Artikel

Italië, de favoriete post-democratie van The Economist

David Broder

—31 maart 2022

PDF-versie

De huidige Italiaanse politiek wordt gedomineerd door de instabiliteit van een neoliberaal herstructureringsproject dat voortdurend rechtse radicalisering aandrijft.

Afgelopen december riep The Economist Italië uit tot het land van 2021 — niet vanwege zijn voetbalprestaties of succes tijdens het Eurovisiesongfestival, maar omdat zijn politici Mario Draghi tot premier hadden benoemd. “Zwak bestuur had de Italianen in 2019 armer gemaakt dan in 2000”, concludeerde deEconomist. “Toch is Italië dit jaar veranderd.”1 De lofbetuiging weerspiegelde de bewoordingen waarin internationale media afgelopen februari de benoeming van de voormalige chef van de Europese Centrale Bank tot premier onthaalden. Net zoals Draghi “de euro had gered”, beweerde het Britse liberale dagblad The Guardian, zou “Super Mario” — die geen expliciet programma aanbood — “alles doen wat nodig is” om “Italië te redden”.2

Dit verhaal, dat werd verspreid door de centra van het liberaal-Europeanisme in Italië zoals La Repubblica, overheerste alle berichtgeving. In tegenstelling tot de doorgaans chaotische Italiaanse politiek en de eeuwige populistische opstanden — zo luidde het verhaal — had beroepstechnocraat Draghi, vrij van “politieke” kleur, de “ervaring en geloofwaardigheid” om Italië te veranderen. Bijna alle mainstream media schetsten een situatie waarin alleen de benoeming van een beroepstechnocraat die de bevoegdheden krijgt om het gebruikelijke spel van de partijpolitiek te omzeilen, het vertrouwen van de markten kan veiligstellen en de Europese herstelfondsen efficiënt kan sturen. Hoewel Draghi uitdrukkelijk heeft afgezien van deelname aan de volgende algemene verkiezingen van juni 2023, wordt algemeen verwacht dat hij een sleutelrol in de regering zal blijven spelen.

Van het weekblad dat Lenin “een spreekbuis voor Britse miljonairs” noemde — en dat in de jaren tachtig meer dan warm liep voor het experiment à la Friedman in het Chili van Augusto Pinochet — viel te verwachten dat het die bloedeloze technocratische overname zou toejuichen. Zoals de fans van Draghi altijd benadrukken worden Italiaanse premiers toch nooit rechtstreeks door de bevolking gekozen. Maar het bestuur van Draghi is vanuit historisch perspectief zelfs in die zin ongewoon. Hij heeft nooit een verkozen ambt bekleed, behoort tot geen enkele partij en geeft niet openlijk toe een politieke mening te hebben.3 Aangezien zijn partijoverstijgende regering het hele spectrum van centrumlinks tot extreemrechts bestrijkt, heeft de keuze van de kiezers geen invloed gehad op de samenstelling ervan. Zelfs pogingen om steun te verwerven voor vorige technocratische regeringen berustten niet in die mate enkel op het gezag van één leider.

Deze situatie is echter niet ongezien, al was het maar omdat zulke regelingen sinds de jaren negentig almaar meer gebruikelijk zijn geworden in een land dat niet langer gedomineerd wordt door massapartijen. De regering die in 2011 door Mario Monti van Goldman Sachs werd gevormd — een kabinet van niet-verkozen technocraten, gebaseerd op een grote coalitie in het parlement — werd door dezelfde media in soortgelijke bewoordingen bejubeld. Aanvankelijk genoot Monti meer dan 80 procent steun in de opiniepeilingen die zijn benoeming moesten legitimeren, maar zijn pas opgerichte partij behaalde bij de parlementsverkiezingen van 2013 niet meer dan een bedroevende 10 procent. Zijn bezuinigingsprogramma, versierd met een aura van “expertise” en “slecht smakende medicijn”, heeft Italië alleen maar dieper doen wegzakken in de al bestaande spiraal van lage investeringen, een dalend bruto binnenlands product en een stijgende overheidsschuld.

De Italiaanse Communistische Partij, de PCI, telde van 1946 tot 1994 tussen de 1,5 en 2,2 miljoen leden.

Toen Monti tien jaar geleden tot premier werd benoemd, was het regeringsprogramma expliciet: “een reeks ‘hervormingen’, uiteengezet in een brief van de Europese Centrale Bank en mede ondertekend door ene Mario Draghi”. Nu die laatste zelf in de politieke arena zijn opwachting heeft gemaakt, is het zelfs niet nodig gebleken zijn agenda te verduidelijken. De voordracht van Draghi voor de post van eerste minister had minder te maken met zijn regeringsagenda dan met zijn rol als symbool van institutionele macht en garantie tegen de bekrompen besognes van de partijpolitiek. Beroep doen op een held slash deskundige die in staat is het “vertrouwen van de markt” te winnen, is dus een volgende stap in de verdere uitwissing van de democratische keuze — maar wel een stap die wortelt in drie decennia van soortgelijke herstelpogingen en de mislukkingen daarvan.

De offers van vandaag, en nog meer van morgen

Noch uit het COVID-sterftecijfer van Italië, noch uit de economische prestaties van het land (de groeicijfers van 2021 waren lager dan de daling van 2020) blijkt dat Draghi‘s zogeheten “regering van de besten” haar pretenties net zo min waarmaakt als haar voorgangers. Sinds het begin van de jaren negentig heeft een reeks vergelijkbare technocratische regeringen, die — ongehinderd door de verkiezingsstrijd — konden besturen, de Europese kruistocht gevoerd om van Italië een “normaal land” te maken.

Dit is niet alleen een van buitenaf opgelegd gegeven — tenslotte hebben de Italiaanse elites sinds de eenwording vaak hun binnenlandse agenda’s gepresenteerd als een poging om meer geslaagde modellen in het buitenland “in te halen”. In de aanloop naar de toetreding van Italië tot de eurozone benadrukte Monti de voordelen van de “externe binding” die de munt bood, en benadrukte dat het economisch beleid daardoor “meer afgeschermd” zou zijn “van het verkiezingsproces”, waardoor “Europa de belangen van Italië zou kunnen dienen, zelfs tegen zijn eigen wil”.4 In die jaren was het ook wat makkelijker om de kiezers ervan te overtuigen dat de offers van vandaag de weg vrijmaakten voor toekomstige beloningen. In zijn succesvolle verkiezingscampagne van 1996 hield de centrist Romano Prodi namelijk vol dat “we met de euro een dag minder zullen werken, en verdienen alsof we een dag meer zouden werken”. De massale privatiseringen en bezuinigingen van zijn regering waren naast andere voldoende om de Italiaanse financiën voor te bereiden op het lidmaatschap van de eurozone. Toch werken de meeste Italianen een kwart eeuw later meer en verdienen ze minder.

In één beperkte zin is het neoliberaal-Europeanistisch project een succes geweest. De regering heeft immers haar daadwerkelijke hegemonie op economisch-politiek gebied behouden, ondanks haar ernstige electorale tegenslagen en ondanks het feit dat zij er niet in is geslaagd de levenskwaliteit van de meeste Italianen te verbeteren. Haar belangrijkste incarnatie, de in 2008 opgerichte Democratische Partij, verenigt de meeste politieke beroepsmedewerkers en intellectuelen van de dominante partijen uit het Italië van de Koude Oorlog (van communisten tot christendemocraten), maar is veel minder populair dan de Communistische Partij vóór ze in 1991 uiteenviel. De Democratische Partij scoorde 18 procent in de algemene verkiezingen van 2018 en zal bij de volgende algemene verkiezingen waarschijnlijk niet ver boven de 20 procent uitkomen. Niettemin is zij het dichtst in de buurt gebleven van een “natuurlijke regeringspartij”, vooral gezien haar strenge houding tegenover de partijen die zij “onverantwoordelijke populisten” noemt en die volgens haar minder gehecht zijn aan het Europese project als regeringsideaal.

Hoewel liberalen rechts vaak bekritiseren omdat het de positie van Italië in de eurozone bedreigt — in de aanloop naar de verkiezingen van 2018 werden er opruiende maar ongefundeerde uitspraken gedaan over een dreigende “italexit” — toch hebben zelfs zogenaamde partijen die voorstander zijn van “soevereinisme”5 geen interesse in een splitsing die het spaargeld van de kiezers uit de middenklasse zou kunnen decimeren en de zakelijke belangen die in de Duitse toeleveringsketens zijn verweven, zou kunnen verstoren. De euroscepsis van krachten als Silvio Berlusconi’s Forza Italia of de verschillende versies van de Lega Nord (tegenwoordig kortweg “Lega”, nu de noordelijke-regionalistische dimensie is afgezwakt) is zo onsamenhangend dat zelfs zij achter Draghi’s karretje lopen in de hoop fondsen te verkrijgen voor hun cliënten. De Broeders van Italië van Giorgia Meloni, de enige grote oppositiepartij in het parlement, uit vaak harde kritiek op immigratie en EU-commissarissen. Maar deze “postfascistische” partij is resoluut voorstander van het Europese project en houdt zelfs vanuit de oppositie vast aan haar eigen “constructieve” benadering van Draghi.

De Italiaanse politiek wordt vaak afgeschilderd als van nature onstabiel; Draghi’s regering is immers de 66e sinds de Tweede Wereldoorlog en buitenlandse correspondenten beroepen zich, net als binnenlandse “antipopulisten”, graag op het het oude Rome met zijn “brood en spelen” ter illustratie van het gevaar van demagogie, die het land naar chaos leidt. Maar het betere vergelijkingspunt is het meer recente verleden — dat wil zeggen, de kracht van de democratie die in de periode na de Tweede Wereldoorlog bestond, en hoe doeltreffend zij is bedwongen. Als de Italiaanse politiek van de jaren 1900 en 1910 bekend stond om zijn trasformismo — het systeem waarbij een elitair parlementair kartel potentiële oppositie coöpteerde en integreerde volgens het motto “veranderen om hetzelfde te blijven” — dan komt dit in het heden nog schrijnender naar voren, gezien de teloorgang van de massapartijen en de eens zo solide, op klasse gebaseerde electorale coalities waarin zij waren verankerd.

De Vijfsterrenbeweging, die nauwelijks een programma had en “politieke ideologie” afwees, werd de zuiverste uitdrukking van parlementair opportunisme.

In de halve eeuw van 1946 tot 1994 was elke Italiaanse regering verenigd rond de christendemocratische massapartij, met als voornaamste oppositie de Italiaanse Communistische Partij, de PCI, met tussen de 1,5 en 2,2 miljoen leden. Geen enkele partij heeft tegenwoordig nog maar een vijfde van dat ledenaantal, en weinigen doen meer dan enkel gaan stemmen tijdens de voorverkiezingen. De onrust die volgde op de implosie van de naoorlogse orde, die zelfs vandaag nog voortduurt, heeft het Italiaanse politieke leven zowel oppervlakkig rumoeriger en meer antagonistisch gemaakt, maar ook fundamenteel banaler en minder opgebouwd rond alternatieve projecten voor de samenleving.

Vijfsterrenmislukking

Dit wordt het duidelijkst geïllustreerd in het traject dat de Vijfsterrenbeweging (M5S) heeft afgelegd en die momenteel de steun en toeverlaat is van de regering Draghi in het parlement. Die houding lijkt veraf te staan van haar opstandige oorsprong. Toen de beweging in de jaren 1990-2000 geconfronteerd werd met de ineenstorting van het oude Links, toen de voormalige Communistische Partij een liberaal-Europese partij werd, naast de schaamteloze corruptie van Silvio Berlusconi’s rechtse Forza Italia, kwam Beppe Grillo door zijn boze beschuldiging dat “de partijen allemaal dezelfde” zijn, van de ene dag op de andere in de schijnwerpers te staan. Zijn M5S, die hij samen met internetondernemer Gianroberto Casaleggio had opgericht, presenteerde zich als een middel om “alle politici eruit te gooien” en de republiek opnieuw op te richten op basis van een directe democratie.

De financiële crisis van 2008, gevolgd door bezuinigingen en grote coalitieregeringen die centrumlinks en centrumrechts verenigden, gaf de in 2009 opgerichte M5S de kans om het politieke moment te benutten. Bij de algemene verkiezingen van 2013 bereikte M5S een baanbrekende score van 25 procent, en deed in 2018 nog beter met 32 procent. Maar terwijl die tegen “partijpolitiek” gekante “beweging” in haar beginjaren alle coalities afwees, is zij nu het meest klassieke voorbeeld geworden van “transformisme” (trasformismo), dat Italianen gewetenloos parlementair opportunisme noemen. De voorbije vier jaar heeft de M5S eerst geregeerd met de extreemrechtse Lega, daarna met de Democraten, en nu met beide (plus Berlusconi) onder leiding van Draghi.

M5S, die niets moet weten van vertegenwoordiging en de directe democratie via online stemmen aanbidt, heeft een klassieke Bonapartistische structuur voortgebracht waarin een handvol niet af te zetten leiders de passieve instemming van de basis via interne referenda veiligstelden. Bij gebrek aan een programma en door de afwijzing van elke “politieke ideologie” — en door het uitroeien van al haar geatomiseerde aanhangers die wel degelijk politieke kritiek uitten — werd M5S de zuiverste uitdrukking van parlementair opportunisme, waarbij zij zich voortdurend achter de waan van de dag schaarde, alleen maar om de dreiging van vervroegde verkiezingen af te wenden. Door hun goedkeuring te geven aan de programma’s van Salvini en vervolgens van Draghi, scoort ze momenteel minder dan 15 procent, een daling met meer dan de helft sinds 2018.

Bij die algemene verkiezingen vier jaar geleden viel M5S op door de sociale samenstelling van zijn electorale coalitie: ze bracht het grootste aantal voormalige communistische kiezers samen (en behaalde bij hen 35 procent, ondanks hun onevenredig ouder leeftijdsprofiel),6 evenals 57 procent van de werklozen en 43 procent van de arbeiders.7 Ook in de armere zuidelijke regio’s van Italië behaalde ze absolute meerderheden. Maar als dit dus een indirecte “klassenstem” was, vooral gezien de belofte van M5S voor een “burgerinkomen” (in de praktijk een uitkering voor actieve werkzoekenden), de partij zelf benadrukte consequent haar klassenonafhankelijk karakter en een veroordeling van “gevestigde belangen” waaronder, veelzeggend, de vakbonden. De leiders van M5S vielen herhaaldelijk oudere werknemers aan die volgens hen deel uitmaakten van de groepen die in “het systeem” waren “opgenomen”, in tegenstelling tot uitgesloten jongere werknemers die geen kans hadden op even goed betaalde of stabiele jobs. Hun boodschap was uitdrukkelijk schadelijk voor klassensolidariteit. De partij werd op de proef gesteld in de regering in 2018 en viel meteen uiteen in enerzijds een in wezen liberale kern en anderzijds verschillende bizarre samenzweerderige, antivaxer en extreemrechtse elementen die zich tot de beweging aangetrokken voelden.

Als Margaret Thatcher kon uitpakken met Tony Blair als haar grootste succes in de politiek — dat wil zeggen de neutralisering van Labour en de bekering van die partij tot haar eigen economische dogma’s — dan is de pluim op de hoed van het Italiaanse neoliberale Europeanisme zijn overmacht over zijn tegenstanders. In die zin heeft Mario Tronti (voorheen extreemlinks, nu Democraat) gelijk dat de opname van zowel M5S als de Lega in de regering Draghi een overwinning was in een langdurige “stellingenoorlog” tegen die ietwat “opstandige” partijen.8

Zelfs in de periode juni 2018-augustus 2019 — de periode waarin de M5S en de Lega samen een zogeheten “al-populistische” regering vormden — werden de hatelijke campagne van die krachten tegen vluchtelingenboten en hun militaristische houding inzake grenscontroles innig verbonden met een duidelijk meer verzoenende houding tegenover de kernpunten van het economische dogma van de eurozone. Minister van Binnenlandse Zaken Salvini dreigde naar Brussel te vliegen om het tegen Merkel op te nemen en het recht op een begrotingstekort van 2,4 procent voor 2019 in de wacht te slepen, om vervolgens terug te krabbelen en akkoord te gaan met een tekort van 2,04 procent, wellicht omdat het toch een beetje hetzelfde klinkt. Als de partij in de oppositie naar grotere brutaliteit neigt dan in de regering, had haar gebrek aan economisch radicalisme geen verrassing mogen zijn. De aan het eind van de jaren tachtig opgerichte Lega Norte was van meet af aan expliciet Thatcheriaans, zij het dat ze het sociale conflict grotendeels in de schoenen schoof van de “dieven in Rome” en het “luie, corrupte Zuiden”. Met het voorstel voor een vlaktaks van 15% onderscheidt de partij zich zelfs van krachten als de Rassemblement national van Marine Le Pen, waarvan op zijn minst de noordelijke vleugel veel protectionistischer en op de arbeidersklasse gericht is.

Postfascisten

De belangrijkste opkomende macht van vandaag, is Giorgia Meloni’s postfascistische Fd’I (Broeders van Italië) en ook daaruit valt heel wat te leren. Die partij haalt nu zo’n 20% in de peiingen en kon, nadat de ster van Salvini was uitgedoofd, een groot deel van de stemmen van de Lega veroveren. Momenteel wedijvert ze met de Democratische Partij voor de overwinning bij de volgende algemene verkiezingen. Die “postfascistische” beweging, die haar wortels heeft in de MSI (Italiaanse Sociale Beweging), die na 1945 werd opgericht door voormalige luitenants van Benito Mussolini, sluimerde decennialang in de marge van de reguliere politiek om uiteindelijk in 1994, tijdens de eerste regering van Silvio Berlusconi, enkele ministerposten te veroveren.

Hoewel haar organisatiegeschiedenis complex is (Fd’I werd in zijn huidige vorm opgericht in 2012), gaat het in wezen om een partij van ooit openlijke fascisten, die sinds de jaren negentig hebben getracht de leemte aan de rechterzijde van de Italiaanse politiek op te vullen door zichzelf om te toveren tot een “normale” conservatieve partij, een beetje zoals de Spaanse Partido Popular. Met steun aan de NAVO en het Europese project probeerden de leiders al aan het eind van de jaren vijftig de indruk te wekken dat ze een partij waren zoals alle andere. In 1960 moest een christendemocratische regering kortstondig leunen op de parlementaire steun van MSI , om alsnog ten onder te gaan aan de massale sociale onrust.

De vernietiging van de Communistische Partij ondermijnde het antifascisme dat in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog was opgebouwd.

De vernietiging van de Communistische Partij9 ten voordele van een liberaal-Europese kracht ondermijnde in belangrijke mate de vrijwaring voor fascisme die in de nasleep van de Tweede Wereldoorlog werd gecreëerd. Terwijl antifascisme in verkiezingstijd het resultaat is van de mobilisatie van centrumlinks, is de Fd’I zo genormaliseerd dat de democratische leider Enrico Letta zelfs een toespraak mocht houden op de zomercursus van 2021. Zelfs afgezien van de historische leiders die zich in de jaren 1990 en 2000 aansloten bij Berlusconi’s eigen partij (zoals Alessandra Mussolini) of zelfs meer centristische krachten (zoals voormalig MSI-leider Gianfranco Fini), presenteert de Fd’I haar eigen normalisering voortdurend als een door haar zelf in gang gezet en al voltooid proces. Meloni bijvoorbeeld profileert zich openlijk als een “christelijke Italiaanse vrouw en moeder”. In haar memoires met als titel “Ik ben Giorgia” stelt ze alles in het werk om maar niet de indruk te maken dat zij een politieke figuur zou zijn (terwijl ze al op 15-jarige leeftijd lid werd van de jongerenafdeling van de MSI).

De Fd’I is meer conventioneel “Atlantistisch” dan Salvini’s Lega, wordt algemeen beschouwd als een partij die nauwere banden heeft met de Amerikaanse Republikeinen en is beduidend meer anti-China. Ze heeft ook minder geflirt met het (zelfs retorische) idee van een breuk met de Europese Unie, en presenteert zich naar buiten als een partij die open staat voor de “assimilatie” van een beperkt aantal immigranten die in de Italiaanse samenleving passen. Maar gezien haar wortels in het fascisme — met in haar logo het vlamsymbool van de vroegere MSI, die met de heroprichting van Mussolini’s partij flagrant tegen de grondwet inging — is het vooral opmerkelijk wat er niet veranderd is.

Want hoewel de Fd’I zich altijd bedient van een meer gematigd conservatieve toon en dito beleidsagenda — bij de stemming over de regering Draghi onthield de partij zich zelfs in plaats van vlakaf op het nee-knopje te duwen — ze kan zich niet bevrijden van haar obsessie met de Tweede Wereldoorlog en blijft de resultaten ervan amenderen. Maar ook daar heeft de partij goede resultaten geboekt, niet het minst nadat de regering Berlusconi een nationale “herdenkingsdag” voor de vermeende Italiaanse slachtoffers van de Joegoslavische partizanen had afgekondigd. Het centrale argument van die fabel is vals.10

Door almaar haar anticommunisme voor te stellen als algemeen verzet tegen extremisme trapt de extreemrechtse partij evenwel een open deur in. Toen in 2021 de fascistische groepering Forza Nuova werd verboden na een gewapende aanval op het hoofdkantoor van de vakbond CGIL tijdens een protest tegen de lockdown, stemde Fd’I voor het verbod, maar pleitte tegelijk voor een uitbreiding van het verbod naar communisten en islamisten.

Haar voorstel om alle aanhangers van “totalitarisme” en zijn symbolen grondwettelijk te verbieden — ingegeven door soortgelijke zuiveringswetgeving in landen als Hongarije en Polen en die eveneens in de eerste plaats tegen communisten is gericht — is vooral opmerkelijk in Italië, waar de grondwet van 1948 door de verzetspartijen werd geschreven en dus veel communisten medeverantwoordelijk waren voor de inhoud. En toch stuit zo’n houding op weinig weerstand, althans bij de mainstream partijen: in 2019 stemden de leden van de Democratische Partij (waaronder individuele ex-communisten) mee met rechts in het Europees Parlement om communisme en “radicalisme” in het algemeen te veroordelen als totalitarisme en gelijk aan nazisme, en waarvan de symbolen moeten worden verboden.11 Oudere verenigingen zoals de ANPI, een groep van partizanen en veteranen, verzetten zich tegen zulke uitspraken maar krijgen hiervoor maar weinig steun van het grote publiek.

Ondiepe wortels

Italiaans rechts heeft dus de voorbije decennia almaar radicalere gedaantes aangenomen, waarbij een groot deel van het voormalige christendemocratische electoraat zich eerst achter Berlusconi’s Forza Italia schaarde, daarna achter Salvini’s Lega, en nu achter Meloni’s partij. Dit zogenaamde “centrumrechtse” blok is niet alleen opgeschoven naar meer openlijk extreemrechtse partijen, maar telt vandaag bijna de helft van alle kiezers. Hoewel de overgebleven M5S, nu geleid door ex-premier Giuseppe Conte, op regionaal niveau electorale allianties met de Democraten heeft gesloten, zijn die krachten zelfs samen kleiner en politiek minder coherent dan hun rechtse tegenhangers. Door het zeer fragmentarische karakter van het huidige Italiaanse systeem haalt geen enkele individuele partij ook maar een kwart van de stemmen en is het mogelijk dat er na de volgende verkiezingen een brede partijoverkoepelende regering gevormd wordt, zelfs als de Fd’I de Democraten de loef afsteekt en als winnaar uit de bus komt.

De ineenstorting van het partijenstelsel in het begin van de jaren negentig — met het verdwijnen van de communistische dreiging konden de al lang sluimerende corruptieschandalen binnen de regerende christendemocraten en socialisten eindelijk losbarsten — stelde Italië in staat het tempo op te drijven van het proces dat ook in de meeste westerse landen kan worden waargenomen en waarin de democratische keuze minder kans maakt, zelfs nu de teneur van het politieke debat verhardt.12 De economische groei stagneert al zo’n drie decennia en de aanvankelijke euforie rond de eurozone als wondermiddel voor Italië overtuigt niet langer. Hoewel de electorale achteruitgang van centrumlinks en de opkomst van “populistische opstandelingen” op de een of andere manier uitdrukking geven aan de ontevredenheid die het gevolg is van het falen van dit project, hebben krachten als de M5S en de Lega geen echt alternatief regeringsprogramma en werden ze zelf als soms luidruchtige, maar in feite junior partners in de regering Draghi getrokken.

De euroscepsis van krachten als Forza Italia of de Lega is zo onsamenhangend dat zelfs zij achter Draghi’s karretje lopen in de hoop fondsen te krijgen.

In de jaren 1990 en 2000, die bekend staan als het tijdperk van de “Tweede Republiek”, was het duidelijk dat het Italiaanse kapitaal de voorkeur gaf aan een tweezijdige afwisseling tussen centrumrechtse en centrumlinkse partijen met een in wezen vergelijkbare neoliberale, pro-Eurozone economische agenda. Maar door de vele tegenslagen — en de rampzalige crises waardoor de Democraten en Forza Italia in de verkiezingen van 2018 nog maar een derde van de stemmen behaalden — moet steeds vaker een beroep gedaan worden op andere, meer tijdelijke oplossingen die door hun ondemocratische inhoud op hun beurt de meer centristische partijen verder in diskrediet brengen. Dat was het geval in 2018, toen president Sergio Mattarella weigerde de benoeming van Paolo Savona te bekrachtigen. Savona, die eerder had geflirt met het idee van een vertrek uit de eurozone, was voorgedragen door de Lega/M5S voor de post van minister van Economie. In zijn openbare toespraak na die spectaculaire weigering benadrukte Mattarella dat “onzekerheid over onze positie in de eurozone investeerders en spaarders had gealarmeerd” en dat het daarom onverantwoord zou zijn de benoeming te aanvaarden van een minister wiens aanstelling alleen al tot meer onrust zou leiden. Dat besluit heeft de steun van de Lega in de peilingen dramatisch aangezwengeld, ondanks haar gebrek aan echte belangstelling voor de Italexit.

De huidige Italiaanse politiek wordt dus gedomineerd door de instabiliteit van een burgerlijk neoliberaal herstructureringsproject met ondiepe wortels onder de bevolking, een project dat voortdurend probeert de rechtse radicalisering te integreren en (althans in economische termen) te temmen, een rechtse radicalisering die verder gevoed wordt door de mislukkingen van het project. Die situatie is uiteraard verre van ideaal voor het kapitaal; de eerdere pogingen om een stabiele wissel van de wacht tot stand te brengen, zouden zeker voor meer stabiliteit hebben gezorgd. Niettemin en zelfs in zoverre partijen als M5S of extreemrechts een slechte basis bieden voor een stabiele regering, zijn de boze interventies van het kapitaal in de media ook veel minder bedreigend dan de grote arbeiderspartijen uit het verleden.

Postcommunistisch

Het uitgeholde democratische landschap van vandaag is het resultaat van een ingrijpende verandering in de manier waarop de meeste Italianen tegenover politieke betrokkenheid staan. Terwijl in het Italië van de jaren vijftig het bezoek aan de kerk of de arbeidersclub nauw verbonden was met een politieke lidkaart en die instellingen vervolgens geleidelijk aan invloed verloren ten voordele van individualistische, consumptieve alternatieven, werd in het begin van de jaren negentig hun overblijvende macht abrupt gebroken toen de partijen die nog steeds fungeerden als belangrijke centra van meningsvorming, intellectuele productie en zelfs van eenvoudig sociaal contact, in groten getale uit het politieke landschap verdwenen.

Velen in de Italiaanse politiek, van liberale ex-communisten tot delen van radicaal links die warm lopen voor de Amerikaanse campuspolitiek, verkondigen graag de dood van de arbeidersklasse. Zulks lijkt echter bijzonder schokkend in een land waar de Italiaanse Communistische Partij (PCI) was gebouwd op een pluriform sociaal bondgenootschap. Zelfs als in de naoorlogse decennia de grote concentratie arbeiders in FIAT’s Mirafiorifabriek soms symbool kon staan voor een soort “ideaal type” van arbeider , bestond de popolo (= het volk), vertegenwoordigd door de communisten, ook uit ambachtslieden en deelpachters, kantoorbedienden en sloppenwijkbewoners. Dat was niet alleen een beweging die zich vanuit de werkplek organiseerde, maar een diepgeworteld project voor sociale verandering dat de bourgeoisheerschappij in heel de maatschappij aan banden legde — en er een concreet alternatief voor bood.

Het zou verkeerd zijn om de bedreiging voor de Italiaanse democratie alleen te zoeken bij de extreemrechtse Fratelli d’Italia.

Waar de PCI nog trachtte de gefragmenteerde massa’s samen te smeden tot een klassensubject, verenigd door een nationale agenda, functioneert het huidige Italiaanse links grotendeels als een min of meer radicale vleugel van het liberalisme. Op veel gebieden voert links een achterhoedegevecht nu extreemrechts de harde anti-immigrantengevoelens en zijn oorlog tegen de overgebleven institutionele erfenis van de verzetsgeneratie normaliseert. De Italiaanse politiek mag dan al doordrongen zijn van anticommunisme, er valt al sinds 2008 geen enkele echte communist meer te ontwaren in het parlement. De grondwet die beloofde alle belemmeringen weg te nemen voor de “daadwerkelijke deelneming van alle werknemers aan de politieke, economische en sociale organisatie van het land”13 blijft dode letter in een land zonder grote werkers- of arbeiderspartij en waar almaar minder mensen deelnemen aan de verkiezingen.

Daarom zou het, zelfs nu Meloni’s partij zoveel vooruitgang boekt, een vergissing zijn de verantwoordelijkheid voor de bedreiging van de Italiaanse democratie te leggen bij de Fd’I, en ervan uit te gaan dat die bedreiging zonder meer kan worden afgewend door bij de verkiezingen antifascistische stemmen te werven. De Italiaanse democratie werd al uitgehold in de voorbije drie decennia, terwijl de Tweede Wereldoorlog en zijn symbolen almaar duidelijker een prominente plaats innemen in het openbare leven en almaar meer van hun echte sociale inhoud ontdaan worden. Terwijl vroegere Bonapartisten hun massabasis vaak mobiliseerden door te verwijzen naar de dreiging van subversieve bewegingen, is het populisme dat de “Draghieten” zo aan de kaak stellen zelf een schaduw van de massapolitiek uit het verleden, waarbij zelfs de vage sociale aspiraties van M5S definitief zijn losgelaten. De resterende arbeidsbescherming in Italië en de progressieve retoriek van de grondwet houden geen gelijke tred met de zwakte van de georganiseerde krachten die nog bereid zijn ze te verdedigen. Zolang dat niet verandert, zullen de verschillende facties van de achteruit bollende heersende klasse een eenzijdige oorlog blijven voeren tegen de historische verworvenheden van links.

Footnotes

  1. “Which is The Economist’s country of the year for 2021? ”, The Economist, 18 december 2021.
  2. Larry Elliott, “Enter the Draghi: can “Super Mario” save Italy as he did the euro? ” 3 februari 2021. Zoals ontelbare andere voorbeelden van dit type wordt het antwoord op de vraag in de titel gewoon als ja aangenomen en worden opmerkingen over de beperkingen van Draghi beperkt tot zijn laconieke publieke stijl.
  3. Veel speculatie over zijn opvattingen draait om een een interview in Die Zeit uit 2015 waarin hij zichzelf cryptisch bestempelde als “liberaalsocialist”.
  4. Mario Monti, Intervista sull’Italia in Europa. Bari: Laterza, 1998, blz. 40, 176.
  5. “Soevereinisme” benadrukt het belang van nationale onafhankelijkheid van grotere geopolitieke machten of kaders.
  6. SWG-enquête gerapporteerd in “Elezioni, il 35% di chi nel 1987 votò Pci oggi sceglie Cinquestelle”, La Repubblica, 9 maart 2018.
  7. Ilvo Diamanti et al., Divergenze parallele, Bari: Laterza, 2018.
  8. Umberto De Giovannangeli, “Intervista a Mario Tronti: ‘No all’alleanza coi 5S, il PD pensi a se stesso’”, Il Riformista, 18 februari 2021. Het gebruik van Gramsciaanse of andere marxistische retoriek om de hedendaagse acties van neoliberaal centrumlinks te rationaliseren is een veel voorkomend thema bij Tronti, al is het nauwelijks uniek voor hem.
  9. Zie Guido Liguori, Qui a tué le Parti communiste italien? , Parijs, Éditions Delga, 2011.
  10. De moorden langs de toenmalige noordoostelijke grens van Italië in 1943-1945, bekend als de foibe (een verwijzing naar de diepe kuilen waarin de lichamen zouden zijn gegooid) zijn een obsessief thema in de mediaberichtgeving over heel het politieke spectrum, waardoor elke discussie over de Duits-Italiaanse invasie en bezetting van Joegoslavië en de honderdduizenden slachtoffers van Italië’s eigen oorlogsmisdaden volledig worden verdrongen. Een door de Fd’I voorgestelde grondwetswijziging zou het bestaande verbod op het ontkennen van de Holocaust uitbreiden tot het strafbaar stellen van de ontkenning dat Joegoslavische communistische partizanen 12.000 Italiaanse burgers hebben gedood. Soortgelijke wetgeving bestaat al in verschillende regio’s waar rechts regeert. Afgezien van het absurde gebrek aan perspectief (het amendement zou alleen Holocaustontkenning en “foibe-ontkenning” verbieden, terwijl alle misdaden van het Italiaanse fascisme en kolonialisme worden genegeerd), is het centrale argument van die fabel onjuist. Historici zijn het erover eens dat het aantal doden ongeveer 3.000 bedroeg, en er is nooit enig bewijs gevonden die dat weerlegt; men zou ook kunnen zeggen dat de “slachtoffers” nauwelijks onschuldigen waren, maar dat er ook vele oorlogsmisdadigers en meer passieve aanhangers van het fascisme bij waren.
  11. Zie mijn “The End of Anti-Fascism”, Jacobin Magazine, 29 september 2019.
  12. Zie Anton Jäger, “How the World Went from Post-Politics to Hyper-Politics”, Tribune, 3 januari 2022.
  13. “Constitution of the Italian Republic”, Senato Della Reppublica, artikel 3.