Artikel

Een zonderlinge beweging?

Didier Fassin

+

Anne-Claire Defossez

— 30 september 2019

Waarom bracht het Frankrijk van Macron de gele hesjes voort? Didier Fassin en Anne-Claire Defossez zetten de feiten op een rijtje.

Op 22 november 2018, na vijf dagen protest van de gele hesjes, waarbij zo’n 2.000 wegen en ronde punten over heel het land werden geblokkeerd en 280.000 betogers door de straten van de grootste steden trokken, verwelkomde Emmanuel Macron enkele journalisten van Le Monde in het Élysée. Niet om ze te vergasten op zijn analyse van deze buitengewone woede-uitbarsting, nee, hij gaf ze een rondleiding in zijn presidentieel paleis, waarvan hij de balzaal voor veel geld in een nieuw kleedje had laten steken. De renovatie was uitgevoerd onder het toeziend oog van Brigitte, zijn First Lady, en haar echtgenoot uitte zijn bewondering voor haar keuze van een door de Manufacture Royale van Aubusson geweven tapijt dat een slordige 300.000 euro had gekost. “Op dit punt in de geschiedenis van het land moeten we investeren”, was zijn commentaar, en aangezien het Élysée het uitstalraam van Frankrijk is, kreeg het prioriteit.1 Macron voelt zich geroepen om de vrijgekomen plaats in te nemen van de koning wiens dood tijdens de Revolutie hij beschouwt als een blijvend trauma voor het Franse volk. De kloof tussen het huidige staatshoofd en de bekommernissen van de natie — uit opiniepeilingen blijkt dat de gele hesjes aanvankelijk de steun kregen van 75% van de bevolking — zou je zowaar een ‘Lodewijk XVI-moment’ kunnen noemen, vergelijkbaar met wat deze Bourbonse monarch laconiek in zijn dagboek optekende op 14 juli 1789, de dag dat de Bastille viel: “Niets.”

De president had doodeenvoudig noch de omvang van de mobilisatie noch de onderliggende grieven van de gele hesjes begrepen: de opstand was in zijn ogen niet meer dan de zoveelste episode van futiel protest tegen zijn neoliberale hervormingen. De eerste twee jaar van zijn ambtstermijn hadden de werkers met massale betogingen de herziening van de arbeidswetgeving, de hervorming van het overheidsbedrijf SNCF en de besparingen op de pensioenen willen tegenhouden. Dat al die pogingen waren mislukt, had Parijs ervan overtuigd dat het ook deze nieuwe periode van onrust wel kon uitzitten. In de ogen van Macron en zijn regering waren de belangrijkste klachten van de gele hesjes pietluttig: een verhoging van de brandstoftaks met 6,5 eurocent per liter voor diesel en 2,9 eurocent voor benzine vanaf 1 januari 2019, bovenop eerdere verhogingen in 2018. De president presenteerde de maatregel als een koolstoftaks die het fossiele brandstofgebruik moest doen dalen, een ecologisch gebaar waarmee hij de negatieve indruk wilde uitwissen van het ontslag van Nicolas Hulot, de populaire milieuminister, die zich had laten ontvallen dat het gebrek aan politieke wil van de regering in milieukwesties hem uitermate frustreerde.

De president en zijn ministers waren overtuigd zowel van hun eigen sterkte als van de zwakheid van de tegenstanders en weigerden aanvankelijk naar de betogers te luisteren. Macron probeerde wel hen in diskrediet te brengen en noemde hen een “afschuwelijke bende” en ook nog de “poujadisten” van onze tijd, waarmee hij verwees naar de populistische campagnevoerders uit de jaren vijftig, die naast hun verzet tegen de belastingen ook anti-intellectuele, xenofobische en antisemitische thema’s in hun discours hadden opgenomen. De woordvoerders van de gele hesjes hadden het gemunt op “joden, buitenlanders, homoseksuelen”, beweerde hij, ook al had de beweging vanaf het begin al wie zichzelf tot vertegenwoordiger uitriep, wandelen gestuurd.2 Christophe Castaner, de minister van Binnenlandse Zaken, plakte de activisten het etiket van “opruiende extreem-rechtsen” op — ondanks hun halsstarrige weigering zich met enige politieke partij te verbinden — en vergeleek hen met de Taliban omdat ze (mogelijk onopzettelijk) op 16 december aan een rotonde in Châtellerault een opzichtig standbeeld hadden vernield nadat ze een barricade in de fik hadden gestoken om de politie te verhinderen de weg vrij te maken.3

De koolstoftaks weegt vijf keer zwaarder door op het onderste deciel van de bevolking dan op het bovenste.

De waarheid is dat maar weinig politici of commentatoren ordeverstoringen van die omvang hadden zien aankomen of in staat bleken ze correct te interpreteren, hoewel de literatuur erover zich opstapelde. Hoe kon een basisbeweging zonder leiders, die optrad in kleine groepjes betogers, het landelijk nieuws monopoliseren, internationaal de aandacht trekken en een regering aan het wankelen brengen die in 2017 met zo’n verpletterende overwinning aan de macht was gekomen? Zoals de filosoof Jacques Rancière zegt, is het even moeilijk te begrijpen waarom sommige mensen in opstand komen wanneer ze geconfronteerd worden met voor hen onaanvaardbare situaties, als waarom anderen in gelijksoortige of zelfs slechtere omstandigheden dat niet doen.4 De opstand van de gele hesjes is des te merkwaardiger als je weet dat de meesten voorheen nog nooit hadden deelgenomen aan een betoging en doorgaans elk lidmaatschap van een partij of vakbond afwijzen. We moeten dan ook opletten dat we niet zomaar instemmen met diegenen die de beweging al hebben uitgeroepen tot een ongezien verschijnsel of iets dat wat weg heeft van andere, maar in feite heel erg verschillende bewegingen als de revolutionaire Sansculotten of de Italiaanse Vijfsterrenbeweging.

Minachting

Commentatoren die de aanvankelijke klachten van de gele hesjes belachelijk maakten, hadden niet begrepen dat het verzet tegen de brandstoftaks wortelde in de sociale veranderingen van de voorbije tientallen jaren, die er door de recente maatregelen nog dieper inhakten.5 Dat de economische ongelijkheid sinds de jaren 1980 was toegenomen, konden de Fransen relatief goed verteren zolang de levensstandaard er voor iedereen maar op vooruitging, zij het tegen een trager tempo. Maar sinds de financiële crisis van 2008 was het inkomen van de onderste 40% van de bevolking geslonken. De verpaupering sloeg hoofdzakelijk toe bij wie het al niet goed had en voor wie werkloosheid en ondertewerkstelling het nieuwe normaal leek. Terzelfdertijd gingen de kosten voor huisvesting, energie, verzekering en schoolmaaltijden sneller omhoog dan de inflatie. Deze bevolkingsgroep beschikte daardoor over een kleiner budget om haar behoeften te vervullen.

Parallel met de stijging van de huurprijs van de woningen, vooral in grote steden, werden almaar meer mensen met een krap inkomen uit de stadscentra verdreven terwijl velen van hen daar werkten. In die afgelegen woonwijken is er een chronisch tekort aan openbaar vervoer, een auto is dus een must. De uit de pan rijzende brandstofprijzen zogen het huishoudbudget leeg. Op het platteland was het probleem nog acuter. Daar kwijnen de openbare diensten — van postkantoren tot treinstations, ziekenhuizen of scholen — gewoon weg en is de bevolking wel verplicht naar de grote steden te rijden als ze van die diensten willen gebruik maken. Op de geprivilegieerde sociale lagen hadden de prijsverhogingen weinig invloed, brandstof maakt immers maar een klein deel van hun budget uit. Maar voor wie daarentegen op een zekere afstand van de steden woont, vormen ze wel een grote bijkomende financiële last. Zo weegt de koolstoftaks naar schatting vijf keer zwaarder door op het onderste deciel van de bevolking dan op het bovenste, ook al is de ecologische voetafdruk van het onderste deciel kleiner. Naast het feit dat de automobielindustrie van deze milieuheffing werd vrijgesteld, vonden de bestuurders van dieselwagens de bijkomende taks ook bijzonder onrechtvaardig omdat de regering dat type motoren net had aangemoedigd. Meer dan 60% van alle personenwagens in Frankrijk rijdt op diesel en dat zijn meestal oudere wagens van bestuurders met een laag inkomen. Die mensen, die door Benjamin Griveaux, de woordvoerder van de regering, spottend archetypische pummels en “bestuurders van dieselwagen, de eeuwige sigaret in de mond” werden genoemd, hadden dus reden genoeg om een geel hesje aan te trekken.6 De Parijse commentatoren, die zich in de stad door een chauffeur laten rondrijden of gebruik maken van Uber en de metro, en daarnaast een hybride wagen hebben staan in de garage van hun optrekje op het platteland waar ze de weekends doorbrengen, konden dan ook maar weinig begrip opbrengen voor de meer aardse bekommernis van een stijging van de brandstofprijs met een paar eurocenten.

De overheid deelde die minachting volledig en stak ze ook niet onder stoelen of banken. De actievoerders werden bestempeld als “dom, brutaal, vulgair” en uitgemaakt voor “bandieten, fascisten en reactionairen” — zo verwoorde althans David Guilbaud, een hooggeplaatste functionaris, de uitspraken van zijn collega’s. Dat heeft het gevoel van sociale vernedering bij de al erg gekrenkte klassen nog versterkt.7 Ook de president zelf heeft in het openbaar herhaaldelijk dat soort kleinerende en minachtende tussenkomsten gedaan: hij zette zijn critici neer als “nietsnutten en cynici”, noemde de vrouwen die door een slachthuis waren ontslagen “grotendeels analfabeten”, wees op het contrast tussen “mensen die slagen en mensen die niets zijn”, betreurde dat “we waanzinnige sommen geld uitgeven voor minimale sociale opbrengst”, sloeg een jonge werkzoekende om de oren met: “Ik zal de straat oversteken en een job voor je vinden” en zei, verwijzend naar de gele hesjes, dat “we diegenen die het moeilijk hebben, hun verantwoordelijkheid moeten doen nemen want sommigen gedragen zich goed terwijl anderen maar wat rotzooien.”8 Die opruiende uitlatingen die door zijn te late spijtbetuiging tijdens zijn televisieoptreden van 10 december niet meer uit het collectieve geheugen konden gewist worden, verklaren wellicht waarom uit de peilingen van januari bleek dat 68% van de Fransen Macron arrogant en de meest onpopulaire Franse president in de geschiedenis van de Vijfde Republiek vindt, en maar 23% hem positief beoordeelt.9 De historicus Gérard Noiriel schrijft in dat verband dat “bij volksopstanden bijna altijd het misprijzen van de machtigen wordt blootgelegd, en de opstand van de gele hesjes bevestigt dat.”10

Maar Macrons verbale arrogantie is niet de enige oorzaak van zijn spectaculaire duik in de peilingen. Veel meer dan zijn woorden, zijn zijn daden voor de actievoerders een bewijs van zijn misprijzen en onverschilligheid voor hun lot. Met zijn allereerste maatregel liet de nieuw verkozen president en voormalige Rothschildbankier geen twijfel bestaan over zijn politieke oriëntatie. Onder luid applaus van de industriëlen schafte hij de solidariteitsbelasting voor de rijken af en verving die door een heffing op vastgoed (met uitzondering van financiële activa); daarnaast verminderde hij de vennootschapsbelasting en de loonlasten voor de werkgevers. Om zijn begroting in evenwicht te brengen verlaagde hij dan maar de subsidies voor huisvesting, de gezinsbijslag en de pensioenen. Het is dan ook geen verrassing dat Macron al snel de “president van de rijken” werd genoemd. Ter rechtvaardiging voerde hij de afgezaagde trickle-down-theorie op: de rijken minder belasten en de ondernemingen stimuleren om te investeren zal banen creëren en uiteindelijk allen ten goede komen. De meerderheid van de bevolking was echter niet overtuigd. De werkers hadden meteen door dat de man die ze hadden verkozen omdat hij beweerde noch rechts noch links te zijn, in feite een rasechte neoliberaal was. In plaats van de politieke wereld te verjongen zoals hij tijdens zijn campagne had beloofd, bleek hij alleen maar een vertegenwoordiger van de oude politiek in een nieuwe outfit.11 Wellicht is dat de reden waarom de gele hesjes van meet af aan zoveel steun kregen, terwijl ze toch het dagelijks leven van velen verstoren. Hoewel het aantal actievoerders op een gemiddelde dag zelden meer dan 100.000 bedroeg, kunnen we eigenlijk de meerderheid van de bevolking die in de peilingen beweerde sympathie voor hen te hebben, beschouwen als actievoerders bij volmacht.

Ongeïdentificeerd politiek object

Mag het protest van de gele hesjes terecht een beweging genoemd worden? Ze hebben heel wat kenmerken tegen, vooral als we kijken naar de manier waarop de mobilisatie zich ontwikkelde in de laatste weken van 2018. Vooreerst ging het veeleer om een spontane opstand dan om gecoördineerde acties: buren en vrienden die samenwerkten aan een blokkade, geïmproviseerde oproepen tot protest op locaties die maar in de laatste minuut via sociale media werden bekendgemaakt. Meestal werd niet eens de toelating gevraagd aan de overheid, die er overigens als de kippen bij was om de bijeenkomsten af te doen als illegaal en stante pede mensen op te pakken. Ten tweede stonden geen leiders of woordvoerders op. Wie wel naar voren kwam als tussenpersoon voor de overheid of om mee te werken aan een praatprogramma, werd meteen bekritiseerd en soms zelfs bedreigd. Ten derde was er geen leuze of programma dat alle deelnemers verenigde. Hoewel bepaalde thema’s terugkwamen — in het bijzonder eerlijke belastingen — werden er vooral slogans geschreeuwd tegen Macron zelf, wat de algemene ontevredenheid met de president bevestigde. Die ongewone mobilisatie kan in elk geval deels beschouwd worden als een gevolg van Macrons strategie om de “bemiddelende instanties” te marginaliseren: de traditionele partijen die het in de peilingen slecht deden, met uitzondering van het Nationaal Front, de vakbonden die in de hervorming van de arbeidswetgeving buitenspel waren gezet en de niet-gouvernementele organisaties. De president had ze allemaal genegeerd. In overeenstemming met zijn verheven begrip van de soeverein wilde Macron “het volk” als enige gesprekspartner. Toen hij tot de ontdekking kwam dat zijn wittebroodsweken met de kiezers voorbij waren nu nog maar 28% van de bevolking vertrouwen in hem had — de laagste score ooit in de jaarlijkse peiling over de instellingen — voelde hij zich verslagen en verlamd.12

Mag het protest van de gele hesjes überhaupt een beweging genoemd worden?

Ook de oppositiepartijen en de vakbonden waren verontrust door die vreemde mobilisatie met haar ondoorgrondelijke sociale basis, ongewone actievormen en onduidelijke doelstellingen, temeer doordat hun eigen, minder efficiënte actievormen tegen het regeringsbeleid erdoor in de schaduw werden gesteld. De politici waren weinig geneigd om steun te verlenen aan een golf van protest die door de overheid en de klassieke media werd afgeschilderd als gewelddadig, oncontroleerbaar en aanleunend bij extreemrechts. Dat waren ze nog minder naarmate de actievoerders alle pogingen van derden om hun strijd voor eigen gewin aan te wenden, afwezen. La France Insoumise van Jean-Luc Mélenchon steunde de gele hesjes het openlijkst, terwijl het Rassemblement National van Marine Le Pen het discreter en misschien wel slimmer aanpakte. Uit opiniepeilingen over de kiesintenties voor de Europese verkiezingen van mei 2019 blijkt dat Le Pen meer heeft geprofiteerd van de crisis dan Mélenchon, die zijn kiespubliek zag afkalven. Ondertussen blijft de kern van Macrons steun vrij stabiel.13 De vakbonden van hun kant hadden begrip voor de woede van de gele hesjes en deelden hun vrees omtrent hun koopkracht, maar waren voorzichtiger over de eis van belastingvermindering aangezien belastingen het belangrijkste herverdelingsinstrument zijn. Maar lokaal, bijvoorbeeld in Marseilles, sloten de vakbonden zich bij de actievoerders aan met het argument dat ze veel gemeenschappelijk hadden.

Een belangrijke reden voor het ongemak van de publieke figuren is dat ze de actievoerders niet kunnen plaatsen. Het is zeker waar dat de mobilisatievorm elke mogelijke analyse van de socio-demografische samenstelling bemoeilijkt. Maar er zijn wel studies in situ gedaan aan de rotondes, in de sociale media en via opiniepeilingen.14 Uit de tot op heden verzamelde waarnemingen in heel het land menen journalisten en sociologen toch een aantal gemeenschappelijke kenmerken te kunnen afleiden. Vooreerst zijn de gele hesjes een zeer heterogene groep. De meesten hebben zich nog nooit ingezet in een sociale beweging, een vakbond of een politieke partij. Ten tweede bestaan ze uit zowel mannen als vrouwen — waarbij de vrouwen met 45% van het totaal goed vertegenwoordigd zijn —, gepensioneerden en werkenden, ambachtslui en handelaars, verpleegsters en huishoudsters, studenten en werklozen. Het merendeel komt uit de bovenste laag van de werkende klasse of de onderste laag van de middenklasse. Ze worden naar elkaar toe getrokken door de gedeelde ervaring: de belastingverhogingen en de stijgende onkosten zuigen hun inkomen leeg. Ten derde wonen de meesten aan de rand van de steden of in ontvolkte plattelandsgebieden en voelen ze zich heel erg in de steek gelaten door de overheid. Het label van “perifeer Frankrijk” dat vaak op hen geplakt wordt, moet dus in zijn meerduidige betekenis geïnterpreteerd worden: zij die wonen — of zichzelf beschouwen als wonend — in een politieke, sociale en ruimtelijke periferie. Volgens socioloog Serge Paugam vertegenwoordigt de beweging van de gele hesjes “de weerwraak van de onzichtbaren” tegen de “sociale minachting” van de elites.15

In tegenstelling tot wat algemeen wordt aangenomen, heeft de geograaf Hervé Le Bras aangetoond dat de spreiding van de beweging doorheen het land niet samenvalt met de spreiding van extreemrechtse kiezers. Ook rekruteert ze niet in de verarmde gebieden.16 Opvallend is bijvoorbeeld dat Seine-Saint-Denis, het meest verstoken Franse departement met een hoog aantal migranten, noch blokkades noch betogingen heeft gekend. Dit is paradoxaal genoeg een van de duidelijkste en toch minst opgemerkte kenmerken van de gele hesjes: de meest benadeelde sociale elementen zijn in hun rangen niet terug te vinden. De bewoners van huisvestingsprojecten die als “probleemwijken” of “kwetsbare stedelijke gebieden” geboekstaafd staan en waar de socio-economische en etnisch-raciale segregatie het meest uitgesproken is, blijven afwezig, wat in schril contrast staat met hun leidende rol in voorgaande opstootjes. Zij zijn meestal van Afrikaanse afkomst en kampen vooral met werkloosheid en armoede. Veel huishoudens hebben geen auto. Er wordt nauwelijks geïnvesteerd in de openbare diensten en hun contact met de overheid verloopt veeleer via de politie dan via sociale werkers. Hun scholen kampen doorgaans met een lerarentekort. In interviews geven ze meestal toe dat ze zich niet kunnen identificeren met een overwegend witte beweging. Ze keuren het protest niet af maar vinden het wel ironisch dat de gele hesjes nu lijken te ontdekken wat voor hen al tientallen jaren dagelijkse kost is: sociale marginalisering, economische problemen en politiegeweld. Zaken waar tot op heden niemand van wakker leek te liggen.17

De macht van het volk

Hoewel de revolte van de gele hesjes gebaseerd is op een rits uitzonderlijk diverse klachten, lopen twee belangrijke thema’s als een rode draad doorheen hun programma: sociale rechtvaardigheid en politieke vernieuwing.18 Het eerste heeft te maken met de belastingen: de recente wijzigingen in de fiscale wetgeving worden als hoogst onrechtvaardig aangevoeld. De populairste eis is dan ook de herinvoering van de solidariteitsbelasting voor de rijken. Maar ook de koopkracht staat centraal, gekoppeld aan een oproep om het minimumloon en het minimumpensioen te verhogen. Interessant hierbij is dat het discours van de gele hesjes over de sociale kwestie de focus verlegt: van het traditionele accent op armoede naar de meer ontvlambare discussie over ongelijkheid. Zo gaan hun voorstellen van een meer progressief belastingsysteem over de afschaffing van de levenslange voordelen voor voormalige presidenten tot een maximum van 25 kinderen per klas om de zeer slechte prestaties van het Franse onderwijssysteem in vergelijking met andere landen op te krikken. Ze drukken ook hun solidariteit uit met de minstbedeelden. Onder de tweeënveertig eisen die de actievoerders in januari oplijstten, stond ook “nul daklozen” — een van Macrons verkiezingsbeloften — en een betere behandeling van asielzoekers met onder andere meer veiligheid, huisvesting, voeding en onderwijs. In tegenstelling tot de insinuaties van de president en de hoop van de Italiaanse minister van Binnenlandse Zaken Matteo Salvini die de gele hesjes zijn steun had toegezegd, stond de meerderheid van de actievoerders niet vijandig tegenover migranten. Integendeel, zij riepen op tot “een echte integratiepolitiek”. Dat wil niet zeggen dat een minderheid van de deelnemers geen sympathie kan hebben voor rechts.

De machtsontplooiing van de politie, eerder beperkt tot anti-terreuroperaties, wordt nu uitgebreid naar gewone oproerinterventies.

Anderzijds stelden de gele hesjes onomwonden de tekortkomingen van de representatieve democratie in Frankrijk aan de kaak. Met een president die in de eerste ronde minder dan 25% van de stemmen achter zijn naam kreeg en een parlement dat geen enkele arbeider in zijn rangen telt — nochtans 20% van de actieve bevolking — kan noch van de uitvoerende noch van de wetgevende macht beweerd worden dat ze echt het volk vertegenwoordigen. Bovendien heeft het presidentiële afgietsel van de Vijfde Republiek de voorbije twee jaar een extreme vorm aangenomen met Macron als de god Jupiter, die het parlement straal negeert en alles zelf beslist, zonder enig overleg.19 Tegenover deze autocratische vorm van bestuur waarin de soeverein zijn relatie met het volk alleen ziet in pedagogische termen — om hen uit te leggen waarom hij doet wat hij doet — stellen de gele hesjes vergaderingen zonder leider, debatten op gelijke voet en een solidaire praktijk. Hun belangrijkste voorstel is het burgerreferendum zonder tussenkomst van president of parlement, zoals in Zwitserland en Italië. Ze eisen ook een uitbreiding van de presidentiële ambtstermijn van vijf naar zeven jaar zodat de parlementariërs niet langer meteen na het staatshoofd verkozen worden, wat in feite garandeert dat de meerderheid van de Assemblée Nationale tot diens partij behoort en gehoorzaamt aan zijn bevelen. Door zo’n grondwettelijke verandering zou volgens de gele hesjes ‘de stem van het volk’ beter gehoord worden. Uiteraard zijn veel linksen al lang een pak radicaler en ijveren voor de Zesde Republiek.

De heterogene samenstelling van de gele hesjes, de diversiteit van hun eisen en bovenal hun succes bij de publieke opinie hebben bij de regering vreemde en tegenstrijdige reacties uitgelokt. Daarbij vallen drie momenten op. Aanvankelijk deed de president er lange tijd het zwijgen toe terwijl zijn regering vasthield aan haar beleid in de hoop dat de mobilisatie wel zou uitdoven naarmate de kerstvakantie naderde. Premier Édouard Philippe verklaarde dat het minimumloon niet zou verhoogd worden omdat het indruiste tegen de daling van de bedrijfslasten. In naam van de bescherming van het milieu zou ook de brandstoftaks behouden blijven. In de vermeende competitie tussen zij die zich zorgen maken over ‘het einde van de maand’ en zij die meer bekommerd zijn om ‘het einde van de planeet’, koos de regering de kant van de laatsten, wat nogal hol klinkt gezien Macrons regressieve beleid aangaande pesticiden, kerncentrales en de winningsindustrieën.

Naarmate het protest aanhield en enkele ministers binnen de presidentiële meerderheid pleitten voor een minder afwijzende houding, volgde een reeks toegevingen die een onduidelijke weerslag hadden op de sociale ongelijkheid en de economische stabiliteit. De brandstoftaks werd uitgesteld en uiteindelijk afgevoerd. Het minimumloon werd verhoogd door middel van een speciale premie, betaald door de overheid in plaats van de werkgever waardoor de kosten werden doorgeschoven naar de belastingbetaler. Belastingen of andere lasten op overuren werden ingetrokken, wat irrelevant is voor werkers op de onderste sport van de loonladder, die vrijgesteld zijn van belastingen omdat ze sowieso te weinig verdienen. De laagste pensioenen ontsnapten aan een nieuwe toeslag maar voor het eerst werden de pensioenen losgekoppeld van de inflatie waardoor hun reële waarde kan dalen. De sociale uitkeringen gingen niet naar omhoog en de solidariteitsbelasting voor de rijken kwam niet terug. Dit pakket maatregelen werd door Macron voorgesteld als een belangrijke “sociale wending” maar hielp de meest precaire bevolkingsgroepen geen stap vooruit terwijl de bedrijfswereld en de meest geprivilegieerden de dans ontsprongen. Bovendien betekende het een zware hap uit de overheidsfinanciën waardoor het begrotingstekort toenam. In feite was het een voorteken voor een nieuwe besparingsronde in de openbare diensten.

Het protest hield aan. Op 13 januari 2019 deed de president een ultieme poging om de gele hesjes te slim af te zijn en hun momentum te doorbreken: hij kondigde een ‘groot nationaal debat’ aan dat drie maanden zou duren en waaraan iedereen kon deelnemen. Hoewel Macron daarmee wilde tonen dat hij was afgestapt van zijn karakteristieke verticale regeringsstijl van de voorbije twee jaar en nu meer horizontaal te werk wilde gaan, zijn er flink wat aanwijzingen dat de president heel dit proces naar zijn hand heeft gezet. De vier thema’s en tweeëntachtig vragen voor de discussie lagen op voorhand vast.20 Ze kwamen gedeeltelijk overeen met hervormingen die zich al in de voorbereidende fase bevonden — bijvoorbeeld de daling van het aantal volksvertegenwoordigers en senatoren — en zijn zodanig geformuleerd dat het antwoord al bij voorbaat bekend was: “Welke overheidsuitgaven moeten er in volgorde van prioriteit geschrapt worden om de belastingen te doen dalen en de schulden te verminderen?”

Sommige onderwerpen die voor de gele hesjes van cruciaal belang waren — het burgerreferendum, de herinvoering van de solidariteitsbelasting voor de rijken, maatregelen om de koopkracht te verhogen — stonden niet eens op de lijst. Andere hadden dan weer niets te maken met de eisen van de actievoerders of waren zelfs duidelijk bedoeld om verdeeldheid te zaaien. Dit geldt vooral voor de vragen over de scheiding tussen kerk en staat (die in feite enkel de Franse houding om de moslimminderheid te viseren willen bestendigen): “Wat stel jij voor om de seculiere principes in de relaties tussen de staat en de godsdiensten in ons land te versterken?”, en over immigratie (die de conservatieve partij Les Républicains stroop om de mond willen smeren): “Wil je dat het parlement jaarlijkse quota vastlegt?” De organisatie van het debat was in handen van twee ministers en het analysekader van de verkregen informatie was ondoorzichtig. Aanvankelijk was aan de Nationale Commissie voor Openbare Debatten gevraagd om toe te zien op het proces om de transparantie en neutraliteit te verzekeren maar die had zich teruggetrokken omdat haar voorstellen niet werden gerespecteerd. Chantal Jouanno, de voorzitter van de Commissie, bekritiseerde het gebrek aan onpartijdigheid en de paternalistische benadering van het debat. Uit een opiniepeiling van 21 januari bleek dat de meerderheid van de bevolking het initiatief positief beoordeelde maar ook dat 62% dacht dat de regering geen rekening zou houden met de resultaten. Nog meer pessimisme bij de sympathisanten van de gele hesjes: 79% ging ervan uit dat het debat een maat voor niets was.21

Staat en repressie

Hoewel er in de loop der tijd enige verschuiving merkbaar is in de benadering van Macron en Édouard Philippe, is er sinds het begin van de onrust één constante: de uitzonderlijk harde aanpak van het protest. Volgens criminoloog Fabien Jobard overtreft het aantal gewonden “al wat ooit in Frankrijk gezien was sinds Mei 68”.22 In twee maanden tijd raakten meer mensen gewond door het politieoptreden dan in de voorbije tien jaar samen. Doordat Christophe Castaner van Binnenlandse Zaken geen gegevens vrijgeeft, moeten we het doen met de onvolledige telling van het Collectif contre la violence d’État, cijfers die bevestigd werden door de onafhankelijke journalist David Dufresne: in de eerste week van januari waren er al 111 zwaargewonden.23 De meeste kwetsuren waren veroorzaakt door Flash-Ball-geweren en Sting-Ball-granaten, anti-oproerwapens die in de meeste Europese landen niet ingezet worden. Een tachtigjarige vrouw stierf door een granaat. Drie mensen verzeilden in een coma nadat ze door een rubberen kogel waren getroffen. Vier raakten een hand kwijt. Achttien verloren een oog. Twee derden van de slachtoffers werden in het hoofd geschoten, met hersenletsels tot gevolg, hoewel de politie wordt verondersteld te mikken op de romp en de ledematen. Een oorlogsjournalist van wie geen haar gekrenkt werd tijdens de oorlogen in Bosnië, Afghanistan, Libië, Tsjaad, Irak en Syrië, raakte voor het eerst gewond in Parijs. De politie viseerde dan ook speciaal mensen die de betogingen filmden en dus ook journalisten.

Macron wilde als verheven soeverein “het volk” als enige gesprekspartner, geen vakbond of middenveld.

Op 15 januari verklaarde Castaner dat hij “geen weet had van agenten of gendarmes die de gele hesjes hadden aangevallen”.24 Deze ontkenning bewees dat de regering de oproeragenten zou steunen, hoe hardhandig ze ook optraden. Vijf dagen later, toen ze door critici beschuldigd werd van “staatsleugens”, gaf een woordvoerder eindelijk toe dat er bij de Inspection Générale de la Police Nationale 81 onderzoeken liepen naar agenten die geweld hadden gebruikt. Het initiatief voor de ongewone brutaliteit van de politie kan evenwel niet zomaar in de schoenen van de gewone agenten geschoven worden. Het harde optreden is het gevolg van de recente evolutie in het regeringsbeleid. Na de terroristische aanslagen van 2015 werd de noodtoestand afgekondigd. Twee dagen vóór het einde ervan, op 1 november, legde Macron een nieuwe veiligheidswet voor aan het parlement.25 Daarin had hij een aantal bepalingen opgenomen die in feite alleen gelden voor de noodtoestand, in het bijzonder de uitbreiding van de voorrechten van de politie en de toestemming om betogingen te verbieden. De machtsontplooiing van de politie, oorspronkelijk beperkt tot anti-terreuroperaties, wordt nu uitgebreid naar gewone oproerinterventies. Dit houdt in: de aanwezigheid van sluipschutters op de daken van gebouwen — bevestigd door de politievakbonden —, het bezit van offensieve wapens en het gebruik van verminkende wapens. Wat eerst de uitzondering was, wordt nu de regel.

Een geweldspektakel

Opvallend is echter dat zowel de nationale als de internationale media de eerste zes weken van het oproer geen oog hadden voor de slachtoffers. Ze repten met geen woord over het politiegeweld terwijl ze als betoverd leken door het geweld van de menigte. Telkens opnieuw zonden verscheidene tv-kanalen de beelden uit van de vernielingen en plunderingen op de Champs-Élysées. De voorpagina’s van de kranten pakten uit met nachtfoto’s van brandende barricades terwijl de editorialen chaotische taferelen schilderden. Tijdens de betoging van 5 januari werd een voormalige bokskampioen gefilmd toen hij een politieagent een slag toebracht. De agent in kwestie dook achter zijn schild en was maar lichtgewond. Toch was dit incident dagenlang voorpaginanieuws en ontlokte aan de regering, de politievakbonden en media-experts luide kreten van verontwaardiging. Geen woord over de zeven betogers die dezelfde dag door de politie werden aangepakt en ernstig gewond raakten — met hersenletsels, kwetsuren in het aangezicht of het verlies van een oog tot gevolg. Er zijn wellicht meerdere redenen voor die selectieve berichtgeving. Vooreerst verlieten de media zich teveel op de officiële versie die de overheid opdiste en probeerden sommigen de verwachtingen van hun media-eigenaars, die niet zelden banden hebben met de regering, voor te zijn. Maar er waren er ook die hun minachting voor de gele hesjes niet konden verbergen of vooral op zoek gingen naar sappige verhalen en beelden die het publiek zouden aanspreken.

Zoals de socioloog Laurent Mucchielli zegt: “Geweld genereert verbazing/fascinatie/afkeer die het denken verhindert.”26 In die zin kunnen sensationele beelden en alarmerende verslaggeving het publiek doen vergeten dat het Franse protest al tientallen jaren gekenmerkt wordt door de aanwezigheid van gewelddadige groepen of individuen en dat bij boerenbetogingen openbare gebouwen werden platgebrand zonder dat iedereen op zijn achterpoten ging staan. Dat er bij sommige betogingen van de gele hesjes sprake was van geweld staat buiten kijf. Maar de bekladding van de Arc de Triomphe tijdens het oproer van 1 december 2018 in Parijs lokte meer emotie en veroordeling uit dan de dood van acht mensen in het centrum van Marseilles toen een verloederd gebouw instortte, waarop lokale bewoners en gele hesjes de volgende dag vreedzaam protesteerden tegen de erbarmelijke huisvesting van de armen. Alsof het ‘geweld’ van de graffiti op een nationaal monument schandaliger was dan het geweld van de fatale verwaarlozing door de overheid. En toen Macron een beschuldigende vinger uitstak naar de gele hesjes vanwege de tien doden door de wegblokkades verwees hij eigenlijk naar de onfortuinlijke slachtoffers van de verkeersongelukken, veroorzaakt door voertuigen die door of langs de barricades wilden glippen.

Door enkel te focussen op het geweld van een minderheid van betogers en de oproerkraaiers die zich onder hen gemengd hebben, en in alle talen te zwijgen over de brutaliteit van de politie, hebben de media plichtsgetrouw meegewerkt aan het officiële verhaal van de gebeurtenissen en de normalisering van de gewelddadige politie-interventies. Op 5 december bijvoorbeeld verklaarde de regering dat de betogers klaarstonden om naar de hoofdstad af te zakken om “te vernietigen en te doden”. Een gefrustreerd geel hesje nam dan maar contact op met een televisiezender via Facebook: “Duizenden vreedzame gele hesjes aan de Opera in Parijs — jullie zenden die beelden toch uit?” In antwoord op de pro-regeringshouding van de meeste media en hun bevooroordeelde voorstelling van het protest staan de gele hesjes vaak vijandig tegenover journalisten en hebben hen af en toe ook aangevallen. Ze geven de voorkeur aan de sociale media en de alternatieve nieuwssites waar zowel nuttige informatie als fake news in overvloed te vinden zijn.

Het fysieke geweld van de actievoerders lijkt een begrijpelijke reactie op het structurele geweld van de maatschappij.

De media werden aangeklaagd omdat ze de gele hesjes hebben belasterd en hun acties in een verkeerd daglicht hebben gesteld maar ironisch genoeg heeft heel de heisa de beweging ook bekendheid opgeleverd. Vanaf het begin heeft ze daardoor veel aandacht van het publiek gekregen, wat zonder de media allicht niet het geval zou zijn geweest. In recente jaren hebben heel wat mobilisaties het met een pak minder belangstelling moeten doen, en het protest tegen de brandstoftaks was op het eerste gezicht nu niet bepaald een boeiend onderwerp. Het verschil zat hem in het spektakel. Dit is een tweede paradox waarop we de nadruk moeten leggen. De beelden en verhalen die de actievoerders in een kwaad daglicht stellen, hebben hen tot een wereldwijde attractie gemaakt. Dit was niet zomaar toevallig. Met opzet werden symbolische plaatsen en monumenten uitgekozen als toneel voor het optreden van de massa. Doordat de vernielingen en plunderingen tijdens de derde betoging op 1 december 2018 zich voordeden in de beroemde Franse hoofdstad, ging het protest viraal en kreeg het wereldwijd steunbetuigingen vanuit alle hoeken van het politieke spectrum, van Salvini aan de rechterzijde tot Sahra Wagenknecht (fractievoorzitter van Die Linke in het Duitse parlement) aan de linkerzijde. Het leidde tot gelijksoortige mobilisaties in andere landen, van België tot Taiwan. In Egypte werd zelfs een advocaat naar de gevangenis gestuurd omdat hij een foto van zichzelf in een geel hesje had gepost. Nu moest de Franse regering het wel serieus nemen. De meerderheid van de bevolking keurde de excessen af maar bleef wel sympathiseren met de mobilisatie, alsof ze het fysieke geweld van de actievoerders wel een begrijpelijke — zo niet te rechtvaardigen — reactie vond op het structurele geweld van de maatschappij.

Betekenis en onzekerheid

De beweging van de gele hesjes is een recent fenomeen, wat het moeilijk maakt om nu al definitieve conclusies te trekken over de betekenis en toekomst ervan. De beweging werd te vaak als sui generis (= enig in zijn soort) bestempeld terwijl het nuttig is ze te vergelijken met andere mobilisaties van de voorbije tien jaar, onder andere in Spanje, Italië en Griekenland. Er zijn ongetwijfeld gelijkenissen: de woede over de dalende koopkracht en de gebrekkige werking van de representatieve democratie; de heterogene sociale en politieke samenstelling van de actievoerders met een betekenisvolle rol van precaire werkers en mensen die zich vroeger nog nooit geroerd hebben, vooral vrouwen; de bezetting van openbare plaatsen en het gebruik van de sociale media; de afwezigheid van leiders en formele structuren, althans in de vroege fasen van die bewegingen. Twee factoren onderscheiden de Franse beweging echter van andere: ten eerste dat de woede van het volk gericht is op de figuur van de president, die het symbool geworden is van een arrogant en autoritair neoliberalisme, en ten tweede de Franse geschiedenis van de strijd voor de socialistische staat, die in de collectieve verbeelding gegrift blijft.

Die hypotheses moeten nog bevestigd worden. Wat we met enig vertrouwen kunnen beweren is dat de mobilisatie van de gele hesjes een gebeurtenis is in de sterke betekenis van de term: een momentopname die een tijdelijke breuk in de gewone gang van zaken oplegt, met een ‘vóór’ en een ‘na’. Dat de sociale rechtvaardigheid en de democratische praktijk in vraag wordt gesteld, is zeker niet nieuw, maar in dit geval heeft het ruim weerklank gevonden bij de bevolking, althans bij de brede werkende klasse. Het heeft ook de academische wereld beroerd. Sociale wetenschappers en theoretici hebben nog maar zelden zo snel gereageerd op het overrompelende verloop van gebeurtenissen, met het risico dat ze hun eigen verlangens en verwachtingen zouden projecteren maar met de verdienste dat ze hebben bijgedragen aan de collectieve dynamiek. Twee maanden na het begin van de acties waren er al drie boeken van meerdere auteurs verschenen bij belangrijke uitgevers.27 Die intellectuele energie is een signaal.

Een signaal zijn ook de vele debatten in alle sectoren van de maatschappij. Niet helemaal onverwacht vinden veel conservatieven de gele hesjes maar verdacht en staan afwijzend tegenover de hele beweging, terwijl de meeste progressieven opgetogen zijn vanwege het potentieel om een verlamd sociaal en politiek systeem weer vlot te trekken, ook al zijn ze zich bewust van de vele interne spanningen en tegenstellingen. Door te beweren dat zij het volk zijn en de legitimiteit van de elite in vraag te stellen, sluiten de gele hesjes aan bij de volkstraditie. Maar niet alle volksbewegingen zijn identiek. Niemand weet of deze beweging in de toekomst in een meer herkenbare vorm voor de dag zal komen, maar ze heeft op zijn minst de Franse politici herinnerd aan het bestaan van een categorie die uit de woordenschat was verdwenen: de volksklassen.

Deze tekst is een vertaling van “An Improbable Movement? Macron and the Rise of the Gilets Jaunes”, gepubliceerd in het nummer januari-februari-2019 (nr. 115, p. 77-92) in New Left Review. Zie http://newleftreview.org/issues/II115/articles/didier-fassin-anne-claire-defossez-an-improbable-movement.

Footnotes

  1. Louis Nadau, “Pendant ce temps-là, Emmanuel et Brigitte Macron reçoivent Le Monde … pour parler déco de l’Élysée”, Marianne, 5 december 2018.
  2. Emmanuel Macron, “Mes vœux 2019 aux Français”, 31 december 2018.
  3. “Gilets jaunes: Castaner compare l’incendie d’une statue à la destruction des Bouddhas par les talibans”, LCI, 18 december 2018.
  4. Jacques Rancière, “Les vertus de l’inexplicable — à propos des “gilets jaunes””, AOC, 8 januari 2019.
  5. Xavier Molénat, Guillaume Duval and Vincent Grimault, “Inégalités: Les cinq fractures françaises”, Alternatives économiques, 21 december 2018.
  6. Jean-Michel Bretonnier, “Environnement: Cette France qui roule au diesel et fume des clopes”, La Voix du Nord, 30 oktober 2018.
  7. David Guilbaud, ““Égoïstes, imbéciles, illuminés, poujadistes, vulgaires”: les Gilets Jaunes vus depuis une certaine haute fonction publique”, AOC, 19 december 2018.
  8. Cyril Brioulet, “Maladresse ou arrogance: les dix phrases choc d’Emmanuel Macron”, La Dépêche, 17 september 2018.
  9. Ipsos Public Affairs, “Le baromètre de l’action politique”, 16 januari 2019.
  10. Gérard Noiriel, “Les “gilets jaunes” replacent la question sociale au centre du jeu politique”, Le Monde, 27 november 2018.
  11. Didier Fassin, “Sure looks a lot like conservatism”, London Review of Books, 5 juli 2018.
  12. Madani Cheurfa en Flora Chanvril, “2009-19: la crise de la confiance politique”, Baromètre de la confiance politique, SciencesPo Cevipof, januari 2019.
  13. Ifop, “L’intention de vote à l’élection européenne de mai 2019”, 16 januari 2019.
  14. Benoît Coquard en Eric Aeschimann, “Des femmes, des abstentionnistes, des bandes de copains … Un sociologue raconte les gilets jaunes”, BibliObs, 1 december 2018; Collectif, “Qui sont vraiment les “gilets jaunes”? Les résultats d’une étude sociologique”, Le Monde, 26 januari 2019; Luc Rouban, “Les “gilets jaunes”, une transition populiste de droite”, The Conversation, 28 januari 2019.
  15. Serge Paugam, “Face au mépris social, la revanche des invisibles”, AOC, 7 december 2018.
  16. Pascal Riché, “La carte des “gilets jaunes” n’est pas celle que vous croyez”, L’Obs, 21 november 2018.
  17. Éric Marliere, “Les “gilets jaunes”, vus par les quartiers populaire”, Slate, 9 januari 2019.
  18. Jérémie Chayet, “Liste des 42 revendications des gilets jaunes”, Mediapart, 2 december 2018.
  19. Hélène Combis, ““Président jupitérien”: comment Macron comptait régner sur l’Olympe (avant les Gilets jaunes) ”, France Culture, 11 december 2018.
  20. Lucas Mediavilla, “Grand Débat: les 82 questions soumises aux Français sur Internet”, Les Échos, 16 januari 2019.
  21. OpinionWay, “Pour 67% des Français, le Grand débat national est “une bonne chose””, LCI, 22 januari 2019.
  22. Fabien Jobard, “Face aux “gilets jaunes”, l’action répressive est d’une ampleur considérable”, Le Monde, 20 december 2018.
  23. “Recensement provisoire des blessé-es des manifestations du mois de novembre-décembre 2018”, Désarmons-les, 4 januari 2019.
  24. Anthony Berthelier, “Ces gilets jaunes furieux de la petite phrase de Castaner sur les violences policières”, HuffPost, 15 januari 2019.
  25. Paul Cassia, “Sortie de l’état d’urgence temporaire, entrée dans l’état d’urgence permanent”, Mediapart, 31 oktober 2017.
  26. Laurent Mucchielli, “Comment analyser sociologiquement la colère des Gilets Jaunes?”, Mediapart, 4 december 2018.
  27. Joseph Confavreux, ed., Le fond de l’air est jaune: Comprendre une révolte inédite, Parijs 2019; Collectif, Gilets jaunes’: hypothèses sur un mouvement, Parijs 2019; Collectif, Gilets jaunes: Des clés pour comprendre, Parijs 2018.