Artikel

Het nieuwe centrum volgens François Furet

Michael Scott Christofferson

— 24 oktober 2017

Eind jaren ’80 verkondigde de historicus Furet het einde van de Franse revolutionaire traditie. Een nieuw centrum zou ontstaan. De verkiezing van Macron vraagt om een terugblik op die analyse.

In juli was het 20 jaar geleden dat François Furet stierf. Hij was een belangrijk figuur in de intellectuele wereld van het einde van de 20e eeuw. Als historicus, gespecialiseerd in de Franse Revolutie van 1789, vocht hij de sociale interpretatie van de Revolutie aan die erin een resultaat zag van de klassenstrijd en de overgang van feodalisme naar kapitalisme. Hij verving die door een politieke interpretatie waarin hij de Revolutie omschreef als de onzalige overwinning van een manicheïstische revolutionaire ideologie die bijna onvermijdelijk tot het geweld van de Terreur leidde. Die zienswijze bracht hij voor het eerst naar voren in zijn Penser la Révolution française (1978), wat de toenmalige Franse critici van het totalitarisme ertoe aanzette de Franse Revolutie als protototalitair voor te stellen en op die manier de Franse revolutionaire traditie in diskrediet te brengen.

In 1989, naar aanleiding van de 200e verjaardag van de Revolutie, werkte Furet zijn interpretatie verder uit in een verhalende geschiedenis en een kritisch woordenboek1. Zijn visie kreeg veel bijval in de Franse media en bij het grote publiek, hoewel veel historici die de Revolutie bestudeerden erg kritisch bleven tegenover zijn interpretatie. Furet werd achtervolgd door zijn communistisch engagement tijdens zijn jeugd, iets waar hij later spijt van had, en zijn laatste grote intellectuele project was een quasi-autobiografische studie van de communistische ‘illusie’, Het verleden van een illusie; het communisme in de twintigste eeuw (1996), waarin hij de aantrekkingskracht van het communisme probeerde te verklaren. In de laatste twintig jaar van zijn carrière was Furets leidraad doorheen zijn werk zijn poging een einde te maken aan de revolutionaire traditie in Frankrijk.

Furets bestempelde de tegenstanders van neoliberale hervormingen als “demagogen”. Vandaag, net zoals toen, wordt dat soort retoriek gebruikt om diepgaande discussies uit de weg te gaan over ongelijkheid

In positieve zin streefde Furet ernaar om in de Franse politiek en in het intellectuele leven een meer centristische, liberale ommezwaai tot stand te brengen. Op intellectueel vlak ijverde hij voor een rehabilitatie van de negentiende-eeuwse Franse liberale denkers, vooral van Alexis de Tocqueville, een man die volgens hem een baken kon zijn op de te volgen weg. In de jaren 1980 gaf hij als oprichter van instellingen ook zijn stem aan de liberale agenda. In 1982 hielp hij de Fondation Saint-Simon oprichten, een stichting die precies met dat doel intellectuelen, bedrijfsleiders, politici en ambtenaren samenbracht. En in 1984 stichtte Furet ook het Institut Raymond Aron, binnen de École des hautes études en sciences sociales (EHESS), waar hij gelijkgestemde intellectuelen om zich heen verzamelde; velen van hen hadden zich aan de faculteit EHESS verbonden toen Furet er decaan was, van 1977 tot 1985.

In de jaren 1980, toen zijn interpretatie van de Franse Revolutie Frankrijk veroverde, werd Furet een belangrijke politiek commentator die regelmatig door de Franse en internationale pers werd gevraagd om analyses te maken. Een van zijn meest typerende werken was La République du centre: La fin de l’exception française (1988), dat hij samen schreef met Jacques Julliard en Pierre Rosanvallon, en waarin ze het einde van de links-rechts polarisatie van de Franse politiek aankondigden, ten voordele van een nieuw centrumpolitiek. Volgens Furet hadden de Fransen met de ondergang van de Franse communistische partij en de verzoening van katholiek rechts met de republiek een consensus bereikt: een gematigd bewind zou de essentiële vrijheden zou beschermen, een markteconomie zou welvaart verzekeren en zou de minstbedeelden door herverdeling behoeden. Furet juichte die ontwikkeling duidelijk toe. In dat boek, en ook in andere werken, was Furets commentaar op de hedendaagse politiek een combinatie van een analyse en een pleidooi.

De nieuwe overwinning van het centrum in 2017 nodigt ons uit de politieke analyse van Furet te herbekijken. In welke mate speelden de redenen die Furet aanhaalde voor de ommezwaai naar het centrisme ook een rol in 2017? En, belangrijker, hoe nuttig zijn Furets concepten vandaag? Kort samengevat luidt het antwoord dat de analyse van Furet het product was van bezorgdheden die typisch waren voor het einde van de twintigste eeuw en hem op die manier blind maakten voor processen die al tijdens zijn leven speelden en die vandaag nog veel ingrijpender zijn geworden. Inzicht verwerven in de politieke analyse van Furet en de tekortkomingen ervan begrijpen, stelt de uitdagingen scherper waarmee we in de huidige crisis geconfronteerd worden en die we het hoofd moeten bieden.

Furets République du centre

Het boek werd geschreven in de nasleep van de Franse presidentsverkiezingen van 1988, gewonnen door François Mitterrand. In Furets bijdrage aan La République du centre werd geprobeerd te verklaren waarom de Franse politiek vervelend was geworden toen het nieuwe centrisme zijn intrede deed. Furet stelde twee opmerkelijke ontwikkelingen aan de rechterzijde vast: de ondergang van het gaullisme en het einde van het conflict tussen de Kerk en de Republiek. Dat conflict zorgde er in 1981 nog voor dat de socialisten konden winnen omdat zij een aanzienlijk deel van de katholieke stemmen binnenrijfden. De linkerzijde maakte de overwinning van het centrum mogelijk door de achteruitgang van de Franse communistische partij, een gevolg van het zich afkeren van het Sovjetmodel en de crisis van de Jacobijnse politieke cultuur.

De overwinning van het nieuwe centrum in Frankrijk lijkt minder stevig dan dat van de jaren 1980. En als Macron faalt, is de overwinning van het centrum waarschijnlijk van korte duur.

Furet was ervan overtuigd dat de oorzaak van die ontwikkelingen te vinden was in de socio-economische transformatie die Frankrijk doormaakte tijdens de trente glorieuses, de jaren van economische boom die Frankrijk kende, vanaf de heropbouw na de oorlog tot de economische crisis midden de jaren 1970. In die tijd beleefde Frankrijk, met de woorden van Furet, “de snelste collectieve verburgerlijking uit haar geschiedenis”. Dat zorgde ervoor dat de Franse samenleving “tegelijk individualistischer en uniformer werd – of, om het negatief te formuleren, minder aristocratisch en minder revolutionair”2. In de filosofie van Tocqueville, die aan de basis ligt van de analyse, was Frankrijk geëvolueerd van een revolutionaire naar een democratische sociale staat. De Fransen wilden geen socialisme en ook geen neoliberalisme; 75 % van de Fransen (met andere woorden iedereen behalve de mensen die op de communisten of het Front National stemden) vond dat Frankrijk vanuit het centrum bestuurd moest worden, zo verzekerde Furet. Toen de Fransen in 1981 de socialisten verkozen, stemden ze niet voor het Gemeenschappelijk Programma, en de socialisten gingen tussen 1981 en 1984 in de fout door uitgebreide nationaliseringen door te voeren en te proberen de invloed van de katholieke scholen terug te dringen. Rechts ging, nadat het de verkiezingen in 1986 won, evenzeer in de fout door met het neoliberalisme van Hayek te flirten. Het centristische Frankrijk wou geen almacht voor de markt en ook geen regelrecht socialisme, verklaarde Furet.

In zijn bespiegelingen over 1988 vond Furet dus dat Frankrijk voor het centrum koos omdat het door zijn socio-economische ontwikkeling een individualistischere en meer egalitaire samenleving was geworden. Het is ongetwijfeld juist dat de Franse samenleving in die richting was opgeschoven tijdens de economische boom van na de oorlog, maar Furet houdt in zijn analyse vreemd genoeg weinig rekening met de economische crisis die in de tweede helft van de jaren 1970 tot stagflatie en snel toenemende werkloosheid leidde. Kortom, op het moment dat het centrisme volgens Furet zegevierde, had de oorzaak (welvaart) die daar volgens hem voor verantwoordelijk was al aan kracht ingeboet. Het individualisme was zeker niet verdwenen, maar de Franse samenleving werd minder gelijk in plaats van gelijker. Furet erkende niet dat de Franse socialistische regering van begin de jaren 1980 een antwoord probeerde te bieden op die socio-economische crisis. Het onderwerp wordt slechts gedeeltelijk aangekaart wanneer Furet het heeft over de opgang van het Front National, die hij gedeeltelijk toeschrijft aan l’insecurité, de onveiligheid3.

Toen op het einde van de jaren 1980 het centrum won, was dat zowel het gevolg van een specifieke politiek-economische conjunctuur als van de langdurigere socio-economische transformatie die Furet had vastgesteld. De socialistische regering van 1981-1983 was er niet in geslaagd het “keynesianisme in een land” te implementeren en Mitterrand stortte zich daarna op de Europese integratie. Die ontwikkeling vormt de basis voor de opkomst van het centrisme. Voor het eerst sinds het Front Populaire was links aan de macht gekomen, maar het had gefaald. Uit het puin verrees, door gebrek aan alternatieven, een nieuw centrum.

De recente overwinning van Emmanuel Macron en zijn La République en Marche! tijdens de presidentsverkiezingen en de parlementsverkiezingen lijkt op het eerste gezicht misschien het hoogtepunt te zijn van de centristische ommezwaai die Furet en zijn collega’s dertig jaar ervoor hadden geïdentificeerd. Maar de verschillen tussen beide periodes zijn aanzienlijk.

Eén element van continuïteit is dat de overwinning van het nieuwe centrum in 2017 voortkwam uit de instorting van het centrum dat op het eind van de jaren 1980 was ontstaan. De overwinning werd Macron bijna op een schoteltje aangeboden doordat eerst centrumrechts onder president Sarkozy en daarna centrumlinks tijdens de ambtsperiode van Hollande alle krediet verloren hadden: ze waren er niet in geslaagd de huidige crisis op te lossen door ofwel vol voor de neoliberale agenda te gaan ofwel tegemoet te komen aan de eisen van hun kiezers die zich precies daartegen verzetten4. Zowel de centrumlinkse Parti socialiste als de centrumrechtse Les Républicains kregen tijdens de verkiezingen een pandoering. Geen van beide partijen slaagde erin hun presidentskandidaat tot de tweede ronde te laten doorstoten, en beide partijen scoorden abominabel tijdens de parlementsverkiezingen.

Uit die puinhoop kwam Macron tevoorschijn en hij beloofde onpartijdig, ogenschijnlijk toekomstgericht leiderschap dat de Gordiaanse knoop zou kunnen doorhakken. Hij sprak de hogere -en de middenklasse aan, de klasse waaruit En Marche! veruit de meeste van zijn afgevaardigden rekruteert, en Macron en zijn partij verzamelden genoeg steun om de verkiezingen te winnen. Maar zijn overwinning lijkt minder stevig dan toen het centrum in de jaren 1980 won. Het oude centrumlinks en centrumrechts mogen dan ineengestort zijn, extreemrechts en extreemlinks deden het wel goed. In de eerste ronde van de presidentsverkiezingen koos meer dan 40 % van de kiesgerechtigden voor Marine Le Pen of Jean-Luc Mélanchon. Le Pen haalde de tweede ronde van de presidentsverkiezingen, Mélanchon kreeg 19,6 % van de stemmen, de hoogste score voor een extreemlinkse presidentskandidaat sinds 1969, toen Jacques Duclos van de communistische partij 21,3 % behaalde. Bij de parlementsverkiezingen presteerden ze minder goed, en de verkiezingen eindigden met een Front National in crisis.

Voor Furet was het absoluut noodzakelijk dat die passie voor gelijkheid in de hand werd gehouden als Frankrijk echt een centristische republiek wou worden.

En toch, hun relatieve succes en het hoge percentage onthoudingen en ongeldige stemmen wijst erop dat de Franse opinie sterk verdeeld blijft en niet in haar geheel voor Macrons agenda gewonnen is. Als Macron faalt, zal de overwinning van het centrum waarschijnlijk van korte duur zijn. Als dat zou gebeuren, wordt de meest opmerkelijke ontwikkeling van de verkiezingen van 2017 achteraf bezien misschien wel de doorbraak van Mélanchon en zijn partij La France Insoumise, en dat zou het begin kunnen zijn van een heropleving van het socialistische project in Frankrijk. Het succes van uiterst links en uiterst rechts in 2017 geeft sowieso aan dat Furets overwinning van het centrum in 1988 op zijn best een fenomeen van middellange duur was.

Furets analyse gebaseerd op Tocqueville

In zijn laatste jaren beschouwde Furet zichzelf als een Tocquevilliaan5. Hij schreef dat “Tocqueville was de belangrijkste inspiratiebron voor mijn onderzoek” en dat de filosofie van Tocqueville en vooral “zijn idee dat democratie onmisbaar is voor de moderne mens” “voor mij de beste hulp was die ik heb kunnen vinden om het heden te begrijpen”6. In Furets Tocquevilliaanse visie stond gelijkheid centraal en Furet gebruikte die om te focussen op problemen die hij belangwekkend vond, maar die voor ons vandaag minder bruikbaar zijn. Die problemen komen in Furets tekst van 1988, waarin hij optimistisch is over de overwinning van het centrisme, minder duidelijk aan bod dan in zijn latere commentaar, waarin hij klaagt over het aanhoudende verzet van de Fransen tegen de verschuiving naar het centrisme.

Furet ontleende aan Tocqueville’s Over de democratie in Amerika de interpretatie dat democratie niet zozeer een echte egalitaire staat is, maar een principe van de sociale orde of norm die nooit volledig gerealiseerd kan worden. De onvermijdelijke kloof tussen het nastreven van gelijkheid en de werkelijkheid van de samenleving voedt een passie voor gelijkheid die alleen maar toeneemt naarmate er effectief meer gelijkheid komt. Als die passie voor gelijkheid niet in de hand wordt gehouden, bedreigt ze de vrijheid en kan ze uitmonden in revolutie. Voor Furet, die gekweld werd door de revolutionaire politiek die hij tijdens zijn jeugd als lid van de PCF had voorgestaan, was het absoluut noodzakelijk dat die passie voor gelijkheid in de hand werd gehouden als Frankrijk echt een centristische republiek wou worden. Het is dus een veeleer eenzijdige interpretatie van Tocqueville die aan de basis ligt van Furets almaar conservatievere politieke inzichten.

Furet was geobsedeerd door de dreiging van die passie voor gelijkheid en daarom zette hij uitingen ervan extra in de verf om ze beter te kunnen afkraken. Een van de elementen waarop Furet zijn woede in het bijzonder richtte was de Amerikaanse politieke correctheid. Furet had er midden de jaren 1980 persoonlijk kennis mee gemaakt toen hij les gaf aan de University of Chicago en daar bevriend raakte met Allan Bloom, de beroemde Amerikaanse criticus. Furet zag politieke correctheid als een gevaarlijke uitbarsting van revolutionair egalitarisme dat de vrijheid bedreigde en een halt moest worden toegeroepen. Hij was ervan overtuigd dat dit daarachter schuilging: “Het klassieke revolutionaire idee dat ‘alles politiek is’, dat er geen natuurlijke ongelijkheid bestaat, maar enkel sociale onrechtvaardigheid.”7

Voor Furet was multiculturaliteit “de belangrijkste sociale beweging van de laatste 25 jaar”8. Dat de regering Clinton die omarmde was er in grote mate verantwoordelijk voor dat de Democratische Partij in 1994 de parlementsverkiezingen had verloren. Die vreemde conclusie ging voorbij aan het dominante verkiezingsthema, namelijk het feit dat de regering Clinton er niet in geslaagd was een systeem voor algemene gezondheidszorg op te zetten, iets wat de Republikeinse Partij onophoudelijk had aangevallen en als ‘overheidsinmenging’ had bestempeld. Een ietwat meer genuanceerde conclusie had kunnen zijn dat het mislukken van een systeem voor algemene gezondheidszorg en de daaropvolgende politieke overwinning van de Republikeinen erop wees dat Amerika gebukt ging onder het onvermogen om de toenemende ongelijkheid aan te pakken. Maar omdat Furet niet zozeer focuste op de echte socio-economische ongelijkheid maar vooral op de passie voor gelijkheid, die hij in radicale multiculturaliteit zag, ontging hem dat.

Furets aanval tegen de tegenstanders van neoliberale hervormingen – hij bestempelde ze als ‘demagogen’ – klinkt zeer hedendaags. Net als toen wordt dat soort retoriek gebruikt om diepgaande discussies over ongelijkheid te vermijden

Furets commentaren op de Franse politiek worden overheerst door een gelijkaardige bezorgdheid over de passie voor gelijkheid. Furet was doorgaans van mening dat het einde van de revolutionaire traditie zoals die in La République du centre werd vastgesteld een goede zaak was. Na de instorting van het communisme in de Sovjet-Unie bevestigde hij goedkeurend dat we in de nabije toekomst ertoe veroordeeld zijn “om te leven in de wereld waarin we leven”.9 Politieke onpartijdigheid, wat hij zag als een product van het individueel nastreven van welzijn, was een positieve ontwikkeling. Hij was het eens met politiek filosoof Pierre Manent “dat we niet mogen overdrijven met democratische moderniteit”.10

Uit de ineenstorting van het communisme leidde Furet ook af dat kapitalisme en democratie niet van elkaar gescheiden konden worden en dat “het socialisme verder moet reiken dan enkel de intrinsieke (en corrigerende) wetten van de markt”.11 Hoewel hij het terugschroeven van de samenleving ten voordele van de markt expliciet verwierp en zijn steun uitsprak voor een herverdelend beleid dat de markt gedeeltelijk corrigeert, stelde hij de keuzes waarmee Frankrijk geconfronteerd werd voor als technische keuzes en vond hij het onverantwoord dat het Franse publiek weigerde liberaliserende hervormingen te aanvaarden.

Hij was verontwaardigd over de stakingen in 1995, een antwoord op de pogingen van de regering Juppé om op overheidsuitgaven te besparen door de sociale zekerheid en het pensioenstelsel te hervormen, en ook over het feit dat links in 1997 de parlementsverkiezingen won. De eisen die de stakers in 1995 stelden, waren gewoonweg anachronistisch, want ze waren “onverenigbaar met de productiviteitseisen in een open economie en met de leeftijdspiramide”12. Voor Furet toonden de parlementsverkiezingen van 1997 aan dat de Franse politiek “aangetast was door demagogie” en “narcistische onwetendheid over de economie”13. De kritiek van links op de markt leek “voort te komen uit een egalitaristisch sentiment dat gevaarlijk is voor de vrijheden”14. Geconfronteerd met een samenleving die zich tegen economische liberalisering verzette, groeide bij Furet het pessimisme over de toekomst van de democratie. In een speech in januari 1997 lichtte Furet dat toe:

“Een democratische samenleving is nooit democratisch genoeg, en de aanhangers ervan zijn talrijker en gevaarlijkere critici van de democratie dan de tegenstanders van democratie. De democratische beloften van vrijheid en gelijkheid zijn onbeperkt. In een samenleving van individuen is het onmogelijk om vrijheid en gelijkheid duurzaam te laten bestaan. Die beloften stellen alle democratische politieke regimes niet alleen bloot aan demagogische oproepen, maar ook aan de constante beschuldiging dat ze niet trouw zijn aan hun eigen basiswaarden. In de democratische wereld zijn legitimiteit noch gehoorzaamheid voor altijd veilig.”15

De analyse van Furet steunde volledig op zijn bewering dat democratische politiek gestuurd wordt door een passie voor gelijkheid. Furet besteedde weinig aandacht aan het analyseren van de echte niveaus van gelijkheid, gedeeltelijk omdat hij vond dat de passie onverzadigbaar was. Toenemende echte gelijkheid maakte de passie alleen maar sterker, zo beweerde hij. Furet haalde enkel concrete economische belangen aan om de stakers van 1995 te veroordelen voor hun egoïsme en om de belangen van de beschermde werkenden uit te spelen tegen de werklozen.

In Furets analyse was er nauwelijks plaats voor klassenstrijd, de keuzes die de Fransen moesten maken waren voornamelijk technisch en de enige relevante sociale conflicten waren die tussen de verschillende groepen van de werkende klasse (werkenden versus werklozen en jong versus oud). Kortom, Furet riep de Fransen op zich te onderwerpen aan de eisen van de neoliberale economie, anders zouden ze algauw ten prooi vallen aan “een onherstelbare spiraal van decadentie”16. De niet nader onderzochte premisse van Furets analyse was dat verzet tegen die agenda het gevolg was van een passie voor gelijkheid. Het probleem van echte ongelijkheid werd onder de mat geveegd door die deus ex machina, Furet focuste namelijk in de eerste plaats op het vermijden van de terugkeer van de revolutionaire utopia’s van de twintigste eeuw die hem zo kwelden.

We kunnen besluiten dat Furets Tocquevilliaanse analyse leed onder een fatale tekortkoming die de verklarende kracht in zijn tijd schaadde en die vandaag problemen blijft verhullen. Ze gaf hem de gelegenheid zich te onttrekken aan de confrontatie met de structurele transformatie van het kapitalisme die in de jaren 1970 begon en resulteerde in de toenemende economische ongelijkheid die is uitgegroeid tot het belangrijkste probleem van onze tijd. Zijn verklaring dat de ommezwaai naar het centrisme in de jaren 1980 het resultaat was van de socio-economische transformatie van de trente glorieuses, de dertig gouden jaren, verdoezelde zo de crisis die in de jaren 1970 begon. Als we die er wel bij betrekken, lijkt de zege van het centrum op het einde van de jaren 1980 almaar meer op een noodoplossing die faliekant instortte toen centrumlinks en centrumrechts in 2017 zo genadeloos werden afgestraft.

En Furets gebruik van het Tocquevilliaanse concept ‘egalitaire passie’ om de politiek van de jaren 1990 te analyseren diende als alibi voor het neoliberalisme; daardoor kon hij de voortschrijdende ongelijkheid negeren door te beweren dat het echte probleem de almaar groter wordende roep naar gelijkheid is, die in het DNA van democratische samenlevingen is ingebed, en niet de concrete problemen van zijn tijd. We zouden kunnen stellen dat het politieke denken van François Furet eigenlijk meer in een ander tijdperk thuishoort, in een tijd waarin een obsessieve angst voor het communisme heerste. Anderzijds klinkt Furets aanval tegen de tegenstanders van neoliberale hervormingen – hij bestempelde ze als ‘demagogen’ –, al te bekend in de oren. Vandaag, net zoals toen, wordt dat soort retoriek gebruikt om diepgaande discussies uit de weg te gaan over de huidige ongelijkheid en de rol van de neoliberale beleidsvormen die die ongelijkheid veroorzaken. Twintig jaar later verhindert Furets zienswijze ons de huidige crisis scherp te stellen.

Footnotes

  1. François Furet, La Révolution, 2 delen, 1988, Hachette, Parijs; François Furet en Mona Ozouf, uitg., Dictionnaire critique de la Révolution française, 1988, Flammarion, Parijs.
  2. Furet in François Furet, Jacques Julliard en Pierre Rosanvallon, La République du centre: La fin de l’exception française, Calmann-Lévy, Parijs, 1988, p. 32.
  3. Ibid., p. 24.
  4. Hoewel ik sceptischer ben over de duurzaamheid van Macrons overwinning dan Perry Anderson, volg ik hier min of mijn zijn analyse in “The Centre Can Hold: The French Spring”, New Left Review, nr. 105, mei-juni 2017, p.  5-27.
  5. Dit deel steunt op Michael Scott Christofferson, ‘“The Best Help I Could Find to Understand Our Present’: François Furet’s Antirevolutionary Reading of Tocqueville’s Democracy in America”, in Stephen W. Sawyer en Iain Stewart, uitg., In Search of the Liberal Moment: Democracy, Anti-totalitarianism, and Intellectual Politics in France since 1950, New York, Palgrave Macmillan, 2016, p. 85-109.
  6. François Furet, “Ce que je dois à Tocqueville”, Commentaire 14, 55, herfst 1991, p. 544.
  7. François Furet, interview, “Les fous de l’égalité”, Le Nouvel Observateur, nr. 1399, 29 augustus 1991, p. 67.
  8. François Furet, “L’Amérique de Clinton II”, Le Débat, nr. 94, maart-april 1997, p. 6.
  9. François Furet, interview, “Jamais peut-être la démocratie française n’a été si oligarchique qu’aujourd’hui”, Le Monde, 19 mei 1992.
  10. François Furet, “Le bon plaisir”, France Culture, 21 november 1992. Geraadpleegd in het INA. Pierre Manent sprak hetzelfde gevoel uit in zijn Tocqueville et la nature de la démocratie, Parijs, Gallimard, 1993,p. 181.
  11. François Furet, interview, “La chute finale”, L’histoire, nr. 170, oktober 1993, p. 59-60.
  12. François Furet, “L’Énigme française”, Le Débat, nr. 96, september-oktober 1997, p. 47-48.
  13. Ibid., p. 45, p. 48.
  14. François Furet, interview, “L’indépassable horizon de la démocratie libérale”, Politique internationale, nr. 72, zomer 1997, p. 334.
  15. François Furet en Philip J. Costopoulos, “Democracy and Utopia”, Journal of Democracy, nr. 9, 1, 1998, p. 66.
  16. François Furet, interview, “Les vérités de François Furet”, Le Figaro, 2 januari 1996.