Artikel

Het idee van “sociaal Europa” als neoliberaal alibi

Aurelie Dianara

+

Daniel Finn

—2 april 2025

In de jaren 1970 werd het idee van een “sociaal Europa” gepromoot als antwoord op de crisis van het kapitalisme. De term werd later gebruikt om ons af te leiden van het feit dat de EU voortdurend het neoliberale dogma omarmde.

Eind 2023 overleed de Franse politicus Jacques Delors op 98-jarige leeftijd. De meesten herinneren zich Delors als voorzitter van de Europese Commissie, waar hij de basis legde voor de eenheidsmunt door middel van het Verdrag van Maastricht.

Hij wordt vaak in verband gebracht met het concept van een “ sociaal Europa”. De term vond zijn oorsprong tijdens de crisis van het wereldwijde kapitalisme in de jaren ‘70, toen linkse partijen en vakbonden op zoek gingen naar een radicaal alternatief voor de status quo. Toen Delors en zijn commissie echter de slogan “ sociaal Europa ” overnamen, verloor het zijn oorspronkelijke connotaties en werd het uiteindelijk een alibi voor het neoliberale kader van de eurozone, met gevolgen die vandaag de dag nog steeds actueel zijn.

Daniel Finn Het Europese project ontwikkelde zich vanaf het Verdrag van Rome tot aan de toetreding van landen als Groot-Brittannië, Ierland en Denemarken halverwege de jaren zeventig. Wat voor project was het toen, voor men begon te spreken over een “ sociaal Europa”?

Aurélie Dianara De naoorlogse Europese integratie wordt in het officiële discours van de Europese Unie over het algemeen voorgesteld als een vredesproject van na de Tweede Wereldoorlog – een project van enkele visionaire vaders van Europa zoals Jean Monnet, Alcide de Gasperi en Konrad Adenauer. In feite was het vooral een economisch project, geleid door conservatieve, christendemocratische en liberale krachten. Socialistische krachten waren zeer beperkt in de eerste jaren van dit integratieproces, terwijl de communistische partijen al helemaal afwezig waren in de Europese instellingen tot eind jaren ‘60 en begin jaren ‘70.

In 1957 werd met de ondertekening van het Verdrag van Rome de Europese Economische Gemeenschap ( EEG ) opgericht, de voorloper van de huidige Europese Unie. Die creëerde een gemeenschappelijke markt en douane-unie tussen de stichtende leden : België, Frankrijk, West-Duitsland, Italië, Luxemburg en Nederland. Het verdrag kwam er na veel discussies en voorbereidend werk, en betekende de overwinning van een liberale visie op economische integratie ten koste van andere, meer sociale visies.

In het Verdrag van Rome waren slechts twaalf van de 248 artikelen gewijd aan sociaal beleid, en van deze twaalf artikelen waren er veel tamelijk irrelevant. Er waren slechts drie echt relevante artikelen, waarvan er één een Europees Sociaal Fonds oprichtte dat zeer beperkte financiering had tot het einde van de jaren ‘60. Het tweede was een belangrijk artikel over gelijke verloning voor mannen en vrouwen binnen de EEG, maar dit werd pas eind de jaren ‘70 toegepast. Het derde artikel ging over non-discriminatie in arbeidsomstandigheden en toegang tot sociale bescherming voor werknemers die zich tussen verschillende lidstaten verplaatsen, maar ook dit artikel werd pas veel later toegepast.

Simpel gezegd was de algemene overtuiging van de mensen die het verdrag opstelden en de Europese leiders die het ondertekenden dat sociale vooruitgang vanzelf zou volgen uit economische welvaart. De EEG zou zoveel welvaart creëren dat het vanzelf sociale vooruitgang met zich zou meebrengen. Dit gebeurde natuurlijk niet, maar de dingen bleven grotendeels onveranderd met dit sociale tekort in de plannen voor Europese integratie tot het einde van de jaren ‘60.

Sorry, dit artikel is alleen voor leden. Inschrijven of Login als u al een account hebt.