Artikel

Het basisinkomen: genese van een neoliberaal idee

Daniel Zamora

— 24 september 2017

Een basisinkomen wordt vaak gezien als een links idee. Maar indien we haar geschiedenis overlopen, krijgen we een heel ander beeld.

Sinds de aanvang van de crisis in 2008 is het idee van een basisinkomen voor iedereen weer helemaal terug. Het principe is dan ook eenvoudig en verleidelijk: als elke burger onvoorwaardelijk een “basisinkomen”1 krijgt, zou onze maatschappij niet langer worden geplaagd door armoede, precariteit of werkloosheid. In de ‘linkse’ versie zou elke burger worden bevrijd van de dwang tot arbeid en de vaak autoritaire sociale overheidsinstellingen. Hierdoor zou ruimte ontstaan voor nieuwe, autonome activiteiten en zou niemand zich nog langer verplicht voelen om gelijk welke job aan te nemen. In een maatschappij zonder arbeid is het basisinkomen bijgevolg de sociale techniek bij uitstek, eigen aan een postindustriële samenleving.

  1. Het artikel is een ingekorte en aangepast versie van één van de hoofdstukken uit Alaluf Mateo en Daniel Zamora (red.), Contre l’allocation universelle, Lux, 2017

Onlangs plaatste de rechtse regering in Finland het basisinkomen op de agenda als alternatief voor een deel van het systeem van de sociale zekerheid. De Canadese provincie Ontario wil op haar beurt in de zomer van 2017 een grootscheeps project op stapel zetten. In Europa staat Nederland momenteel het verst: dit jaar wordt het basisinkomen gelanceerd in een twintigtal gemeenten − waaronder Utrecht − om na te gaan wat de gevolgen zijn voor de begunstigden. Nog verrassender was echter dat in Frankrijk de verslagen socialistische presidentskandidaat Benoît Hamon het basisinkomen als belangrijkste maatregel in zijn programma had opgenomen. In Nederlandstalig België herlanceerde volksvertegenwoordiger Nele Lijnen (OpenVLD) het idee van een universeel basisinkomen in 2017 met haar boek Win for life.2

Zowat overal ter wereld discussiëren tal van politieke partijen openlijk over een onvoorwaardelijk inkomen voor elke burger. Het debat woedt zowel bij rechts als bij links en beiden prijzen het voorstel de hemel in vanwege zijn veronderstelde voordelen (komaf maken met de precariteit voor de enen, zich ontdoen van de oude bureaucratische instellingen van de sociale zekerheid voor de anderen).

In het licht van het nieuwe  zou een volledige tewerkstelling een utopie zijn en een vaste job achterhaald

Het ogenschijnlijk ‘liberale’ en tegelijk ‘sociale’ karakter van het voorstel lijkt de voorstanders zonder meer in twee groepen te splitsen: zij die blijven denken binnen het oude kader van de klassen en de industriële revolutie, en zij die zouden hebben begrepen dat we in de nieuwe ‘kenniseconomie’ grondig ons denkpatroon en onze instellingen moeten omvormen. In het licht van het dynamisme, noodzakelijk voor nieuwe ‘creatieve’ activiteiten, zou volledige tewerkstelling een utopie zijn en een vaste job achterhaald; de oude instellingen van de loonarbeid (recht op werk, sociale zekerheid, vakbonden…) zouden niet meer zijn dan verouderde machines die de ontwikkeling van de individuele vrijheid afremmen en bijgevolg moeten worden ontmanteld.

De voorbije dertig jaar werd het basisinkomen niet alleen almaar populairder, het bleek ook te kunnen bogen op een lange intellectuele traditie. De belangrijkste voorstanders associëren het gewoonlijk met de ideeën van Thomas More, Charles Fourier of Thomas Paine van wie de voorstellen bij het basisinkomen zouden aanleunen. Bij nader onderzoek lijkt die verwantschap veeleer beperkt. Kunnen we het basisinkomen nu echt vergelijken met het minimum levensniveau voor iedereen van Thomas More? Vanuit die optiek zou het evengoed de voorloper van een universele sociale zekerheid of een progressief belastingsysteem kunnen zijn.

Zoals elk politiek idee heeft ook het basisinkomen zich een eigen mythologie aangemeten, weliswaar a posteriori ontwikkeld om het een geïdealiseerde geschiedenis toe te kennen die teruggaat tot de 16e eeuw. De compleet fictieve en op intellectueel vlak meer dan twijfelachtige verwantschap beantwoordt bijgevolg minder aan een historische realiteit dan aan een poging om een legitieme basis te verlenen aan ideeën die recenter zijn dan aanvankelijk lijkt. De historicus Eric Hobsbawm had al bewezen hoe vaak instellingen, politieke ideeën of zelfs organisaties naar de geschiedenis verwijzen om zichzelf ‘verzonnen tradities’ toe te kennen en zo een illusie van duurzaamheid te creëren. De wortels van het basisinkomen in een ver verleden situeren verhindert paradoxaal genoeg elke geschiedschrijving. Het legt de oorsprong ervan buiten het kader van de sociale wetenschap en het verdoezelt bijgevolg de eigen historische mogelijkheidsvoorwaarden.

In werkelijkheid komt de plotse populariteit van de moderne versie van het basisinkomen − die zich veeleer situeert in de jaren zestig van vorige eeuw − voort uit de economische crisis van 1973 en de gevolgen ervan. Zowel bij links − vaak binnen de opkomende groene beweging − als bij nieuw neoliberaal rechts duikt het idee van een basisinkomen op in de politieke programma’s. Vanuit die optiek lijkt het een eis te zijn die verband houdt met de crisis waarmee wordt geschermd in situaties van sociale achteruitgang en offensief besparingsbeleid. Het gaat dus om een diepe paradox: hoe rechtser het beleid en hoe meer de sociale beweging in het verweer wordt gedrongen, hoe meer terrein het basisinkomen lijkt te winnen. Hoe verderaf sociale verworvenheden liggen, des te meer het idee van een basisinkomen zinvol lijkt. Op die manier lijkt het basisinkomen niet het resultaat te zijn van talrijke sociale strijdmomenten in het verleden maar het logische alternatief voor het opgeven van de sociale strijd. Botanisten noemen dat doorgaans een ‘bio-indicator’. Zo leren we hoe het is gesteld met de voortgang van het neoliberalisme. Het basisinkomen wint steun, daar waar de neoliberale hervormingen de meeste schade hebben aangericht.

De inzet van een basisinkomen is dus niet enkel technisch van aard (welk bedrag? is het mogelijk? hoe het uitvoeren? welke gevolgen?) maar heeft te maken met de intellectuele grondslagen van naoorlogs links. Wij zullen ons ver van de gefabriceerde kronieken houden en aantonen dat het idee van het basisinkomen maar mogelijk werd door de instellingen van de sociale bescherming in vraag te stellen. Er is dan ook een duidelijk verband met de opkomst van het neoliberalisme, zowel wat betreft het neoliberale antwoord op de crisis als wat betreft de opvatting van sociale rechtvaardigheid die deze ideologie uitdraagt.

De revolutie van de sociale staat

Om de politieke betekenis van een voorstel als het basisinkomen te begrijpen, moeten we terugkeren naar zijn tegenpool. Want de grondslag van de sociale staat met zijn systeem van sociale zekerheid staat diametraal tegenover die van het basisinkomen. De oorsprong ervan en de rechten die ermee gepaard gaan, zijn niet zomaar een technisch hoogstandje. Ze zijn beide het resultaat van een diepgaande en langdurige omvorming van onze opvatting over de sociale kwestie. Die begon zich vanaf het midden van de 19e eeuw te verzetten tegen het liberale regime dat overheerste in de periode van de industrialisering. We kunnen die sociale ‘revolutie’ overigens opdelen in vier grote omvormingen.

Vooreerst wordt het begrip individuele verantwoordelijkheid in vraag gesteld. De opkomst van de instellingen voor sociale bescherming werd immers mogelijk gemaakt door de ontwikkeling van een macro-economische opvatting over de sociale problemen. Zo zullen de principes van de ‘responsabilisering’ van de armen en de non-interventie in het liberale economisch beleid van de 19e eeuw volledig in diskrediet worden gebracht. Voortaan worden armoede en werkloosheid beschouwd als een gevolg van het economische systeem zelf en niet alleen als het gevolg van falend individueel gedrag (luiheid, immoraliteit…). De miserie onder de arbeiders en de werkloosheid kunnen niet langer worden opgelost door de uitvoering van de disciplinaire maatregelen van het liberale regime, dat gekenmerkt wordt door dwangarbeid in de Engelse workhouses, de werkhuizen waarin bedelaars werden opgesloten. Bovenaan het politieke en economische actieplan staat niet langer de individuele verantwoordelijkheid maar macro-economische variabelen.

Ten tweede impliceert de teloorgang van het begrip individuele verantwoordelijkheid de eis van sociale rechten met een universeel perspectief. Arbitraire en individuele gunsten zoals de verschillende vormen van liefdadigheid, die tot het einde van de 19e eeuw in zwang waren, moeten op de schop. Immers, als werkloosheid of armoede sociale verschijnselen zijn, spreekt het voor zich dat de overheid voor een collectieve oplossing zorgt. De socialisering van een deel van de geproduceerde rijkdom met het oog op de toekenning van collectieve rechten (het recht op gezondheid, onderwijs, een pensioen…) creëert naast de privé-eigendom een sociale eigendom, die ervoor moet zorgen dat de loontrekkers als echte burgers in de maatschappij worden opgenomen. Die oplossing kwam er in de 19e eeuw met wat Emile Buret ‘de absolute scheiding tussen kapitaal en arbeid’ noemde.

Met de revolutie van de sociale staat moet de idee van liefdadigheid plaats ruimen voor de ambities van de gelijkheid

Ten derde vloeit uit die gesocialiseerde eigendom een nieuwe rol voor de staat voort. De overheid opereert niet langer alleen maar ‘in de marge’, maar grijpt in heel de gemeenschap in, waardoor ze haar actieveld uitbreidt naar de economische sfeer. Om rechten te kunnen verlenen moet immers de toegang tot bepaalde goederen worden afgebakend van de toegang tot de markt. Deze ‘ontmarkting’ wil zekerheid bieden in de sectoren die essentieel zijn voor het menselijk bestaan (gezondheid, werk, inkomen, onderwijs, enz.) en wijzigt de krachtsverhoudingen in het voordeel van de onderdrukte klassen. Logischerwijze leidt de sociale staat dan tot de nooit geziene uitbreiding van mechanismen die de individuen willen onttrekken aan de wrede marktverhoudingen en de institutionele grondslag willen leggen voor hun collectieve kracht rond het moderne loonstelsel en de rechten die eruit voortvloeien. Dat idee, verdedigd door Karl Polanyi in La grande transformation, wil met elk principe van sociale bescherming het individu loskoppelen van de marktwetten en bijgevolg de krachtsverhoudingen tussen kapitaal en arbeid op een andere leest schoeien.

Tot slot gaat achter de regulering van de economische sfeer ook de opkomst van het gelijkheidsideaal schuil, het echte ideologische hart van het naoorlogse sociale project. Met de revolutie van de sociale staat moet het achterliggende idee van de openbare liefdadigheidsinstellingen − sociale rechtvaardigheid voor de armen ‘die het verdienen’ − plaats ruimen voor de ambitie van gelijkheid. De grote ongelijkheid van voor de oorlog wordt immers deels verantwoordelijk gesteld voor de conflicten die het oude continent naar de catastrofe van de Eerste Wereldoorlog hebben geleid. In de loop van de jaren 1870-1914 had de ongelijkheid inderdaad extreme proporties aangenomen, wat een bevestiging leek van het door Marx gepopulariseerde idee van de oneindige natuurlijke accumulatie van rijkdom in enkele handen. Voortaan stelt het probleem van sociale onzekerheid zich almaar minder in termen van absolute ‘armoede’ (of ‘pauperisme’) maar meer in termen van algemene inkomensverdeling en hoe groot de bestaande kloof tussen armen en rijken wel is. Het sociale beleid moet dan de belichaming zijn van de strijd tegen ongelijkheid en op lange termijn van de instelling van het universele recht op de levensnoodzakelijke goederen. De gestage groei van de bevolking en de toenemende inlijving in de systemen van sociale bescherming zullen tal van auteurs aanzetten tot voorspellingen over het einde van de armoede. De oplossing voor de sociale problemen overstijgt de universalisering van de sociale zekerheidsinstellingen.

De teloorgang van het naoorlogse project

De aanhoudende armoede maakt dat dit optimisme al snel barsten gaat vertonen. Eerst in Amerika, waar in 1962 The Other America van Michael Harrington verschijnt. Het succes is overweldigend en meer dan 1 miljoen exemplaren gaan over de toonbank. Harrington legt in zijn werk het andere Amerika bloot, het Amerika van de ongeschoolde arbeiders, de minderheden en de ouderlingen die leven in de schaduw van de Amerikaanse droom en de economische groei. Het enthousiasme over de New Deal heeft dit arme Amerika onzichtbaar gemaakt, beweert Harrington. Op een of andere manier zou de naoorlogse economische ontwikkeling mee verantwoordelijk zijn voor de armoedekwestie en het achterlaten van de minstbedeelden. Nu de hoop de bodem is ingeslagen, is het tijd om de kwestie weer bovenaan de agenda van het politieke debat te plaatsen.

Frankrijk bijt de spits af in het begin van de jaren 1970 met de werken van twee hooggeplaatste ambtenaren met nationale uitstraling. Eerst en vooral René Lenoir met Les exclus. Un français sur dix (De uitgeslotenen. Eén Fransman op tien). Het werk ontleent zijn belang aan de persoonlijke status van de auteur, op dat moment minister van Sociale Zaken onder president Valéry Giscard d’Estaing. Die bijzondere positie maakt dat het boek gunstig wordt onthaald en dat de focus van het sociale beleid enigszins kan ombuigen naar de ‘uitgeslotenen’. Daarnaast is er het werk van Lionel Stoléru, ook in 1974 uitgegeven, waarin sprake is van “het overwinnen van de armoede in de rijke landen”.3

Voor Friedman gaat de negatieve belasting uiteraard gepaard met de afschaffing van de openbare diensten en de sociale zekerheid.

Die auteurs doen echter meer dan het systeem aanklagen. Ze sturen ook aan op een meer algemene omvorming van de gangbare opvatting over sociale rechtvaardigheid en de noodzakelijke oplossingen ervoor. De ambitie van universalisering van de sociale zekerheid die overheerste tot in het midden van de jaren zestig, wordt dan ook stap voor stap losgelaten ten voordele van de specifieke verdediging van de fameuze ‘nieuwe armen’, de talrijke groepjes die ‘uitgesloten’ zijn van de voordelen van het loonstelsel en de welvaart van de Trente Glorieuses (dertig glorieuze jaren – van 1945 tot 1975 – van economische welvaart in Frankrijk).

Voor het eerst wordt her en der gedebatteerd over ‘de uitsluiting’ en zelfs de onbekwaamheid, de onverantwoordelijkheid van het naoorlogse sociale beleid daarin. Het idee ontstaat dat de klassieke instellingen deze ‘armoede te midden de overvloed’ niet kunnen verhelpen en dat bijgevolg het sociale beleid tot dan toe tekortschoot. De sociale zekerheid, de sociale staat en het recht op werk zouden de armen hebben ‘uitgesloten’ van deelname aan de rijkdom en hen mee in hun situatie gevangen houden. Een uitbreiding van de sociale zekerheid is dus niet de oplossing vermits ze deels verantwoordelijk is voor die uitsluiting. De sociale zekerheid en de openbare diensten krijgen dan doorgaans het verwijt dat ze inefficiënt en bureaucratisch zijn en volkomen onbekwaam om zich te richten tot wie ‘het echt nodig heeft’. Meer algemeen zullen talrijke werken (van ‘links’ en van ‘rechts’) de beschermingssystemen ontmaskeren als sociale controle-instellingen, die niet zozeer de begunstigden willen emanciperen maar hun afhankelijkheid van de staatsmacht bestendigen.

In enkele jaren tijd lijken zowel de sociale zekerheid als de door de sociale staat ingevoerde rechten van alle kanten te worden belaagd. Ook al ging het overheersende discours tot dusver over de gestage integratie van de armen in de instellingen van de loonarbeid, nu gaat het enkel nog over de afschaffing ervan. Jacques Fourier en Nicole Questiaux benadrukken terecht dat de meerderheid van de analyses van midden de jaren zestig tot de jaren zeventig “de mislukking van het beschermingssysteem” en “het verlies van energie in de loop van het verdelingsproces” willen aantonen en schuiven een “eenvoudig idee” naar voor: “een gegarandeerd minimum voor iedereen, min of meer onafhankelijk van ieders deelname in de bescherming”.4 Ze willen vooral een bodem creëren voor wie is uitgesloten van de economische concurrentie en vooral niet dat de overheid nog langer zelf de economische sfeer reguleert. Het verzekeringsprincipe, dat ervan wordt beschuldigd de ‘vierde wereld’ en de ‘marginalen’ gevangen te houden in de armoede, wordt vervangen door het idee van een ‘minimum inkomen’, een ‘minimum welzijn’, of nog: een ‘sociaal minimum’. Veel verenigingen zullen daarin meegaan. Dit minimum zou vooral ‘humanitair’ en ‘individueel’ zijn, en niet langer een vorm van solidariteit, verbonden met de arbeid.

Dit is de voorbode van een nog ambitieuzer project dat in het begin van dit decennium op menig verlanglijstje zal staan: zowel het idee van een negatieve belasting, naar voor geschoven door Milton Friedman, als dat van het basisinkomen ter vervanging van de sociale zekerheid, banen zich een weg.

De negatieve belasting: de neoliberale voorouder

Een sociaal beleid dat beperkt is tot het levensminimum: het idee opende al snel de deur naar een negatieve belasting als alternatief voor het vroegere sociale beleid. Het werd gepopulariseerd door Milton Friedman in 19625 en is relatief eenvoudig: iedereen onder een bepaald inkomensniveau krijgt van de overheid een uitkering. Er wordt niet langer een onderscheid gemaakt tussen wie werkt of werkloos is, wie ‘het verdient’ of ‘het niet verdient’. Iedereen onder een bepaalde inkomensdrempel zou van de regering een bijkomend bedrag ontvangen (een negatieve belasting). Op die manier hoeft niemand nog onder een minimumniveau terecht te komen en wordt geen tijd verloren met administratie. Voor Friedman gaat dit uiteraard gepaard met de afschaffing van de openbare diensten, de sociale zekerheid en elke vorm van ‘socialisering’ van de inkomens voor collectieve doeleinden: subsidieer mensen rechtstreeks in plaats van hen inefficiënte collectieve diensten aan te bieden; die zijn immers ook nog onrechtvaardig en dwarsbomen de werking van de vrije markt.

Zijn recept is een doorslagje van de talrijke defecten van een zogezegd ‘voorbijgestreefd’ systeem en zal ver buiten zijn onmiddellijke aanhangers gehoor vinden. In Frankrijk zijn Stoléru en Lenoir fervente verdedigers van zo’n belasting. Stoléru is voorstander van een grondige hervorming van de sociale zekerheid die hij vergelijkt met een ‘inefficiënt vergiet’. Voor Lenoir is de negatieve belasting “de beste techniek” om “armoede uit de wereld te helpen”.6

Hoe tegenstrijdig het ook mag lijken, toch nemen sommige armoedeverenigingen zoals ATD-Vierde Wereld dit idee op in hun eisenbundel op lange termijn. Naast onmiddellijke maatregelen is voor hen “de techniek van de negatieve belasting coherenter en biedt die meer zekerheid dan de huidige wetgeving inzake gegarandeerde rechten”.7 Het feit dat die verenigingen zich aangetrokken voelen tot een veeleer rechts systeem maakt duidelijk hoe ambivalent hun eisen zijn als het gaat over armoede en meer specifiek over hun verhouding tot de overheid en de sociale zekerheid. Die ambivalentie is echter niet het voorrecht van de verenigingssector alleen. Een intellectueel als Michel Foucault schaart zich eind jaren 1970 eveneens achter dit systeem. Hieruit blijkt hoezeer nieuw links, dat zich tegen de instellingen afzet, ook vrij sceptisch staat tegenover de weldaden van “overheidsbemoeienis”.8

In zijn Naissance de la biopolitique wijdt Foucault een lange passage aan de negatieve belasting. Hoewel socioloog José Luis Moreno Pestaña opmerkt dat Foucault “subtiel heen en weer slingert tussen analyses en positieve evaluaties”9, toch vindt hij de passage over de negatieve belasting betrekkelijk positief. Net het feit dat er geen onderscheid wordt gemaakt in de toekenningscriteria, spreekt deze filosoof erg aan. Dit systeem lijkt in zijn ogen een antwoord op de bestuurlijkheid10 en de gedragscriteria die de oude gecentraliseerde en door de overheid beheerde instellingen van de sociale zekerheid opleggen. Zoals hij opmerkt “doet het fameuze onderscheid dat de westerse bestuurlijkheid zo lang heeft willen maken tussen goede en slechte armen, tussen zij die vrijwillig werkloos zijn en zij die het buiten hun wil om zijn, er niet toe. Uiteindelijk trekken we er ons geen barst van aan waarom iemand onder het sociale niveau terechtkomt en moeten we dat ook niet doen: of hij zich nu drogeert of vrijwillig werkloos is, wat maakt het uit?11

Pestaña merkt terecht op dat Foucault gelooft dat “het neoliberalisme zijn modellen niet projecteert op het individu: zij hebben geen enkel performatief gevolg en projecteren geen enkele vorm van normaliteit; ze zijn slechts een denkkader om iemands gedrag te begrijpen.”12 De homo economicus is een handelend wezen van wie alleen de rationele berekeningen van belang zijn; zijn keuzes worden dus niet beoordeeld vanuit moreel oogpunt maar enkel begrepen vanuit het belang ervan. Uiteindelijk is het niet de overheid die moet uitmaken wat iemand met zijn geld doet (gezondheid, onderwijs, consumptie…) maar de persoon zelf die beslist, los van elke normatieve beoordeling. Dankzij het nieuwe systeem zou de “vlottende” bevolking, het overschot aan arbeidskrachten op de arbeidsmarkt, “beter geholpen zijn met een zeer liberaal, veel minder bureaucratisch, veel minder disciplinair model dan een systeem dat gericht is op volledige tewerkstelling en mechanismen zoals de sociale zekerheid in werking zet.13 In feite wordt op die manier alles vermeden wat Foucault in de loop der jaren in zijn werken heeft aangeklaagd, alle vormen van controle van het sociale lichaam, het gedrag en de seksualiteit die − vaak verdoken − aanwezig waren in tal van sociale beleidsvormen, gericht op een vermindering van de ongelijkheid.

Dat systeem zal echter niet alleen in theorie populair blijven, weldra zullen de gevolgen van de eerste grootschalige toepassingen zich laten voelen. De VS is het eerste land dat ernstig nadenkt over de invoering ervan: vanaf het midden van de jaren zestig, binnen de regering van Lyndon B. Johnson maar vooral daarna onder Richard Nixon. Zijn plan van familiale bijstand, opgevat als een negatieve belasting, is evenwel niet verder geraakt dan enkele schuchtere pogingen in New Jersey. In 1974 wil de nieuwe Franse president Giscard d’Estaing het meteen invoeren en in Canada is er een eerste project (MINCOME14) tussen 1975 en 1979. In tal van Europese landen duikt de negatieve belasting op in de politieke programma’s van de rechtse partijen die aan de macht komen tussen het midden van de jaren zeventig en het begin van de jaren tachtig.

Het basisinkomen: het Collectief Charles Fourier

Al snel vinden die ideeën ingang bij vooraanstaande intellectuelen, die weliswaar van linkse signatuur zijn maar achterdochtig naar de overheid toe. Dit nieuwe links, dat erg getekend is door Mei 68 en zelfbestuur, wil breken met een te gecentraliseerd links dat de staatsmacht wil veroveren en soms als “Jacobijns”15 wordt omschreven. Die linkse intellectuelen zijn van mening dat de negatieve belasting een bron van emancipatie en sociale vooruitgang kan zijn, als ze maar op de juiste manier wordt opgevat en uitgewerkt. Volgens niemand minder dan Philippe Van Parijs16 zou ze kunnen dienen als ankerpunt voor libertair links: een ‘kapitalistische’ weg ‘naar het communisme’. Door zich te bevrijden van de oude instellingen van het loonstelsel en van de door hen opgelegde centrale positie van de arbeid zou het voortaan mogelijk zijn om langs de weg van het basisinkomen de kapitalistische economische logica grondig om te vormen. Het idee doet vanaf 1977 zijn intrede in de Nederlandse politiek en vanaf het begin van de jaren 80 in tal van Europese landen zoals Duitsland, België en het Verenigd Koninkrijk.

Nochtans (en voor zover we weten) is er maar voor het eerst in 1984 een precieze en berekende formulering van dit voorstel terug te vinden, met name in ons land. Daar slepen de filosoof Philippe Van Parijs, de socioloog Paul-Marie Boulanger en de economist Philippe Defeyt (die allen dicht aanleunen bij de ecologische beweging en de Belgische katholieke ‘zuil’) met het Collectief Charles Fourier de prijs van de Koning Boudewijnstichting17 in de wacht voor hun voorstel dat de sociale zekerheid wil vervangen door een basisinkomen. En ook al is het project van het Collectief op dat ogenblik niet neoliberaal geïnspireerd, toch begint de tekst met deze op zijn minst verrassende zinnen:

De werkloosheidsuitkeringen, de wettelijke pensioenen, het bestaansminimum18, de kinderbijslagen, de belastingverminderingen en belastingkredieten voor personen ten laste, de studiebeurzen, […] de overheidssteun aan ondernemingen in moeilijkheden: schaf ze allemaal af en geef elke burger elke maand een bedrag dat volstaat om de fundamentele behoeften van een alleenstaand persoon te bevredigen. Geef het zowel aan wie werkt als aan wie niet werkt, wie arm of rijk is, wie alleen woont of in gezinsverband, wie samenwoont of in een gemeenschap, of hij/zij al dan niet heeft gewerkt in het verleden. […] En financier het geheel met een progressieve belasting op de andere inkomsten van elk individu.

Dereguleer tegelijk de arbeidsmarkt. Schaf elke wetgeving inzake minimumloon of maximum arbeidsduur af. Maak komaf met alle administratieve obstakels voor deeltijds werk. Verlaag de leeftijd voor schoolverlating. Schrap de verplichte pensioenleeftijd.

Voer dat allemaal uit. En zie dan wat er gebeurt.19

Voor de ontwerpers van dit plan is ‘wat er dan gebeurt’ vrij duidelijk: de werkloosheid verdwijnt als sneeuw voor de zon en van armoede is geen sprake meer. Of nog beter: het betekent het einde van de bureaucratische instellingen en de eindeloze administratieve rompslomp, de economie wordt bevrijd van alle overheidsbemoeienis (zij eisen een “radicale vermindering van de overheidsactiviteiten”) en meer specifiek van het arbeidsrecht. Bovendien zou arbeid daardoor “facultatief” worden, zouden vrouwen zich bevrijd zien van de voor hen nadelige krachtsverhouding binnen het gezin en zou er hard kunnen worden gesnoeid in de verplichte maar ondankbare taken voor uitkeringsgerechtigden, die bij een weigering riskeren hun uitkering te verliezen. Door de markt zoveel mogelijk zijn rol te laten spelen (dankzij de daadwerkelijke afschaffing van alle belemmerende overheidsmaatregelen) en tegelijk een basisinkomen toe te kennen zou iedereen kunnen genieten van de deugden van zowel de markt als van het socialisme. Kortom: het basisinkomen zou de synthese zijn van de liberale en socialistische utopieën.

De dubbelzinnigheid van een beleid dat zich een links imago aanmeet maar tegelijk als ‘liberaal’ kan worden bestempeld, weerspiegelt in feite het intellectuele vaarwater waarin Philippe Van Parijs in die periode rondzwalpt. Deze filosoof, die erg bekoord is door de libertaire theorieën, ziet er meteen een alternatief in voor de traditionele tegenstelling tussen links en rechts. Voor hem is het basisinkomen “een radicaal project dat de as links/rechts doorbreekt”, een project dat ontsnapt “aan de gebruikelijke polariteit tussen een marktgenegen rechts en een overheidsgenegen links”. Door het afkondigen van het recht op een eigen inkomen, onafhankelijk van elke prestatie voor de markt of voor de overheid, breekt hij systematisch een lans voor de ontwikkeling van een derde economische sfeer: die van de “autonome activiteiten”.20 Volgens filosoof Van Parijs verlaten we met het basisinkomen de linkse opstelling van een “door de overheid geleide” economie21 en kunnen we op een nieuwe manier afrekenen met de neoliberale kritiek op de doodlopende sporen van het socialisme.

We zien dus dat aan beide kanten van het politieke spectrum bewegingen opduiken die zonder pardon de sociale zekerheid willen ontmantelen, de arbeidsmarkt ontdoen van elke overheidsregulering en dan de strijd tegen de armoede voeren met het basisinkomen als wapen. Het laat zien hoezeer het begin van de jaren tachtig de voorbije constellaties zal veranderen alsook de opvattingen over het sociale beleid.

De triomf van de neoliberale ideologie

De groeiende populariteit van het basisinkomen gaat dus in het begin van de jaren tachtig samen met het ontstaan en zelfs de versnelde ontwikkeling van een consensus rond de neoliberale ideeën. De opvatting zelf over sociale rechtvaardigheid, besloten in het basisinkomen, gaat regelrecht in tegen de naoorlogse geest van het socialisme. In plaats van de macro-economische variabelen in het centrum van de politiek te plaatsen vormt het individu opnieuw de kern van het politieke project. Door elk individu een basisinkomen te verschaffen domineert niet langer het idee van collectief bestuur van een gesocialiseerd inkomen maar de privé-toeëigening ervan. Voortaan gaat het om de vrije keuze van elk individu om het ontvangen bedrag naar eigen goeddunken te besteden en niet om het sociale gebruik ervan. Hier is ook geen sprake meer van de collectieve onttrekking van individuen aan het spel van de vrije markt, maar primeert daarentegen hun kans om aan dat spel deel te nemen. De toegang tot de sociale goederen is niet langer collectief gegarandeerd maar afhankelijk van de deelname van allen aan de markt.

Het betekent dat ook de strijd tegen de ongelijkheid zelf wordt losgelaten. Interessant hierbij is dat Lionel Stoléru, in dezelfde geest als Milton Friedman, een filosofisch argument ten gronde ontwikkelde en daarin een onderscheid maakte tussen een beleid dat streeft naar gelijkheid (socialisme) en een beleid dat enkel de armoede uit de wereld wil helpen zonder komaf te maken met de oorzaken van de grote ongelijkheid (liberalisme). Voor hem kunnen “de doctrines […] aanleiding geven ofwel tot een politiek beleid dat de armoede uit de wereld helpt ofwel een beleid dat de kloof tussen rijken en armen plafonneert.”22 Hij noemt dat “de grens tussen absolute en relatieve armoede”23, waarbij absolute armoede verwijst naar een willekeurig bepaald niveau (dat met de negatieve belasting of het basisinkomen kan worden verholpen) en relatieve armoede naar de algemene kloof tussen de individuen (waarvoor de sociale zekerheid en de sociale staat een oplossing zijn). Stoléru is van mening dat “de markteconomie in staat [is] de strijd tegen de absolute armoede te assimileren” maar “niet in staat is te sterke remedies tegen de relatieve armoede te verteren”.24 En daarom, argumenteert hij: “geloof ik dat het onderscheid tussen absolute en relatieve armoede in feite het onderscheid is tussen kapitalisme en socialisme…”25

Gelijkheid vervangen door strijd tegen de armoede wijst echter ook op een verschuiving in het onderliggende rechtvaardigheidsprincipe. Want net door die fundamentele ideologische ingreep ontstaat een begrip van sociale rechtvaardigheid over de gelijkheid van kansen. Gelijkheid wilde de inkomenskloof versmallen, gelijkheid van kansen daarentegen wil enkel iets doen aan de verdeling van de ongelijkheden en waakt erover dat die ongelijkheden niet het gevolg zijn van onrechtvaardigheden die de vrije en onvervalste concurrentie ontwrichten. Uitsluiting, racisme en seksisme vervalsen het economische spel en bevoordelen van meet af aan sommigen meer dan anderen.

De doelstelling van gelijkheid van kansen mikt dan niet op de afschaffing van de concurrentie (door reële gelijkheid te bewerkstelligen) maar op de garantie van een rechtvaardige gelijkheid, de garantie dat we allemaal gelijk zijn aan de startlijn. Een basisinkomen zou bijgevolg alle discriminatie ondervangen en het economisch spel weer rechtvaardig maken. Toch zou een maatschappij met volledige gelijkheid van kansen niet noodzakelijk minder ongelijk zijn dan de huidige samenleving. Ze zou wel meer ‘divers’ zijn en minder gebukt gaan onder het gewicht van onze sociale afkomst. Wij zouden dus in het begin allemaal dezelfde kans hebben om rijk te worden, maar het feit blijft dat alleen enkelingen daarin zouden slagen. De gelijkheid van kansen streeft dus naar een meritocratische en niet naar een egalitaire samenleving. En ze mag dan al begerenswaardiger zijn dan een maatschappij waar discriminatie schering en inslag is, daarom is ze nog niet minder onrechtvaardig. De enige vormen van onrechtvaardigheid die als legitiem worden beschouwd zijn de gevolgen van inbreuken op het vrije marktspel (uitsluiting, discriminatie…) en niet de ongelijkheid op zich.

Met een basisinkomen is er geen sprake meer van een collectieve onttrekking aan het spel van de vrije markt, maar primeert de idee om eraan deel te nemen

Bijgevolg wordt hier het begrip van sociaal recht zelf in vraag gesteld. Voor Friedman bijvoorbeeld kun je beter elk individu een bepaalde som geven zodat hij individueel kan beslissen of hij meer wil besteden aan gezondheidszorg of liever op vakantie gaat. Het neoliberale project is dus gedeeltelijk gericht tegen de toekenning van een specifiek statuut aan goederen zoals gezondheid of onderwijs. Zij zijn geen objectief meetbaar ‘recht’. Ze moeten worden onderworpen aan de marktregels en ervoor zorgen dat iedereen er maximaal ‘gebruik van kan maken’.

De voorstanders van het basisinkomen hebben dit nooit met zoveel woorden gezegd (in het algemeen houden ze de lippen stijf op elkaar als het over de openbare diensten gaat en praten ze zo weinig mogelijk over wat er moet gebeuren met de rest van de bescherming zoals de gezondheidszorg), terwijl dat wel degelijk de weg is die ze het liefst willen inslaan. Bovendien is de toekenning van een ‘genereus’ basisinkomen − met andere woorden een inkomen dat de ‘keuze’ biedt om niet meer te werken − financieel niet haalbaar zonder een aanzienlijke vermindering van de ‘collectieve’ sociale uitgaven. De invoering van een basisinkomen zou kunnen betekenen dat voorheen collectieve middelen massaal worden geprivatiseerd zodat de markt fors wordt uitgebreid in plaats van ingekrompen. Het basisinkomen gaat dus regelrecht in tegen de historische tendens van het einde van de negentiende eeuw: meer overheid en minder markt. Want het belastingstelsel dat voor het basisinkomen vereist is, betekent niet ‘minder overheid’ maar een overheid die de markt verder uitbreidt.

De globalisering van een conservatief idee

Die verschuiving zal belangrijke gevolgen hebben voor de evolutie van het ontwikkelingsbeleid. Opvallend genoeg werd in de derde wereld het meest geëxperimenteerd met beperkte versies van dit basisinkomen. In het begin van de jaren 90 verandert geleidelijk het discours van de belangrijkste internationale organisaties (het IMF, de VN, het Ontwikkelingsprogramma van de VN of UNDP…) van ‘de toegang tot bepaalde rechten’ naar ‘de strijd tegen de armoede’. In dat decennium wordt het thema van de armoede de belangrijkste inzet en het basisinkomen een geliefkoosd antwoord. Die verandering heeft te maken met de context op het einde van de Koude Oorlog, toen men wilde “komaf maken” met de “dogma’s uit het verleden”, onder andere over de rol van de overheid en de inkomensverdeling in het ontwikkelingsbeleid. “Hoe paradoxaal het op het eerste gezicht ook mag lijken”, zegt Francine Mestrum, “de strijd tegen de armoede betekent een stap achteruit in vergelijking met de bestaande sociale bescherming in de westerse wereld en de min of meer embryonale bescherming in de arme wereld.26

De teksten van de belangrijkste organisaties over dit onderwerp vormen overigens interessante lectuur. Zo lezen we in de rapporten van het UNDP: “Als men de daling van de armoede nog identificeert met de ontwikkeling van de sociale zekerheid of de sociale bescherming, vertrekt dit misschien van lovenswaardige gevoelens. In werkelijkheid is het echter niet efficiënt.”27 Volgens die ontwikkelingsorganisatie “weerspiegelt de sociale zekerheid voor een ontwikkelingsland misschien niet de beste besteding van de middelen waarover het beschikt.”28 Om die reden gingen de talrijke “structurele aanpassingsprogramma’s” die diezelfde organisaties promootten, gepaard met dat soort beleid. Het leidde vaak tot privatisering van alle openbare diensten en heel het systeem van sociale bescherming in ruil voor krediet dat dan moest dienen om de vaak illegale schulden af te betalen. Die hervormingen, die de “marktwetten” tot het uiterste dreven, veroorzaakten bijgevolg nog meer ongelijkheid in landen die maar magere budgetten kregen toegewezen voor de strijd tegen de armoede. De absolute armoede (met als maatstaf het aantal mensen dat moet leven met minder dan 1,25 dollar per dag) mag in de voorbije dertig jaar dan gemiddeld zijn gedaald, de ongelijkheid is in elk land wel toegenomen. In zekere zin ging de deregulering van de economie hand in hand met de strijd tegen de armoede. Een beleid dat met de ene hand geeft en met de andere tienvoudig terugneemt.

Het is niet onbelangrijk dat de grootste fortuinen of de goeroes van Silicon Valley zich nu mee in de strijd werpen tegen de armoede of voor een basisinkomen in heel de wereld, en tegelijk de “deugden” van het neoliberalisme prijzen, zonder dat dit tegenstrijdig lijkt.29 Met die nieuwe strategie kunnen de sociale vraagstukken op de politieke agenda komen, zonder dat er iets moet worden gedaan aan de ongelijkheid en de structurele mechanismen die er de oorzaak van zijn. Zij willen de armen omtoveren tot economisch rationeel handelende wezens maar ontzeggen hun elke vorm van openbare dienstverlening. Uiteraard betekent dit niet dat de invoering van een gegarandeerd inkomen voor die landen geen goede zaak zou zijn, vaak bestaat daar immers geen enkele vorm van sociale bescherming. Zo’n inkomen kan het dagelijkse leven van tal van mensen verbeteren en de cijfers bewijzen dat ook. Maar dat hun lot verbetert, betekent nog niet dat gratis gezondheidszorg en onderwijs minder wenselijk zouden zijn geweest.

De neoliberale ideologie loslaten

Ook al is het basisinkomen of de negatieve belasting nooit helemaal doorgebroken, toch heeft de geest van deze voorstellen in de voorbije decennia wel degelijk het sociale beleid in tal van Europese landen gedomineerd: afbouw van de overheidsuitgaven voor de collectiviteit, gekoppeld aan wat overschotjes van rechten voor de minstbedeelden. Dat beleid gaat gepaard met de ontmanteling van de sociale rechten en een magere compensatie voor de besparingen in de overheidsuitgaven. De gevolgen zijn gekend: almaar meer rijkdom, almaar minder rechtvaardige verdeling. De ambitie om te strijden tegen de ongelijkheid wordt vervangen door de strijd tegen de armoede. Maar nog meer dan om zomaar een ander woord, gaat het om een complete omslag in de politieke denkwereld. Armoede die wordt losgekoppeld van ongelijkheid, wordt niet langer beschouwd als iets dat verband houdt met iets anders, als het gevolg van de ongelijke verdeling van de rijkdom. De huidige maatregelen tegen de armoede worden genomen in de marge van het globale economische en sociale beleid zonder dat dit beleid ooit in vraag wordt gesteld of aangepast. Die maatregelen zijn gericht op de gelijkheid van kansen ten overstaan van de markt en niet op de werkelijke gelijkheid tegen de markt. In feite wil de neoliberale ideologie, die in de huidige politieke denkwereld overheerst, ons doen geloven dat strijden tegen de armoede mogelijk is zonder een herverdeling van de rijkdom.

Daarom moeten wij weer aanknopen bij de bevrijdende erfenis van na de oorlog. De instellingen die de arbeidersbeweging onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog heeft opgebouwd zijn meer dan instrumenten voor de ‘stabilisering’ van het kapitalisme. Over die instellingen bestaan inderdaad belangrijke politieke tegenstellingen maar zij dragen in zich het zaad van een andere maatschappij waarin de markt niet langer de centrale plaats inneemt zoals nu wel het geval is. We moeten dus het ideologische en politieke werk dat de geboorte van de sociale staat mogelijk heeft gemaakt voortzetten, die erfenis radicaliseren, verder ontwikkelen en samen met die staat − niet tegen die staat − streven naar een echt gelijke en democratische samenleving. De utopie draagt in zich niet alleen een nieuwe toekomst maar ook een nieuw heden.

Footnotes

  1. Verschillende versies stellen verschillende bedragen voor.
  2. Nele Lijnen, Win for life. Met het basisinkomen naar vrijheid en creativiteit, Pelckmans Pro, Kalmthout, 2017. In haar boek verdedigt ook Kristof Calvo (Groen) het basisinkomen. Hij noemt het “een idee dat het potentieel heeft om ooit bruggen te bouwen tussen links en rechts”. Verder komen ook politici Philippe Defeyt (Ecolo) en Georges-Louis Bouchez (MR) aan het woord als pleitbezorgers. 
  3. Lionel Stoléru, Vaincre la pauvreté dans les pays riches, Flammarion, Paris, 1974.
  4. Jacques Fournier, Nicole Questiaux, ‘Encore les pauvres’, in Traité du social, Dalloz, Paris, 1976, p. 650.
  5. Milton Friedman, Capitalism and Freedom, University of Chicago Press, Chicago, 1962.
  6. René Lenoir, Les exclus. Un français sur dix, Seuil, Paris, 1974, p. 136.
  7. Mouvement ATD quart monde, Livre blanc: le sous-prolétariat en Belgique, Bruxelles, juni 1977, p. 33.
  8. Zie in dit verband: Daniel Zamora, Michael C. Behrent, Foucault and Neoliberalism, Polity Press, Cambridge, 2016.
  9. José Luis Moreno Pestaña, Foucault, la gauche et la politique, Textuel, Paris, 2011, p. 120.
  10. Bestuurlijkheid (gouvernementalité): de vraag is niet wat is de staat, maar hoe grijpt de staat in op de burger. Besturen gaat niet enkel over brute macht of geweld, maar over een rationeel beleid dat subjecten aanzet tot zelfbestuur.
  11. Michel Foucault, Naissance de la biopolitique, Hautes Etudes, EHESS, Gallimard/Seuil, Paris, 2004, p. 210.
  12. Ibidem.
  13. Ibid., p. 213.
  14. Voor de resultaten van MINCOME, zie: Evelyn L Forget, The town with no poverty, University of Manitoba, februari 2011.
  15. De Jacobijnen vormden tijdens de Franse Revolutie van 1789 tot 1794 een centralistische, hervormingsgezinde beweging, die zich inzette voor meer sociale rechtvaardigheid, volkssoevereiniteit en de ondeelbaarheid van de Franse Republiek.
  16. Ligt mee aan de basis van het basisinkomen sinds de jaren 1980.
  17. De Koning Boudewijnstichting beloont het project met de Agora-Arbeidprijs in het kader van het programma ‘Dialoog voor de toekomst’. Het wordt voor het eerst gepubliceerd in Le travail dans l’avenir, Fondation Roi Baudouin, 1984.
  18. Het bestaansminimum wordt uitgekeerd aan personen die geen recht hebben op de sociale zekerheid. Het kan vergeleken worden met het RMI-stelsel in Frankrijk.
  19. Collectif Charles Fourier, “L’allocation universelle”, La Revue nouvelle, nr. 4, april 1985, p. 345.
  20. Philippe Van Parijs, “L’avenir des écologies: deux interprétations”, La Revue nouvelle, nr. 1, januari 1986, p. 44.
  21. Philippe Van Parijs, “Relever le défi”, La Revue nouvelle, nr. 1, januari 1986, p. 332.
  22. Lionel Stoléru, Vaincre la pauvreté dans les pays riches, Flammarion, Paris, 1974, p. 237
  23. Ibid., p. 286.
  24. Ibid., p. 287.
  25. Ibid., p. 286.
  26. Francine Mestrum, Mondialisation et pauvreté, L’Harmattan, Parijs, 2002, p. 23.
  27. PNUD, Vaincre la pauvreté humaine, Rapport du PNUD sur la pauvreté 2000, New York, PNUD, 2000, p. 42-44.
  28. PNUD, Rapport mondial sur le développement humain, Parijs, Economica, 1991, p. 55.
  29. Zie Dylan Matthews, “Why a bunch of Silicon Valley investors are suddenly interested in universal basic income”, Vox, 28 januari 2016.