Artikel

Duitse studenten gaan de strijd aan tegen een onderdanig onderwijs

Luca Groß

—15 februari 2026

Terwijl Europa wordt gemilitariseerd, komt het Duitse universiteitsbeleid in een crisis terecht en wordt het onderwijs in het gareel gebracht. Luca Groß, student en vakbondslid in Duitsland, geeft uitleg bij deze situatie.

Shutterstock : Olaf Scholz en Boris Pistorius zijn aanwezig bij de operationele ingebruikname van het eerste IRIS-T SLM-luchtverdedigingssysteem van de Bundeswehr.
De analyse van Luca Groß over de Duitse universiteit, gepubliceerd in het decembernummer 2025 van het Zeitschrift Marxistische Erneuerung, heeft een bijzonder sterke echo in België. De federale regering voert een historische verhoging van de militaire begroting door om te voldoen aan de NAVO-norm, met een kostprijs van bijna 13 miljard euro per jaar. Het Belgische hoger onderwijs draagt de volle last van deze heroriëntatie, waardoor de onderfinanciering erger wordt en de de en de studenten de factuur voorgeschoteld krijgen. Met de toenemende onzekerheid onder de studenten en de druk op de onafhankelijkheid van het academisch onderzoek komt ook de universiteit op het terrein van de klassenstrijd. Deze tekst roept op om studies en onderzoek te onttrekken aan de oorlogslogica en ze opnieuw te richten op sociale vooruitgang.

De rol van studenten en wetenschappers

Instellingen voor hoger onderwijs in Duitsland zijn van oudsher een plaats van intense klassenstrijd. De studenten zijn er vaak de drijvende kracht achter zowel politiek protest als sociale en culturele vooruitgang. De gebeurtenissen van 1968 zijn hier het beste voorbeeld van, net als, meer recentelijk, de protesten tegen de herinvoering van het collegegeld (Studiengebühren) ten tijde van de financiële crisis van 2007, en de studentendemonstraties tegen de genocide in Gaza van de afgelopen twee jaar.

In al deze veldslagen stelde de studentenbeweging zich, bewust of onbewust, de volgende vraag: “Aan wie moeten onderwijs en wetenschap ten goede komen?” Met andere woorden roept dit de vraag op naar het klassenkarakter van universiteiten. Het feit dat de wetenschap historisch (en tot op zekere hoogte nog altijd) medeplichtig is geweest aan het bevorderen, toepassen en legitimeren van de doelstellingen van de meest gewelddadige projecten van uitbuiting en overheersing in de kapitalistische wereld (kolonialisme, fascisme en wereldoorlog), vooral in Duitsland, mag niet tot de conclusie leiden dat de wetenschap als dusdanig moet worden verworpen.

Integendeel, wetenschap heeft in de kapitalistische wereld een “dubbel karakter”. Zoals de fascisme-onderzoeker Reinhard Kühnl ooit zei, is het zowel een middel tot kennis van de materiële wereld als een middel tot overheersing en onderdrukking. “Het zijn dus vooral de verhoudingen van eigendom en overheersing die ervoor zorgen dat het progressieve potentieel van de wetenschap slechts op een zeer beperkte en gefnuikte manier kan worden uitgedrukt.”1 De wetenschap en de plaatsen waar die wordt geproduceerd staan dus op het spel.

Het is aan de studenten en de wetenschappers om te debatteren over de aard en het doel van de wetenschap en ervoor te zorgen dat deze in dienst staat van sociale vooruitgang en bevrijding van overheersing en onderdrukking, en niet van het in stand houden ervan.

Dat is nu meer dan ooit waar. De huidige omwentelingen in de door de VS gedomineerde internationale orde, veroorzaakt door de opkomst van China en andere BRICS-staten, alsook door de economische en politieke crisis in Duitsland, zorgen er ook voor dat de status quo op universiteiten niet langer standhoudt.

In de huidige internationale ontwikkelingen rekent de federale regering erop dat het wetenschapssysteem in het licht van de internationale concurrentie meer “verzuild” wordt en dat instellingen voor hoger onderwijs worden opengesteld voor het leger2. Dit blijkt met name duidelijk uit het Document over het standpunt van het federale ministerie van Onderwijs en Onderzoek over de onderzoeksveiligheid in het licht van het historische keerpunt, uitgewerkt in samenhang met de nationale veiligheidsstrategie en de strategie voor China.

Deze strategie komt tot uiting in de landelijke media- en lobbycampagne tegen de civiele clausules (n.v.d.r. dit zijn wettelijke verplichtingen die universiteiten opleggen om alleen onderzoek met civiele doeleinden te voeren. Ze worden nu frontaal aangevallen door de voorstanders van een universiteit in dienst van de oorlog). Beieren heeft al een verbod op deze civiele clausules en een verplichting tot samenwerking met de Bundeswehr (het Duitse nationale leger) en de NAVO ingevoerd. Tegen deze achtergrond is de nationale beweging voor civiele clausules, die na het hoogtepunt van begin jaren 2010 aan kracht had ingeboet, zich sinds 2022 met hernieuwde kracht aan het hervormen.

Tegelijk met het gebruik van de wetenschap voor “oorlogsparaatheid”, streven de federale en de deelstaatregeringen (van de Lander) naar een brutale sociale ontmanteling. Dit geldt zowel voor de overheidsfinanciering van instellingen en sociale voorzieningen voor studenten, die hoofdzakelijk onder de verantwoordelijkheid van de Länder valt, als voor de overheidsfinanciering van studies (BAföG3), een federale bevoegdheid. Deze drie pijlers van openbaar onderwijs en wetenschap waren decennialang ondergefinancierd. Maar sinds het “historische keerpunt” zijn ze onderworpen aan een dictaat van zwaardere bezuinigingen (n.v.d.r. het “historisch keerpunt” of de “Zeitenwende” is een concept gebruikt door bondskanselier Olaf Scholz om de massale herbewapening en budgettaire paradigmaverschuiving van Duitsland als gevolg van het conflict in Oekraïne te rechtvaardigen).

De belangrijkste politieke vraag luidt: wat zijn de uitgangspunten en opdrachten van de socialistische studentenbeweging in de context van de huidige crisis in het heersende universitair beleid?

Van mei 68 tot hervormingen in het hoger onderwijs

“(1) Eenieder heeft recht op onderwijs; het onderwijs zal kosteloos zijn, althans wat het lager en basisonderwijs betreft. (…) Hoger onderwijs zal openstaan voor eenieder die daartoe de begaafdheid bezit.” (2) Het onderwijs zal streven naar de volle ontwikkeling van de menselijke persoonlijkheid en naar de versterking van de eerbied voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het zal het wederzijds begrip, de verdraagzaamheid en de vriendschap onder alle naties, rassen of godsdienstige groepen bevorderen en het zal de werkzaamheden van de Verenigde Naties voor de handhaving van de vrede steunen.”

Zo luidt artikel 26 van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens uit 1948. Het progressieve karakter van dit artikel voor onderwijs en wetenschap wordt pas duidelijk als we bedenken dat de toegang tot hoger onderwijs destijds was voorbehouden aan een kleine minderheid. Universiteiten waren in de eerste plaats opleidingsplaatsen voor de toekomstige elite, voor de kinderen uit de grote en kleine burgerij. Tot 1965 kwam slechts 6% van de studenten aan Duitse universiteiten uit arbeidersgezinnen4.

Deze sociale samenstelling werd weerspiegeld in de reactionaire feodale structuur van de “Ordinarienuniversität“, waar professoren zich gedroegen als feodale heren tegenover hun personeel en studenten, maar ook in de inhoud van het onderwijs en onderzoek en in de sociale en politieke cultuur. Het is niet verwonderlijk dat het fascisme zich zo gemakkelijk meester kon maken van de Duitse universiteiten en dat zowel studenten als wetenschappers actieve aanhangers waren van de nazi-partij, bijvoorbeeld tijdens de boekverbrandingen in veel Duitse steden op 10 mei 1933.

In het naoorlogse Duitsland botsten reactionaire en elitaire tradities met de nieuwe sociale en democratische aspiraties van de jeugd. De studentenbeweging, die in de jaren zestig snel aan kracht won, stelde zich tot doel de universiteiten te bevrijden van de “oude stempel” en hun democratisering te bevorderen. Dit alles tegen een achtergrond van aanhoudende westerse koloniale overheersing, waartegen de volkeren van Algerije, Cuba, Vietnam enz. in de jaren zestig met succes vochten.

Vanaf het begin omvatten de eisen de uitbreiding en sociale openstelling van universiteiten voor de hele bevolking. In haar Memorandum over het hoger onderwijs pleitte de Socialistische Unie van Duitse Studenten (SDS) voor de invoering van een “studievergoeding” (Studienhonorar), een studietoelage voor alle studenten, leerlingen en scholieren vanaf 18 jaar5. En dit al zeven jaar voor de grote betogingen van 1968. De onderwijsvakbond GEW (Gewerkschaft Erziehung und Wissenschaft)) eist deze “studievergoeding” nog altijd6.

De druk van de georganiseerde studentenbeweging, in combinatie met de buitenparlementaire oppositie (“Campagne voor ontwapening en democratie”) en een duidelijke opleving van de vakbonds- en arbeidersbeweging luidden een hervormingsfase in binnen de Bondsrepubliek. Onder de sociaal-liberale coalitie van Willy Brandt werden begin jaren zeventig een reeks progressieve hervormingen doorgevoerd: de invoering van BAföG (toen nog in de vorm van een volledige beurs voor 44 procent van de studenten), de oprichting van nieuwe universiteiten en hogescholen en de gedeeltelijke invoering van tripartiete gelijkwaardigheid in besluitvormingsorganen (n.v.d.r. universitair beleidsmodel waarin professoren, studenten en administratief personeel evenveel zeggenschap hebben in de besluitvorming). Deze democratisering van de universitaire organen door tripartiete gelijkwaardigheid werd in 1973 door het Bundesverfassungsgericht (grondwettelijk hof) “ongrondwettelijk” verklaard. Het Hof oordeelde dat academische vrijheid een meerderheid van de professoren vereiste.

Discipline door onderfinanciering

Vanaf het midden van het decennium werden de studentenbeweging en de hervormingen die ze had doorgevoerd steeds meer het doelwit van de reactionaire beweging. Met beroepsverboden voor linkse militanten en andere autoritaire middelen, evenals bezuinigingen, beperkte de regering (geleid door de sociaaldemocraten) de democratisering en sociale openstelling van universiteiten, uit angst voor de invloed van socialistische studenten en wetenschappers op de samenleving als geheel.

Sindsdien wordt de uitbreiding van het onderwijs gekenmerkt door een tegenstrijdigheid: de snelle toename van het aantal studenten is niet gepaard gegaan met een overeenkomstige toename van de financiering en het onderwijzend personeel. Tot 1990 daalden de universitaire uitgaven als percentage van het bbp zelfs aanzienlijk, van 1,3-1,5 naar 0,8-0,9 procent, een niveau waarop het vandaag nog steeds stagneert7. Deze ontwikkeling had ook gevolgen voor de BAföG, dat in 1974 werd omgezet in een gedeeltelijke lening en waarvan de voorwaarden voor toekenning steeds strenger werden.

Dit beleid, dat begon in het midden van de jaren zeventig, is geen toeval of simpelweg “slecht beleid”, en kan ook niet worden verklaard door de “bezuinigingsdwang” die werd veroorzaakt door de economische crisis van die tijd. De grondlegger van de kritische psychologie en een sympathisant van de studentenbeweging, Klaus Holzkamp, zei het al in 1977: “De mate waarin en de manier waarop de lasten van de crisis worden afgewenteld op de universiteiten en de manier waarop economische moeilijkheden worden gebruikt om leden van het hoger onderwijs te beperken, te disciplineren en te intimideren, zijn alleen te begrijpen als onderdeel van de maatregelen tegen universiteiten, waarvan het groeiende politiek bewustzijn en het sociaal engagement sterk werden afgekeurd en verdacht gemaakt.”8.

Dat de politieke reactie op het emancipatorische potentieel van de studentenbeweging de verworvenheden van de hervormingsfase niet verder heeft uitgehold, hebben we vooral te danken aan de kracht van de linkse studentenbeweging en haar politiek van bondgenootschappen binnen en buiten de universiteiten. In deze context moet in het bijzonder het “vakbondspolitiek” worden vernoemd dat de Marxistische Studentenbond (MSB) Spartakus en de Sociaaldemocratische Universiteitsunie (SHB, die socialistisch werd na haar uitstoting uit de SPD in 1972) verankerden in studentenkringen. De studentenbeweging vocht om de sociale en democratische verworvenheden van de universitaire hervorming te verdedigen en uit te breiden, in samenwerking met de vakbonden en andere progressieve sociale krachten.

Het neoliberale offensief

In de jaren negentig verspreidde het neoliberalisme zich in het dominante universitair beleid. Onder het mom van de “ondernemende universiteit” is de macht van het rectoraat gestaag versterkt en is de financiering van universiteiten steeds meer afgestemd op concurrentie. Het groeiende aandeel van financiering door derden is een treffend voorbeeld.

Voor de studenten is het hervormingsproces vooral gekenmerkt door de “Bolognaverklaring” van 1999, waarvan de randvoorwaarden (met name de invoering van het bachelor-mastermodel met twee cycli en het studiepuntensysteem) in Duitsland bijzonder beperkend zijn geïnterpreteerd: een relatief korte voorgeschreven studieduur, frequente aanwezigheidsvereisten en een zware examenlast. Het resultaat van Bologna is ondubbelzinnig: meer werk, meer druk, meer stress en meer concurrentiedruk9. Zelfs de conferentie van universiteitsrectoren (Hochschulrektorenkonferenz) gaf dit in 2012 publiekelijk toe. De gevolgen van de Bolognahervorming, samen met de geplande herinvoering van het collegegeld, waren de aanleiding voor de onderwijsbetogingen aan het einde van de jaren 2000. De honderdduizenden scholieren en studenten die in juni 2009 de straat opgingen voor de onderwijsstaking, waren, bewust of onbewust, verbonden met de eisen van de studentenbeweging van 1968. Iedereen moet toegang hebben tot onderwijs. Scholen en universiteiten moeten democratisch worden georganiseerd. Het protest was succesvol: de herinvoering van het collegegeld is in alle Länder geannuleerd, met uitzondering van Beieren en Baden-Württemberg, waar internationale studenten nog steeds collegegeld moeten betalen. Daarnaast hadden de onderwijsbetogingen een meer algemeen politiserend effect. De hoogtijdagen van de beweging voor de civiele clausule in de jaren 2010 waren grotendeels te danken aan het feit dat de protesten de kwestie aan de orde stelden: als we de straat opgaan zodat we allemaal kunnen studeren, waar studeren we dan eigenlijk echt voor?

Een gelaten onzekerheid bij studenten

Hoewel de herinvoering van het collegegeld werd uitgesteld, blijft de sociale situatie van studenten armzalig. Studenten in Duitsland, een van de rijkste landen ter wereld, leven grotendeels in armoede en onzekerheid. Bijna 35 procent leeft in relatieve armoede. Ter vergelijking: bij het totaal van de Duitse bevolking bedraagt dit deel 14 procent. Onder de studenten die niet meer bij hun ouders wonen, stijgt dit percentage zelfs tot 77 procent10. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het deel van de studenten dat nog bij zijn ouders woont, toeneemt. Vandaag gaat dit om 28 procent van de studenten11. Dit is een zware klap voor de vrije ontwikkeling van de persoonlijkheid. Het verhaal van de “bevoorrechte studenten”, dat vandaag nog altijd wijdverspreid is onder studenten, is misleidend. Onderwijs is niet langer het ticket dat toegang geeft tot de invloed en rijkdom van de hogere klasse van 100 jaar geleden. Toen gingen alleen de kinderen van ondernemers, dokters en hoge ambtenaren naar de universiteit.

Sinds de uitbreiding van het onderwijs in de tweede helft van de twintigste eeuw behoort deze realiteit tot het verleden. Vandaag de dag gaat meer dan een op de twee mensen in Duitsland studeren (2023: 56 procent), hoewel dit cijfer al ongeveer 15 jaar stagneert12. De groeiende armoede onder de studenten zal hier waarschijnlijk een grote rol in spelen. Maar er is nog een tweede fabeltje: dat van de “luie studenten”. Volgens gegevens van de studentenenquête 2021 van het Deutsches Studierendenwerk besteden studenten gemiddeld 35 uur per week aan hun studie13. Daarnaast werkt twee derde van de studenten, gemiddeld 15 uur per week, zwart werk niet meegerekend. Gemiddeld werken studenten meer dan 40 uur per week. Buiten de inflatie op essentiële uitgavenposten zoals huur, voedsel en mobiliteit, ligt de oorzaak van de onzekerheid onder studenten vooral bij het inkomen. Concreet: in de studietoelage (BAföG).

Na decennia van systematische afzwakking ontvangt in 2023 slechts 12 procent van de studenten BAföG.14.
De “stoplichtregering” (Ampel-Regierung) had in haar regeerakkoord een grote hervorming van BAföG beloofd. Uiteindelijk kwam er in mei 2024 niets meer uit dan een “semesterflexibiliteit” en een bespottelijke “startstudiebeurs” van 1.000 euro voor jongeren uit de armste gezinnen. In 2024 daalde het aantal begunstigden met nog eens 4 procent ten opzichte van het jaar daarvoor, en de totale uitgaven van de Bondsrepubliek aan BAföG daalden zelfs met 9 procent15. Dit komt ongeveer overeen met de kwantitatieve omvang van de sociale bezuinigingen die de Länder ook doorvoeren op de basisfinanciering van universiteiten.

Omdat het basistarief van BAföG lager is dan het bedrag van het burgerinkomen (Bürgergeld), dat grondwettelijk als het “bestaansminimum” wordt beschouwd, werd in 2024 in het Bundesverfassungsgericht gedebatteerd over de vraag of BAföG in strijd was met de grondwet, namelijk: artikel 1 (Menselijke waardigheid), artikel 12 (Vrije keuze van beroep en opleiding) en artikel 20, 1e alinea (Beginsel van de verzorgingsstaat). Het Hof oordeelde dat de studenten geen recht hadden op het bestaansminimum via BAföG op grond van artikel 1 van de grondwet (Grundgesetz) omdat ze ook betaald werk konden doen.

Bovendien zijn de artikelen 12 en 20 geen “grondwettelijk recht op overheidsvoorzieningen om door grondrechten beschermde vrijheden mogelijk te maken”16. Om het duidelijk te stellen: sociale rechten gelden alleen voor degenen die het zich kunnen veroorloven. De beslissing van het Hof in oktober 2024 spreekt boekdelen over het feit dat de huidige wereldwijde maatschappelijke stemming van een “historisch keerpunt” (Zeitenwende) duidelijk ook geworteld is in de Duitse justitie. De studentenvereniging fzs (freier zusammenschluss von studentinnenschaften**) en de vakbond GEW hebben zich in juli tot de Verenigde Naties gewend om, op basis van de recente uitspraak va het Hof, de Bondsrepubliek Duitsland aan te klagen op grond van het recht op onderwijs, zoals vastgelegd in het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van de VN17. Het indienen van klachten over de implementatie van verplichtingen met betrekking tot de mensenrechten en het internationaal recht bij VN-instellingen wordt zo een middel bij uitstek voor Duits links, niet alleen in de buitenlandse politiek, maar ook in toenemende mate in de binnenlandse politiek. Maar net als solidariteit met het Palestijnse volk tegen de Israëlische genocide in Gaza kan deze aanpak alleen slagen als hij gepaard gaat met brede steun en protest onder de lokale bevolking.

Bezuinigingen in dienst van militaristische en autoritaire herstructurering

Het bezuinigingsbeleid krijgt ook een nieuwe wending in de kwestie van de financiering van universiteiten. De sluipende onderfinanciering die al tientallen jaren aan de gang is, veranderde in een open oorlogsverklaring van de regeringen van de Länder tegenover de universiteiten. Hier zijn een paar voorbeelden: in Hessen ondertekenden de regionale regering en de universiteitsbesturen ondanks kritiek en protesten in juli een “Pact voor het hoger onderwijs”. Dit pact voorziet in bezuinigingen op de overheidsfinanciering van bijna 10 procent (ongeveer 1 miljard euro in 2030). In Noordrijn-Westfalen is de deelstaatregering van plan om bijna 250 miljoen euro te bezuinigen op respectievelijk basisfinanciering en universiteitsreserves. In Berlijn, dat een veel kleiner budget heeft, eist de Senaat alleen al voor 2025 een besparing van ongeveer 145 miljoen euro van de universiteiten. Onmiddellijke gevolgen in alle gevallen: bezuinigingen op posten, studieplaatsen, richtingen, instituten en zelfs de sluiting van faculteiten of hele universiteiten. Als middel om de bezuinigingen in Berlijn door te voeren, heeft senator Ina Czyborra (SPD) zonder aarzelen voorgesteld om het hele Instituut voor geesteswetenschappen van de Technische Universiteit Berlijn (TU Berlijn) te sluiten. Dit instituut is opgericht op basis van een les die getrokken is uit het Duitse fascisme, namelijk dat wetenschappers en technici zich bewust moeten zijn van hun maatschappelijke verantwoordelijkheid18.

Tijdens de periode van het Duitse fascisme was de TU Berlijn, de toenmalige Hogere technische school, betrokken bij de ontwikkeling van de eerste ballistische raket, de Aggregat 4. Naast 8.000 oorlogsslachtoffers stierven er minstens 16.000 dwangarbeiders in het concentratiekampcomplex Mittelbau-Dora tijdens de productie van dit wapen. Het feit dat het federale ministerie van Onderwijs en Onderzoek nu is opgesplitst door de regering-Merz, en dat het onderzoeksgedeelte is omgedoopt tot het “Federale Ministerie van Onderzoek, Technologie en Ruimtevaart” (BMFTR), krijgt in deze context een macabere bijsmaak. Dit is echter niet alleen een geval van het schaamteloze historische revisionisme dat in de mode is sinds het “historische keerpunt”, maar ook van een verandering in de prioriteiten bij de financiering van universiteiten en wetenschap.

Het is nog niet helemaal duidelijk hoe de beoogde ondergeschiktheid van wetenschap aan de doelstellingen van de nationale veiligheidsstrategie de financiering van onderwijs en wetenschap zal beïnvloeden. Het is wel al duidelijk dat niet alle disciplines even hard getroffen zullen worden door de bezuinigingen. Er worden met name wel investeringen verwacht in de zes sleuteltechnologieën die de BMFTR in zijn “High Tech Agenda” voor internationale concurrentie heeft geïdentificeerd (AI, kwantumtechnologie, micro-elektronica, biotechnologie, klimaatneutrale kernfusie en energieproductie, klimaatneutrale mobiliteitstechnologieën)19. Het lijkt echter onrealistisch dat ze een alternatief perspectief bieden aan de massa studenten en wetenschappers in de nasleep van de bezuinigingen op universiteiten. In plaats daarvan kunnen we verwachten dat het asociale karakter van elitepromotie, dat al ten grondslag ligt aan neoliberale universitaire hervormingen, behouden blijft, maar steeds meer bepaald wordt door geopolitiek. Aan de andere kant is het duidelijk dat de druk op wetenschappers en disciplines om zich politiek aan te passen aan de veranderde omstandigheden toeneemt. Militarisering en bezuinigingen dreigen hand in hand te gaan: als er wordt gesneden in de basisfinanciering van de overheid, worden wetenschappers, instituten en faculteiten wanhopiger in hun zoektocht naar financiering door derden. Het aandeel van financiering door derden in universitair onderzoek, dat nu al 46 procent bedraagt, zal waarschijnlijk blijven groeien20. Dit is geen goed klimaat voor open en democratische discussies over de verantwoordelijkheid van de wetenschap ten opzichte van de maatschappij in almaar oorlogszuchtigere tijden. In discussies aan de universiteiten manifesteert dit zich al in autoritaire tendensen binnen bestaande organen, maar vooral op het niveau van de voorzitters die, op zoek naar geïsoleerde eilanden van uitmuntendheid in de woestijn van overheidsfinanciering voor universiteiten, steeds autoritairder gaan besturen21.

Wat kan men doen?

De crisis in het dominante universitair beleid laat duidelijk zien dat de tijd rijp is voor linkse antwoorden. Daarbij kunnen we leren van de geschiedenis van de studentenbeweging, in het bijzonder van de ervaringen, analyse en strategie van socialistische studentenverenigingen zoals SDS en MSB Spartakus. In de afgelopen honderd jaar zijn universiteiten en hogescholen veranderd van grotendeels vreemde en externe instellingen, die ver verwijderd waren van en zelfs vijandig stonden tegenover de arbeidersbeweging, in centrale terreinen van de klassenstrijd. Kortom: de klassenstrijd wordt nu binnen elke universiteit gevoerd. Het doel is om universiteiten te democratiseren en de betekenis en het doel van onderwijs en onderzoek af te stemmen op de belangen van de meerderheid van de samenleving. Op basis van de historische strijd en de huidige situatie, die ik in deze tekst heb geprobeerd weer te geven, komen de volgende taken voor de studentenbeweging naar voren:

1. BAföG voor iedereen, als antwoord op armoede en afhankelijkheid onder studenten: We hebben onderwijsfinanciering nodig die de behoeften dekt, onafhankelijk is van ouders en afkomst, die onbeperkt is en geen terugbetalingsverplichting kent, voor leerlingen van 18 jaar en ouder en studenten. Zo’n “BAföG voor iedereen” is de enige materiële basis waarop het recht op onderwijs voor iedereen kan worden gerealiseerd en vormt het loon voor het sociaal noodzakelijke leer- en creatieve werk van studenten. Hiermee volgen we de traditie van de historische SDS en de Franse studentenvakbond UNEF, die al in 1946 verklaarden: “Studenten zijn intellectuele werkers”. “BAföG voor iedereen” is niet, zoals Frank Deppe het op de recente BAföG-voor-iedereen-campagneconferentie formuleerde, “een kasteel in Spanje (…), maar het is de uitdrukking van wat objectief mogelijk is, gezien het niveau van de welvaartsproductie in de huidige ontwikkelde samenlevingen, en de confrontatie van deze objectieve mogelijkheid met de realiteit.” 22. Deppe vergeleek het belang van deze “reële utopische eis” voor de studentenbeweging met het belang van de eis voor arbeidstijdverkorting met volledig behoud van loon en personeelscompensatie voor de vakbeweging. Dit toont aan dat de strijd voor “BAföG voor iedereen” geen strijd is voor kruimels van het sociaal beleid zodat al het andere goed kan blijven lopen. Integendeel: universiteiten moeten in hun geheel veranderen, zodat we op een zelf bepaalde en coöperatieve manier kunnen leren en onderzoeken in het belang van de gemeenschap.

2. Volledige overheidsfinanciering in plaats van bezuinigingen voor universiteiten: tegenover de geplande massale bezuinigingen op de publieke basisfinanciering van universiteiten is het onze taak als studentenbeweging om ons samen met het administratief en wetenschappelijk personeel en de professoren te verzetten tegen het dictaat van bezuinigingen dat door regionale regeringen en hun helpers in de voorzitterschappen wordt gepropageerd alsof er geen alternatief bestaat. Het is noodzakelijk om te breken met privatisering, concurrentie en de “oriëntatie naar uitmuntendheid” in de financiering van het hoger onderwijs. Dit gebeurt namelijk ten koste van de arbeidsomstandigheden, in het bijzonder de creatieve kracht en intellectuele vrijheid van wetenschappers tegenover de machtige financiële belangen en de staatsraison, vooral sinds het “historische keerpunt”. Het alternatief is duidelijk: volledige overheidsfinanciering is democratischer en beter voor wetenschappelijke vooruitgang in het belang van de meerderheid.

Op lokaal en regionaal niveau worden al bondgenootschappen gevormd tegen de bezuinigingen in het hoger onderwijs. Wat tot nu toe echter ontbrak, is een breder perspectief en netwerken voor de langere termijn, evenals de overtuiging onder studenten en wetenschappers dat wij daadwerkelijk de macht hebben om het alternatief voor bezuinigingen op universiteiten door te drukken. Dit betekent massale overheidsinvesteringen in onderwijs en wetenschap, in plaats van honderden miljarden voor herbewapening. Het belang van deze sociale strijd reikt verder dan het feit dat het de directe economische belangen van studenten en wetenschappers betreft. Materiële omstandigheden, in het bijzonder de financiering van onderwijs en wetenschap, bepalen altijd de aard van hun inhoud. Willen onderwijs en wetenschap, zoals Kühnl in zijn inleiding zegt, hun “progressieve potentieel” ontplooien ten bate van de meerderheid van de bevolking en van de staten, dan moeten ze bevrijd worden van de ketenen van het dominante universitair beleid, d.w.z. bezuinigingen, concurrentie en de staatsraison.

Naast deze sociale strijd moeten er echter nog veel andere dingen gebeuren op universiteiten, die ik hier alleen maar kan aanstippen: in de context van autoritaire herstructureringen in dit land is een actief beleid nodig om de rol van studenten en wetenschappers in het Duitse fascisme uit te lichten, evenals een vastberaden initiatief van iedereen om cultuur en democratische structuren binnen universiteiten te verdedigen en uit te breiden. In het licht van de herbewapening in dit land en de internationale tendensen in de richting van blokvorming is er ook sterke politieke druk nodig, door middel van initiatieven en bondgenootschappen, om de civiele clausules en de internationale wetenschappelijke samenwerking te verdedigen en uit te breiden. Als we als studentenbeweging onze taak ernstig opnemen, kunnen we ervoor zorgen dat onderwijs en wetenschap duidelijk “nee” zeggen tegen “oorlogsparaatheid”.

Deze tekst is een vertaling van het artikel Kampf um die Hochschulen. Die herrschende Hochschulpolitik steckt in der Krise – die Zeit ist reif für linke Antwortenin nummer 144 (december 2025) van Zeitschrift Marxistische Erneuerung. De tekst is iets ingekort en aangepast door de redactie. Sommige Duitse technische en institutionele voorbeelden zijn geschrapt.

Footnotes

  1. Reinhard Kühnl: Faschismustheorien. Ein Leitfaden, nieuwe bijgewerkte editie, Heilbronn, 1990, p. 19.
  2. Initiative Hochschulen für den Frieden – Ja zur Zivilklausel!: Commentaar op het “Positionspapier des Bundesministeriums für Bildung und Forschung zur Forschungssicherheit im Lichte der Zeitenwende”, 24.08.2024, www.zivilklausel.de/images/Kommentar%20BMBF.pdf.
  3. Duitse federale studiefinancieringsregeling(Bundesausbildungsförderungsgesetz)
  4. Classique: Ralf Dahrendorf: Arbeiterkinder an deutschen Universitäten, Tübingen, 1965.
  5. SDS Hochschuldenkschrift, 2e editie (1965), Frankfurt am Main, 1972, Verlag Neue Kritik, p. 138.
  6. We kunnen het ook anders doen! Wissenschaft demokratisieren, Hochschulen öffnen, Qualität von Forschung und Lehre entwickeln, Arbeits- und Studienbedingungen verbessern. Das wissenschaftspolitische Programm der GEW, 2009, p. 11.
  7. Torsten Bultmann: “Die standortgerechte Dienstleistungshochschule”, PROKLA 104, 1996, p. 329-355 ; Dominik Feldmann: “Weder Kahlschlag noch Bildungsexpansion. Staatliche Bildungsinvestitionen in der Bundesrepublik”, Z 143 (september 2025), p. 61-68.
  8. Klaus Holzkamp: “Die gegenwärtige Situation an den Hochschulen und die Notwendigkeit einer Wende in der Hochschulgesetzgebung und Hochschulfinanzierung”, uiteenzetting gepresenteerd op het BdWi-congres voor universitair beleid, 1977, in Hamburg, Blätter für deutsche und internationale Politik, 12, 1977, p. 1448-1466.
  9. Kritiek van HRK op het Bologna-proces: “Eine Uni muss mehr leisten als Ausbildung”, SPIEGEL, 14.08.2012, www.spiegel.de/lebenundlernen/uni/bologna-reform-hrk-chef-hippler-kritisiert-bachelor-und-master-a-849933.html.
  10. Persbericht van het Federaal Bureau voor de Statistiek van 28.08.2024: de helft van de studenten met een eigen huishouden heeft minder dan 867 euro per maand te besteden.
  11. Wohnsituation und Mobilität von Studierenden in Deutschland 2023, CHE, www.che.de/download/check-wohnen/?ind=1686769793513&filename=CHECK_Wohnsituation-und-Mobilitaet-von-Studierenden-in-Deutschland-2023.pdf&wpdmdl=28985&refresh=68f0d1b3186091760612787.
  12. Percentage nieuwe studenten, Federaal Bureau voor de Statistiek, www.destatis.de/DE/Themen/Gesellschaft-Umwelt/Bildung-Forschung-Kultur/Bildungsindikatoren/studienanfaengerquote-tabelle.html.
  13. BMFTR (FOD Onderzoek): Die Studierendenbefragung in Deutschland: 22. Sozialerhebung. Die wirtschaftliche und soziale Lage der Studierenden in Deutschland 2021, online beschikbaar op: www.bmftr.bund.de/SharedDocs/Publikationen/DE/4/31790_22_Sozialerhebung_2021.pdf?_blob=publicationFile&v=4.
  14. Studienfinanzierung in Deutschland, CHE, hochschuldaten.che.de/deutschland/studienfinanzierung.
  15. Het aantal BAföG-begunstigden daalde in 2024, Tagesschau, 01.08.2025, www.tagesschau.de/inland/gesellschaft/bafoeg-bezieher-102.html.
  16. BAföG-basisvergoeding overeenkomstig de Grondwet voor de periode van oktober 2014 tot februari 2015, persmededeling van het Bundesverfassungsgericht van 31.10.2024.
  17. GEW en fzs: “Recht auf Bildung umsetzen, BAföG reformieren!”, persbericht GEW, 07.07.2025.
  18. Sabine Hark: “TU-Geisteswissenschaften schließen? Die Senatorin stellt den Gründungsauftrag der Universität infrage”, Tagesspiegel, 27.02.2025.
  19. Ontwikkeling van nieuwe technologieën: High Tech Agenda Deutschland, BMFTR, www.bmftr.bund.de/DE/Forschung/HightechAgenda/HightechAgenda_node.html.
  20. BdWi et al.: Grundfinanzierung statt Projektwettbewerb, 2024, www.fzs.de/wp-content/uploads/2024/05/Thesen-Grundfinanzierung-statt-Projektwettbewerb_FINAL-1.pdf.
  21. Abigail Fagan et al.: “Deutsche Hochschulen. Abwarten ist keine Option”, ZEIT Online, 30.05.2025, www.zeit.de/2025/23/deutsche-hochschulen-finanzierung-unabhaengigkeit-wissenschaft.
  22. Campagne voor een “BAföG voor iedereen”, bafög-für-alle.de en Prof. Dr. Frank Deppe: Der Kampf um das BAföG hat Geschichte – aus 68 schöpfen, Keulen, 2025, $t=14s$.