Artikel

“Dit verhaal is nu van ons”

Anton Jäger

— 22 december 2017

In haar Communism for kids brengt de Duitse filosofe Bini Adamczak een ludiek, levendig en diep inzicht in de betekenis van de uitbuiting van de mens door de mens.

« Cette histoire est désormais la nôtre »

“Dit verhaal, schrijft de Duitse filosofie Bini Adamczak op de laatste pagina van haar Communism for Kids (2017), is nu van ons. Wij besluiten wat er gebeurt, en we maken zelf de geschiedenis.” Aan de andere kant van de bladzijde zien we drie kleine figuurtjes, bont getooid en uitgedost, driftig met de handen zwaaiend. Ze lijken te gebaren naar de lezer en de auteur dat zij niet langer het interpretatieve monopolie op de lectuur bezit – het is nu ook hun tekst, die zij zelf zullen schrijven. “Ik geloof mijn ogen niet – er staan wat kleine figuurtjes aan de onderkant van de pagina, die me aanstaren!”, observeert Adamczak, haar fantasie de vrije loop latend.

Bini Adamczak
Bini Adamczak is een sociaal theoreticus en artiest, verblijvend in Berlijn. Ze schrijft over politieke theorie, gender en de geschiedenis van voorbije revoluties.

In zijn conceptuele eenvoud schrijft Adamczaks verhaal zich moeiteloos in in de kinderliteratuur uit de voormalige Sovjet-Unie. Denk aan Nikolai Boekharins ABC van het communisme (1920)waarin de bolsjewistische filosoof op verstaanbare wijze marxistische concepten trachtte te bespreken, en een van de populairste boeken uit de Sovjet-Unie schreef. Maar dat is zeker niet het interessantste voorbeeld. In een net na de Russische Burgeroorlog gepubliceerd kinderboek getiteld Over twee vierkanten (1921), introduceert de Russische suprematist El Lissitzky een duo kubussen: de ene in het zwart, de andere rood. De twee figuren vormen de hoofdrollen van het verhaal, die volgens kunsthistorici instaan voor de rode vlag van de Sovjets – gedrenkt in ‘arbeidersbloed’ – en de zwarte doos van Kasimir Malevitsj, het grootse toonbeeld van de pure idee in de twintigste eeuw. Klassenstrijd, maar dan met meetkundige figuren. Dat wat in academische literatuur droog overkomt (een thesis over abstractie, commodificatie, onteigening) wordt hier vruchtbaar en levendig – Lissitzky geeft een les marxistische filosofie, maar dan zonder het jargon. Niet verrassend eindigt zijn boek met een lege pagina, waarop de woorden “en dan …” te lezen zijn, de kinderen oproepend zelf de rest van het verhaal te schrijven.

Haar marxisme is springlevend, als een juf die een sprookje voor het middagdutje vertelt.

Wie de moeite doet om Adamczaks traktaat te raadplegen, zal haar een vergelijking met de grootste aller Sovjet-artiesten niet misgunnen. Ze deelt Lissitzky’s ambities om ingewikkelde marxistische concepten algemeen verstaanbaar te maken, bovenal voor kinderen, en tegelijkertijd ook nog wat politiek te bedrijven. Net dat tweede element maakte het boek vatbaar voor controversen. ‘Kinderen’ en ‘communisme’ lijkt voor velen een beruchte, niet te zeggen ongehoorde combinatie. Dat bleek ook in de publieke respons op de tekst. Nadat enkele extreemrechtse websites lucht hadden gekregen van de Engelse vertaling (Adamczak publiceerde haar origineel in 2004 in een Duitse editie, waarna er meer dan een decennium gewacht werd op een Engelstalige versie), gingen onder meer Trump-adepten Breitbart en Fox News prompt over tot een collectieve haatcampagne tegen het boek.

Springlevend marxisme

Dat is verstaanbaar in het licht van Adamczaks intentie: Communism for Kids is zowel een oproep tot actie, als een bevattelijke introductie tot de marxistische filosofie. Ook op intellectueel vlak heeft de schrijfster immers heel wat te bieden – zeker aan het deel van links dat in de universiteit verschanst zit. Het academische gebod om “te publiceren of te vergaan” (publish or perish) produceert jaarlijks een heuse papierberg aan marxistische literatuur. Voor de linkse professor gaat het er vaak niet meer om de wereld te veranderen, maar eerder, om haar toch weer op een iets andere manier, te interpreteren.

Niets van dat bij Adamczak. Haar marxisme is springlevend, als een juf die een sprookje voor het middagdutje vertelt. Haar schrijfstijl is ook toegankelijk – een kind dient het verhaal te verstaan, natuurlijk – maar daarom niet minder evocatief. Net zoals bij grote kinderliteratuur (denk, bijvoorbeeld, aan de filosofische raadsels in Lewis Carrolls Alice in Wonderland), is Communism for Kids een boek dat niet alleen voor kinderen bedoeld is. Adamczaks boek opereert dan ook constant op twee niveaus: kinderen krijgen een verstaanbaar verhaal, terwijl de volwassenen steeds glimlachend meelezen, als spreekt de tekst met een polyfone stem. De resulterende symfonie is een waar plezier.

Adamczaks boek is in acht delen opgedeeld. Elk behandelt een specifieke vraagstelling, die trapsgewijs tot een kapitalismekritiek op kindermaat leidt: ‘Wat is het communisme?’ (hoofdstuk 1); ‘Wat is het kapitalisme?’ (hoofdstuk 2); ‘Hoe is het kapitalisme ontstaan?’ (hoofdstuk 3); ‘Wat is arbeid?’ (hoofdstuk 4); ‘Wat is de markt?’ (hoofdstuk 5); ‘Wat is een crisis?’ (hoofdstuk 6); ‘Wat te doen?’ (hoofdstuk 7). Na dit pedagogische deel volgt ook nog een epiloog (‘Communistisch verlangen’), waarin de auteur over haar eigen politieke stellingnames bericht. Het totaal telt zo’n 112 pagina’s.

Prinsessen en koopmannen

Al bij de opening openbaart zich de superioriteit van Adamczaks kritisch vermogen. In het eerste hoofdstuk definieert ze het communisme op kristalheldere wijze: “Het communisme staat voor de samenleving die korte metten maakt met al het kwaad dat mensen plaagt in de kapitalistische samenleving.” Daarna volgen in hoofdstuk twee en drie de volgende vragen: wat is kapitalisme, en wanneer is het kapitalisme voor het eerst ontstaan?

Nadat extreemrechtse websites lucht hadden gekregen van de Engelse vertaling gingen Breitbart en Fox News prompt over tot een collectieve haatcampagne.

Het loont om even bij haar historische analyse stil te staan. Adamczaks genealogie van het kapitalisme is immers vele malen duidelijker en verstaanbaarder dan vele andere van jargon uitpuilende inleidingen. “Het kapitalisme, stelt Adamczak, werd voor het eerst uitgevonden in Engeland, zo’n vijfhonderd jaar geleden.” Adamczak licht dit voorbeeldig toe in haar derde hoofdstuk.

“De prinsessen, zo schrijft ze, werden jaloers op de koopmannen, [die] naar Amerika waren gezeild om de juwelen van de mensen daar te stelen, waarna ze naar Afrika zeilden en daar de mensen roofden.” Als antwoord “overlegden de prinsessen hoe zij ook zo rijk zouden kunnen worden als de koopmannen”. Dit konden ze door “soldaten te sturen die de boeren van het land joegen”, die de landbouwgrond toch maar als wildernis zagen. Dit had natuurlijk nare gevolgen voor de boeren, die nu niet meer in hun levensonderhoud konden voorzien. “Aangezien ze niet terug konden naar hun land, moesten ze zichzelf dan maar verkopen.” Dat kan, stelde Adamczak, in de lokale fabriek, waarin een ‘baasmens’ hen zou betalen voor hun ‘arbeid’. Tweehonderd jaar Engelse klassenstrijd en twee bibliotheken academische literatuur worden door Adamczak in een luttele twee paragrafen samengevat. De omheiningswetten, de overzeese veroveringen, de rivaliteit tussen het koningshuis en de landadel: het zit er allemaal in vervat.

Indirect onderschrijft haar analyse de zogenaamde ‘Brenner-these’ van de Amerikaanse geschiedkundige Robert Brenner. Die stelde in de jaren zeventig een gesofisticeerde theorie van het ontstaan van het kapitalisme op (of beter, de overgang van het feodalisme naar de moderne economie). Klassieke marxistische visies, zo stelde hij, dachten dat het kapitalisme enkel het resultaat was van toegenomen handel en commercie, die zich dan uiteindelijk tot het geheel van de samenleving verspreidde – de zogenaamde ‘commercialisatie’-these. Adamczak en Brenner gaan niet akkoord. Het kapitalisme, zo stellen ze, ontwikkelde zich pas begin zeventiende eeuw in Engeland, toen Britse koningen aan massale onteigeningen begonnen, om hun status tegenover een rijke handelaarskaste te versterken. De aloude ‘meent’ (gemene grond), die sinds de Middeleeuwen als gemeenschappelijk bezit werd gezien, werd nu met schapen bevolkt, om de landbouwopbrengsten te verhogen. Het leidde tot de beroemde uitspraak van de humanist Thomas More, dat “in Engeland mensen geen schapen, maar schapen mensen eten.”

Conceptueel graafwerk

Na de historische uiteenzetting begint Adamczak in haar vierde hoofdstuk aan conceptueel graafwerk. Ze onderzoekt de verschillende concepten die cruciale componenten uitmaken van het kapitalisme: ‘arbeid’, ‘markt’ en ‘crisis’. Adamczak legt deze bouwstenen uit aan de hand van enkele voorbeelden. De markt is waar iedereen zijn producten verkoopt – of dat nu arbeid is, of eender welke andere koopwaar. De markt is zelf gebouwd op fabrieken die “nood hebben aan een ‘baasmens’, die moet verzekeren dat iedereen doet wat de fabriek zegt.” Op een gegeven moment merkt de baas dat er aan de overzijde van de straat een andere fabriek is geopend, die dezelfde producten (vijzen, in dit geval) produceert, maar tegen een lagere prijs. De fabriek is niet gelukkig. In competitie met de andere producent, moet de productiviteit naar boven: anders kan de baas zijn winst niet meer opstrijken, en kunnen de lonen niet meer worden uitbetaald. De ‘baasmens’ slaagt er vervolgens in het werkritme op te drijven (Adamczak stelt dat een verhoging van het werkritme het voornaamste middel tot een verhoging van de meerwaardegraad is, niet noodzakelijk ontslag of automatisering.

Hoewel dat een discutabele diagnose is, heeft haar punt het voordeel van directe verstaanbaarheid voor kinderen). De operatie is succesvol: de andere producenten worden de markt uitgeduwd. “De andere fabriek is bankroet! Fantastisch … Nu heb ik twee keer zoveel klanten, dus heb ik nood aan twee keer meer ijzer!” De productiviteitsstijging blijkt echter fataal: de fabriek moet haar werknemers ontslaan wegens dalende verkoopcijfers, aangezien de arbeiders in andere fabrieken ook geen geld meer ontvangen om vijzen te kopen. Tegelijkertijd koopt er niemand nog ijzer, aangezien er simpelweg geen mogelijke kapitaalkrachtige klanten meer zijn. “Hoewel iedereen werken toch al tamelijk stom vond, besluit Adamczak, zijn ze toch hoogst ongelukkig, aangezien ze nu geen geld meer krijgen en niet meer naar de film kunnen!” Een crisis treedt in.

Onderdrukking en het ouijabord

Dat brengt Adamczak naar een van de meer betwistbare passages in haar boek. Een kapitalistische crisis is, zoals Adamczak aangeeft, niet zomaar het werk van een kleine groep speculanten. Er bestaat natuurlijk een intrinsieke ongelijkheid tussen arbeiders en ‘baasmensen’, de ene zonder enig productiemiddel, de andere als bezitter van de productiemiddelen. Toch vat dit klassenelement volgens Adamczak niet de gehele dynamiek van het kapitalisme samen, dat volgens haar niet alleen over ongelijkheden tussen eigenaren en onteigenden gaat. Arbeiders en ‘baasmensen’, zo stelt ze, zijn onder het kapitalisme ook tot elkaar veroordeeld: zonder wederzijdse steun, zullen ze beide letterlijk van honger omkomen.

Zelden is de onpersoonlijke, systemische dwang van het kapitalisme beeldender samengevat.

Deze wederzijdse afhankelijkheid van arbeiders van fabriekseigenaren, en fabriekseigenaren van arbeiders, produceert een gevoel van enorme onvrijheid, stelt Adamczak. Deze onvrijheid is niet het gevolg van ‘persoonlijke’ dominantie, aangezien geen één persoon – bijvoorbeeld, een kwade koning of landheer – er direct voor verantwoordelijk is. “Hoewel er zich geen natuurramp heeft voorgedaan – geen aardbeving, oorlog, of bezoek van de paus, zit iedereen opeens toch koud en eenzaam bij elkaar, zonder eten.” In een van de meest magistrale metaforen in het boek licht ze deze visie toe aan de hand van het zogenaamde ‘letter’- of ‘ouijabord’. Adamczak:

Om het spel te spelen, zit er een groep mensen in een kring rond een bord met een glas in het midden. Alle letters van het alfabet staan op het bord afgedrukt. Iedereen plaatst een hand of een vinger op het glas, en aangezien iedereen onbewust een beetje trilt, begint het glas te bewegen van de ene naar de andere letter, alsof het gestuurd wordt door een onzichtbare hand. De mensen zelf zien natuurlijk niet dat zij zelf het glas bewegen, aangezien hun individuele getril het nooit eigenhandig zou hebben in beweging gebracht. In de plaats daarvan denken ze dat het een geest is, die hen een boodschap wil meegeven. Het ouijabord vat tamelijk goed samen hoe het leven onder het kapitalisme eraan toegaat.

‘Geest’, ‘onzichtbare hand’, ‘alle letters van het alfabet’ – Adamczaks referenties, van Hegel over Adam Smith tot Marx, zijn niet op een hand te tellen. Maar dat is niet de enige kwaliteit van de anekdote. Zelden is de onpersoonlijke, systemische dwang van het kapitalisme beeldender samengevat, de onmogelijkheid om er zich ooit ‘buiten te begeven’, terwijl het systeem zelf driest blijft doordraaien (dit natuurlijk zonder ooit het perspectief der menselijke autonomie uit het oog te verliezen, en de mogelijkheid om dit systeem te veranderen – wat is de markt, immers, behalve een geheel aan menselijke handelingen?). Wat Friedrich Engels ‘de heerschappij der dingen over de mensen’ noemde – vaak een taai concept voor marxistische schriftgeleerden – laat zich blijkbaar toch ook gemakkelijk aan kinderen verklaren.

Het is echter ook hier dat de gebreken van Adamczaks metafoor zichzelf openbaren. Ze verkondigt stellig dat de onpersoonlijke dwang van het ouijaglas zowel ‘baasmensen’ als ‘arbeiders’ verplicht om oneindig te blijven produceren. “Onder het kapitalisme is er geen boze koningin die hoog boven de hele samenleving zit en iedereen commandeert … de markt vervangt persoonlijke, concrete vormen van macht met een abstracte macht.” Onder het kapitalisme regeert immers “het kapitaal”  ergo, de geheime bewegingen van het ouijabord, die een geheel van menselijke handelingen voorstellen “en niet de kapitalisten zelf.”

Heerschappij der dingen

Dit standpunt verklaart ook Adamczaks nadruk om steeds maar over ‘fabrieken’ in plaats van ‘baasmensen’ te spreken. Wanneer ze de verhoudingen op het werk bespreekt, voegt Adamczak steeds de volgende zinnen toe: “de fabriek doet alsof ze doof is”, “de fabriek praat altijd over dezelfde dingen”, “de stem van de fabriek is reeds weg.” Op een gegeven moment spreekt een van de personages over dat “verdomde dinges, deze verdomde verding-, verding – verdinging!”, wat Adamczak nogmaals de kans geeft om een verwijzing naar een marxistisch theoreticus binnen te smokkelen. Steunend op Georg Lukacs notie der ‘reificatie’, stelt ze dat de onpersoonlijke dwang van de markteconomie zowel kapitalisten als arbeiders bestiert, en dat eigenlijk de ‘fabriek’, en niet de ‘baasmens’, de touwtjes in handen heeft in het kapitalisme. Het systeem, en niet de persoon – oftewel, het abstracte, en niet het concrete – regeert.

Die analyse heeft ook politieke gevolgen. Adamczak waarschuwt voor allerlei ‘corrupte’ vormen van antikapitalisme (zoals het antisemitisme), waarin een onpersoonlijk systeem ‘gepersonaliseerd’ wordt. Bijvoorbeeld: in plaats van dat een economische crisis wordt toegeschreven aan de inherente competitie tussen fabrieken, stellen deze visies dat entiteiten als de ‘Illuminati’ of het ‘wereldjodendom’ de ware schuldenaren zijn. In plaats van het over economie te hebben, wordt er over een culturele aanleg tot crisissen gesproken (een joodse neiging tot ‘speculeren’), en verschijnt een welbepaalde groep manipulatoren als ultieme boosdoeners. De “heerschappij der dingen” wordt vervangen door de heerschappij van één welbepaalde groep mensen, die zogezegd het economisch equilibrium verpesten. Het uitschakelen van deze welbepaalde groep zou dan betekenen dat het glas nimmer van het ouijabord zou vallen – een verleidelijke, maar uiteindelijk compleet illusoire hoop

Een bende vijandige broers

Hoe accuraat is deze visie? Adamczak heeft ongetwijfeld een punt over de ‘onpersoonlijke’ aard van kapitalistische onderdrukking. De mysterieuze bewegingen van een economische markt zijn zelfs onbestuurbaar voor vele soevereine staten, die met de grootste moeite de economische wanorde trachtten in te perken. Dat het kapitalisme gekenmerkt wordt door onpersoonlijke onderdrukking, houdt echter niet in dat het alle vormen van persoonlijke onderdrukking afschaft. Wat Adamczaks metafoor niet lijkt te omvatten, is de intrinsieke ongelijkheid die heerst tussen beide aanstuurders van het ouijaglas. De fabrieksbaas heeft altijd een grotere macht om zich aan het spel van het bord te onttrekken, zeker wanneer het glas van het oppervlak dreigt te glijden. Elk ‘baasmens’ dient zijn portie meerwaarde mee naar huis te nemen – zonder ‘exploitatie’ zou hij zelf van de honger verkommeren. Hoe groot de eigenlijke lastenverdeling – of, hoe veel meerwaarde de baas mee naar huis neemt – wordt bij het ouijabord altijd gedicteerd door de markt. Maar het is vooral een kwestie van politieke machtsstrijd. Het verschil tussen een arbeider die bij een vakbond zit, en één die er alleen voorstaat, moge duidelijk zijn.

Adamczaks visie is ook een eind verwijderd van die van Marx en Engels zelf. Die stelden steeds de notie voorop dat het proletariaat “zichzelf dient af te schaffen”: de afschaffing van het proletariaat zit vervat in de afschaffing van het kapitalisme, aangezien het kapitalisme alleen maar bestaat bij gratie van het proletariaat. Het zou ook enkel door de klassenstrijd zijn dat de arbeider de irrationele neigingen van het kapitalisme zou detecteren, en zo kan overgaan tot een bewuste, geplande omverwerping van het systeem. “De mogelijkheid van klassenstrijd, zo schreef Lukacs in zijn Geschiedenis en klassenbewustzijn (1922), duidt reeds op de dialectische tegenspraak en de zelf-ontbinding (Selbstauflösung) van de zuivere klassensamenleving.” Zonder concrete klassenstrijd, geen afschaffing van de abstracte markteconomie.

Haar methode is negatief: het ‘onware’ benoemen, om zo onderhands tot het ‘ware’ te komen.

Voor dergelijke meningen heeft Adamczaks ‘ouijabord’ weinig plaats. Bovendien lijkt ze de persoonlijke vormen van dominantie in het kapitalisme lichtjes weg te minimaliseren – of het nu over de macht van werkgevers of over die van staatsmannen gaat. Hoewel een kapitalistische samenleving inderdaad “niet geregeerd wordt door een koningin die op een hoge troon zit en iedereen commandeert”, kent de hedendaagse samenleving wel degelijk zijn eigen kleine tirannen, die hun werknemers op dagdagelijkse basis kunnen terroriseren. Marx vergeleek de kapitalistische klasse ooit met “een bende vijandige broeders”, die inderdaad een grote interne verdeeldheid kennen, en zichzelf geen weg weten uit de losgeslagen kuren van het systeem waarover ze presideren. Maar uiteindelijk blijven ze wel broeders. In het heetst van de strijd vinden de kapitalisten zich altijd in de verdediging van de eigendomsrechten, en de nood om met de staat in te grijpen tegen oprispingen van sociale onrust. Hoewel Adamczak terecht ‘corrupte’ vormen van antikapitalisme wil bekampen – zoals het antisemitisme en het racisme – geeft haar eigen visie soms bitter weinig mogelijkheid om persoonlijke machtsverhoudingen te begrijpen. Maar deze kritieken doen niet af aan de algemene scherpte van haar analyse.

Moeilijke remedies

Vanaf hoofdstuk 4 beoefent Adamczak een meer opsommende trant. Als in een heelkundige gids geeft ze een overzicht van de verschillende manieren waarop de mensheid heeft geprobeerd zich te ontdoen van de kwalen van het kapitalisme. Dat verloopt volgens vier mogelijke ‘remedies’, die de crisis van het kapitalisme moeten oplossen: (1) via de staat; (2) centrale planning; (3) volledig geautomatiseerde fabrieken; en (4) vernietiging van machines.

Elk van deze tactieken vertoont natuurlijk weer zijn eigen gebreken. De staat – “een grote pot waarin iedereen wat geld steekt” – mag de uitkomsten van de crisis dan wel verhelpen, maar lost de oorzaken ervan niet op. Centrale planning zorgt dan weer voor minder competitie tussen fabrieken, maar verandert niet noodzakelijk de aard van het werk, dat nog steeds “vermoeiend” blijft. Fabrieksraden, de derde ‘beproeving’, vergroten dan wel de arbeiderscontrole, maar zorgen er niet voor dat de structurele competitie tussen fabrieken wordt opgelost. Extatische destructie van machines – zoals de Engelse luddieten het ooit deden – mag dan kortstondige bevrediging gunnen, maar is op termijn ook niet zo slim. “Het communisme, stelt Adamczak, blijkt niet zo gemakkelijk als wordt aangenomen.”

Adamczak pretendeert geen finaal antwoord te geven op haar originele probleemstelling. De ‘heerschappij der dingen’ is een weerspannig iets, dat zich niet met een zwaai van de toverstaf laat afschaffen. Wat Adamczak ons biedt, is wat in de filosofie een via negativa heet: men kan het goede alleen maar definiëren door eerst al het slechte af te bakenen. We weten misschien niet wat het communisme is, maar we weten zeker en vast wat het niet is. Dat leidt Adamczak tot enkele tentatieve visies van hoe het er in haar ideale wereld wel aan toe zou gaan: “iedereen heeft nu samenkomsten, over allerlei zaken”; “ze proberen alles uit”, “en beslissen zelf hoe lang ze werken”. Uiteindelijk wordt de onpersoonlijke logica van het ouijabord expliciet ontkend:

Mensen kunnen nu alles uitproberen. Ze spelen en leren tezamen met iedereen op de planeet, aangezien ze alles willen begrijpen. Als iets slecht of schadelijk lijkt, veranderen ze het gewoon. Het is natuurlijk niet makkelijk wat ze doen, maar het is ook niet zo moeilijk.

Brechts adagium over het communisme – “de simpele zaak, die zo moeilijk te bereiken is” – resoneert ook hier in de achtergrond. Als activistische wensdroom is dit zeker verleidelijk. Uitputtend is het echter niet. Gezien de lengte van het boekje is dit ook niet verwonderlijk: Adamczak kan in een luttele 112 pagina’s moeilijk de volledigheid vatten van fenomenen als crisis, vervreemding, waarde, uitbuiting, en dan nog eventjes het raadsel der geschiedenis ontrafelen. Wat ze wel kan, is een overzicht geven van wat het communisme niet is, en waarom het hedendaagse kapitalisme ons zo’n meelijwekkend mensbeeld biedt. Haar methode is negatief: het ‘onware’ benoemen, om zo onderhands tot het ‘ware’ te komen. Dat geldt ook voor de epiloog waarin Adamczak nog een korte samenvatting van de huidige conjunctuur geeft met haar verschillende vormen van kapitalismekritiek, en waarin ze de vraag stelt hoe een ‘totale’ kapitalismekritiek er vandaag zou uitzien (incluis een fascinerende polemiek tegen recente exponenten van het ‘post-kapitalisme’ zoals Paul Mason of Nick Srnicek, die ook als academische interventie overeind blijft staan).

Een open boek

Misschien bestaat er ook een probleem met dergelijke te verfijnde lezing. Wie Adamczaks werk alleen maar als een introductie tot de marxistische leer leest, zal veel missen: de prachtige tekeningen, de hilarische humor, de zwierige schrijftrant, de diepe, morele sérieux die door het geheel van het relaas loopt. Te veel interpretatie is, ook hier, een moord op de tekst. Het boek en zijn personages dienen voor zichzelf te spreken.

Dat brengt ons terug naar de figuurtjes op de laatste pagina. Adamczak schrijft optimistisch “dat de geschiedenis nu weer een ongeschreven boek is – vatbaar voor suggesties.” De auteur eindigt met niets minder dan een oproep tot de toe-eigening van het lot zelf – het gebod om eindelijk een eind te stellen aan de kapitalistische prehistorie, en de ‘echte geschiedenis’ (Adorno) af te trappen. Net zoals bij Lissitzky’s “en dan…”, breekt haar tekst plots af, in het midden van een zin, in het midden van een gedachte. Het eigenlijke verhaal, zo lijkt het wel, moet nog beginnen.

Bini Adamczak, Communism for Kids, MIT, Cambridge 2017. Duitse uitgave: Kommunismus, Unrast Verlag, Münster, 2004.