Artikel

Ambivalente perspectieven

Arthur Borriello

— 24 september 2017

Nu het populisme in Zuid-Europa op zoek is naar een nieuwe adem, is het essentieel om de balans van deze politieke ervaringen aan een kritisch onderzoek te onderwerpen.

Ambivalente perspectieven

Ondanks de veelbelovende toename van het aantal andersglobalistische bewegingen bij de start van het nieuwe millennium, blijken de jaren 2000 wat betreft sociaal verzet toch wel teleurstellend. Het neoliberale politieke project zat op kruissnelheid, gesteund door een groeiende wereldeconomie en door reformistisch links dat steeds duidelijker deze principes overnam, van Frankrijk over het Verenigd Koninkrijk, Spanje en Italië tot in Duitsland. De economische crisis van 2008 heeft de situatie aanzienlijk gewijzigd. Ze had een invloed op het politieke bestel van de Europese democratieën en dat op twee onrechtstreekse manieren.

Enerzijds zorgde de vertraging van de economische activiteit – en daarmee samengaand een economisch beleid van budgettaire besparingen en structurele hervormingen – voor een aanzienlijke verslechtering van de materiële omstandigheden voor een groot deel van de bevolking (vooral de middenklasse werd op een brutale manier verzwakt) en tegelijk ook voor een afbraak van de basis voor sociale cohesie. Anderzijds zagen we de convergentie van alle traditionele politieke actoren in de richting van eenzelfde besparingsbeleid, onder druk van de Europese instellingen en van het IMF1. Dat maakte twee zaken duidelijk: de grote mate van ideologische verstandhouding bij de politieke elites en de mate waarin de technocratie zich meester maakte van de economische beleidsinstrumenten.

Nu het populisme in Zuid-Europa op zoek is naar een nieuwe adem, is het essentieel om de balans van deze politieke ervaringen aan een kritisch onderzoek te onderwerpen.

Deze dubbele dimensie van de crisis – de ontkenning van een groot aantal sociale noden en de onmogelijkheid om aan deze noden tegemoet te komen via de bestaande politieke kanalen – zorgde voor een grote opleving van het sociaal verzet en tegelijk voor een grondige verandering in de vorm die de politieke confrontatie aanneemt. Aan de ene kant zien we een toename van sociale bewegingen die protesteren tegen de economische hervormingen, waarvan de belangrijksten zijn: de beweging Aganaktismenoi in Griekenland, het Spaanse Movimiento 15-M en Nuit Debout in Frankrijk. Aan de andere kant ontwikkelen zich nieuwe vormen van confrontatie.

De krachtmetingen volgens het klassieke politieke model (in het bijzonder de afwisseling tussen een sociaaldemocratisch centrumlinks en een conservatief of liberaal centrumrechts) lijken, ook al verdwijnen ze niet volledig, geleidelijk te vervagen. We zien daarentegen een scheidingslijn ontstaan met aan de ene kant een ‘radicaal centrum’2, dat zich vooral onderscheidt door de verdediging van het neoliberaal programma onder de vlag van pragmatisch reformisme en zogenaamd apolitiek modernisme. Aan de andere kant krijgen we vormen van ‘populisme’ met diverse ideologische inspiraties, maar met één gemeenschappelijk punt: de dualisering van de sociale ruimte tussen het volk en de elite.

Subversief potentieel

Deze nieuwe dynamiek is in tal van landen waar te nemen (in het bijzonder in Zuid-Europa, wat te maken heeft met de hevigheid van de crisis en de intensiteit van de economische hervormingen). En telkens vertaalt die dynamiek zich op een andere manier. Griekenland maakt de spectaculaire val mee van de sociaaldemocratie (PASOK) en de krachtige opkomst van een linkse populistische partij die in staat is om de macht uit te oefenen (Syriza). In Spanje, waar de neergang van de sociaaldemocratische partij (PSOE) minder spectaculair was, bestaat de nieuwe constellatie uit een driehoekige oppositie tussen centrumrechts (PP), een links populisme (Podemos) en dan de sociaaldemocratische partij, heen en weer geslingerd tussen de twee eerste.

In Italië heeft de confrontatie tussen de krachten pro- en contra-Berlusconi die de afgelopen twintig jaar het politieke leven had gestructureerd, plaatsgemaakt voor een driehoekig schema tussen een gefragmenteerd rechts, een centrumlinks (PD) dat, aangevoerd door Matteo Renzi, volledig vorm krijgt naar het voorbeeld van Blair, en de Vijf Sterrenbeweging (Movimento Cinque Stelle), een populistische partij met een ideologisch bijzonder vaag en ambigu profiel. In Frankrijk zien we dezelfde dynamiek, belichaamd door En Marche, een beweging die een soort versmelting realiseert tussen centrumlinks en centrumrechts. Zo blijft als mogelijke oppositie enkel concurrerende vormen van populisme over: die van het Front national en van La France Insoumise.

Voor een radicaal en emancipatorisch vooruitzicht zijn deze ontwikkelingen niet zonder belang. De opkomst van het linkse populisme in Europa heeft enkele veelbelovende perspectieven geopend. Het kreeg gedaante hetzij door het ontstaan van nieuwe partijen en/of coalities van politieke actoren (Podemos, syriza), hetzij door een strategische wending binnen reeds bestaande bewegingen (Labour, PVDA, France Insoumise). De eerste en veruit belangrijkste kans die zich hier biedt, is een breuk met het sektarisme en met de versleten symbolen en ideologische geloofsbelijdenissen die radicaal-links veroordeelden tot een politieke marginaliteit die bijna comfortabel aanvoelde.

Het tweede veelbelovende perspectief is dat er binnen de politieke instellingen een communicatiekanaal is ontstaan. Sociale bewegingen die uitgeblust dreigden te raken zonder deze vorm van politieke ‘verticalisatie’, krijgen – naast de problemen die dit op zijn beurt oproept – een nieuw elan, dat op een bepaalde manier een blijvend karakter krijgt.

We zien een scheidingslijn ontstaan tussen een radicaal centrum en een populisme met diverse populistische inspiraties

Het derde en laatste positief punt is dat door de interpellatiekracht van deze populistische bewegingen verschillende uitdagingen op de politieke agenda kwamen die daar voorheen van waren uitgesloten. Het heeft ook bijgedragen tot een vernieuwing van het politiek personeel en van de politieke praktijken binnen de instellingen. Voor wie bovendien nog zou twijfelen aan het subversieve potentieel van deze bewegingen, volstaat het te verwijzen naar de onthutste of radeloze reacties van het Europese establishment: van Mario Monti tot Herman Van Rompuy, van François Hollande tot Jean-Claude Juncker, in hun massale protesten tegen de ‘gevaarlijke excessen van het populisme’ waren ze unaniem. Nu enkele van deze nieuwe politieke ontwikkelingen al een paar jaar bestaan en ook al een zekere vorm van ademnood kennen – getuige de mislukking van syriza en de stagnatie van Podemos – lijkt het moment gekomen om een kritische balans op te maken van deze ervaringen, van hun grenzen en hun toekomst.

We zien een scheidingslijn ontstaan tussen een radicaal centrum en een populisme met diverse ideologische inspiraties

Een beschouwing als deze kan moeilijk voorbijgaan aan een onderzoek naar de intellectuele traditie waarin deze politieke bewegingen te werk gaan of waarop zij zich expliciet beroepen (in het bijzonder in het geval van Podemos). De hinderpalen waar het linkse populisme in zijn praxis mee te maken krijgt, wijzen vaak op obstakels in de eigen theoretische grondgedachte. Hoe groot onze affiniteit met deze politieke beweging en deze traditie van denken ook mag zijn, het is hoe dan ook nodig beide aan een kritisch onderzoek te onderwerpen, zodat we de impasses van het eerste (de praktijk) kunnen begrijpen op basis van de blinde vlekken in het tweede (de theorie).

Laclau en Mouffe

Het linkse populisme is uiteraard veel verschuldigd aan het denken van Ernesto Laclau en van Chantal Mouffe. Het omgekeerde is ook waar. Vroeger waren hun theorieën voorbehouden aan specialisten (een kleine minderheid) binnen de faculteiten filosofie en sociale wetenschappen. Tegenwoordig raakt hun theorie over het populisme en de radicale democratie vaak in de belangstelling door de recente actualiteit, in die mate dat we hun namen ook in de massamedia zien verschijnen.3 In grote mate geïnspireerd door Gramsci, wordt deze theorie door haar auteurs gedefinieerd en geclaimd als ‘postmarxistisch’4. En dit vooral door de mate waarin ze afstand neemt van het economisch determinisme en het filosofisch klasse-essentialisme, dat zij toedichten aan het gedachtegoed van Marx.

Zich beroepend op drie sleutelconcepten (discours, antagonisme en hegemonie), ontwikkelen Laclau en Mouffe een theorie over sociale emancipatie die de arbeidersklasse haar geprivilegieerde historische status (binnen de marxistische theorie) afneemt. De politieke strijd wordt niet meer beschouwd als de uitdrukking van objectieve, infrastructureel verweven conflicten in de productieverhoudingen; de politieke strijd is het product van een toevallige uitdrukking van heterogene eisen in een bepaald discours.5

Populisme biedt slechts een veelbelovend perspectief als het deel uitmaakt van een helder en ambitieus antihegemonisch project

Deze theoretische basis vormt het vertrekpunt voor hun opvatting van de radicale democratie en het populisme.6 Een radicale democratie staat voor een toekomstperspectief waarbij het conflict onvermijdelijk deel uitmaakt van het democratische bedrijf. Praktijk eerder dan een regime of institutionele voorziening, wijst de radicale democratie op een “eindeloos proces van afbraak/heropbouw van de materie, van de vormen en de limieten van het collectieve bestaan”7; ze wijst op de permanente mogelijkheid van een herinstitutionalisering van het sociale doorheen emancipatorische of reactionaire praktijken. Het is binnen dit kader dat de auteurs voorstellen om het populisme te her-denken. Het populisme dat door liberale theorieën over democratie doorgaans als een schrikbeeld wordt voorgesteld.8

Volgens de auteurs is het populisme niets anders dan een logica, inherent aan de politiek. Het is een manier om politieke identiteiten te creëren – via het bundelen van heterogene eisen – en waarbij hun eenheid niet voortvloeit uit het samengaan van positieve eigenschappen, maar wel uit hun gezamenlijke positie ten aanzien van een vijand/tegenstander (die verantwoordelijk wordt gehouden voor het niet vervullen van die eisen) en die het mogelijk maakt een relatie van onderlinge gelijkwaardigheid te vormen. Het populisme simplificeert dus de sociale ruimte tot in het extreme, door het geheel van verschillen en tegenstellingen te reduceren tot een confrontatie tussen een ‘wij’ (het volk) en een ‘zij’ (het establishment). Deze ‘wij’ en die ‘zij’ stemmen niet overeen met vooraf vastgestelde politieke identiteiten, maar krijgen vorm als politieke subjecten via deze simplificatie.

Ten slotte, omdat het populisme op geen enkele manier de expressie is van een specifieke sociale en ideologische boodschap maar een praktijk gericht op het formuleren van bijzondere eisen, kan het heel uiteenlopende vormen aannemen naargelang de boodschap die het vertegenwoordigt: de hedendaagse bewegingen met het label ‘populistisch’ kunnen xenofobe en reactionaire politieke projecten belichamen (Front National), maar ook emancipatorische en progressieve (Podemos), of zelfs ronduit vage politieke projecten (Movimento Cinque Stelle).

Geen ideologische helderheid

Wat betekenen deze recente mislukkingen en/of de stagnatie van de populistische bewegingen die mee dankzij de crisis opgang maakten in Zuid-Europa? Welke theoretische en praktische lessen vallen hieruit te trekken? Ik zou graag dieper willen ingaan op een element van Laclau’s theorie over het populisme: het probleem van de samenhang tussen vorm en inhoud, en de spanningen die dit probleem in de praktijk met zich meebrengt – in het bijzonder de moeilijkheden die hiermee gepaard gaan bij de uitoefening van de macht, de opbouw van een overtuigend antihegemonistisch politiek project en het uitdenken van een gemeenschappelijk emancipatoir toekomstperspectief over de nationale grenzen heen.

Dat ik me concentreer op dit aspect, heeft zowel te maken met het feit dat het zo centraal staat in de theorie als met het aantal moeilijkheden dat eruit voortvloeit. Om een volledige balans op te maken van het populistische gebeuren zouden ook andere elementen onderzocht moeten worden, voornamelijk de extreme ‘verticaliteit’ van deze bewegingen9 (de centrale rol van de leider, het volksstemming-gedrag en weinig democratische karakter van de interne procedures, de moeilijkheid om binding te houden met de sociale bewegingen en het middenveld enz.) en ook de lessen die getrokken kunnen worden uit de lokale beleidservaringen in Madrid en in Barcelona.10

Het hyperformalisme van de theorie van Laclau – de wens om het populisme te definiëren als een politieke logica, onafhankelijk van de inhoud die het verwoordt – creëert verschillende problemen voor de politieke praxis ondanks zijn relevantie op theoretisch vlak. Álvaro Oleart en Juan Domingo Sánchez Estop benadrukken het als volgt: “Het populisme […] is een vorm, geen inhoud. Daarom is het populisme, als discours, niet noodzakelijk verbonden aan een ideologie, een politiek project of een bepaald sociaal belang. In die zin is het een optimale methode om de elites te vervangen, maar is het duidelijk ontoereikend als strategie voor sociale verandering.11

Voor wie twijfelt aan het subversieve potentieel van populistische bewegingen, volstaat het te verwijzen naar de onthutste reacties van het establishment

Met andere woorden, het populisme biedt slechts een veelbelovend perspectief als het deel uitmaakt van een helder en ambitieus antihegemonistisch project. Het belang dat de populistische bewegingen – om begrijpelijke strategische redenen – hechten aan de vorm van hun discours laat echter vaak de vraag naar de inhoud van het politieke project onbeantwoord. Dat brengt het risico met zich mee dat, op beslissende momenten, bepaalde onderhuidse spanningen binnen deze bewegingen op een explosieve manier aan de oppervlakte komen. We bekijken hierna hoe deze spanningen tot uiting kwamen in Griekenland, Italië en Spanje.

De bittere nederlaag van Syriza tijdens de onderhandelingen met de schuldeisers is ongetwijfeld de meest tekenende en verontrustende tegenslag die deze politieke bewegingen hebben moeten incasseren. Het formalisme van Laclau is hier wellicht niet vreemd aan. Aangezien het populisme wordt beschouwd als een specifieke logica voor de opbouw van politieke identiteiten, in staat om uiteenlopende eisen en ‘inhouden’ te vertolken, volgt daaruit dat het noodzakelijkerwijze een vorm moet aannemen die vaag en ambigu genoeg is om die heterogene eisen samen te voegen in eenzelfde equivalentieketen.

In de praktijk wil dit zeggen dat het vermogen om verschillende tendensen in eenzelfde beweging samen te brengen – Syriza is tenslotte een coalitie – alleen kan gebeuren ten nadele van de ideologische helderheid. Zo heeft het linkse populisme van Podemos en Syriza de prijs betaald om onder eenzelfde vlag uiteenlopende elementen te verenigen: van antikapitalistisch radicaal links tot een gematigd links dat een keynesiaans relancebeleid aanhangt. Ook al lijkt een dergelijke strategie belangrijk – voor de snelle ontwikkeling van een beweging én voor het veroveren van een voordelige electorale positie – zij is niet zonder risico voor het voortbestaan van deze bewegingen en voor de concretisering van een progressief beleid bij machtsdeelname. Op het sleutelmoment van de onderhandelingen ontbrak het syriza aan een diepgaande analyse van de structuren van het kapitalisme en aan een klare positie over de beste manier om die omver te werpen. Dragen de structuren van de Europese Unie (en van de eurozone in het bijzonder) onherroepelijk het neoliberale stempel? Moet aan deze structuren een andere richting gegeven worden, moeten we er eenzijdig uitstappen of moeten we de Europese besluitvormingsprocessen democratiseren?

Dilemma’s van een populistische strategie

De kracht van het linkse populisme houdt tegelijkertijd ook zijn voornaamste zwakheid in: het resoluut verwerpen van elk economisch dogmatisme – ook al is dit gunstig voor een zekere transversaliteit – laat deze bewegingen achter zonder concrete politieke agenda.

Het beste voorbeeld van deze problematische spanning tussen vorm en inhoud wordt ongetwijfeld gegeven door de Movimento Cinque Stelle. Terwijl Podemos en Syriza zich ondanks alles toch nog in een linkse politieke cultuur inschrijven en hun diverse strekkingen onder een gemeenschappelijke noemer kunnen samenbrengen, kent de Vijfsterrenbeweging wat dat betreft geen enkele politieke traditie. In heel wat opzichten belichaamt deze beweging de kwintessens van de populistische logica. Zij verenigt compleet heterogene elementen die onderling geen enkele gemeenschappelijke politieke cultuur delen, van links tot rechts in het traditionele politieke spectrum. Men zou hierin een Italiaanse versie kunnen herkennen van het Argentijnse peronisme, waar de leidersfiguur het enige bindmiddel vormde tussen de militanten van de twee tegenovergestelde polen op de links-rechtsas.12

Het gevaar voor dit soort bewegingen is dat ze volledig uiteenvallen zodra ze door de uitoefening van de macht hun interne verschillen en het inhoudelijke vraagstuk van het politieke project niet meer kunnen negeren. Momenteel wijst niets erop dat een dergelijk proces bij de grillini de bloedige uitkomst zou kunnen hebben als die van de confrontaties tussen extreemrechtse en extreemlinkse peronisten. Maar de moeilijkheden die de lokale regeringen in Rome en in Turijn kennen zijn toch veelzeggend en ze verraden duidelijk de limieten van een populistische strategie zonder eigen inhoud of politieke cultuur.

De dilemma’s waarmee Podemos de afgelopen tijd te maken had, leggen eenzelfde spanning bloot. De interne twisten die ontstonden in aanloop van het laatste nationaal partijcongres hebben – afgezien van de strijd tussen de ego’s van Pablo Iglesias et Iñigo Errejón – duidelijk de verschillen aangetoond tussen twee mogelijke strategieën voor de partij, en dit na de teleurstellende resultaten bij de laatste verkiezingen.

Het gevaar voor dit soort bewegingen is dat ze uiteenvallen zodra ze het inhoudelijke vraagstuk van het politieke project niet meer kunnen negeren

De eerste strategie, verdedigd door de inmiddels ex-nummer twee van Podemos, stond voor een vorm van gematigdheid en institutionalisering van de partij. Errejón was van mening dat de partij van een grotere openheid moest getuigen, vooral wat betreft een mogelijke alliantie met de socialisten en dit met het oog op een mogelijke machtsdeelname. Hij pleitte ook voor een minder offensieve en op verzet gerichte houding, omdat die een groot deel van het centrumlinks electoraat zou kunnen vervreemden van de partij. Zo’n ontwikkeling suggereert toch een zekere mate van distantiëring van de partijkern en haar radicaal linkse standpunten, met als doel meer nadruk te leggen op de populistische strategie van de partij en haar equivalentieketen uit te breiden tot in het centrum van het politieke spectrum.

Hoewel electoraal wellicht voordelig, is een dergelijke strategie niet zonder gevaar. Naast het hierboven vermelde risico op opborrelende interne twisten bij machtsdeelname, dreigt het gevaar dat een partij die zich gematigder opstelt zich in zekere zin ‘normaliseert’ en ze haar profiel verliest van ‘een partij die buiten het systeem staat’. Een dergelijk proces zou met andere woorden kunnen leiden tot de geleidelijke opname van de partij in het Spaanse politieke establishment. De partij zou daarbij haar eigen identiteit kunnen verliezen en bijgevolg ook haar vermogen om de maatschappij te veranderen.

De tweede strategische lijn, verdedigd door Iglesias, werd met een duidelijke overwinning bekrachtigd op het Congres. Deze lijn bepleit juist het tegenovergestelde, met name de radicalisering van de beweging, haar antagonisme ten aanzien van het hele politieke systeem en de bevestiging van haar alliantie met de radicaal linkse partij Izquierda Unida. Deze strategie pleit ook voor het behoud van een constant contact met ‘de straat’ (la calle). Op die manier wil ze strijden tegen de institutionalisering van de partij en het herleiden van haar werkterrein tot louter parlementaire bezigheden.

Hier is het risico natuurlijk het tegenovergestelde: door deze radicalisering riskeert de partij opnieuw in de politieke marginaliteit te treden waarin extreemlinks zich al jaren bevindt, en zich te beperken tot een uitsluitend contestataire rol, zonder realistisch perspectief op toegang tot de macht op nationaal niveau. De achteruitgang van Podemos in de laatste peilingen en de sprong voorwaarts van de socialisten, aangevoerd door Pedro Sanchez, zouden uiteindelijk de definitieve nederlaag van een dergelijke strategie kunnen betekenen. De PSOE kende niet dezelfde spectaculaire ineenstorting als die van PASOK in Griekenland en de oppositie van de PSOE tegen de regering van Mariano Rajoy zou ertoe kunnen leiden dat die partij Podemos op haar eigen terrein beconcurreert, mét het voordeel dat ze daarbij zou kunnen genieten van de geloofwaardigheid van een stabiele regeringspartij.

Transnationaal populisme

Deze aarzelingen en obstakels zijn niet de enige problemen die het formalisme van het populisme à la Laclau met zich meebrengt. Een andere cruciale vraag die dit formalisme oproept – en die door deze politieke formaties en verwante intellectuelen relatief weinig besproken blijft13 – is deze van de horizon van de strijd, gevoerd in naam van het volk.

Waar het socialistische ideaal van meet af aan een toekomst nastreeft die het nationaal kader overstijgt, zien we bij het populisme – door het ontbreken van de nodige inhoud en van een eigen ideologisch corpus – a priori geen enkele voorkeur ten opzichte van een specifieke actieschaal. Dat heeft een aantal gevolgen. Het impliceert niet noodzakelijk dat het populisme, in tegenstelling tot het socialistische project, in geen geval een emancipatieproces zou belichamen dat zich richt tot de hele mensheid. Het betekent ook niet dat, in tegenstelling tot wat sommige lichtvaardige liberalen beweren, het populisme intrinsiek nationalistisch is. Er is geen enkel theoretisch obstakel voor het bestaan van een transnationaal populisme. Als het populisme een volk kan verenigen op basis van heterogene eisen, dan moet het mogelijk zijn om een transnationaal volk te verenigen dat zich verzet tegen de bestaande politieke elites en transnationale economische aangelegenheden.14

Toch zou elk initiatief van dit type elke keer opnieuw op dezelfde vervelende vraag stoten, maar dan vele malen uitvergroot door de schaal waarop de vraag zich zou stellen: rond welk politiek project moeten we deze transnationale populistische beweging opbouwen (verenigen)? Naast de praktische obstakels voor de oprichting van een dergelijke beweging (in de formele betekenis) stellen zich ook volgende vragen: rond welke symbolen en via welke communicatiekanalen kan men de eenheid van een transnationaal volk bewerkstelligen? Hoe daarvan de vertegenwoordiging te organiseren en hoe hiervoor de macht uit te oefenen? Hoe doen we dat in de Europese context met de taalverschillen en culturele verschillen, die wellicht aanleiding geven tot verzet tegen elke poging tot eenmaking? Met andere woorden, indien het “theoretisch zeker mogelijk is een echt transnationaal populisme te hebben, is de vraag hoe zo’n transnationaal populisme zich zou verhouden tot de nog steeds sterk nationaalgerichte organisatie van onze samenlevingen wat betreft de democratische vertegenwoordiging en ook, voor velen toch, de identiteit.”15

De ervaring van de beweging DIEM25, gelanceerd door de vroegere Griekse minister van Financiën Yanis Varoufakis, is een goed voorbeeld van de moeilijkheden en dubbelzinnigheden die een dergelijke onderneming binnen het Europese kader te wachten staan. Is het ordewoord van de ‘democratisering van de Europese instellingen’ op zich alleen voldoende als politiek project? Moeten we ervan uitgaan dat het nationale niveau compleet uit de tijd is als het erom gaat de strijd aan te binden tegen een geglobaliseerd financierskapitaal? Of moet dit tegelijk eendrachtig aangepakt worden op nationaal en op transnationaal niveau? De vraag hierbij is of de boodschap van een kosmopolitische Europese geest en de verwerping van het nationale niveau (als nostalgische restant), net niet het gevaar loopt om “niet gehoord te worden precies door diegenen die het meest hebben te lijden onder het democratisch deficit, diegenen wie dit initiatief [DIEM25] juist in staat zou moeten zijn aan te spreken”?16

Een dergelijk transnationaal initiatief werpt op zijn minst evenveel nieuwe vragen op als dat oude vragen erdoor worden opgelost. Moeten we daarom dan maar de voorkeur geven aan een internationale alliantie van diverse vormen van populisme, als een geheel van samenwerkingen, gesmeed tussen populistische bewegingen die op de eerste plaats op nationale schaal georganiseerd zijn?17

De hinderpalen waarmee het linkse populisme in zijn praxis te maken krijgt, wijzen op de obstakels in de eigen theoretische grondgedachte.

Het voorbeeld dat vaak naar voren wordt geschoven ter ondersteuning van een dergelijke strategie is dat van de ‘Roze Golf’ in Latijns-Amerika en de manier waarop de verschillende vormen van links populisme daar eerst afzonderlijk opkwamen als politieke krachten op nationaal niveau en pas in tweede instantie toenadering en samenwerking organiseerden. De recente terugslag van deze (roze) golf relativeert echter danig de pertinentie van dit voorbeeld wat betreft het blijvende karakter van de onderneming. Daarnaast mogen we eraan twijfelen of dit model succesvol overgezet zou kunnen worden naar een Europese context. Daar blijven de diverse vormen van links populisme uiteindelijk weinig talrijk en ze hebben al alle moeite van de wereld om op hun eigen nationaal niveau een rol van betekenis te spelen.

Besluit

De voorlopige balans van de links populistische ervaringen in Zuid-Europa vertoont dus globaal genomen heel wat verschillen. Zo groot als de hoop was bij het aanvankelijke elan van deze bewegingen, zo groot is ook de teleurstelling na de mislukking van Syriza, de laatste verkiezingsresultaten van Podemos en de evolutie binnen die laatste beweging. Deze tegenslagen kunnen voor een groot deel uitgelegd worden door spanningen inherent aan het populisme, samenhangend met de terugkerende obstakels, die eigen zijn aan de theorie die het populisme inspireert. Hoewel ze handig zijn in het creëren van nieuwe vormen van politieke identificatie en in het wijzigen van de electorale machtsverhoudingen in hun respectieve nationale context, toch krijgen deze bewegingen het moeilijk als het erop aankomt te kiezen voor een coherent politiek project dat in staat is om de maatschappij diepgaand te veranderen, in het bijzonder als een dergelijk project het nationale niveau wil overstijgen.

Nu deze bewegingen op zoek zijn naar een nieuwe adem, is het dan ook urgent om over deze moeilijkheden na te denken en de theoretische reflectie de dialoog te laten aangaan met de praktische ervaringen. Het wordt nog urgenter omdat het rechtse populisme ongeziene successen boekt. We moeten voorkomen dat racistische en reactionaire politieke projecten het monopolie krijgen op het verzet tegen de neoliberale globalisering. Het prangende probleem van de samenhang tussen vorm en inhoud in het populisme zal wellicht niet meteen een bevredigend en definitief antwoord krijgen, maar moet wel verder onderzocht worden. Tenminste, als we tijdelijke en gedeeltelijke oplossingen willen vinden die aansluiten bij de noden van het moment. Voor de rest is het duidelijk dat de emancipatie nooit het voorwerp zal uitmaken van pure tekhnè, maar altijd zal wijzen op een politiek project in wording; diegene die zou beweren de sleutel in handen te hebben voor zijn definitieve realisatie, zal er automatisch de eerste tegenstander van worden.

Footnotes

  1. Van het noorden tot het zuiden van Europa, van centrumlinks tot centrumrechts van het politieke spectrum, over de zogenaamde ‘technische’ of technocratische regeringen heen, hebben de budgettaire besparingen (voornamelijk gerealiseerd via daling van de overheidsuitgaven) en de structurele hervormingen (hoofdzakelijk beleidsmaatregelen betreffende loonmatiging en deregulering van de arbeid) systematisch de bovenhand gehad op elke vorm van alternatief economisch beleid.
  2. Chantal Mouffe, “The radical centre. A politics without adversary”, Soundings, 1998, nr. 9, p. 11-23.
  3. Zie onder meer: Alexandre Delvecchio, Chantal Mouffe, la philosophe qui inspire Mélenchon, se livre en exclusivitéFigaro Vox, 11 april 2017  en Chantal Mouffe, Mélenchon ne veut pas de régime autoritaire, mais mettre fin au régime oligarchiqueLe Monde, 15 april 2017.
  4. Ernesto Laclau & Chantal Mouffe, “Post-marxism without apologies”, New Left Review I/166, november-december 1987, p. 79-106
  5. Het is onmogelijk om hier het vertoog van Laclau en Mouffe en de theoretische vernieuwing die het vertegenwoordigt ten opzichte van het klassieke marxisme op een volwaardige manier uiteen te zetten. Toch is het belangrijk om van bij het begin een kritiek te weerleggen die vaak aan hun adres wordt geformuleerd en die berust op een verkeerd begrip van hun opvatting van het discours: namelijk de kritiek die stelt dat deze auteurs het geheel van het reële en het sociale zouden herleiden tot een taalkundige dimensie. Hun concept van ‘discours’ laat zich niet herleiden tot de tekstuele dimensie van het sociale. Wel integendeel, het wijst op de vereniging (koppeling) van taalkundige en niet-taalkundige elementen, het verwijst naar het feit dat de aard van een object niet afkomstig is van zijn eenvoudige bestaan, maar wel van zijn inschrijving in een beredeneerde logische onderliggende structuur (gemaakt van het systeem van relaties dat dit object onderhoudt met andere objecten, een systeem dat per definitie sociaal vorm krijgt). Het is onder meer op basis van een dergelijke opvatting van het ‘discours’ (waarin we heel wat elementen terugvinden van het begrip ‘taalspelletjes’ van Wittgenstein) dat zij kritiek formuleren op de notie van ‘objectief’ belang in de marxistische theorie, dat wil zeggen de notie van belangen die objectief zouden zijn, bepaald buiten elk historisch proces om van opbouw, ontbinding en herdefiniëring.
  6. Zie in het bijzonder de twee sleutelwerken: Ernesto Laclau & Chantal Mouffe, Hegemony and socialist strategy. Towards a radical democratic politics, London, Verso, 1985; Ernesto Laclau, On populist reason, London, Verso, 2005.
  7. Audric Vitiello, “L’itinéraire de la démocratie radicale”, Raisons politiques, 2009/3, nr. 35, p. 207-220.
  8. We kunnen een recente en karikaturale versie van de liberale kritiek op het populisme ivinden n het werk van Jan-Werner Müller, “Qu’est-ce que le populisme? Définir enfin la menace”.
  9. Tal van auteurs leverden recentelijk – vanuit een progressieve invalshoek – kritiek op de hiërarchische, antidemocratische en ‘plebiscitaire’ neigingen binnen het linkse populisme in het algemeen (Pierre Dardot, “L’urgence démocratique”, Mediapart, 25 maart 2017) en op Podemos in het bijzonder (Emmanuel Rodríguez, “Vistalegre II tiene la marca de lo peor de Podemos”, Saltamos.net, 10 februari 2017).
  10. Zie onder meer: Pauline Perrenot & Vladimir Slonska-Malvaud, “De la rue à l’exercice du pouvoir. Dans les villes rebelles espagnoles”, Le Monde diplomatique, februari 2017.
  11. Álvaro Oleart & Juan Domingo Sánchez Estop, Las brechas de la máquina de guerra electoralPúblico, 12 januari 2016.
  12. Samuele Mazzolini & Arthur Borriello (nog te verschijnen) “Southern European populisms as counter-hegemonic discourses? Podemos and M5S in comparative perspective”, in Marco Briziarelli & Oscar Garcia Augustin (ed.) Podemos and the New Political Cycle, Palgrave.
  13. Tenzij door de opmerkelijke uitzondering na van de onderzoeksgroep “Transnational populist politics”: een groep van wetenschappers en professoren uit Europa en Latijns-Amerika die gezamenlijk willen nadenken over de transnationale perspectieven van het populisme, maar voor de rest beperkt blijft tot een kleine groep academische kringen.
  14. Dat is het argument dat Benjamin De Cleen en Antonis Galanopoulos verdedigen in een interview met als titel Populism, nationalism and transnationalismopenDemocracy, 25 oktober 2016.
  15. Benjamin de Cleen & Antonis Galanopoulos, Populism, nationalism and transnationalismopenDemocracy, 25 oktober 2016.
  16. George Souvlis & Samuele Mazzolini, “An open letter to Yanis Varoufakis”, Lefteast, 29 maart 2016. Zie www.criticatac.ro/lefteast/an-open-letter-to-yanis-varoufakis/.
  17. Benjamin de Cleen & Antonis Galanopoulos, Populism, nationalism and transnationalismopenDemocracy, 25 oktober 2016.