Aankondiging

Editoriaal Lava 14

Ruben Ramboer

— 29 september 2020

Geen Vlaming, Waal of Brusselaar heeft voor nieuwe splitsingen gestemd. Maar als de dynamiek niet komt van een breed draagvlak, welke krachten kleden België dan wel steeds verder uit? Dit onderzoekt Lava 14.

“De arbeiders hebben geen vaderland. Men kan hun niet ontnemen wat zij niet hebben.” Dat schreven Marx en Engels in het Communistisch Manifest in 1848. In een wereld anno 2020 geteisterd door het oprukken van autoritair en xenofoob nationalisme met ieder zijn nationale variant op “America First” hebben die woorden van Marx en Engels veel weg van een naïeve wensdroom.

Zo lijkt het ook in België, waar we op moment van schrijven de afloop nog niet kennen van de meer dan 500-dagen lange sukkelgang van de regeringsvorming. En toch. Eerst zijn er de verkiezingscampagnes waarin amper over communautaire kwesties wordt gerept. Het debat laat de meeste Belgen koud; slechts een kleine minderheid wordt wild van een betoog over confederalisme, transfers en bevoegdheden. Dan volgen de felle debatten om de verkiezingsresultaten communautair te framen. En uiteindelijk start een ellenlange regeringsvorming gegijzeld door communautaire stratego.

Zoals de N-VA bouwt aan een Vlaams front, bouwt de PS aan een Waals front.

Tijdens haar verkiezingscampagne in 2019 repte de N-VA geen woord over een staatshervorming. Maar toen ze een kwart van haar kiezers verloor, wist ze vervolgens toch een framing op te leggen als zou Vlaanderen Vlaams-nationalistisch gestemd hebben. Op het verkiezingsfeestje verschenen meer Vlaamse Leeuwen dan op dat van winnaar VB. De twee partijen maakten elkaar vervolgens wekenlang het hof voor de camera’s in de aanloop naar de Vlaamse regeringsonderhandelingen. En federaal belandden de regeringsonderhandelingen in het slop door allerlei communautaire veto’s en fronten.

Communautaire confrontatie in 2024

Meer dan een jaar later hadden PS-voorzitter Paul Magnette en N-VA voorzitter Bart De Wever een federaal akkoord, alvast gesteund door CD&V en sp.a. Dat werd voorgesteld zoals ook het Belgische federalisme wordt voorgesteld: een compromis tussen Vlaamse communautaire en Franstalige sociaaleconomische eisen. De staatshervorming die op tafel lag was verregaand: splitsing van de RIZIV-budgetten, justitie, politie, brandweer, civiele bescherming en verder splitsen van mobiliteit, gezondheidszorg en arbeidsmarktbeleid. Ook werd de grondwet helemaal opengezet en speelde men met de idee om per bevoegdheid telkens een Franstalige en Nederlandstalige minister aan te stellen met eigen budget voor de eigen regio. De partijen vonden gelukkig geen partner voor hun project, noch bij de liberalen, noch bij de groenen. Maar het hek is van de dam, nu is het eerder uitstel tot een nieuwe communautaire confrontatie in 2024 dan afstel. Ook is in het scenario van een Vivaldi-regering de splitsingsdrang niet afgewend. CD&V wil op dat vlak scoren en de sociaaldemocraten maken er geen breekpunt van.

Van de N-VA en CD&V wekte een en ander niet echt verrassing, van de PS misschien iets meer. Nochtans is de PS niet aan haar proefstuk toe. In zijn befaamde brief aan de koning “Sire, il n’y a pas de Belges” riep Jules Destrée in 1912 al op tot een administratieve scheiding tussen Vlaanderen en Wallonië. Voormalig senator voor de PS Fernand Dehousse verdedigde na de Tweede Wereldoorlog het confederalisme en schreef in 1961 een ontwerp voor een federale grondwet. De PS schreef mee aan de zeven Belgische Staatshervormingen. Steeds waren er binnen de PS sterke regionalistische en communautaristische stromingen. Het behoud van één sociale zekerheid is voor de PS geen principekwestie; het verzet is enkel gevoed uit vrees dat de Franstaligen daarbij zouden verliezen. De PS bouwt geen bruggen met de werkende klasse in het Noorden van het land, integendeel. Zoals de N-VA bouwt aan een Vlaams front, bouwt de PS aan een Waals front.

Nochtans is de balans van al die staatshervormingen grotendeels catastrofaal. De coronacrisis bracht de inefficiënte van de geregionaliseerde bevoegdheden aan het licht. De verantwoordelijke ministers van de verschillende gewesten deden er weken over om te reageren. En terwijl de negen ministers van gezondheid in België in eindeloze vergaderingen uitmaakten wie bevoegd was voor beschermingsmateriaal, testing en tracing, wie wat moet doen of niet mag doen, woekerde het virus ongeremd door. De coronacrisis bracht ook absurditeiten aan het licht. Een federaal draaiboek voor de bestrijding van infectieziekten in woonzorgcentra verdween bij de regionalisering. Rusthuizen en werkplaatsen, slechts gescheiden door enkele kilometers, zijn onderworpen aan verschillende regionale regels. En ook vóór de pandemie toonden dossiers als de lastenverdeling (burden sharing) van de klimaatdoelstellingen of de geluidsnormen voor vliegtuigen in Brussel al het surrealisme van de Belgische instellingen.

Dit land heeft duidelijk nood aan meer eenheid in plaats van versnippering, of het nu gaat om zorg, klimaat of mobiliteit. Dat geen Vlaming, Waal of Brusselaar uit de Dorpstraat voor nieuwe splitsingen had gestemd? Dat enquêtes keer op keer uitwijzen dat de overgrote meerderheid in België, inbegrepen kiezers van N-VA en VB, geen heil ziet in verdere splitsing? Dat onder druk van de basis de “mogelijkheid tot herfederalisering” werd opgenomen in het programma van de CD&V? Dat lieten N-VA, CD&V en de sociaaldemocraten niet aan hun hart komen en ze zetten een nieuwe staatshervorming in de steigers. Maar als de dynamiek niet komt van een breed draagvlak, welke krachten kleden België dan wel steeds verder uit?

In haar Really Existing nationalisms (Verso, 2018) betwist Erica Benner dat het Marx en Engels ontbrak aan theoretische inzichten over nationalisme. In hun journalistiek werk, speeches en politieke activiteit spraken ze zich uit over de vraagstukken van natievorming in hun tijd. Ze toonden zich voorstander van de Ierse onafhankelijkheid, van de vorming van een Poolse natie, de Indische dekolonisatie en, tot op een zekere hoogte, van de Duitse eenmaking.

Al in zijn jonge jaren maakte Marx een cruciaal democratisch onderscheid tussen een nationaliteit die van bovenaf wordt opgelegd, en een nationaliteit die vorm krijgt van onderuit, die de noden en zorgen van de mensen weerspiegelt in een project van emancipatie en volkssoevereiniteit. Met andere woorden, een democratisch nationaal project moet voldoen aan sociale en economische voorwaarden. Een authentieke nationale identiteit kan niet zonder sociale hervormingen die komaf maken met de dominantie van de elites. Om een “nationale” gemeenschap te vormen moet het volk — heel het volk — de voorwaarden van vereniging kunnen bepalen. De werkende klasse moet haar “nationaal” belang onderscheiden van de klassenbelangen van de dominante klasse.

Nationalisme kan je niet analyseren als een alleenstaand fenomeen, met wortels en doelen die los staan van klassenbelangen. Alle nationalistische bewegingen, reactionair of emancipatorisch, worden gestuwd of teruggeslagen door klassenstrijd én kunnen geanalyseerd worden in termen van de klassenbelangen die ze verdedigen of aanvallen. Marx en Engels zijn dan ook vooral geïnteresseerd in de sociologische basis, de programma’s en de complexe motivaties van nationalistische actoren. Hun analyses waren gericht op het strategisch motiveren van steun aan of verwerping van een bepaald nationalistisch streven. In de praktijk bleek het zelden evident om een klare lijn te tekenen tussen emanciperende ambities van een volk en etnocentrisme, of te zien waar een defensieve opstelling stopt en een agressief nationalisme begint. Toch is hun aanpak verrassend actueel. De etnisch-autoritaire demonen die Marx en Engels opmerkten in het 19de eeuwse Duitsland zien we vandaag her en der weer opduiken. Zij wezen in hun tijd ook al op de sterke correlatie tussen negatieve opstellingen tegen ‘buitenstaanders’ en politieke repressie, materiële onzekerheid en sociale vervreemding.

Dossier nationalisme en regionalisme

Het is in die geest dat we onze themanummer “Nationalisme en regionalisme in België” hebben samengesteld. We identificeren de specifieke groepen, klassen en instellingen die in België oproepen tot nationalisme, communautarisme of regionalisme. We zoeken uit welke groepen in de samenleving voor zulke oproepen ontvankelijk zijn en welke er immuun voor zijn. We bekijken hoe mythes en cultuur worden ingezet voor een nationalistisch project. En we beoordelen de communautaire verzuchtingen op de voor links relevante doelstellingen: duurzame, sociale en economische ontwikkeling, politieke democratie en het terugdringen van nationale conflicten.

Historicus Vincent Scheltiens bijt de spits af met een essay over de communautarisering van de Belgische politiek. Hij gaat in op de binaire opvatting dat België uit twee onverzoenlijk tegenover elkaar staande blokken zou bestaan. Die tunnelvisie mondt onvermijdelijk uit op confederalisme en splitsing als de enige magische remedie voor alle maatschappelijke problemen. Scheltiens zoekt uit hoe we de politieke agenda kunnen decommunautariseren en herpolitiseren.

Paul Dirkx, auteur van De Vlaams-Waalse fictie (EPO 2014), ontkracht het fabeltje dat het Belgisch federalisme het resultaat is van een compromis tussen Vlaamse culturele eisen en Waalse economische eisen. Al van het prille ontstaan van het land werden in België twee autononomistische treinen op de rails gezet. Tegen de achtergrond van een ingebeelde oorlog tussen gemeenschappen realiseren de zeven staatshervormingen zonder al te scherpe debatten de agenda van patroonsorganisaties. De leider van de Vlaamsnationalistische Volksunie Hugo Schiltz vatte die aanpak perfect samen in de oneliner: “Federaliseren is saneren”. Die dodelijke link tussen staatshervorming en neoliberale herstructurering is sinds 1970 het cement van de Belgische coalitieregeringen. De in 2001 opgerichte N-VA wordt de ultieme belichaming van die etnoliberale ideologie.

Nationalisme kan je niet analyseren als een alleenstaand fenomeen, met wortels en doelen die los staan van klassenbelangen.

Filosoof en algemeen secretaris ACOD-Cultuur Robrecht Vanderbeeken kadert de cultuurpolitiek van de Vlaams-nationalisten. Hij toont hoe de nationalistische instrumentalisering van kunst, onderwijs en media rijmt met de economische agenda van VOKA. Maar tegenover het systeembevestigende cultuur van een etnisch “wij” versus “zij” die de economische breuklijnen en de sociale klassen uitwissen staat ook een emanciperende cultuur. Hij wijst hij op de reactie van de mensen in de zorg, de cultuursector en het middenveld die in al hun diversiteit vanuit een totaal andere visie op mens en samenleving de strijd aangaan tegen de regering Jambon. De inzet reikt heel wat verder dan de omvang van de cultuurbegroting. Of zoals de schilder Luc Tuymans het zei: “Het gaat niet alleen over de besparingen op cultuur, het gaat over een fundamentele politieke en sociale strijd die nog maar net begonnen is.

Voormalig hoofdredacteur van Marxistische Studies Herwig Lerouge werpt een blik naar het oosten voor een vergelijking tussen het Belgische en het Duitse federalisme. In tegenstelling tot het middelpuntvliedende Belgisch federalisme is het Duits federalisme coöperatief met een centraliserende dynamiek. Een bepalend element is dat Bundesrecht primeert op dat van de Länder. De sociale wetgeving is in Duitsland ook volledig federale materie en duldt geen wetgevende initiatieven van de deelstaten. De financiële solidariteit is er helemaal niet zo’n heet hangijzer als in België, waar kromme praat over transfers de kern vormt van het separatistisch betoog.

Antiracistische protesten tegen politiegeweld en stuitende historische gedenktekens vormen geen bedreiging voor het kapitaal.

Filosoof Matthias Lievens onderzoekt in het kielzog van dit dossier de opkomst van de Vlaamse burgerij. De druk van het Vlaams-nationalisme valt niet te begrijpen zonder deze onderbouw in rekening te brengen. Lievens tekent in een omvattend verhaal de verbrokkeling van de Belgische en de opgang van de Vlaamse bourgeoisie. Anno 2020 zijn de befaamde “200 families” van het Belgische kapitalisme serieus uitgedund en rivaliseert VOKA met het VBO om het hoogste woord in de verdediging van de patronale belangen. Enkele karakteristieken van die Vlaamse bourgeoisie blijken sleutels om fenomenen als verrechtsing, het middelpuntvliedende België en de existentiële crisis van de CVP/CD&V te begrijpen. In dit nummer publiceren we het eerste eerder historische deel. Het tweede luik verschijnt in ons winternummer en analyseert de internationale inbedding van de Vlaamse bourgeoisie en haar interne contradicties, die de Vlaamse politiek, en in het bijzonder N-VA, parten spelen.

Antiracisme

Op 25 mei stierf George Floyd nadat een politieagent hem 8 minuten en 46 seconden lang de adem benam. Sindsdien zijn we meer dan 100 dagen getuige geweest van wereldwijde protesten tegen politiegeweld, racisme en machtsmisbruik. Cedric Johnson waarschuwt voor het charmeoffensief van woke kapitalisme: anti-racistische ordewoorden van de protesten overnemen kost de heersende klasse niets, maar zonder een einde aan uitbuiting en armoede blijven dit louter symbolische gestes. Sprekend voorbeeld is de CEO van Amazon Jeff Bezos die Black Lives Matter rotsvast ondersteunde, terwijl ondertussen Chris Smalls, een zwarte Amazonwerknemer die eind maart een werkonderbreking leidde en meer beschermende kleding en een risicopremie eiste, door het bedrijf ontslagen werd. Johnson wijst op de kernproblemen met het liberale antiracisme. Antiracistische protesten tegen politiegeweld en stuitende historische gedenktekens vormen geen bedreiging voor het kapitaal zoals stakingen en werkonderbrekingen dat doen.