Artikel

De vlucht voor het materialisme

Vivek Chibber

—6 oktober 2025

Het materialisme uit de socialistische traditie wordt in de hedendaagse kritische sociale theorie met scepticisme onthaald. Die bezwaren zijn misplaatst. Voor een werkelijk egalitaire en democratische politiek is een materialistische theorie cruciaal.

Decennialang werden het marxisme en de socialistische traditie in het algemeen geassocieerd met een doctrine die bekendstaat als materialisme. Maar in het recente verleden hebben kritische theoretici deze benadering grotendeels verlaten, in die mate dat alleen al op het noemen ervan met scepsis, zo niet met spot wordt gereageerd. In dit artikel toon ik aan dat die bezwaren grotendeels misplaatst zijn en dat het niet alleen nog steeds mogelijk is om vast te houden aan het traditionele materialisme in de sociale theorie, maar dat het zelfs een conditio sine qua non vormt voor de heropleving van een linkse politiek.

Om onze gedachten op een rij te zetten, moeten we eerst opmerken dat het woord materialisme drie verschillende betekenissen heeft. De eerste is een ontologisch of metafysisch materialisme. Hiermee bedoel ik de opvatting dat de werkelijkheid onafhankelijk van onze geest bestaat, wat zowel voor de natuurlijke als voor de sociale wereld geldt. Dit idee staat in contrast met wat soms idealisme wordt genoemd, dat veronderstelt dat wat wij als werkelijk beschouwen misschien slechts een product van onze verbeelding is.

De politieke economie als sociale wetenschap is alleen mogelijk omdat de actoren consequent reageren op economische omstandigheden.

De tweede strekking is een epistemologisch materialisme. Dit stelt dat, hoewel ideeën onze toegang tot de werkelijkheid beïnvloeden, de structuur van de werkelijkheid de verscheidenheid van onze indrukken van de wereld begrenst. Dit betekent dat we weliswaar een verkeerd begrip kunnen hebben van wat er ‘daarbuiten’ is, maar dat we dat kunnen corrigeren door ons bezig te houden met de wereld om ons heen. Op die manier is een min of meer nauwkeurige kennis van de werkelijkheid mogelijk.

Vivek Chibber is hoogleraar sociologie aan de New York University en auteur van Confronting Capitalism: How the World Works and how to Change it (Verso), en The Class Matrix: Social Theory After the Cultural Turn (Harvard). Hij is redacteur van Catalyst: A Journal of Theory and Strategy en schrijft verder ondermeer voor Socialist Register en New Left Review.

De derde betekenis, tenslotte, is het sociale materialisme. Hierbij gaan we, bij het verklaren van belangrijke verschijnselen in de sociale wereld, uit van de premisse dat actoren handelen vanuit hun objectieve belangen – meer specifiek, hun materiële of economische belangen. Sociaal materialisme moet in dit artikel dus begrepen worden als een manier om het menselijk handelen te verklaren die gebaseerd is op die belangen.

Deze drie elementen komen samen in een coherent kader dat het bestaan van een objectieve werkelijkheid bevestigt. Deze werkelijkheid kan worden begrepen door zorgvuldige analyse, en veranderd door praktische interventies die mensen mobiliseren rond hun belangen. Meer dan honderd jaar lang hielden marxisten zich aan alle drie deze argumenten. Dit kwam omdat het marxisme als politieke theorie in de eerste plaats werd gemotiveerd door het derde argument: het sociaal materialisme. Maar om je aan het sociaal materialisme te houden, moet je nu eenmaal ook de ontologische en epistemologische premisses ervan aanvaarden. Je kunt namelijk niet geloven dat actoren worden gemotiveerd door hun objectieve belangen, tenzij je ook gelooft dat die belangen en de actoren die erdoor worden gemotiveerd, echt ‘daarbuiten’ in de wereld bestaan. En je kunt evenmin volhouden dat je die actoren en hun belangen begrijpt, tenzij je ook aanneemt dat theorie de wereld daadwerkelijk kan beschrijven.

De ogenschijnlijk radicale wending in de recente sociale theorievorming verwerpt grotendeels de tweede en derde component van het traditionele materialisme – de beweringen dat het mogelijk is om de wereld nauwkeurig te begrijpen en dat actoren bepaalde gemeenschappelijke materiële belangen delen. Dit was de kern van de culturele wending, en daaruit ontstonden een epistemologisch relativisme (door het verwerpen van stelling twee) en een cultureel relativisme (door het verwerpen van stelling drie). Het is niet bepaald controversieel om te stellen dat er in de hedendaagse sociale theorie een sterke tendens is naar een epistemologisch en cultureel relativisme, en wel door toedoen van twee pijlers van de culturele wending: het poststructuralisme en zijn directe afstammeling, de postkoloniale theorie.

Wat ik hier wil doen, is me concentreren op de derde component, het sociaal materialisme, en een verdediging bieden tegen enkele van de kritieken die erop zijn geuit. Dit doe ik om aan te tonen dat veel van de bezorgdheden van de critici, waarvan een groot deel volkomen legitiem is, kunnen worden weggenomen als de theorie goed wordt begrepen. Meer specifiek zal ik betogen dat de materialistische theorie een echt egalitaire en democratische politiek niet alleen mogelijk maakt, maar dat ze daar zelfs een voorwaarde voor is. Er is een goede reden waarom socialisten hun sociale theorie en praktijk op het materialisme hebben gebaseerd. De afkeer ervan is slechts een van de vele symptomen van het algemene intellectuele verval dat gepaard is gegaan met de neergang van links.

Wat is het sociaal materialisme?

Het sociaal materialisme zelf heeft een macro- en een microcomponent. De macrocomponent is de opvatting dat de geschiedenis wordt bepaald door de technologische ontwikkeling. Karl Marx poneerde dat in zijn voorwoord bij A Contribution to the Critique of Political Economy, wat op briljante wijze uitgewerkt werd door G.A. Cohen in zijn klassieker Karl Marx’s Theory of History: A Defence. Volgens Marx wordt de geschiedenis op een wetmatige manier gedicteerd door de stelselmatige ontwikkeling van de productiekrachten, waar de sociale relaties zich functioneel aan aanpassen. Ideeën en ideologie zijn functioneel ondergeschikt aan de productieverhoudingen – de klassenverhoudingen – die op dat moment dominant zijn. Die verhoudingen worden op hun beurt verklaard door het niveau van de productiekrachten.1

Op het microniveau is het sociaal materialisme dan weer een theorie van de motivatie van de actoren in sociale interacties. De basisstelling is dat de actoren in sommige sociale relaties gemotiveerd zijn om hun materiële of economische belangen na te streven, zelfs als dat betekent dat ze andere verplichtingen opzij moeten zetten. Dit gebeurt vooral op het gebied van economische interactie en politieke activiteiten. Deze beide aspecten staan centraal in de klassenverhoudingen, en dus leidt dit tot de opvatting dat klassenactie fundamenteel gemotiveerd wordt door materiële belangen.

Als mensen iets doen wat je niet helemaal begrijpt, kun je redelijkerwijs aannemen dat je de omstandigheden waarin ze te werk gaan onvoldoende hebt begrepen.

In hun poging om de keuzes van de actoren in economische en politieke kwesties te verklaren, gaan de marxisten er dus van uit dat de actoren hoogstwaarschijnlijk een koers zullen volgen die hun materiële welzijn bevordert. Daardoor kunnen we spreken van rationele actoren. Rationele actie, in die zin, is actie die iemand onderneemt ter verdediging van zijn of haar materiële belangen. De plaats van de actoren in de klassenstructuur dicteert hun specifieke manier van handelen; met andere woorden, de macht van de klassenstructuur schuilt erin dat ze actoren rationeel doet handelen, en wel op zo’n manier dat ze hun materiële belangen vooropstellen.

Het valt meteen op hoe die premisse zowel een politieke economie van het kapitalisme als een theorie van klassenconflicten genereert. De klassenstructuur die het kapitalisme definieert, plaatst een kleine groep mensen in de positie van kapitalistische producent en de overgrote meerderheid in de positie van loonarbeider. Die twee posities dwingen die twee categorieën actoren om bepaalde acties te ondernemen als ze hun materiële belangen willen beschermen.

De arbeiders ondervinden dat ze, om hun welzijn te verdedigen, geen ander redelijk alternatief hebben dan hun arbeidskracht te verkopen aan de kapitalisten. Ze hebben natuurlijk de vrijheid om te weigeren – niemand dwingt hen om elke dag op het werk te verschijnen. In die zin is het correct om, in navolging van de libertariërs, te stellen dat de werknemer de beslissing om te werken in alle vrijheid heeft genomen. Maar ook al dwingt niemand hen om voor de kapitalisten te werken, hun omstandigheden dwingen hen wel om werk te zoeken. Kortom, ook al dwingt niemand hen om te werken, toch worden ze er structureel toe gedwongen. Het is een actie die ze rationeel ondernemen, want weigeren zou een catastrofale klap voor hun materiële welzijn betekenen.

Aan de andere kant ontdekken de actoren die zich in de categorie kapitalisten bevinden al snel dat hun eigen materiële belangen verbonden zijn met het economische succes van hun onderneming. Als ze hun bevoorrechte positie willen behouden, moeten ze ervoor zorgen dat hun onderneming levensvatbaar blijft en kan concurreren met hun rivalen. Dit vertaalt zich al snel in de noodzaak om de kosten te minimaliseren en de winst te maximaliseren. Zolang ze op concurrentiemarkten opereren, zijn kapitalistische ondernemingen waar dan ook in de eerste plaats gericht op kostenminimalisatie en winstmaximalisatie. Dat is de koers die ze rationeel volgen om economisch rendabel te blijven.

Op zijn beurt genereert de universeel opgelegde drang naar winstmaximalisatie wat Marx de ‘bewegingswetten’ van het kapitalisme noemde: beslissingen op microniveau leiden tot patronen van economische ontwikkeling op macroniveau. Omdat kapitalistische werkgevers min of meer gelijk reageren op vergelijkbare economische situaties, wordt zoiets als een theorie van de economie mogelijk. De politieke economie als sociale wetenschap is alleen mogelijk omdat de actoren consequent reageren op economische omstandigheden. En die consequente houding is onmogelijk te verklaren, behalve als we aannemen dat hun handelen rationeel is.

De materialistische premisse genereert dus een theorie van kapitalistische ontwikkeling, maar ze is ook de grondslag van de marxistische politieke theorie. Want ook al verenigt de verdediging van materiële belangen de economische actoren in een voorspelbaar ontwikkelingspatroon, ze genereert ook weerstand en conflicten. Dezelfde noodzaak die de werkgevers dwingt om de kosten laag te houden, dwingt hen ook om het materiële welzijn van hun werknemers rechtstreeks te ondermijnen. De drang van de werkgevers om de kosten te minimaliseren en tegelijkertijd zoveel mogelijk arbeid uit hun werknemers te halen, kan die werknemers alleen maar schade berokkenen.

Zo houdt de kostenbesparing in dat de door de marktomstandigheden gedicteerde lonen op het laagste niveau blijven. De maximalisatie van de onttrokken arbeid, op haar beurt, gebeurt meestal onder de vorm van arbeidsintensivering, wat de werknemers fysieke en psychologische schade toebrengt. Maar juist omdat de werknemers veel waarde hechten aan hun materiële welzijn, is het voorspelbaar dat de eisen en acties van de werkgever weerstand oproepen. De loonarbeiders proberen immers op elke mogelijke manier de schade te beperken die hun werkgever in zijn zucht naar winst aan hen opdringt.

Met andere woorden: het universele winstbejag van het kapitalisme leidt tot universeel verzet bij de arbeidersklasse. Universaliteit geldt namelijk niet alleen voor verzet als feit, maar zelfs voor de inhoud ervan. De werknemers in onze moderne tijd hebben in veel verschillende culturele omgevingen geleefd en gewerkt. Bij een doorgedreven culturalistisch denken zou je dan kunnen verwachten dat de eisen die ze aan hun werkgevers stellen, heel erg van elkaar zullen verschillen – en er valt daar ook wel enige variatie in op te merken. Opvallender, echter, is dat de belangrijkste eisen in verschillende culturen en regio’s in de kern dezelfde zijn, namelijk verbeteringen op het vlak van lonen, arbeidsuren, arbeidsintensiteit, gezondheidsvoorzieningen en dergelijke meer. Die eisen vormen de kern van elke moderne arbeidersbeweging, ongeacht de ideologische en culturele omstandigheden, een feit dat eenvoudigweg onbegrijpelijk is in een relativistisch paradigma.2 Beide fenomenen – de universele noodzaak tot ontwikkeling van het kapitalisme en het universele verzet van de slachtoffers ertegen – kunnen we alleen verklaren als we uitgaan van een rationalistisch kader.

De deugden van het materialisme

De materialistische premisse heeft een van de meest succesvolle sociale theorieën van de moderne tijd voortgebracht. Hieruit vloeide ook de strategische basis voort van de meest succesvolle politieke beweging van de moderne tijd: de arbeidersbeweging, en in het bijzonder haar socialistische component. We kunnen zonder overdrijven zeggen dat de strategische oriëntatie van het moderne socialisme gebaseerd is op de centrale positie die de materiële belangen innemen. Dit was vooral duidelijk in de drie componenten die modern links definieerden.

Het materialisme is een basis voor het internationalisme. Het idee dat mensen zich overal verzetten tegen onderdrukking en uitbuiting gaat ervan uit dat ze bepaalde belangen delen.

1 Het politieke programma. De materialistische theorie is de basis geweest voor de socialistische strategie. Alle politieke programma’s steunden op een analyse van de belangen van de mensen. Die programma’s waren gebaseerd op twee vragen. De eerste was welke groep mensen de achterban van de partij vormde. Die achterban, de arbeidersklasse, werd niet bepaald op basis van haar opstelling of de waarden die zij op een bepaald moment aanhing, maar op basis van een analyse van haar objectieve belangen. De arbeiders maakten hun politieke keuze op basis van hun belangen, niet op basis van hun opstelling of hun normen en waarden. Sterker nog, als de opstelling van bepaalde klassenleden afweek van hun belangen, probeerden de partijen hen alsnog te organiseren. Het doel was om de opstelling van die achterban in overeenstemming te brengen met hun belangen.

De tweede vraag was welke politieke eisen de achterban aantrekkelijk zou vinden. Het instrument om de aanhangers als klasse samen te brengen was het politiek programma. En dat programma bestond uit een verzameling eisen waarvan de organisatoren dachten dat de arbeiders ze aantrekkelijk zouden vinden omdat ze aansloten bij hun belangen. De kaderleden kregen de opdracht om de arbeiders voor de zaak te rekruteren op basis van het programma. Ze moesten hen dus niet zomaar aansporen maar steunen op de kracht van wat het programma beloofde. Met andere woorden, dat proces verliep als volgt: klassenbelangen politiek programma klassenorganisatie. Het uitgangspunt was een analyse van de belangen van de sociale klassen: daaruit vloeiden de eisen voort die in het programma werden verankerd, en daaruit kwam de strategie voort die bepaalde wie georganiseerd moest worden en hoe ze in de partij in te lijven. Kortom, de partijen probeerden niet hun doelen moreel zo aantrekkelijk mogelijk voor te stellen om willekeurig mensen te rekruteren. Er speelde uiteraard altijd wel een morele component in hun organisatiewerk, en als mensen van andere klassen hun doelen aantrekkelijk vonden, konden ze worden aangesproken om lid te worden. Maar de voornaamste achterban werd altijd geïdentificeerd op basis van de belangen van de actoren, niet op basis van hun waarden. Om hun leden te overtuigen van de morele waarde van de beweging, zijn de socialisten nooit de directiekamers van de bedrijven binnengelopen. Ze focusten van meet af aan op de arbeiders vanuit hun overtuiging dat die op basis van hun belangen de socialistische doelen zouden omarmen, terwijl CEO’s, CFO’s en dergelijke meer zich tegen hen zouden keren. De belangenanalyse bakende dus de actoren af die tot de socialistische achterban hoorden en ook wie hun klassenvijanden waren.

2 Democratisch engagement. Het tweede gevolg van het materialisme wordt vaak miskend, maar is absoluut cruciaal. Als je ervan uitgaat dat de mensen in hun economische en politieke leven rationeel reageren op hun omstandigheden, moet je ze vanzelfsprekend met een zeker respect behandelen. Dat dwingt je om ervan uit te gaan dat als ze iets doen wat je niet helemaal begrijpt, je redelijkerwijs kunt aannemen dat je de omstandigheden waarin ze werken en leven onvoldoende hebt begrepen. Wat op het eerste gezicht irrationeel lijkt, kan veel logischer blijken zodra je de bijbehorende beperkingen en voorkeuren beter begrijpt. Met andere woorden: in plaats van te concluderen dat mensen ideologisch misleid zijn, gemanipuleerd worden of foute waarden geïnternaliseerd hebben, zou je ze moeten behandelen als intelligente mensen met een basisinzicht in hun situatie. Het is dan aan jou om uit te zoeken wat een bepaalde keuze voor hen aantrekkelijk maakt. Dit is een extreem democratische opstelling, en het beschermt je tegen het elitisme dat tegenwoordig zo welig tiert aan de linkerzijde, die werkende mensen routinematig hekelt omdat ze zogezegd behept zijn met een vals bewustzijn of zelfvernietigende overtuigingen.

3 Internationalisme. Ten derde vormde het materialisme een basis voor wat wij het internationalisme noemen. Het idee dat mensen overal – niet alleen witte Europeanen of christenen – zich verzetten tegen onderdrukking en uitbuiting berust op de premisse dat ze bepaalde belangen delen, die op hun beurt voortkomen uit gemeenschappelijke basisbehoeften. Om deze reden wordt niet alleen van witte mensen met vergelijkbare klassenbelangen of van Europeanen gedacht dat ze gemotiveerd zijn door economische belangen, maar van iedereen die zich in dezelfde positie in de klassenstructuur bevindt – wit of zwart, bruin of geel, hindoe of moslim, christen of jood. Die aanname was de basis om mensen van alle culturen en sociale achtergronden samen te brengen en doelen na te streven die hun ten goede zouden komen, doelen die zij zelf als nuttig beschouwden. Dit staat ver af van het relativisme en het daaruit voortvloeiende nationale tribalisme waar linkse partijen vandaag de dag onder lijden.

Dit waren de drie centrale componenten van de linkse strategie gedurende het grootste deel van de twintigste eeuw. Dat bleef zo omdat, zolang de beweging een echte massabasis had, de organisatoren vaststelden dat de materialistische theorie enorme voordelen opleverde. Massapartijen konden zich diep wortelen in de arbeidersklasse over de hele wereld op basis van politieke programma’s die opmerkelijk veel op elkaar leken. Omdat organisatiestrategieën in een taal van universele rechten en universele behoeften weerklank vonden bij mensen overal ter wereld, konden ze worden gevolgd in een bonte verzameling van culturele en economische settings. Op die manier werd de materialistische theorie de leidraad voor de arbeidersbeweging, de meest duurzame en succesvolle sociale bewegingen die de wereld ooit heeft gekend.

De culturele wending

De verschuiving van materialistisch naar culturalistisch denken is wellicht het meest bepalende element van de radicale ideeën in het neoliberale tijdperk. De fundamentele bekommernis achter die culturele wending is dat het marxisme in zijn verklaring van hoe het kapitalisme werkt de rol van fenomenen die vaak onder de paraplu van cultuur geschaard worden, zoals ideologie, discoursanalyse en sociale interpretatie, ten onrechte ondergeschikt maakt of minimaliseert.

Die bekommernis uitte zich voor het eerst in West-Europa in de vroege naoorlogse jaren, deels op aangeven van de Duitse Frankfurter Schule maar ook van het Britse Nieuw Links. Aanleiding voor de kritiek was de vaststelling dat de historische gebeurtenissen hadden bewezen dat Marx’ geloof in de revolutionaire kracht van de arbeidersklasse niet correct was.3

In pakweg de eerste dertig jaar van de eeuw, beginnend met de Russische Revolutie van 1905 en eindigend met de Spaanse Burgeroorlog, leken de gebeurtenissen nog overeen te stemmen met Marx’ voorspellingen. Het kapitalisme leek zich in een revolutionaire crisis te bevinden, en de geboorte van de arbeidersbeweging liep grotendeels gelijk met haar behoorlijk succesvolle aanval op de burgerlijke staat. De arbeidersklasse leek inderdaad de ‘doodgraver’ van het kapitalisme te zijn, zoals Marx had aangekondigd in het Communistisch Manifest.4

Maar in het eerste decennium na de Tweede Wereldoorlog leek het revolutionaire moment voorbij. In de landen waar het kapitalisme zich het verst ontwikkeld had, en waar Marx’ voorspelling van de omverwerping van het systeem bewaarheid had moeten worden, werd de arbeidersklasse in werkelijkheid ingekapseld in het systeem en doofde het revolutionaire vuur, dat typerend was geweest voor de arbeidersbewegingen in de eerste drie decennia van de eeuw.

Dit bezorgde de naoorlogse linkse beweging stevige kopzorgen. Hun worsteling met dat probleem leidde tot de conclusie dat Marx gelijk had door erop te hameren dat de klassenstructuur conflicten genereert, maar had genegeerd dat ideologie en cultuur in hoge mate bepalend waren voor de bereidheid van de arbeidersklasse om in opstand te komen, voor haar begrip van haar eigen situatie, en voor haar vermogen om zich als klasse te verenigen.

Naoorlogs links ging uit van een sociologische observatie – namelijk dat men, om te analyseren hoe klasse werkt, moest begrijpen hoe cultuur iemands begrip van zijn plaats in de klassenstructuur bepaalt. Hieraan voegden ze toe dat de klassenstructuur niet eenzijdig een bepaalde strategie dicteert. Over het vermogen dat individuen of groepen hebben om te handelen en keuzes te maken, kwamen ze daardoor tot deze conclusie: doordat cultuur economische en politieke keuzes onvoorspelbaar maakt, introduceert ze een grote mate van onbepaaldheid in die domeinen.

Voor het opkomende Nieuw Links leidde de observatie dat ideologie het politieke en economische handelen van de arbeidersklasse bepaalt, langzaam tot een geheel nieuw begrip van dat handelen zelf op het microniveau. Terwijl de marxisten volhielden dat de klassenstructuur leidde tot voorspelbare en stabiele keuzes door economische actoren, stelde de cultuurtheorie dat culturele tussenkomst elke stabiele relatie tussen structuur en actie verstoorde. En als dit zo was, dan viel ook het idee van een klassenstrategie op basis van stabiele klassenbelangen in duigen. De sociale realiteit was onvoorspelbaar, belangen waren cultureel bepaald, en politiek ging niet over het bundelen van belangen maar over het construeren van gemeenschappelijke identiteiten.

De ironie is natuurlijk dat die overhaaste vlucht richting sociaal constructivisme zijn hoogtepunt bereikte op het moment dat de onverbiddelijke, niet aflatende druk van het kapitalisme zich over heel de wereld verspreidde. Net toen de meedogenloze en eenduidige logica van het systeem zich opdrong aan de sociale actoren, verloor de sociale theorie zich in een denken van onvoorspelbaarheid en lokaliteit.

Zoals veel commentatoren hebben opgemerkt, was er een verband tussen die twee fenomenen – de sociale context en de ‘afdaling in het discours’, zoals een vroege criticus het omschreef.5 Het was de theoretische weerspiegeling van de massale, historische nederlaag van de volksbewegingen over de hele wereld na de jaren 1970. De omarming van het culturalistische denken drukte een diep pessimisme onder de intellectuele klasse uit met betrekking tot politieke verandering. Maar belangrijker nog, het was de theoretische verwoording van iets wezenlijks in het kapitalisme. Eens de bindende kracht van de arbeidersbewegingen eenmaal tenietgedaan was, omarmden de sociale actoren in het kapitalisme alle organisatorische en institutionele middelen die tot hun beschikking stonden om zichzelf af te schermen van de brute realiteit van de arbeidsmarkten.

Dit leidde dan weer tot een enorme versplintering van de sociale identiteiten. Bekeken vanuit het oogpunt van de positie van de actoren in de economische structuur droeg deze fragmentatie een groot element van onvoorspelbaarheid in zich. Het was die onvoorspelbaarheid die de culturele theoretici beschouwden als een anker van de sociale realiteit. In plaats van haar te zien als het resultaat van klassenverhoudingen en nieuwe vormen van accumulatie, promootte ze haar als een fundamenteel feit over sociale interactie, en daarmee als de doodsteek voor eender welk universaliserend of groot verhaal.6

Niettemin begonnen aan het begin van de jaren 2000 zelfs enkele van de belangrijkste voorstanders van de culturele analyse een kloof gewaar te worden tussen dit heersende kader enerzijds, en wat er gebeurde in de reële globale politieke economie anderzijds.7Dit gebeurde net op het moment dat sommige politieke factoren die de wending weg van de materialistische analyse hadden aangestuurd, begonnen te transformeren. Hiermee komen we terecht bij wat de eerste stappen zouden kunnen zijn naar een heropleving van de wereldwijde arbeidersbewegingen. Als die trend doorzet – en dit is een grote ‘als’ – verwacht ik dat veel van het afval van de voorgaande jaren vanzelf zal verdwijnen, inclusief de welwillende acceptatie van de verschillende vormen van relativisme die het heeft voortgebracht.

Echter, ook al verzwakte de culturele wending de arbeidersbeweging en leidde ze tot zeer gebrekkige theoretische conclusies, het is een feit dat de bezwaren die ze opriep moeten worden aangepakt en niet zomaar terzijde geschoven. Elk voornemen daartoe biedt de materialisten de kans om hun eigen theorie te testen en aan haar zwakke punten te werken.

Drie bekommernissen over rationaliteit

Ik wil hier enkele van de bekommernissen wegnemen die de argumenten ten voordele van cultuur naar voren brengen. De materialisten stellen dat we bij een hele reeks sociale fenomenen van de actoren mogen verwachten dat ze rationeel hun materiële belangen nastreven. Veel kritische theoretici maken zich zorgen over wat het betekent om de actoren als rationeel te beschouwen. Ik zal ingaan op drie veelvoorkomende bekommernissen.

Ten eerste: de karakterisering van de actoren als mensen die economische doelen nastreven zou alle menselijke motivatie tot economische motivatie reduceren, terwijl we in werkelijkheid weten dat mensen veel verschillende doelen belangrijk vinden. Economische kwesties zijn maar een van de bezorgdheden van de mensen, want ze hebben ook lief, ze smeden ook vriendschappen, ze hebben morele verplichtingen, esthetische zorgen enzovoort. Kortom, de sociale actoren zijn veelzijdig, en dat onderscheidt hen van de dieren. Aandringen om de economische overwegingen centraal te stellen in onze verklaring doet geweld aan de heterogeniteit en diversiteit van de menselijke motivatie.

De materialistische theorie was de leidraad voor de meest duurzame en succesvolle sociale beweging die de wereld ooit heeft gekend:
de arbeidersbeweging.

Ten tweede: wanneer we zeggen dat de sociale actoren economische doelen belangrijk vinden, veranderen we ze in kille, berekenende machines die uit zijn op economische maximalisatie. Ze zijn niet alleen bezorgd om hun welzijn, maar willen ook obsessief het beste halen uit elke sociale interactie die ze aangaan. Nogmaals, dit lijkt onrecht te doen aan de manier waarop we met elkaar omgaan, aan ons vermogen om andere mensen als doel te zien en niet alleen als middel.

En ten derde een bekommernis die voortvloeit uit de eerste twee: het is moeilijk een touw vast te knopen aan alle tegenvoorbeelden in ons sociale leven waarin mensen niet alleen andere doelen nastreven, maar ook allerlei doelen die irrationeel lijken vanuit het standpunt van dit soort materialisme. En daarom, zeggen de culturalisten, doet de materialistische theorie wat geen enkele wetenschappelijke theorie zou mogen doen, namelijk de tegenvoorbeelden negeren en zo uitgroeien tot een starre doctrine.

Zijn economische doelen de enige?

Klopt het dat een materialistische beschrijving van ons vermogen om keuzes te maken alle motivatie reduceert tot het economische? Het is waar dat de materialisten soms die indruk wekken, maar de materialistische theorie vereist dit geenszins. Hoe kunnen we dan, in een theorie die is gebaseerd op de premisse dat zowel arbeiders als kapitalisten materieel gemotiveerd zijn, voorkomen dat alle motivatie wordt gereduceerd tot het economische?

Dat de mensen zich laten motiveren door allerlei waarden en allerlei soorten verplichtingen – moreel, esthetisch, religieus enzovoort – brengt het materialisme niet in een lastig parket. Die theorie hoeft niet te ontkennen dat de mensen andere motivaties of doelen hebben. Het punt is dat ze die andere doelen maar succesvol kunnen nastreven als ze eerst hun materiële doelen kunnen veiligstellen. Als ik naam wil maken als kunstenaar, moet ik eerst in mijn levensonderhoud voorzien; om mijn religieuze doelen na te streven, moet ik mijn bestaan verzekeren; om mijn sociale zaken goed te regelen, moet ik ervoor zorgen dat er elke dag eten en drinken op tafel komt. Het is dus niet dat we andere zaken niet naar waarde schatten, maar dat er geen andere waarde is die fungeert als een voorwaarde voor de vervulling van waarden van een hogere orde.

De economische motivatie is de noodzakelijke voorwaarde voor andere mogelijke motivaties van de actoren. Dat leidt tot een interessante vaststelling. We streven elke dag in ons leven allerlei sociale interacties na – we hebben vriendschappen, we hebben liefdesrelaties, we gaan elke dag naar ons werk, we hebben onze politieke doelen. In al die sociale interacties fungeren de materiële voorwaarden als een praktische beperking. We moeten tot op zekere hoogte rekening houden met de eraan verbonden kosten. Soms gaat dat streven onmiddellijk gepaard met rechtstreekse kosten. Ik zou bijvoorbeeld meer waarde kunnen hechten aan vrije tijd dan aan betaald werk. Maar ook al hecht ik meer waarde aan vrije tijd, als ik daardoor werkloos word, zal de realiteit me snel weer met mijn voeten op de grond zetten. Dat is een directe en onmiddellijke kostprijs.

Bij andere beslissingen daarentegen zal ik veel meer speelruimte hebben om mijn eigen keuzes te maken. Om voort te borduren op het vorige voorbeeld: ook hier zal de realiteit me dwingen om een baan te zoeken en te houden, ook al heb ik veel liever de vrijheid om andere activiteiten te ondernemen. Maar bij andere, voor mij belangrijke bezigheden, zoals mijn geloof, sta ik niet voor zo’n dilemma. Mijn religieuze overtuiging heeft weinig invloed op het hebben en houden van een baan. Zolang mijn religie mijn streven naar betaald werk niet in de weg staat, ben ik veel vrijer om mijn geloof op mijn eigen manier te beoefenen.

Hieruit kunnen we de volgende stelling afleiden: economische motivatie heeft niet dezelfde impact op alle sociale interacties. Integendeel, haar effect zal met verschillende intensiteit aangevoeld worden, afhankelijk van het speelveld. De invloed ervan zal het grootst zijn in die delen van ons sociale leven waar onze keuzes rechtstreeks impact hebben op ons materiële welzijn. In de andere domeinen, die niet rechtstreeks betrokken zijn bij onze materiële reproductie, zal de invloed veel zwakker zijn.

Hieruit volgt dat de materiële motivaties het sterkst zullen zijn in de domeinen waar de economische beperkingen het meest dwingend zijn. Het is dan ook geen verrassing dat bij de theoretisering van de economische interacties – de manier waarop het kapitalisme werkt als een economie – de premisse van rationaliteit het beste werkt. Het nastreven van onze economische belangen stelt ons immers in staat onszelf succesvol te reproduceren in de klassenstructuur.

In domeinen die verder van het economische af liggen – vriendschappen, romantische relaties, morele en esthetische kwesties – zijn de economische beperkingen wellicht minder dwingend. Niet dat ze verdwijnen, maar ze laten hier meer variabiliteit toe. Nogmaals, dit wil niet zeggen dat die andere domeinen vrij zijn van materiële belangen – bij morele keuzes, vriendschappen en zelfs liefde komen heel wat economische beperkingen kijken. Het punt is dat de ruimte voor niet-economische overwegingen hier groter is dan bij economische of zelfs politieke keuzes. Het materialisme is dus vooral werkzaam bij de studie van de politieke economie en de politieke tegenstellingen, maar is nog steeds relevant op andere gebieden.

Hieruit volgt een belangrijke conclusie. De reden dat het marxisme economische belangen centraal stelt in zijn begrip van het menselijke vermogen om zelf keuzes te maken, is niet dat marxisten denken dat de actoren altijd en overal economisch gemotiveerd zijn. Het is veeleer zo dat de theorie zich in de eerste plaats bezighoudt met het domein van het sociale bestaan waar economische overwegingen de boventoon voeren, namelijk onze economische reproductie – hoe we, in economische zin, ons voortbestaan waarborgen – en de machtsverhoudingen die dat in stand houden.

Met andere woorden, het marxisme is geen ‘theorie van alles’. Het is een theorie van klasse en klassenreproductie en daarom is het verankerd in het materialisme.8Het is dan ook een vergissing te denken dat de aanname van rationaliteit de menselijke motivaties omvattend beschrijft. De mensen worden door veel dingen gemotiveerd, maar de bezorgdheid om hun materieel welzijn beperkt de kracht van andere doelen.

Is rationaliteit een kwestie van hedonisme?

Laat ons nu de tweede bekommernis onder de loep nemen: moeten mensen streven naar maximalisatie? Moeten ze constant het meeste uit elke interactie trachten te halen? Dat is een begrijpelijke bekommernis want ze schetst niet alleen een nogal verwerpelijk beeld van het menselijk gedrag, maar ze staat ook haaks op onze eigen ervaring. Onze dagelijkse interacties zijn gevuld met voorbeelden van fatsoen en aandacht voor anderen. Die komen niet alleen voor in die andere, verder afstaande domeinen waar ik het in de vorige paragraaf over had, maar ook in de economische interacties. De actoren tonen zelfs op de werkplek zelf, in het hart van de kapitalistische economie, respect voor andere waarden.

De economische motivatie is de noodzakelijke voorwaarde voor andere mogelijke motivaties van de actoren.

Om te beginnen hoeft economische motivatie niet de vorm aan te nemen van een meedogenloze jacht naar maximale winst bij elke interactie. De actoren hoeven enkel aandacht te hebben voor de onderste grens voor minimaal welzijn, waar ze niet onder willen zakken om andere engagementen te kunnen ontwikkelen. Het alternatief voor de jacht naar maximalisatie is niet altruïsme maar veeleer wat we bevredigend gedrag noemen.9Met andere woorden, de theorie vereist alleen dat de actoren geen keuzes maken die een merkbare vermindering van hun welzijn veroorzaken; ze vereist niet dat ze hun welzijn willen maximaliseren. Het strookt perfect met het materialisme als de mensen zeggen: ‘Ik ben blij als ik genoeg heb, ik hoef niet alles te hebben.’

Natuurlijk zullen er situaties zijn waarin de actoren tot maximalisatie gedwongen worden. Ik grijp even terug naar de voorbeelden van hierboven: het valt te verwachten dat bij rechtstreekse economische activiteiten de kans groter is dat we een strategie van maximalisatie opgelegd krijgen. Het meest voor de hand liggende voorbeeld hiervan is de kapitalistische onderneming, die, zoals verwacht, gedwongen zal worden om naar maximalisatie te streven, zelfs als de managers zich hiertegen willen verzetten. De concurrentiedruk beloont dergelijk streven naar maximalisatie door de inkomstenstroom te verhogen van bedrijven die zich ernaar voegen. Het levert hun meer middelen op voor investeringen, die hen op hun beurt in staat stellen om kapitaalgoederen te kopen, waardoor de kosten per eenheid product dalen. Dit stelt hen dan weer in staat om rivalen die misschien meer hebben gemikt op ‘goed genoeg’ de nek om te wringen.

Maar zelfs dat betekent niet dat economische interacties als regel maximaliserend gedrag forceren. De werknemers staan niet onder dezelfde druk als de ondernemingen om hun economisch rendement maximaal op te voeren. Terwijl de bedrijven niet onder een bepaald rendement mogen duiken, kunnen de werknemers gedwongen worden, of ervoor kiezen, om hun loon onder het gangbare markttarief te laten zakken. Bedrijven moeten nu eenmaal economisch levensvatbaar zijn terwijl werknemers alleen fysiek moeten overleven. Zolang zij erin slagen voldoende inkomen uit een baan te halen, kunnen ze ervoor kiezen die baan te behouden omdat ze dan tijd overhouden voor andere bezigheden.

Dus zelfs met betrekking tot strikt economische overwegingen zien de werknemers soms af van hun streven naar maximalisatie. Belangrijk hierbij is dat zelfs als ze dat doen, hun fysieke behoeften nog steeds een grens hebben waaronder ze zich niet kunnen laten zakken wanneer ze niet-economische doelen nastreven. Ze moeten hun bestaan verzekeren terwijl ze proberen aan hun andere verplichtingen te voldoen. Om die reden roept de kapitalistische economie verschillende soorten economische motivaties op bij haar twee belangrijkste actoren: terwijl de bedrijven een brutale strategie van winstmaximalisatie volgen, nemen de werknemers niet dezelfde meedogenloze logica in acht.10

We kunnen dus concluderen dat zolang de actoren kunnen voorzien in hun basisbehoeften, het perfect in overeenstemming is met het materialisme als ze afzien van verder economisch gewin en in de plaats daarvan andere doelen nastreven. Zo zullen sommige werknemers een hoger loon of een beter betaalde job opgeven ten voordele van een baan die ze met andere activiteiten kunnen combineren. Maar er zijn grenzen aan hoe ver ze bereid zijn te gaan, en dat is niet alleen de grens van het fysieke overleven. Lang voor deze in het gedrang komt, is eenvoudige fysieke ontbering vaak al genoeg om sociale actoren te doen teruggrijpen naar de alledaagse realiteit van hun materiële belangen. Een zekere mate van onvoorspelbaarheid is daarom volledig in overeenstemming met de materialistische theorie, maar deze onvoorspelbaarheid is beperkt.

Het probleem van de afwijkingen

Uit het voorgaande blijkt dat het materialisme te verzoenen valt met enkele voor de hand liggende feiten over sociale interactie. Maar voor veel theoretici is dit nog altijd niet genoeg. Zij zullen misschien wel toegeven dat materiële overwegingen een belangrijke rol spelen in sociale interactie. Maar, zeggen zij: volhouden dat materiële overwegingen sociale actie aan banden leggen impliceert dat die materiële overwegingen voorrang genieten, wat nog steeds moeilijk te verenigen is met bepaalde feiten.

Eén zo’n feit is dat zelfs in het soort bewegingen en interacties die ik heb gebruikt als bewijs voor het materialistische kader, de geschiedenis vol staat met voorbeelden van groepen individuen die enorme risico’s nemen en opofferingen doen: vakbondsmensen die hun werk doen in een context van zware onderdrukking; nationale bevrijdingsstrijders die de wapens opnemen hoewel ze weinig kans maken op succes; burgerrechtenactivisten die vrijwillig fysiek geweld ondergaan; werkgevers die lagere winsten accepteren om te kunnen handelen in overeenstemming met hun morele waarden. Die voorbeelden komen precies uit de domeinen waarvan ik heb benadrukt dat materiële overwegingen het meest dwingend zijn, en toch vinden we daar voorbeelden van mensen die enorme offers brengen voor hun morele engagementen. Dat is moeilijk te rijmen met de bewering dat de materiële belangen voorrang krijgen.

Het gaat er niet om of dit soort situaties voorkomen, maar of ze typisch zijn. Met andere woorden: is het routine en valt te verwachten dat mensen doelen opzoeken die hun welzijn ondermijnen, of zijn zulke gevallen uitschieters? Om te beginnen is de sociale theorie niet een theorie van elke individuele persoon in de samenleving. Het is een theorie van het totaal. Het gaat over wat we sociale feiten noemen. Die verschillen van individuele feiten in die zin dat ze niet zeggen hoe een bepaald individu zich gedraagt, maar overkoepelende gedragspatronen beschrijven. Om überhaupt iets te theoretiseren, moet je stabiele verschijnselen vinden bij individuele persoonlijkheden en specifieke omgevingen. Als elk individueel tegenvoorbeeld een theorie zou ondermijnen, zouden er in de sociale wereld geen theorieën bestaan over wat dan ook, aangezien het niet zo moeilijk is om van zowat elk soort gedrag een voorbeeld te vinden. Louter tegenvoorbeelden vinden van een generalisatie ontkracht haar niet.

Elke test van een theorie moet dus onderscheid maken tussen het typische en het uitzonderlijke. En als de verstorende gebeurtenis uitzonderlijk is – als ze ongebruikelijk en zeldzaam is – dan ontkracht ze op zichzelf niet een theoretische veralgemening. Het gaat in plaats daarvan over een andere klasse van verschijnselen, van uitzonderlijke gevallen, die dan worden onderzocht om te zien welke speciale omstandigheden er de oorzaak van zijn. Die uitzonderlijke gevallen ontkrachten een theorie niet, tenzij ze talrijk genoeg worden om een eigen sociaal feit te vormen.

In de decennia dat de linkse intellectuelen zich bezighielden met klassenorganisatie, werd de aanname van materialisme nooit echt in twijfel getrokken.

Neem het geval van de vakbeweging. Het is natuurlijk waar dat veel vakbondsleden bereid zijn een hoge prijs te betalen voor hun vakbondswerk. Maar zoals de voortrekkers zelf ook beseffen, is de reden dat hun inspanningen zo moeizaam verlopen en zo vaak mislukken juist omdat hun psychologie nu eenmaal verschilt van die van de andere leden. Terwijl de activisten bereid zijn persoonlijke kosten op de koop toe te nemen bij het nastreven van hun morele passies, is het merendeel van de leden dat niet. Als ze dat wel waren, zou het niet nodig zijn om mensen te organiseren. De werknemers zouden zich verenigen rond hun morele verontwaardiging, ongeacht de kosten.

Op een gelijkaardige manier kunnen ook sommige kapitalisten vanuit een ethisch standpunt besluiten om lagere winsten te accepteren. Maar dat zijn uitzonderingen die door de marktlogica uitgeroeid worden. Na verloop van tijd leren deze andere kapitalisten snel dat de markt geen plaats is voor de teerhartigen. En dus maakt hun morele houding hen tot buitenbeentje, terwijl werkgevers in het algemeen getuigen van onverschilligheid of morele schaamteloosheid. Kortom, tegenvoorbeelden kunnen een theoretische veralgemening niet ondermijnen totdat ze zelf een algemeen fenomeen zijn geworden.

Conclusie

Materiële analyses in een kwaad daglicht plaatsen – ze afwijzen als een vulgaire gehechtheid aan ‘dingen’ en dat stellen tegenover een ‘meer ontwikkelde’ waardering van doelen van een hogere orde – is een van de meest merkwaardige ontwikkelingen in het westerse marxisme sinds de jaren 60. In zijn vroege en vrij moedige verdediging van het materialisme in het begin van de jaren 70 merkte Sebastiano Timpanaro op dat de meer verfijnde aanhangers van de marxistische theorie zich al ongemakkelijk voelden als ze nog maar werden geassocieerd met de doctrine.

“Misschien is het enige gemeenschappelijke kenmerk van vrijwel alle hedendaagse varianten van het westerse marxisme,” merkte Timpanaro op, “hun bekommernis om zichzelf te verdedigen tegen de beschuldiging van materialisme.” Hij vervolgde: “Marxistische volgelingen van Gramsci of Togliatti, hegeliaans-existentialistische marxisten, neopositivistische marxisten, freudiaanse of structuralistische marxisten verwerpen, ondanks de diepgaande meningsverschillen die hen anders verdelen, als één man elke verdenking van samenwerking met het ‘vulgair’ of ‘mechanisch’ materialisme; en ze doen dat met zoveel ijver dat ze, samen met het mechanisme of de vulgariteit, het materialisme tout court verwerpen.”11

Timpanaro was een beetje voorbarig met zijn uitspraak. Hoewel de culturele wending zich al duidelijk aftekende in de jaren 70, was er nog altijd een gezonde en behoorlijk invloedrijke lijn van materialistische theorievorming die nog minstens een decennium voortleefde. Maar wat in 1970 voorbarig leek, was in 2000 een onmiskenbaar feit. Naarmate de arbeidersbewegingen en links verzwakten en de intelligentsia zich almaar minder politiek engageerde, evolueerde de omarming van het discours en de ideologie, van een van de vele stromingen in de radicale analyse, zowat tot een orthodoxie. En dit gebeurde ten koste van het materialisme.

Die orthodoxie ter discussie stellen is vandaag de dag zonder twijfel een van de urgentste taken van links. Met het oog hierop heb ik beargumenteerd dat een materialistische theorie, wat ze verder ook met zich moge meebrengen, niet vereist dat we de actoren opvatten als eendimensionale of kille, berekenende nutsmachines.

Het materialisme erkent eenvoudigweg dat het verzekeren van economisch en fysiek welzijn de centrale voorwaarde is om andere doelen na te streven. Op dit fundament kan een theorie van de materiële belangen van de mensen worden gebouwd, een theorie die de bron was van het succes van het marxisme als politieke theorie. Omdat mensen gevoelig zijn voor hun welzijn, oefenen de sociale relaties die rechtstreeks van invloed zijn op de mate en stabiliteit ervan een bijzondere invloed uit op de keuzes die ze maken. De klassenstructuur is, meer dan enige andere sociale relatie, bepalend voor de welzijnsoverwegingen van de actoren. Het is dan ook geen wonder dat het marxisme, een theorie die georganiseerd is rond klassenanalyse, de felste voorstander van het materialisme is geweest.

Het materialisme erkent tegelijkertijd dat mensen door heel veel dingen gemotiveerd worden. Een andere verdienste ervan is dat het niet alleen kan verklaren hoe het kapitalisme zich over de wereld heeft verspreid in zoveel verschillende culturen, maar ook hoe het hun culturele verscheidenheid in stand houdt. Die blijft net bestaan omdat de mensen kunnen vasthouden aan die aspecten van de lokale cultuur die de economische drang niet verstoren, terwijl ze de aspecten die dat wel doen aanpassen of verwerpen. Met andere woorden, ze maken een praktische keuze. Dit geeft ons een theorie van culturele verandering, naast een theorie van economische reproductie. De mensen denken na over hun waarden en normen en reproduceren dan alleen die waarden en normen die passen bij hun situatie, en ze verwerpen die normen en waarden die hun economische doelen en verplichtingen in de weg staan.

Tot slot biedt het materialisme niet alleen een middel voor universeel verzet tegen het kapitaal, maar ook een diep democratische benadering van dat verzet. De basis voor elk democratisch engagement is dat je andere mensen met respect behandelt. En dat is onmogelijk als je ervan uitgaat dat ze cognitieve tekortkomingen hebben, makkelijk te misleiden zijn of simpelweg het product van hun cultuur zijn. Wil je mensen organiseren, dan is het essentieel om te beseffen dat je te maken hebt met een bewuste achterban, die wikt en weegt. Wil je dat ze zich op een of andere manier verzetten tegen hun overheerser, dan moet je hen benaderen met een overtuigend pleidooi. Kortom, je moet ervan uitgaan dat de mensen een politieke strategie zullen accepteren op rationele gronden, niet alleen door middel van hersenspoeling of – zoals zo gebruikelijk is bij de linkse partijen van vandaag – door ze schaamte aan te praten of ze stroop om de mond te smeren.

Dat zijn allemaal punten die de progressieve intellectuelen tijdens het grootste deel van de geschiedenis van links instinctief hebben begrepen. Het was volkomen voorspelbaar dat naarmate de sociale theorievorming losraakte van het sociale organisatiewerk, de meer ongeloofwaardige versies van de culturele analyse de kritische intellectuelen in hun greep zouden krijgen. En omgekeerd is het geen verrassing dat gedurende de decennia dat de linkse intellectuelen zich bezighielden met klassenorganisatie, de aanname van materialisme nooit echt in twijfel werd getrokken. De weg terug naar gezond verstand is ongetwijfeld lang, maar hij leidt, hoe kronkelig ook, terug naar een aantal basiselementen van de sociale theorie. En geen enkele daarvan is belangrijker dan het materialisme.

Licht ingekorte versie van Vivek Chibber, ‘The flight from materialism’, Catalyst, Vol. 8, N°3, 2024.

 

Footnotes

  1. De laatste tijd is er veel kritiek op die theorie. Ik heb het zelf ‘waarschijnlijk ongeloofwaardig’ genoemd, maar marxisten hebben het lange tijd als vanzelfsprekend beschouwd als een voorbeeld van materialisme. Zie Vivek Chibber, What Is Living and What Is Dead in the Marxist Theory of History, Historical Materialism 19, nr. 2 (2011).
  2. Zie bijvoorbeeld de uitstekende studie van Beverly J. Silver, Forces of Labor: Workers’ Movements and Globalization Since 1870 (New York: Cambridge University Press, 2003). Meer in het algemeen heeft tientallen jaren arbeidsgeschiedschrijving aangetoond dat, hoewel de diversiteit van culturen invloed heeft op de arbeiderseisen, de kernkwesties constant blijven; zo waren ook de typische vormen van arbeidsorganisatie vrijwel identiek, ongeacht de cultuur.
  3. Voor een langere en meer gedetailleerde beschrijving van dit proces, zie Chibber, Class Matrix, hoofdstuk 3.
  4. “De bourgeoisie produceert dus vooral haar eigen grafdelvers. Haar val en de overwinning van het proletariaat zijn even onvermijdelijk.” (Karl Marx en Frederick Engels, Marx and Engels Collected Works, Volume 6, 1845-1848 [London: Lawrence and Wishart, 1975], 496)
  5. Bryan Palmer, Descent Into Discourse: The Reification of Language and the Writing of Social History (Philadelphia: Temple University Press, 1990).
  6. De beste analyse van deze bocht blijft David Harvey, The Condition of Postmodernity: An Enquiry into the Origins of Cultural Change (Cambridge, MA: Blackwell, 1990). Terry Eagleton, The Illusions of Postmodermism (Cambridge, MA: Blackwell, 1996) is een levendig argument dat de culturele wending verbindt met politieke ontwikkelingen.
  7. Zie bijvoorbeeld William H. Sewell Jr, Logics of History: Social Theory and Social Transformation (Chicago: University of Chicago Press, 2005).
  8. Zie ook G. A. Cohen, History, Labour, and Freedom: Themes from Marx (Oxford: Oxford University Press, 1989), hoofdstuk
  9. De belangrijkste bijdrage aan deze literatuur is wellicht van Herbert A. Simon, ‘A Behavioral Model of Rational Choice,’ Quarterly Journal of Economics 69, nr. 1 (1955). De literatuur die hieruit is voortgekomen is omvangrijk, maar een goede verzameling van de verschillende standpunten hierin is Michael Byron, ed., Satisficing and Maximizing: Moral Theorists on Practical Reason (New York: Cambridge University Press, 2004). Een goed overzicht van de impact op de economie is te vinden in Edward Cartwright, Behavioral Economics (New York: Routledge, 2014).
  10. Dit is een van de interessantste implicaties van Marx’ analyse van de uiteenlopende kringlopen van arbeid en kapitaal. Terwijl de kringloop van het kapitaal wordt samengevat als M-C-M (geld-goed-geld), waarin een initiële investering van geldkapitaal moet uitmonden in een grotere hoeveelheid geld, worden arbeiders opgenomen in een kringloop van gebruikswaarden, C-M-C (goed-geld-goed), waarin het eindpunt niet een grotere hoeveelheid geld is, maar de aankoop van gebruikswaarden, die gelijkwaardig zijn aan de waarde van arbeid. De ene actor probeert de waarde te verhogen terwijl de andere de waarde probeert te behouden. Dit is maximaliserend gedrag voor de ene actor en bevredigend (‘goed genoeg’) gedrag voor de andere. Zie Marx’ argument in Karl Marx en Frederick Engels, Marx and Engels Collected Works, Volume 28 (Londen: Lawrence and Wishart), 204-29, vooral 213-14, 217.
  11. Sebastiano Timpanaro, On Materialism (Londen: NLB, 1975), 29.