage graag een links-populisme uitdragen hebben niet weinig baat bij dergelijke waarschuwing. Zoals Steins eigen anti-geschiedenis aantoont, is het huidige verstandshuwelijk tussen populisme, technocratie en identiteit niet onvermijdelijk. In de late negentiende eeuw was een dergelijk huwelijk vooral een reactionair voorrecht, het voorrecht van een reactionaire klasse die blanke zuiderlingen een wit identiteitscomplex wilde aanpraten, vooral om hun uitbuiting te verdonkeremanen. Wat men vandaag populisme noemt heeft wel degelijk een veel complexere geschiedenis dan dat van een zoveelste identiteitspolitiek te midden van alle anderen. We dienen harder na te denken over hoe wij in deze eenrichtingsstraat terecht zijn gekomen, en ons de vraag stellen waar er ooit een foute afslag is genomen. Anders komt er nooit ofte nimmer een einde aan die populistische nachtmerrie, waarover men maar niet wil over zwijgen.