Artikel

Het elitair onderwijs van Zuhal Demir

Line De Witte

+

Jeroen Permentier

—24 september 2026

Onderwijsminister Demir spreekt van kwaliteit en excellentie. Maar wat ze tegen heel het onderwijsveld in doorduwt, spreekt een andere taal: een onderwijs dat de ongelijkheden in de samenleving reproduceert. Het kan anders.

Zuhal Demir (N-VA) besloot om 20.000 studenten hun beurs af te pakken en zo de toegang tot het hoger onderwijs te ontzeggen. Ze bespaart in het secundair onderwijs waardoor honderden leerkrachten op zoek moeten naar een nieuwe job. Onder het mom van ‘kwaliteit’ moet de lat omhoog in het basisonderwijs met nieuwe minimumdoelen. Maar met overvolle klassen en een nijpend lerarentekort is het niet voor elke leerling mogelijk om over die lat te springen. En boven de hoofden van het hele onderwijsveld schrapte ze pedagogische studiedagen en tijd voor klassenraden.

De woede en het verzet tegen haar beleid waren hevig. Leerkrachten, leerlingen, directies, onderzoekers, studenten en ouders kwamen massaal op straat. Leerkrachten trokken naar Brussel met de brooddoos in de rugzak en een fluovestje aan om te protesteren tegen de afbouw van het onderwijs en hun pensioen. Studenten kwamen blokken in het Vlaams Parlement om het studiebeursdecreet tegen te houden. Duizenden scholieren staakten om de onderwijsvisie van de minister aan te klagen.

Zuhal Demir beweert dat ze de onderwijskwaliteit wil verhogen door in te zetten op Nederlands en wiskunde, dat ze orde en tucht wil herstellen en dat besparingen onvermijdelijk zijn. Achter die retoriek schuilt echter een maatschappelijke keuze. Haar beleid vertrekt niet vanuit de noden van scholen, leerlingen of leerkrachten, maar vanuit de noden van het bedrijfsleven. In dit artikel doorprikken we haar visie die allesbehalve nieuw of toevallig is.

Vlaams onderwijs: kampioen in ongelijkheid

In een ideale wereld is onderwijs een motor van gelijke kansen. Een hefboom die iedereen zo ver mogelijk laat springen. Waar je vandaan komt, waar je ouders werk(t)en, of je een jongen of meisje, rijk of arm bent zouden geen rol mogen spelen in hoe ver je het kan schoppen. Maar België is die ideale wereld niet, verre van. In ons land is het schoolsucces sterk gekoppeld aan de sociaaleconomische achtergrond van leerlingen. Groei je op in een kansarm gezin, dan zijn je kansen op schoolsucces veel kleiner. PISA-onderzoek bevestigt dat het Vlaams onderwijs kampioen is in ongelijkheid. Sociaaleconomische factoren verklaren hier 17% van de testresultaten, tegenover 11,9% gemiddeld in de OESO-landen.1

Waar je wieg staat bepaalt al te vaak welke richting je op school volgt. Kinderen uit armere gezinnen zitten vaker in het buitengewoon onderwijs en blijven vaker zitten.

Waar je wieg staat bepaalt al te vaak welke richting je op school volgt. Kinderen uit gezinnen met lagere inkomens belanden veel vaker in arbeidsmarktgerichte opleidingen dan kinderen uit gezinnen met meer middelen. Van de armste 10% van de Vlaamse gezinnen zit ongeveer de helft van de kinderen op 15 jaar in het beroepsonderwijs. Bij de rijkste 10% zit bijna 90% in het doorstroomgericht onderwijs (het vroegere ASO). Kinderen uit armere gezinnen zitten vaker in het buitengewoon onderwijs en blijven vaker zitten. De schooluitval bij leerlingen van wie de moeder enkel secundair onderwijs volgde, ligt dubbel zo hoog als bij leerlingen met een moeder die hoger onderwijs genoot.2

Line De Witte is sociologe en volksvertegenwoordiger en onderwijsspecialist voor de PVDA in het Vlaams Parlement. Ze werkte voordien als leerkracht wiskunde en geschiedenis in het secundair onderwijs.

Die ongelijkheid zet zich door in het hoger onderwijs. Of je een bachelor of master behaalt, hangt sterk samen met het opleidingsniveau van je ouders. Het aandeel studenten hoger onderwijs met een laagopgeleide moeder daalde de afgelopen 20 jaar van 28% naar 22%.3“Het zijn heus niet de arbeidersjongens die de aula’s vullen” kopte De Standaard treffend.4

Onderwijs is niet neutraal. Van bij de start van de industriële revolutie en de oprichting van de volksschool werd het onderwijs gebruikt om de kinderen van de heersende klasse voor te bereiden voor een plek aan de top, en de kinderen van de werkende klasse klaar te stomen voor een plek aan de band. Aan de ene kant de kostscholen, voorbereidende afdelingen en humaniora waar kinderen Latijn, Grieks en de weg naar de universiteit leerden kennen. Aan de andere kant de volksscholen, de lagere scholen voor de kinderen van arbeiders en de boeren, waar je net genoeg leerde om mee te draaien in het economisch systeem: lezen, schrijven, op tijd komen en zwijgen wanneer de baas spreekt.5

Jeroen Permentier is parlementair medewerker in het Vlaams Parlement rond het thema onderwijs. Voordien werkte hij binnen diverse functies voor het Ministerie van Onderwijs en als leerkracht kunst in het secundair onderwijs.
A person with shoulder-length hair and glasses is smiling softly in an indoor setting.

Na meer dan honderd jaar leerplichtonderwijs stellen we vast: ons onderwijs reproduceert nog altijd de ongelijkheden in de samenleving. Er zijn talloze mechanismen die dat in de hand werken. Nog steeds zijn er de opleidingen die jongeren leren initiatief nemen en voorbereiden voor de universiteit, tegenover richtingen die hen klaarstomen voor een specifieke functie – in de fabriek, de zorg, als loodgieter of elektricien. Het is geen toeval dat leerlingen in beroepsgerichte richtingen nauwelijks algemene vorming krijgen, en weinig worden aangemoedigd om kritisch te zijn en initiatief te nemen. Het is evenmin toeval dat wie wordt voorbereid op de universiteit weinig technische kennis en kunde meekrijgt. Die strikte scheiding tussen handenarbeid en intellectuele arbeid is geen natuurverschijnsel, maar een typisch kenmerk van het kapitalisme. Het zorgt ervoor dat sommigen niet weten hoe ze een kraan moeten vervangen, terwijl anderen nauwelijks intellectueel worden uitgedaagd.

Net als de samenleving, is ook het onderwijs hiërarchisch opgebouwd. Intellectuele arbeid wordt als belangrijker beschouwd dan praktische arbeid. Kinderen met minder goede resultaten krijgen het advies om te blijven zitten of een andere richting te kiezen. Nogal vaak zijn dat de kinderen uit de arbeidersklasse. Wie geen eigen studeerkamer heeft en geen dure bijles kan betalen, loopt achterstand op. Ouders worden geacht zich na de schooluren mee over het schoolwerk te buigen, een moeilijke opdracht voor wie bijvoorbeeld in ploegen werkt of de schooltaal niet machtig is. Daarbovenop moeten kinderen al heel vroeg kiezen tussen arbeidsmarktgerichte, dubbele of doorstroomfinaliteit (het vroegere BSO, TSO, ASO), wat die ongelijkheid nog versterkt. Leerlingen uit het arbeidsmarktgericht onderwijs hebben later een inkomen dat gemiddeld 40% lager ligt dan leerlingen uit het algemeen vormend onderwijs6. Ons onderwijs sorteert niet op talent, maar op klasse. De hiërarchie in de scholen is een weerspiegeling van de hiërarchie in het kapitalisme: CEO’s krijgen meer waardering dan de arbeiders die de fabriek doen draaien, intellectuele arbeid wordt hoger ingeschat dan praktische kunde.

De maatregelen die Zuhal Demir neemt, zullen die decennia lang ingebakken ongelijkheid verder versterken. We nemen drie voorbeelden onder de loep: de besparingen op de studiebeurzen, de besparingen op de leerkrachten in het secundair onderwijs en de nieuwe minimumdoelen in het basisonderwijs.

Minder centen? Dan is hoger onderwijs niets voor jou…

Zuhal Demir schrapt de studiebeurs van 20.000 studenten. Nochtans zijn die studiebeurzen een belangrijke verworvenheid van de werkende klasse: ze gaven vanaf het begin van de 20steeeuw toegang tot het elitaire hoger onderwijs. Ze trekken een ongelijk onderwijs een beetje recht. Wie het thuis niet breed heeft, krijgt zo toch een kans om verder te studeren en een diploma hoger onderwijs te halen.

Die verworvenheid valt de minister nu aan. Studenten die niet voltijds studeren of die ouder zijn dan 30 jaar krijgen geen beurs meer.7Na breed protest beloofde zij enkele uitzonderingen op de regel. Maar uitzondering of niet, Demir koppelt de maatregel aan een besparing van 34 miljoen euro. Concreet betekent het dat zo’n 20.000 studenten hun studiebeurs verliezen. En daarmee ook de toegang tot het hoger onderwijs.

Vooral studenten die werken om hun studie te betalen, zullen dit hard voelen. Vaak studeren zij niet voltijds: wie een dag per week werkt, heeft minder tijd voor de studie. Je kan nu eenmaal moeilijk op twee plaatsen tegelijk zijn. Om toch een diploma hoger onderwijs te kunnen halen, spreiden ze hun studie over meerdere jaren en nemen ze een of twee vakken minder op. Wie hen verplicht om bijna voltijds te studeren, maakt verder studeren voor hen in feite onmogelijk. Aan die studenten zegt Demir: er is geen plek voor jullie aan de hogeschool of universiteit.

Zuhal Demir schrapt de studiebeurs van 20.000 studenten. En daarmee ook hun toegang tot het hoger onderwijs.

De studenten, de professoren, de rectoren, de Raad van State8: allemaal zijn ze vernietigend over de beslissing om te snoeien in studiebeurzen. Het zal het hoger onderwijs alleen maar ongelijker maken, klinkt het in koor. De Vlaamse Vereniging voor Studenten (VVS) noemt het een ‘ideologisch decreet’9, dat de toegang tot het hoger onderwijs voor jongeren uit de arbeidersklasse nog verder bemoeilijkt.

Geen onderwijs zonder leerkrachten

Onze leerlingen scoren steeds slechter voor wiskunde en Nederlands in internationale toetsen.10Daar zijn verschillende factoren voor verantwoordelijk, maar in het onderwijsveld is quasi iedereen het erover eens: het lerarentekort is vandaag het grootste probleem. Geen leerkracht voor de klas betekent geen les, en dus leer je niets.

Volgens een bevraging van de Vlaamse Scholierenkoepel heeft 67% van de leerlingen door het lerarentekort elke week minstens een uur studie. Bij een vijfde van de leerlingen gaat het zelfs om een halve dag of meer.11Het beroep van leerkracht is zwaar. Een leerkracht werkt volgens tijdsbestedingsonderzoek zo’n 48 à 49 uur per week.12De ziekte-uitval bij oudere leerkrachten is groot13en een kwart van de starters zoekt binnen de vijf jaar ander werk.14

Wat doet minister Zuhal Demir? In plaats van het lerarentekort aan te pakken, doet ze er een schep bovenop: ze bespaart 63 miljoen euro op het secundair onderwijs, waarvan 35 miljoen rechtstreeks op leerkrachten.15Concreet betekent dat honderden leerkrachten minder. Scholen zullen klassen moeten samenvoegen en voor de leerkrachten die overblijven, wordt de job zwaarder. Bovendien treft de maatregel in de eerste plaats de arbeidsmarktgerichte en dubbele finaliteit (het vroegere BSO en TSO).16

Het lerarentekort sleept al jaren aan en heeft een sneeuwbaleffect. Hoe groter het tekort, hoe hoger de werkdruk, hoe meer leerkrachten uitvallen of de sector verlaten… waardoor het tekort weer aangroeit. Het sneeuwbaleffect is een lawine-effect geworden. En net dat effect zal Demir nu versterken: ze verslechtert de arbeidsvoorwaarden van leerkrachten, laat hen langer werken voor minder pensioen en bespaart rechtstreeks op de middelen voor leerkrachten. Zo maakt ze het lerarentekort alleen maar groter.

Het lerarentekort is een probleem voor de leerkrachten, maar evengoed voor de leerlingen. Geen enkele leerling is gebaat bij uren studie in de plaats van les. Wie thuis niet kan terugvallen op ouders die ‘s avonds de leerstof nog eens uitleggen, of wie geen dure bijlessen kan betalen, raakt achterop. Zo treft het lerarentekort niet iedereen even hard – het versterkt net de ongelijkheid die ons onderwijs en onze samenleving kenmerkt.

Een hoge lat als selectiemechanisme

Minister Demir beweert de lat in het onderwijs hoger te willen leggen – de kwaliteit moet omhoog. Maar tegelijk investeert ze niet in kleinere klassen, pakt ze het lerarentekort niet aan en voorziet ze te weinig ondersteuning voor leerlingen. Wie wil dat zoveel mogelijk jongeren de hoge lat halen, investeert in de voorwaarden om te slagen. Dat de minister dat niet doet, is een bewuste keuze.

Ze wil een hoge lat voor een bepaalde groep – een elite. Maar ze wil niet dat iedereen over die lat springt. Wie de lat niet haalt, wordt eruit gefilterd: zij geraken achterop, blijven zitten of vallen uit. De hoge lat wordt zo geen instrument om jongeren vooruit te helpen, maar een selectiemechanisme dat bepaalt wie doorgaat en wie achterblijft.

Om de lat hoger te leggen voert de overheid de komende jaren nieuwe minimumdoelen in in het kleuter- en lager onderwijs. Dat is de minimale kennis die een leerling moet beheersen om te mogen overgaan naar een volgende graad of onderwijsniveau. Haalt een leerling dat niveau niet, dan kan die blijven zitten, zelfs in de kleuterklas. In een te grote klas, zonder hulp van thuis en zonder dure bijles, zullen heel wat jongeren die doelen niet halen. Veel van hen, vooral kinderen uit de werkende klasse, zullen het jaar moeten overdoen. Zonder dat ze er iets aan kunnen doen, bouwen ze een achterstand op en krijgen ze niet dezelfde kansen om hun talenten te ontwikkelen.

In een te grote klas, zonder hulp van thuis en zonder dure bijlessen, zullen heel wat jongeren de minimumdoelen niet halen.

Ook de inhoud van de minimumdoelen legt het klassenkarakter van ons onderwijs bloot. Zo moeten kleuters weten waar de Nijl ligt, moeten kinderen in het vierde leerjaar vlot kunnen meepraten over de Codex van Hammurabi en het Gilgamesj-epos, en maken ze in het zesde leerjaar kennis met Garcia II van Kongo… Dat is geen onbelangrijke kennis. Maar even belangrijk is het om in contact te komen met je syndicale rechten of te weten wie Patrice Lumumba was.17

Wat het taalbeleid betreft, ziet de minister de kennis van het Nederlands als de grootste uitdaging voor ons onderwijs. Niemand ontkent dat deze kennis essentieel is. Het is de taal waarin je op school alle andere vakken leert, de taal die bepaalt of je op de speelplaats een gesprek kan voeren met je klasgenoten. Het is de sleutel tot een job, tot het begrijpen van je rechten en tot deelname aan de samenleving. Een betere kennis van het Nederlands bij alle kinderen kan, zoals de beleidsnota het zegt, een verbindende en emanciperende rol spelen.18Voor de minister is het Nederlands echter eerder een selectiemechanisme dan een hefboom om alle kinderen mee te krijgen. Wil je kleuters Nederlands leren, dan moet je eerst het lerarentekort in het kleuteronderwijs oplossen, waar leerkrachten nu vaak voor klassen van 20, 25 of zelfs 30 kleuters staan. In zulke grote klassen is het onmogelijk om elke kleuter de nodige aandacht te geven en Nederlands aan te leren. De minister breidt integendeel de KOALA-testen, screenings die de kennis van het Nederlands meten, nog meer uit. Tegelijk wordt het mogelijk gemaakt dat kleuters blijven zitten en niet mogen overgaan naar het lager onderwijs.

Voor het basisonderwijs besliste Zuhal Demir om leerlingen die niet goed Nederlands spreken samen te zetten in ‘taalheldklasjes’, waar ze tot twee jaar lang apart les krijgen. Experts vinden dat een slecht idee. Prof. Piet Van Avermaet (UGent): “Een extra leerkracht die ondersteunt in de klas is veel beter. Dan is de contextuele verbinding veel sterker.” En: “De taal van de wiskundeles wordt in de wiskundeles geleerd.”19Ook Prof. Dirk Van Damme, vroeger kabinetchef van onderwijsminister Frank Vandenbroucke en voormalig hoofd van de Onderwijsafdeling van de OESO, maar ook de trekker van meerdere inhoudelijke projecten onder N-VA-ministers Weyts en Demir, geeft toe dat aparte taalbaden niet de meest efficiënte manier zijn om kinderen Nederlands te leren: “Wat ik absoluut niet heb willen verdedigen, is een langdurig afzonderlijk regime voor anderstalige leerlingen. Dergelijke interventies moeten kort zijn, intensief, en niet de gehele onderwijstijd beslaan. Er moet met andere woorden voldoende tijd zijn voor interactie in een heterogene, inclusieve setting. En dan kom ik dicht bij wat Kris Van den Branden in 2019 zelf als positief bekeek: “intensieve taalondersteuning gedurende twee uur per dag in kleine groepen, waarna de kleuters het geleerde meteen kunnen toepassen in de context van de reguliere kleuterklas.”20Het taalplan van Zuhal Demir zorgt niet voor verbinding of emancipatie. Integendeel: wie het Nederlands niet machtig is, wordt gescheiden van de andere kinderen en begint zijn schoolloopbaan met vertraging.

In het secundair onderwijs bespaart de minister 15 miljoen euro op OKAN, onderwijs voor anderstalige nieuwkomers. Daardoor verdwijnt de job van 2/3de van de vervolgcoaches, experts die anderstalige leerlingen ondersteunen om te integreren in het regulier onderwijs. Zij zorgen ervoor dat leerlingen Nederlands kunnen spreken in de klas, helpen bij oudercontacten en het zoeken van hobby’s en activiteiten waar jongeren verder Nederlands kunnen oefenen. Ze stippelen een traject uit waardoor deze leerlingen in het regulier onderwijs meer slaagkansen hebben en tegelijkertijd Nederlands oefenen. De drastische besparing heeft grote gevolgen: verschillende jongeren zullen niet meer meekunnen in het gewoon onderwijs, zullen uitvallen en zonder diploma en een algemene vorming hun weg moeten zoeken in het leven.

De hoge lat met haar minimumdoelen en eisen voor het Nederlands, dient in de eerste plaats om te filteren: een hoge lat voor de elite, die wordt klaargestoomd om zichzelf op te volgen, een selectiemechanisme voor de rest. Wil men hoge doelen voor iedereen, wil men het Nederlands aanreiken als een hefboom tot emancipatie, dan moet er ingezet worden op kleinere klassen en op leerkrachten in de klas die elke leerling op zijn of haar niveau kunnen ondersteunen. Dan kiest men minimumdoelen die ook met de werkende klasse verbonden zijn.

Het onderwijs in dienst van het kapitaal

Zuhal Demir zet het beleid voort van haar directe voorgangers, dat de sociale ongelijkheid in het onderwijs niet aanpakt maar integendeel versterkt. Ben Weyts (N-VA) voerde in het hoger onderwijs de elitaire ‘harde knip’ door. Minister Crevits (CD&V) plande om leerkrachten twee uur langer te laten werken voor hetzelfde geld met 3000 boventallige leerkrachten tot gevolg. Enkel de strijd vanop het terrein heeft haar plan tegengehouden. En voor haar bespaarde Pascal Smet (sp.a) op de werkingsmiddelen van de scholen.

Dit elitair beleid is evenmin een uniek Vlaams fenomeen. In verschillende westerse, kapitalistische economieën zien we hetzelfde gebeuren. In het Franstalig onderwijs bespaart minister Glatigny (MR) op leerkrachten en schoolinfrastructuur. Ze verhoogt het inschrijvingsgeld in het hoger onderwijs. Er heeft zich sinds november 2024 een indrukwekkende strijdbeweging ontwikkeld met vele honderden scholen die in staking zijn gegaan.21In Duitsland is er zo hard bespaard dat de renovatieachterstand van scholen oploopt tot 70 miljard euro.22Daar staakten duizenden leerkrachten tegen het lerarentekort en de slechte arbeidsomstandigheden, en kwamen scholieren in actie tegen de invoering van de dienstplicht. Ook in Engeland23, Italië24, de Verenigde Staten25en Frankrijk26waren er de afgelopen jaren grote protesten en stakingen tegen de afbraak van het onderwijs en de lerarentekorten.

Deze gebeurtenissen zijn natuurlijk geen toeval en zijn evenmin het gevolg van ministers die los van elkaar ondoordachte beslissingen nemen. Zij gebeuren onder druk van de grote bedrijven en monopolies die willen dat er minder geld gaat naar openbare diensten als onderwijs. En het geld dat er wel naartoe gaat, dient goed besteed te worden: jongeren kant en klaar afleveren voor de arbeidsmarkt. Voor bedrijven is het onderwijs de kweekvijver die ze nodig hebben om aan hun noden te voldoen: de nood aan goedkope arbeidskrachten, de nood aan jongeren die geen andere toekomst zien dan het leger, de nood aan arbeidskrachten die geschoold zijn in de moderne digitale technieken, aan fabrieksarbeiders die verder weinig vragen stellen… maar ook de nood aan de toekomstige CEO’s.

Ooit noemde premier Bart De Wever VOKA fier ‘zijn baas’. De werkgeversorganisatie wil dat 16-jarigen voltijds met school kunnen stoppen om te gaan werken.

Dat het bedrijfsleven een enorme invloed heeft op het onderwijsbeleid, wordt heel duidelijk wanneer we inzoomen op VOKA, de organisatie die het bedrijfsleven in Vlaanderen vertegenwoordigt. De organisatie ook die premier Bart De Wever ooit fier ‘zijn baas’ noemde. In hun verkiezingsmemorandum hadden ze de lijnen voor het Vlaams onderwijsbeleid al uitgezet, nog voor iemand gestemd had en nog voor Zuhal Demir minister was. VOKA focust in haar memorandum op vier hefbomen.27“Opnieuw naar de Europese top met ons onderwijs”, de tweede hefboom, opent met “Goed onderwijs vormt de basis voor welzijn en welvaart. Het is de beste investering in de enige Vlaamse grondstof die we hebben.”28Maar er is een probleem volgens VOKA. De kwaliteit van de ‘grondstof’ daalt, wat volgens de OESO zou leiden tot een daling van het bbp.29En dat terwijl ons onderwijs te veel geld zou kosten. Internationaal vergeleken spendeert Vlaanderen in het leerplichtonderwijs meer dan het OESO-gemiddelde.30

VOKA pleit voor een kwaliteitsvol basisonderwijs met “duidelijke” minimumdoelen en een forse inzet op de STEM-opleidingen in wetenschap, wiskunde en techniek, die het Vlaamse bedrijfsleven nodig heeft om haar positie aan de wereldtop van de industrie te blijven behouden.31Met minder geld je onderwijs laten excelleren lijkt tegenstrijdig, maar het volgt perfect de logica van het kapitaal: lever de economie de arbeidskrachten die zij nodig heeft en doe het met minder geld. Volgens die redenering is onderwijs geen middel om jongeren breed te vormen, hen te laten groeien in hun persoonlijkheid, hen kritisch te leren denken of hen de wereld te doen begrijpen. Het dient veeleer om iedereen zo snel en efficiënt mogelijk klaar te stomen voor een passende plek op de arbeidsmarkt, met een zo zuinig mogelijk gebruik van middelen.

Het programma van VOKA en het beleid van de Vlaamse Regering vertonen sterke gelijkenissen. Het onderwijs moet ‘excelleren’, er wordt ingezet op STEM-opleidingen en met de nieuwe minimumdoelen moet de lat omhoog. Maar die aanpak tilt niet alle leerlingen omhoog. Er wordt geen rekening gehouden met de uiteenlopende noden van élke jongere. VOKA en minister Demir willen een onderwijssysteem dat enerzijds een kleine groep ‘knappe koppen’ voortbrengt – ingenieurs, wetenschappers, artsen en managers – en anderzijds een grote massa jongeren kant-en-klaar aflevert voor de arbeidsmarkt: voor de band, de bouw of de verkoop. Hoewel de noden divers zijn, moet het onderwijs in die visie jongeren vooral opleiden tot een zo nauw mogelijke invulling van de arbeidsvraag. Wat daar niet in past, wordt als overbodig beschouwd en verdient volgens die logica dan ook geen financiële middelen.

Ook voor wie de lat niet haalt, heeft VOKA een oplossing klaar, al is die nog niet omgezet in beleid. De werkgeversorganisatie wil de leerplicht verlagen van 18 naar 16 jaar, zodat jongeren die vastlopen in het onderwijs sneller kunnen worden ingeschakeld op de arbeidsmarkt. In hun verkiezingsmemorandum lezen we: “Maak een opt-out mogelijk op het huidige leerplichtmodel voor jongeren die vanaf 16 al voltijds willen gaan werken.”32In de praktijk komt dat er op neer dat die jongeren louter worden klaargestoomd voor ongeschoolde, precaire arbeid aan lage lonen – of om op jonge leeftijd de tekorten in het leger te helpen opvullen.

Zo verandert ons onderwijs steeds meer in een zeef. Het arbeiderskind in een overvolle klas en de anderstalige nieuwkomer worden met deze maatregelen niet omhooggetild, maar uit het onderwijs gesorteerd. Wie van huis uit een duw in de rug krijgt, wie geld heeft voor extra bijlessen en wie nuttig is voor de economie: zij zullen het halen. De anderen vallen door de mazen van het net. De leerplicht, die in 1983 – midden een economische crisis – werd opgetrokken van 14 naar 18 jaar om jongeren uit de jeugdwerkloosheid en van de straat te houden, zou nu weer mogen worden verlaagd om de noden van de arbeidsmarkt te lenigen. En zonder ons verzet zal minister Demir – of haar opvolger – ook dit voorstel omzetten in beleid.

Onderwijs voor de werkende klasse

Een ander onderwijs dan dat van VOKA en de Vlaamse Regering is mogelijk. Finland bewijst het. In internationaal vergelijkend onderzoek scoren Finse scholieren al jarenlang topprestaties op vlak van lezen, wiskunde en wetenschap – én dat gaat gepaard met een uitzonderlijk grote sociale gelijkheid. Nochtans zijn Finse leerlingen niet intelligenter dan die elders. Het verschil zit hem in een radicaal ander onderwijsbeleid.

Van hun zevende tot hun zestiende volgen alle Finse leerlingen hetzelfde gemeenschappelijke programma. Dat biedt een brede algemene vorming: niet alleen taal, wiskunde en wetenschappen, maar ook muziek, kunst, lichamelijke opvoeding, koken en techniek – waarbij ze zowel hout als textiel leren bewerken. Het doel is niet kinderen snel te sorteren naar wat de arbeidsmarkt vraagt, maar iedereen een stevige basis mee te geven. Pas op hun zestiende maken leerlingen een keuze tussen algemeen vormend of beroepsgericht onderwijs.

Het Finse onderwijs is volledig gratis, van de kleuterklas tot het einde van de secundaire school. Er wordt weinig overgezeten en veel minder leerlingen stromen door naar het buitengewoon onderwijs. De klassen zijn klein. Elke leerkracht heeft een masterdiploma en wordt goed betaald. Lesgeven is er een prestigieus beroep, dat minstens even hoog wordt aangeschreven als advocaat of arts.33

De onderwijsresultaten van Finland blijven tot op vandaag beter dan die van vergelijkbare landen. Maar er zit wel een duidelijke dalende lijn in de scores en de ongelijkheid neemt opnieuw toe. Dat is geen toeval. Ook Finland voert sinds 2010 besparingen door, en wil minder investeren in leerlingen die het van thuis niet allemaal meekrijgen. Het land kreeg te maken met economische achteruitgang, wat de druk vanuit het bedrijfsleven om te besparen vergrootte.34Tegelijk besliste de Finse regering haar uitgaven voor defensie op 10 jaar tijd meer dan te verdubbelen.35Finland sloot zich in 2023 aan bij de NAVO en zal miljarden aan oorlog spenderen, geld dat niet naar onderwijs kan gaan. Het bespaart op hoger onderwijs door te snoeien in studietoelagen en studentenhuisvesting36en op beroepsopleidingen waardoor jongeren 300 uur minder les krijgen.37Scholen zetten hun cognitief sterkste leerlingen nu ook vaker in een apart klasje. Een sterk aspect van het Fins onderwijs waar de sterkste leerlingen hun klasgenoten mee optrekken, gaat zo verloren.38

Wie wil breken met een systeem dat bespaart op onderwijs en zorg om te investeren in wapens, heeft een ander systeem nodig. Een systeem waarin onderwijs emancipeert.

Een blik op de geschiedenis leert ons hoe belangrijke democratische rechten in het onderwijs werden afgedwongen – rechten die later opnieuw onder druk kwamen te staan. Na de straffe stakingsbeweging van 1886-1887 werd de tewerkstelling van kinderen onder 12 jaar in industriële ondernemingen verboden: de eerste belangrijke wet tegen kinderarbeid.39In de hitte van de opstanden net voor de Eerste Wereldoorlog werd de leerplicht ingevoerd (maar door de oorlog weliswaar tot 1919 on hold gezet), waardoor duizenden kinderen uit de arbeidersklasse toegang kregen tot onderwijs. Na de Tweede Wereldoorlog, in een periode waarin revolutionaire groepen sterker stonden, werd de druk voor radicale sociale maatregelen opgevoerd en kreeg de sociale zekerheid vorm. In 1954 werd het eerste systeem van studiebeurzen ingevoerd om jongeren uit de arbeidersklasse toegang te geven tot het hoger onderwijs.40

Die geschiedenis leert ons één ding: hervormingen zijn mogelijk wanneer de druk van onderuit groot genoeg is, wanneer we ervoor vechten. Maar ook: ze zijn nooit definitief. Vandaag worden ze opnieuw afgebroken – in Finland, bij ons, overal. Pensioenen, sociale zekerheid, onderwijs: alles wat het leven beter maakt, moet wijken voor kruisraketten en F-35’s.

Als we die logica willen doorbreken, hebben we een ander systeem nodig. Een systeem waarin onderwijs emancipeert. Met respect voor leerkrachten en leerlingen. Met respect voor de arbeidersklasse. Waar jongeren de ruimte krijgen om hun persoonlijkheid en hun talenten te ontwikkelen en een goede aanloop meekrijgen om over een hoge lat te springen – of ze nu later als arbeider aan de slag gaan of als professor aan de universiteit. Voor zo’n onderwijs hebben we het socialisme nodig: een systeem waarin de noden van de mensen centraal staan, niet de winst.

Footnotes

  1. Franck, E. & Nicaise, I. (2018). Ongelijkheden in het Vlaamse onderwijssysteem: verbetering in zicht? Een vergelijking tussen PISA 2003 en 2015, Leuven: HIVA, Gent: SONO, 60 p.
  2. Statistiek Vlaanderen (2026): vroegtijdige schoolverlaters (op basis van administratieve data) www.vlaanderen.be/statistiek-vlaanderen/onderwijs-en-vorming/vroegtijdige-schoolverlaters-op-basis-van-administratieve-data en Franck, E. & Nicaise, I. (2018), idem.
  3. Kruithof, E., & Verhaeghe, P.-P. (2025). Sociale ongelijkheid in het Belgisch onderwijs: Een langetermijnperspectief. Tijdschrift Sociologie, 6, 94-127. https://doi.org/10.38139/ts.93137
  4. Demeyere, Y: Onderwijs weer even ongelijk als voor 1950: “Het zijn heus niet de arbeidersjongens die de aula’s vullen”, De Standaard, 3 december 2024
  5. Braster, S, Het onderwijs in de Lage Landen in historisch perspectief, in Demanet, Van Houtte & Vermeulen (red) (2024): Sociologen over onderwijs: inzichten, praktijken en kritieken, Antwerpen, Garant, p43-66
  6. Hirtt N, Nicaise I, De Zutter D (2007-2013) De school van de ongelijkheid, Berchem, EPO, p113-119
  7. Vlaanderen.be: Extra voorwaarden voor een studietoelage voor academiejaar 2026-2027 en bijhorende uitzonderingen www.vlaanderen.be/onderwijs-en-vorming/studietoelage/extra-voorwaarden-voor-een-studietoelage-voor-academiejaar-2026-2027-en-bijhorende-uitzonderingen
  8. Voor de adviezen van Vlaamse Onderwijsraad, hogescholen, universiteiten en Raad van State: zie de decreetbundel op www.vlaamsparlement.be/nl/parlementaire-documenten/parlementaire-initiatieven/2013803
  9. Vlaamse Vereninging voor Studenten in Hoorzitting over het ontwerp van decreet tot wijziging van meerdere decreten over het beleidsdomein Onderwijs en Vorming, wat betreft de studietoelagen in het hoger onderwijs en de kinderdagverblijven en voor- en nabewaking in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, Vlaams Parlement, 23 april 2026 www.vlaamsparlement.be/nl/parlementaire-documenten/gedachtewisselingen-hoorzittingen/2024330
  10. De Meyer, I., Berlamont, L., Hoedt, L., Janssens, R., Lermytte, A., Warlop, N., van Braak, J. (2023). Vlaams rapport PISA2022. Gent: Universiteit Gent. Mullis, I.V.S., von Davier, M., Foy, P., Fishbein, B., Reynolds, K.A., & Wry, E. (2023). PIRLS 2021. International Results in Reading. Boston College, TIMSS & PIRLS International Study Center. https://doi.org/10.6017/lse.tpisc.tr2103.kb5342. Verhelst, D., Verboven, C., Kenis, A., Coenen, S., Van den Eynde, L., De Loof, H., De Maeyer, S., & Van Petegem, P. (2024). Vlaanderen in TIMSS 2023, wiskunde- en wetenschapsprestaties van het vierde leerjaar in internationaal perspectief en doorheen de tijd. Antwerpen: Universiteit Antwerpen.
  11. Scholierenkoepel (2026) Persbericht: 34.288 leerlingen over hùn onderwijs! www.scholierenkoepel.be/kennisbank/pb-grotescholierenbevraging26
  12. Minnen, J., Verbeylen, J. & Glorieux, I., (2018). Onderzoek naar leraren in het basis- en secundair onderwijs. Brussel: Vakgroep Sociologie, Onderzoeksgroep TOR
  13. AGODI (2026) Rapport afwezigheden ziekte Vlaams onderwijspersoneel www.vlaanderen.be/publicaties/rapport-afwezigheden-ziekte-vlaams-onderwijspersoneel
  14. De Cort, W., & De Witte, K., Jobstabiliteit, het lerarenplatform en de uitval van startende leerkrachten, Leuvense Economische Standpunten 2025/235
  15. Zuhal Demir in antwoord op schriftelijke vraag van Line De Witte over de financiering van scholen in het secundair onderwijs, 5 mei 2026: www.vlaamsparlement.be/nl/parlementaire-documenten/schriftelijke-vragen/2013738
  16. Van Droogenbroeck, K., Grotere klassen en minder leraren vanaf 1 september: hoe de besparingen van Zuhal Demir doorwegen in het secundair onderwijs, De Morgen 5 juni 2026.
  17. Voor een volledig overzicht van de geldende minimumdoelen: https://onderwijsdoelen.be/ .
  18. Demir Z (2024) Beleidsnota 2024-2029 Onderwijs en Vorming https://publicaties.vlaanderen.be/view-file/70877
  19. www.vrt.be/vrtnws/nl/2025/07/08/reacties-op-plannen-vlaams-minister-demir-ambitieus-maar-welli/
  20. https://dirkvandammeedu.net/2023/07/02/de-case-voor-pull-out-taalremediering-een-antwoord-aan-kris-van-den-branden/
  21. Van Eerdeweg, H, Indrukwekkende strijdbeweging in het Franstalig onderwijs www.skolo.org/nl/2026/06/20/indrukwekkende-strijdbeweging-in-het-franstalig-onderwijs/
  22. Mertens, P., (2026), De laatste dagen van het oude normaal, Berchem, EPO, p. 15
  23. BBC: Teachers’ strikes: Will there be more? 15 april 2025 www.bbc.com/news/education-63283289
  24. Vracar, A., Students and teachers in Italy strike against right-wing reforms and militarization, People’s Dispatch, 7 mei 2026 https://peoplesdispatch.org/2026/05/07/students-and-teachers-in-italy-strike-against-right-wing-reforms-and-militarization/
  25. Yan, H., Here’s what teachers accomplished with their protests this year, CNN 29 mei 2018 https://edition.cnn.com/2018/05/29/us/what-teachers-won-and-lost/
  26. Joubioux, N., Around 30% of France’s teachers strike in protest against job cuts and low wages, Euronews 31 maart 2026 www.euronews.com/2026/03/31/around-30-of-frances-teachers-strike-in-protest-against-job-cuts-and-low-wages
  27. VOKA (2024) Nu ondernemen voor morgen
  28. VOKA (2024) Nu ondernemen voor morgen
  29. www.oecd.org/content/dam/oecd/en/publications/reports/2024/12/from-decline-to-revival_43a75960/8d0d232c-en.pdf – De centrale (vast)stelling van het rapport is de correlatie in de tijd tussen de vertraging van de productiviteitsgroei (-1,2% sinds 2000) en de daling van de groei van de “voorraad menselijk kapitaal” (van +0,11% per jaar over de periode 1987-2005 tot +0,03% per jaar sinds 2005).
  30. https://data-onderwijs.vlaanderen.be/documenten/bestanden/education-at-a-glance-vlaamse-brochure-2025.pdf . De bedragen van de OESO worden in USD weergegeven. In het kleuteronderwijs bedragen de overheidsuitgaven per leerling 12.772 USD. Voor het lager tot en met postsecundair niet-hoger onderwijs gaat het om 17.037 USD per leerling. De kosten zijn het hoogst in het hoger onderwijs, waar per student 24.143 USD aan overheidsmiddelen wordt geïnvesteerd. Op elk van deze niveaus liggen de Vlaamse uitgaven hoger dan het OESO-gemiddelde, waar het respectievelijk om 10.450 USD, 12.438 USD en 15.102 USD per leerling of student gaat.
  31. www.voka.be/vlaanderen/belangenbehartigen/onderwijs/kwaliteitsvol-basisonderwijs-met-duidelijke-minimumdoelen en www.voka.be/stempact?tab-list-81287-active-id=81285
  32. VOKA (2024) Nu ondernemen voor morgen, p 41.
  33. Schleicher, A., (2018), World Class: How to build a 21st-century school system, Strong Performers and Successful Reformers in Education, OECD Publishing, Paris. http://dx.doi.org/10.1787/4789264300002-en
  34. Sahlberg, P., (2021) Finnish lessons 3.0: what can the world learn from educational change in Finland? New York, London, Teachers College Press p240
  35. www.sipri.org/databases
  36. Major reform slashes housing aid for thousands of Finnish student: https://yle.fi/a/74-20170649
  37. Government cuts to vocational schools having dramatic effects, Yle investigation finds: https://yle.fi/a/74-20188060
  38. Välimaa, J. (2021). Trust in Finnish Education: A Historical Perspective. European Education, 53(3–4), 168–180. https://doi.org/10.1080/10564934.2022.2080563
  39. Witte, E., Craeybeckx, J. & Meynen, A. (2009). Politieke geschiedenis van België: van 1830 tot heden. Antwerpen: Standaard Uitgeverij.
  40. www.vlaanderen.be/ahovoks/dienstverlening/studietoelagen/informatie-over-studietoelagen-voor-professionals/historisch-overzicht-van-de-studiefinanciering