Artikel

De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens wordt 70

Ivo Flachet

— 10 december 2018

We vieren deze maand de 70ste verjaardag van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Wat is het belang van de tekst vandaag? En is het kapitalisme verenigbaar met de volledige realisatie ervan?

De stemming van de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens bij de Verenigde Naties.Parijs 10 december 1948.

De Universele Verklaring, internationale reactie tegen het fascisme

Op 10 december 1948 heeft de algemene vergadering van de Verenigde Naties1 de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens (UVRM) gestemd. Als reactie op de verschrikkingen van de Tweede Wereldoorlog geeft de verklaring ons een belangrijke kijk op de lessen die men toen trok uit een totaal ontspoorde maatschappij. Drie jaar na de overwinning op Nazi-Duitsland maakte de wereld komaf met het anti-semitisme, met de racistische rassentheorieën van Hitler en met zijn oorlogszucht. Het fascisme was overwonnen. De ontzetting over de Holocaust was doorslaggevend in de formulering van de UVRM. Bij alle lidstaten van de Verenigde Naties leefde het besef dat dit nooit meer mocht gebeuren. De artikelen over de gelijkheid van alle mensen, het recht op werk en beroep, het recht op vrije keuze van onderwijs en geloofsvrijheid, enz. kaderen allen in de noodzakelijke bescherming tegen de discriminerende maatregelen die de nazi’s namen tegen joden in de jaren 30. De tekst heeft 70 jaar later weinig aan actualiteit ingeboet. Meer nog. Hij is actueler dan ooit.

De opstellers noemden de verklaring universeel. De mensenrechten komen toe aan “alle leden van de mensengemeenschap”, zo lezen we in de eerste zin van de preambule.Voortaan zal stemrecht niet enkel meer toekomen aan de rijke burger van het mannelijke geslacht maar aan eenieder. Voortaan zal ook de slaaf rechten kunnen doen gelden tegen zijn meester en zal de arbeider zich net zo goed als zijn baas in verenigingen mogen organiseren. En, ja, zelfs migranten kregen rechten. De vrijheden die in de Universele Verklaring werden opgenomen, vormen de grondslag “voor de vrijheid, gerechtigheid en vrede in de wereld”. De leden van de Verenigde Naties formuleerden de tekst als een gemeenschappelijk te bereiken ideaal voor alle volkeren en naties. Dat was na de uiterst bloedige eerste helft van de 20ste eeuw een hoopgevende en ambitieuze gedachte, een reactie tegen het haatzaaiende nationalisme, tegen een staatssysteem dat komaf maakte met elke democratische aspiratie van het volk en tegen een systeem waarin machtige staten naar de oorlog grepen om de wereld te overheersen. Het maatschappelijk ideaal dat de tekst uitademde, was de voorbode van de dekolonisering in de decennia na de Tweede Wereldoorlog.2 Zo kunnen we verwijzen naar de Dekolonisatie-Verklaring van de Algemene Vergadering van de VN in 1960 en naar de Verklaring over de Uitbanning van Rassendiscriminatie van 1963.

Hoewel de UVRM zelf geen bindende kracht heeft, was de verklaring de basis voor de bindende VN-verdragen voor de mensenrechten, waaronder dat voor burgerrechten en politieke rechten (IVBPR-Verdrag3), en dat voor economische, sociale en culturele rechten (IVESCR-Verdrag4), beide gestemd in 1966. Ook het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens van 1950 is erop gebaseerd, maar dan fel afgezwakt. De Universele Verklaring is een mijlpaal in de geschiedenis. Het werd één van de ankers van de welvaartsstaat en een hefboom voor sociale gelijkheid in nationale staten.5 De tekst staat zwaar onder druk en net daarom is het belangrijk er de betekenis ten volle van te vatten.

Maatschappelijke zekerheid een mensenrecht in 1948

Naast de universaliteitsgedachte van de UVRM – dit wil zeggen de toepasselijkheid van de mensenrechten op alle leden van de mensengemeenschap – is de tekst ook baanbrekend op inhoudelijk vlak. Natuurlijk maken de klassieke burgerlijke en politieke rechten er deel van uit. Deze worden opgenomen in de artikelen 1 tot 21 van de tekst. Behalve de reacties tegen het fascisme gaat het over het verbod van slavernij, het recht op vrijheid van mening en meningsuiting, het recht op een onafhankelijke rechter, het recht op inspraak in het bestuur, op gelijke benoeming in openbare functies, op vrije verkiezingen, enz…

Het ontstaan van deze eerste generatie mensenrechten gaat ver terug in de geschiedenis. Ze zijn het gevolg van de strijd van de opkomende burgerij tegen de feodale heersers, de adel en de geestelijkheid in de Middeleeuwen.6 De Universele Verklaring gaat veel verder. Rob Buitenweg, universitair docent aan de Universiteit voor Humanistiek, beschrijft het als volgt: “De achttiende-eeuwse declaraties worden gekenmerkt door de mythe van de onvervreemdbare natuurlijke rechten, die van de soevereiniteit van de natie en die van onfeilbaarheid van de wet. De Universele Verklaring, aldus Cassese, heeft een ander karakter. Zij komt voort uit de wereldbrand die de wereld schokte. Het mensenrechtendocument was de verwoording van een wereldwijd verlangen naar een menswaardig bestaan. Het was wel een reactie op een bepaalde ideologie en politiek bestel, te weten het fascisme, maar het was niet een reactie die zich voordeed binnen een bepaald bestel of samenleving”.7

Auschwitz-Birkenau. De mensenrechten waren een reactie op het fascisme en de gruwel van de holocaust.

De Universele Verklaring breidt de inhoudelijke reikwijdte van de mensenrechten sterk uit. Als gevolg van de opkomst van de arbeidsbeweging en de wervende boodschap van het socialisme, worden economische, sociale en culturele rechten opgenomen. De Sovjet-Unie, wiens aanzien sterk was toegenomen door de overwinning op het fascisme, speelde samen met de andere socialistische landen een belangrijke rol in deze uitbreiding van de mensenrechten. Men noemt deze nieuwe rechten de tweede generatie mensenrechten. Bij de lectuur van artikel 22 van de Universele Verklaring voel je het sociaal karakter van de tekst uit 1948: “Een ieder heeft als lid van de gemeenschap recht op maatschappelijke zekerheid en heeft er aanspraak op, dat door middel van nationale inspanning en internationale samenwerking, en overeenkomstig de organisatie en de hulpbronnen van de betreffende Staat, de economische, sociale en culturele rechten, die onmisbaar zijn voor zijn waardigheid en voor de vrije ontplooiing van zijn persoonlijkheid, verwezenlijkt worden”. Artikel 23 bepaalt vervolgens deze rechten: “Een ieder heeft recht op arbeid,8 op vrije keuze van beroep, op rechtmatige en gunstige arbeidsvoorwaarden en op bescherming tegen werkloosheid. Een ieder, zonder enige achterstelling, heeft recht op gelijk loon voor gelijke arbeid. Een ieder, die arbeid verricht, heeft recht op een rechtvaardige en gunstige beloning, welke hem en zijn gezin een menswaardig bestaan verzekert, welke beloning zo nodig met andere middelen van sociale bescherming zal worden aangevuld. Een ieder heeft het recht om vakverenigingen op te richten en zich daarbij aan te sluiten ter bescherming van zijn belangen.”

In 1948 werd maatschappelijke zekerheid een mensenrecht. Veel politici die lippendienst bewijzen aan de mensenrechten vergeten dat maar al te graag.

Het opstellen van rechten, hoe fundamenteel ook, heeft op zichzelf nooit het lot van mensen verbeterd. Daarvoor is er maatschappelijke draagkracht nodig en moet het recht kunnen worden afgedwongen. Toch was het van enorme betekenis dat de tweede generatie mensenrechten werden opgenomen in de Universele Verklaring. Ze zetten aan tot het streven naar een samenleving waarin deze rechten maximaal kunnen worden gerealiseerd. Ze geven richting aan het opbouwen van maatschappelijke krachtsverhoudingen om de rechten via strijd af te dwingen. Het opkomen voor de volledige realisatie van de mensenrechten werd hierdoor een gevecht voor het ontwikkelen van een andere maatschappij.

Marx’ kritiek op de 19de eeuwse universele mensenrechten

Toen Karl Marx Het Kapitaal schreef, tussen 1857 en 1867, bedoelde men met mensenrechten enkel burgerlijke en politieke rechten. Ze werden in grondwetten en universele verklaringen neergeschreven door de burgerij, de nieuwe heersende klasse, maar in de praktijk en in de wet even snel weer beperkt voor de opkomende arbeidersklasse. Marx had dan ook een ambivalente houding tegenover de mensenrechten.

Karl Marx schrijft in Het Kapitaal daarover het volgende: “De sfeer van de circulatie of warenruil, waarbinnen koop en verkoop van arbeidskracht tot stand komt, was inderdaad een echt paradijs van de aangeboren mensenrechten. Hier heersen slechts vrijheid, gelijkheid, bezit en Bentham. Vrijheid! Immers kopers en verkopers van een waar, bijvoorbeeld de arbeidskracht, handelen slechts uit vrije wil. Als vrije personen, gelijk voor de wet, sluiten zij contracten. Het contract is het eindresultaat, waarin zij aan hun wil een gemeenschappelijke, juridische uitdrukking geven. Gelijkheid! Want zij staan slechts als warenbezitters met elkaar in betrekking en zij ruilen equivalent tegen equivalent. Bezit! Want een ieder beschikt slechts over het zijne. Bentham! Want elk van hen is het slechts om zichzelf te doen. De enige macht die hen in een relatie samenbrengt, is hun eigenbaat, hun eigen voordeel, hun particulier belang. En juist omdat een ieder zich slechts om zichzelf en niemand zich om een ander bekommert, werken allen – dankzij een vooraf vastgestelde harmonie der dingen of onder toezicht van een alwijze voorzienigheid – slechts tot wederzijds voordeel, tot algemeen nut en in het algemeen belang.”9

Toen Karl Marx Het Kapitaal schreef bedoelde men met mensenrechten enkel burgerlijke en politieke rechten.

Marx verwerpt in dit stuk met een scherpe ironie het 19de eeuws idee van universele mensenrechten zoals de burgerij dat in zijn tijd verdedigde. Hij verwerpt de stelling alsof de mensenrechten zouden voortkomen uit de natuurlijke harmonie der dingen en hij gaat in tegen het idee dat patroon en arbeider volledig vrij en gelijk zijn in het afsluiten van hun arbeidscontract, als koper en verkoper van arbeidskracht. Voor Marx heeft deze verhouding niets te maken met een contract tussen gelijken en heeft de overeenkomst een uitbuitingsrelatie tot gevolg. Marx kritiseert dat de mens door de 19de eeuwse theorie van de mensenrechten wordt gedefinieerd als een van de maatschappij geïsoleerd individu.

Hij stelde terecht dat de burgerrechten in de praktijk vooral de bourgeoisie en niet de arbeiders ten goede kwamen. Onder het kapitalisme betekent vrijheid toch vooral de vrijheid van ondernemen. Marx’ ideeën wonnen terrein en de arbeidersklasse werd een politieke kracht van formaat. Onder andere daardoor bleven de mensenrechten in de Universele Verklaring niet beperkt tot de eerste generatie zoals dat het geval was bij de mensenrechtenverklaringen, gekritiseerd door Marx.

Mensenrechten: natuurwet of resultaat van strijd?

Rechten ontstaan daar waar bevolkingsgroepen in strijdbewegingen voldoende eigen macht kunnen opbouwen om tegen de regels en de ideologie van de machthebbers in te gaan. De afkondiging van mensenrechten was altijd de neerslag van een voorlopig compromis tussen bepaalde klassen en groepen in de samenleving. Ze zijn niet het gevolg van een of andere menselijke natuurwet of morele traditie, maar hebben alles te maken met veranderende krachtsverhoudingen, met de maatschappelijke ontwikkeling en met het ontstaan van georganiseerde klassen die de kracht hadden om de rechten die hen toekwamen, af te dwingen.

Friedrich Engels gaf in 1884 in zijn boek De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van de staat een definitie van de staat, die luidt als volgt: “De staat is dus volstrekt geen macht die de maatschappij van buiten is opgedrongen; evenmin is hij ‘de werkelijkheid van de zedelijke idee’, ‘het beeld en de werkelijkheid van de rede’, zoals Hegel beweert. De staat is veeleer een product van de maatschappij op een bepaalde trap van ontwikkeling; hij is de erkenning van de onoplosbare tegenspraak met zichzelf waarin deze maatschappij verward is geraakt, van de onverzoenlijke tegenstellingen waarin zij zich heeft gesplitst en die zij niet bij machte is te bezweren. Opdat echter deze tegenstellingen, klassen met tegenstrijdige economische belangen, zichzelf en de maatschappij niet in een vruchteloze strijd vernietigen, is een in schijn boven de maatschappij staande macht nodig geworden, die het conflict moet temperen, het binnen de perken van de ‘orde’ moet houden; en deze macht, die uit de maatschappij is voortgekomen, maar zich boven haar stelt en meer en meer van haar vervreemdt, is de staat.”10

Het opnemen van het recht op maatschappelijke zekerheid was een enorme vooruitgang in het denken over mensenrechten.

Engels stelt dus dat de staat geen product is van de rede, maar van de strijd tussen verschillende klassen in de maatschappij, op een bepaald niveau van ontwikkeling. Het zelfde kan worden gezegd over de mensenrechten. De Universele Verklaring was een toegeving van de bestaande machten aan de volksmassa’s die zich organiseerden in het verzet tegen het fascisme en voor wie het socialisme veel aantrekkingskracht had gekregen. Het sterk uitbreiden van de mensenrechten had in zekere zin ook tot doel de bestaande maatschappelijke orde te redden. De verklaring is een gevolg van de nieuwe krachtsverhoudingen in de wereld, die na de Tweede Wereldoorlog waren ontstaan. Het is geen tekst die voortkomt uit een of andere natuurwet die toevallig was ontdekt na WOII.

Ondeelbaarheid van mensenrechten en het recht op ontwikkeling

De rechten, omschreven in de UVRM, zagen de opstellers als één geheel. Men spreekt van de ondeelbaarheid van mensenrechten. Dat concept verwijst naar het gelijke belang van burgerlijke en politieke rechten, economische, sociale en culturele rechten.11 Artikel 30 van de Universele Verklaring stelt dat geen enkele bepaling ervan zo mag worden uitgelegd dat één van de andere rechten en vrijheden erdoor wordt vernietigd.

Het derde luik van de ondeelbare mensenrechten, dat essentieel is maar waar minder over wordt gesproken, is dat van de volkerenrechten. Het gaat dan over collectieve rechten als het recht op zelfbeschikking, het recht op beheer van eigen grondstoffen en een eerlijke welvaartsverdeling, het grondrecht op onafhankelijkheid en soevereiniteit van de landen en volkeren. Deze rechten mogen niet los worden gezien van de individuele burgerlijke en politieke rechten, omdat men moeilijk kan spreken van politieke en burgerlijke vrijheid en sociale rechten in een land dat gebukt gaat onder koloniale of neokoloniale uitbuiting. Het is bijvoorbeeld op basis van het ontkennen van deze grondrechten dat sommigen in de staat Israël een democratie zien. De inwoners van Israël hebben stemrecht en mensenrechten worden erkend… maar niet voor de Palestijnen. De democratie in Israël gaat samen met de schending van zowat alle mensenrechten van het Palestijnse volk.

De ondeelbaarheid van mensenrechten duidt er op dat het ene recht niet los kan worden gezien van het andere. De sociale en economische rechten moeten evenveel aandacht krijgen als de politieke rechten. Als het recht op maatschappelijke zekerheid niet is gerealiseerd, heb je het recht op organisatie en verzet nodig om het gevecht aan te gaan voor een menswaardige samenleving. De rechten gaan dus samen.

In 1948 werd in het Verenigd Koninkrijk de NHS opgericht (National Health Service).

Deze positieve tendens van vermaatschappelijking van mensenrechten kreeg nog meer betekenis toen op 14 december 1981 de Verklaring over het Recht op Ontwikkeling12 werd aangenomen door de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties. Alle 135 lidstaten van de VN stemden voor deze resolutie. Enkel de VS stemden tegen. Artikel 1 van de VN Verklaring over het Recht op Ontwikkeling stelt het volgende: “Het recht op ontwikkeling is een onvervreemdbaar mensenrecht, uit hoofde waarvan elk menselijk wezen en alle volkeren genieten van economische, sociale, culturele en politieke ontwikkeling, waarin alle mensenrechten en fundamentele vrijheden geheel kunnen worden verwezenlijkt.”

De Universele Verklaring van de Rechten van de Mens heeft een revolutionair potentieel.

We zien in de geschiedenis van de opeenvolgende verdragen voor de mensenrechten dat deze rechten steeds universeler worden geformuleerd en van toepassing zijn op steeds meer mensen. En er is nog meer. Het recht op een menswaardige samenleving, geformuleerd in artikel 30, moet samen worden gelezen met de derde paragraaf van de preambule van de UVRM. Die stelt: “Overwegende, dat het van het grootste belang is, dat de rechten van de mens worden beschermd door de suprematie van het recht, opdat de mens niet wordt gedwongen om in laatste instantie zijn toevlucht te nemen tot opstand tegen tirannie en onderdrukking.” Dit is een verwijzing naar het aloude gewoonterecht om tegen een onderdrukkend regime of een onrechtvaardige heerser een verzetsbeweging te organiseren.

Impliciet erkennen de ondertekenaars dus het recht op opstand van het volk indien de maatschappelijke orde zo evolueert dat de rechten en vrijheden, in de verklaring genoemd, er niet meer ten volle in kunnen worden verwezenlijkt. Deze bepalingen geven de Universele Verklaring een revolutionair potentieel. Afdwingbaar zijn ze niet, maar ze vormen wel een niet mis te verstane uitnodiging om buiten de lijntjes van de bestaande kapitalistische wereldorde te kleuren.

De Universele Verklaring onder vuur door neo-liberalisme en Alt-right

De Universele Verklaring staat onder vuur. Bij progressieven hoor je soms “Wat ben je met een plechtige tekst als die 70 jaar later op veel vlakken dode letter blijft”. Natuurlijk verandert een tekst op zich de maatschappij niet. Toch is het van groot belang de verworvenheden van de tekst uit 1948 te verdedigen. De actualiteit toont aan dat het ideologisch gevecht voor mensenrechten verre van gewonnen is. In heel de wereld, van Trump in de VS, over Bolsonaro in Brazilië, koning Salman in Saudi Arabië, Salvini in Italië tot Francken bij ons, is er een heropleving van politieke stromingen die het gelijkheidsdenken, de maatschappelijke inhoud en de universaliteit van de Universele Verklaring in vraag stellen. Dhr. Francken gaat in zijn boek Continent zonder Grenzen niet toevallig zo te keer tegen wat hij noemt het “mensenrechtenfundamentalisme” van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens.

“There is no such thing as society”

De Universele Verklaring stelt het als een plicht voor de staten om een menswaardige samenleving op te bouwen voor de bevolking. Een samenleving waarin de mensenrechten kunnen worden gerealiseerd en niet enkel op papier bestaan. De opstellers van de Verklaring geloofden in de maakbaarheid van de samenleving. Voor het eerst werden ook sociale rechten geformuleerd. Die fundamentele gedachte staat in schril contrast met de manier waarop de economische elite sinds het uitbreken van de economische crisis in de jaren 70 sociale problemen voorstelt. “Als je arm of werkloos bent, dan is dat je eigen fout”, klinkt het. “Het is niet de overheid die daarvoor verantwoordelijk is”. “De boer in Afrika moet maar harder werken”. Margaret Thatcher, de conservatieve eerste minister van het Verenigd Koninkrijk van 1979 tot 1990, verwoordde dat in haar bekende one-liner zo: “There is no such thing as society”.13 Ze reageerde daarmee tegen de sterke Britse vakbonden en voerde anti-stakingswetten in. Het individualiseren van arbeidsverhoudingen, de precarisering, de afbouw van het pensioenstelsel en de werkloosheidsverzekering, de aanvallen op langdurig zieken, enz. Al die asociale maatregelen zijn in feite een aanfluiting van de Universele Verklaring. En het zijn dikwijls politici die hiervoor verantwoordelijk zijn, die de mond vol hebben van mensenrechten.

Ontmenselijking van de ander

De mensenrechten zijn gebaseerd op een fundamenteel gelijkheidsdenken. Iedereen op deze aardbol heeft het recht op leven, op een menswaardig bestaan, kortom op alle basisrechten verwoord in de Universele Verklaring. Dat schijnbaar evident gegeven, staat zeer zwaar onder druk. Dat blijkt heel goed in de discussie over de VN-verklaring voor migratie die tegenwoordig de actualiteit beheerst. Ten gronde zien de tegenstanders van dat migratiepact migranten niet als gelijkwaardige mensen. Soms vraag je je af of men hen wel ziet als mensen. In het discours tegen vluchtelingen en migranten worden mensen ontmenselijkt. Trump noemt migranten invaders en stuurt er duizenden soldaten op af. Ook de manier waarop de Europese Unie omgaat met vluchtelingen toont hoe ver de ontmenselijking gaat. Op de Griekse eilanden worden vluchtelingen opgevangen in een situatie die op alle vlakke onaanvaardbaar is. De Middellandse Zee is momenteel de dodelijkste migratieroute in de wereld. In de VS worden kinderen van migranten gescheiden van hun ouders en opgesloten. Ook in België worden kinderen opgesloten.

Hoewel de wereld economisch gezien steeds meer een dorp is, waarbij de verschillende economieën met elkaar zijn verweven, is het politiek en economisch nationalisme helemaal terug. Het idee van de mensenrechten wordt ingeruild voor een primitief ieder voor zich.14 Samen met de ontmenselijking van vluchtelingen is dat een gevaarlijke cocktail die totaal ingaat tegen het universele mensbeeld, het wereldburgerschap van de Universele Verklaring. Het is dus helemaal geen toeval dat Alt-right zo te keer gaat tegen de Universele Verklaring.

“It is the identity stupid”

Een conservatief politicus als Bart De Wever kritiseert het concept van wereldburgerschap dat vervat zit in de Universele Verklaring vanuit een identiteitsideologie, een pleidooi voor een ééntalige gemeenschap met een monocultuur. Hij koppelt dat volksnationalisme dan aan het neo-liberalisme op sociaal-economisch vlak. En om dat laatste te verstoppen, gaat bij de Vlaams-nationalisten alle aandacht naar identitaire thema’s. De combinatie van verzet tegen internationalisme enerzijds en egoïsme op economisch vlak anderzijds verklaart de politieke aversie van de N-VA voor de Universele Verklaring.

Het idee van de mensenrechten wordt ingeruild voor een primitief ieder voor zich.

Bart De Wever verwoordt het zo: “Het conservatisme dankt zijn succes aan het absorberen van de principes van de Verlichting. We hebben de progressieve, oppervlakkige dromen van wereldburgerschap geconfronteerd met de wijsheid van Roger Scruton: ‘Het nationale idee is niet de vijand van de Verlichting maar haar noodzakelijke voorwaarde’.”15 Bart De Wever verdedigt hiermee slechts dat deel van de ideeën van de Verlichting dat komaf maakte met de feodaliteit. Hij gruwelt van het idee van universele mensenrechten zoals dat evolueerde in de Universele Verklaring. De Verlichtingsideeën van De Wever zijn de denkbeelden van de opkomende burgerij tegen het feodale systeem. Diezelfde burgerij zag na de Franse revolutie geen graten in de toen heersende rassentheorie, noch in de slavenhandel, het kolonialisme of de extreme uitbuiting van Congo. Auteur en docent Ico Maly situeert de politieke ideologie van de N-VA16 in die zin in de traditie van de Anti-Verlichting.

“Europa, de bakermat van de mensenrechten”

Diezelfde politici verkondigen dat de mensenrechten ontstaan in Europa omwille van de christelijke traditie en de liberale waarden van de Verlichting. Het is historisch een vals idee dat de Universele Verklaring een westers product zou zijn. Even fout is het te doen alsof de mensenrechten al eeuwenlang diep geworteld zijn in de Europese traditie. Het volstaat om een eerlijk overzicht te maken van de misdaden, begaan tijdens de Middeleeuwen – door koningen, de adel, de feodale heersers en de kerken en door de burgerij in de opkomende kapitalistische regimes ten opzichte van de arbeidersklasse en de slachtoffers van de slavernij en de kolonisatie – om te beseffen dat de Europese traditie en de christelijke traditie niets te maken hebben met mensenrechten.

In Europa ging de industriële revolutie in de negentiende eeuw gepaard met het gewelddadig verdrijven van miljoenen boeren van hun grond, met de gedwongen arbeid van kinderen en vrouwen in fabrieken en mijnen. De Europese staten vochten de Eerste Wereldoorlog uit om over een herverdeling van de kolonies te beslissen. Tien miljoen doden was de prijs die de volkeren betaalden voor de rivaliteit onder koloniale regimes. De manier waarop de ontwikkeling van Europa zich heeft voorgedaan, moet volstaan om ons er van te weerhouden andere landen de les te spellen op het vlak van mensenrechten.

De hele Universele Verklaring is een aanklacht tegen het superioriteitsdenken van de ene cultuur boven de andere, van het ene land of het ene volk boven het andere. Ook de afbraak van democratische rechten sinds de aanval op de Twin Towers in New York is zorgwekkend en een bijkomende reden om de rechten van de Universele Verklaring te verdedigen.

Klimaatcrisis en ongelijkheid duwen ons met de neus op de feiten

Het contrast tussen mensenrechten en realiteit neemt vandaag extreme vormen aan. Dat komt het best tot uiting in de klimaatcrisis en de extreme ongelijkheid. Uit een rapport van de internationale NGO Oxfam-Solidariteit17 blijkt dat de 85 rijkste mensen in de wereld evenveel bezitten als de armste helft van de wereldbevolking. Het vermogen van de familie Walton, de eigenaars van de Amerikaanse gigantische winkelketen Walmart, is groter dan dat van 40% van alle Amerikanen. Ondertussen leeft 55 % van de werknemers van de keten wel in voedselonzekerheid. Eén procent van de wereldbevolking bezit evenveel als de 99% anderen. Het is nogal wereldvreemd om te denken dat die situatie kan blijven duren. Dergelijke ongelijkheid kan niet anders dan leiden tot een sociale opstand. En conform de Universele Verklaring zou dat trouwens volkomen terecht zijn.

De hele Universele Verklaring is een aanklacht tegen het superioriteitsdenken van de ene cultuur boven de andere, van het ene land of het ene volk boven het andere.

De klimaatcrisis duwt het voortbestaan van de planeet richting afgrond. De komende decennia zullen vooral de werkende klasse en de arme landen hiervan het slachtoffer zijn. Elke maand verschijnt er wel een nieuw rapport dat een extra bewijs levert voor de rampzalige situatie waarop we afstevenen. Diezelfde politici die het niet zo nauw nemen met de mensenrechten ontkennen meestal ook dat er een klimaatprobleem is, laat staan dat het een systemisch probleem zou zijn. De economische wetmatigheden van het kapitalisme helpen onze leefwereld om zeep. Het kapitalisme jaagt de economie zo efficiënt aan in het voordeel van grote multinationals dat de draagkracht van de aarde wordt overschreden.18

Artikel 25 van de Universele Verklaring voorziet het recht op een levensstandaard die voldoende is om zijn gezondheid, zijn welzijn, alsmede deze van zijn familie te verzekeren. Artikel 28 bevat het recht op een alternatieve maatschappij: “Een ieder heeft recht op het bestaan van een zodanige maatschappelijke en internationale orde, dat de rechten en vrijheden, in deze Verklaring genoemd, daarin ten volle kunnen worden verwezenlijkt”. De realisatie van dit recht voor alle mensen op deze aardbol staat steeds meer in in tegenstelling met het voortbestaan van het kapitalisme.

Visual Oxfam over de kloof tussen arm en rijk.
Foto: Oxfam Solidariteit.

De Universele Verklaring roept dus ook op tot een streven naar een maatschappij waarin de mensenrechten wél kunnen worden gerealiseerd. De zoektocht naar een alternatief maatschappijmodel is een dringende taak voor iedereen, ook voor de mensenrechtenorganisaties. De sociale, ecologische en economische crisis toont de noodzaak aan om uit de ratrace van het kapitalisme te stappen. Het contrast tussen de technische mogelijkheden om een maatschappij op te bouwen waarin de mensenrechten echt kunnen worden verwezenlijkt, en de schrijnende feitelijke situatie vandaag is onhoudbaar en immoreel.

De zoektocht naar een ander maatschappijmodel mag niet beperkt zijn tot het opsommen van een reeks absolute morele basiswaarden. Mooie intenties veranderen de wereld niet. Intenties moeten samengaan met een concreet uitgewerkte politieke (en juridische) strategie om stap voor stap de rechten te realiseren. Het is nefast om de illusie te onderhouden dat de volledige realisatie van de mensenrechten mogelijk is binnen het huidige economische systeem. De maatschappijvraag moet worden gesteld. De planeet schreeuwt om een economie zonder ingebouwde drijfveer naar meer winst, meer productie, meer wegwerpspullen, enz.19 De ecologische crisis duwt ons met de neus op de feiten. De wereld kan niet draaien op het dogma van het ongebreidelde heilige eigendomsrecht. In een samenleving waarin het hele maatschappelijke leven draait om het verwerven kapitaal, en het realiseren van steeds meer winst, komen de andere rechten in het gedrang.

Is het eigendomsrecht onaantastbaar?

Artikel 17 van de Universele verklaring bevat het recht op eigendom. Het artikel stelt: “Een ieder heeft recht op eigendom, hetzij alleen, hetzij tezamen met anderen”. Het opnemen van dit artikel in de verklaring zorgde voor veel discussie tussen de kapitalistische landen en de socialistische landen die samen aan tafel zaten, en was uiteindelijk ook de reden waarom de Sovjet-Unie zich heeft onthouden bij de goedkeuring van de verklaring.20

De mate waarin het privé-eigendomsrecht ruimte krijgt in een samenleving bepaalt in belangrijke mate hoe die samenleving eruit ziet. Verdedigers van het kapitalisme als énig mogelijk maatschappelijk model, beperken in hun discours mensenrechten tot de individuele politieke rechten. Zij verheffen het eigendomsrecht tot het belangrijkste mensenrecht. Ze verklaren het als het ware heilig en belangrijker dan de andere rechten. Sociaal-economische rechten zouden er ondergeschikt aan zijn. Deze visie is niet de visie van de opstellers van de Universele Verklaring. Zelfs in 1948 bestond het inzicht al dat eigendomsrecht ook collectief kan zijn.

Door de Universele Verklaring als één geheel te zien, groeit het besef dat er een tegenstelling is tussen een onbeperkt eigendomsrecht en de realisatie van de andere rechten, bepaald in de Verklaring. Als je enkel belang hecht aan de mensenrechten van de eerste generatie, dan laat je vrij spel aan de feitelijke machtsverhoudingen die voortkomen uit de economische ongelijkheid tussen mensen. Deze ongelijkheid, die steeds extremere vormen aanneemt, is het gevolg van de heiligverklaring van het eigendomsrecht. Uiteindelijk ontwikkelt zich daaruit een volstrekt ongelijke maatschappij die niets meer te maken heeft met de samenleving die de opstellers van de Universele Verklaring voor ogen hadden.

Voor een verwezenlijking van de idealen van 1948 moeten we het aandurven de maatschappij fundamenteel in vraag te stellen.

De oplossing voor de tegenstelling tussen het eigendomsrecht en het respect en de feitelijke realisatie van alle rechten vervat in de Universele Verklaring, ligt in artikel 30 van diezelfde verklaring. Dat artikel stelt dat geen bepaling in de verklaring zo mag worden uitgelegd, dat één van de andere rechten en vrijheden wordt vernietigd. Door het eigendomsrecht uit te roepen als onaantastbaar wordt de realisatie van de andere rechten onmogelijk. De maatschappelijke uitdaging die zich momenteel stelt, is een oplossing vinden voor de sociale en ecologische crisis waarin de wereld zich bevindt. Dat kan maar als we het geheel van de mensenrechten en het duurzaam behoud van de planeet beschouwen als heiliger dan het eigendomsrecht. Deze uitdaging wordt mooi samen gevat in de slogan van de National Lawyers Guild,21 een progressieve advocatenorganisatie in de VS: “Human rights shall be held more sacred than property interests.”

De maatschappijvraag: zijn mensenrechten verenigbaar met het kapitalisme?

Het kapitalisme is verantwoordelijk voor een enorme ontwikkeling van de productiekrachten en het bevrijden van de boeren van het juk van de feodaliteit. Tijdens de Middeleeuwen waren de lijfeigenen eigendom van de grootgrondbezitters. Zij kenden geen recht op leven. Dat kwam toe aan de koning. De burgerlijke revoluties proclameerden vrijheid en gelijkheid maar legden die rechten onmiddellijk terug aan banden. De Belgische Grondwet stelt alle Belgen “gelijk voor de wet” maar toch hadden in 1832 slechts een goeie 40.000 mannen stemrecht. Tot 1921 was het in België evident dat diegenen met meer economische middelen ook formeel meer stemmen hadden. Vrouwen kregen in België pas stemrecht na de Tweede Wereldoorlog. De Franse revolutie kondigde de vrijheid van organisatie af maar legde die onmiddellijk terug aan banden voor de arbeiders door de invoering van de wet Le Chapelier.22 Voor 1948, en in veel landen nog lang daarna, werd ongelijkheid nog gewoon openlijk verkondigd door de economische en intellectuele elites. De Universele Verklaring maakte principieel komaf met dat alles. Dat was ontegensprekelijk een vooruitgang.

Maar door de ontwikkeling van het kapitalisme botst de maatschappij op nieuwe tegenstellingen. De maatschappelijke crisis waarin we vandaag zijn terechtgekomen, duwt ons met de neus op de feiten. Kunnen we nog fundamentele vooruitgang boeken in de realisatie van de mensenrechten zonder essentiële wijzigingen in de structuur van onze samenleving? Is de realisatie van de mensenrechten mogelijk zonder komaf te maken met het kapitalisme? Of moet er een ander ontwikkelingsmodel worden gevonden?

De vele technische ontwikkelingen maken het mogelijk de mensenrechten effectief te realiseren. De groeiende kloof tussen de sociale werkelijkheid en de mensenrechten op papier maakt het steeds duidelijker dat de maatschappij fundamenteel moet veranderen om de mensenrechten te realiseren. Het geglobaliseerde kapitalisme is elke dag verantwoordelijk voor een massale schending van de mensenrechten. Het recht op maatschappelijke zekerheid in de Universele Verklaring is essentieel, omdat het aantoont dat je voor het verwezenlijken van dat mensenrecht niet rond de maatschappijvraag heen kan. In het beantwoorden van die vraag heeft de Universele Verklaring een extra belangrijke functie. De uitdaging is om in een nieuwe maatschappijvorm het geheel van de mensenrechten feitelijk te realiseren.

Het wereldkapitalisme schept elke dag grotere polarisaties tussen rijk en arm, mens en natuur. Het is per definitie niet in staat de basiswaarde van de rechtvaardigheid te realiseren. Het kapitalisme is niet in staat wat dan ook fundamenteel op te lossen. Voor een verwezenlijking van de idealen van 1948 moeten we het aandurven de maatschappij fundamenteel in vraag te stellen. Ook dát is de verdienste van de tekst van zeventig jaar geleden.

Footnotes

  1. De officiële versie van de UVRM vind je hier https://www.ohchr.org/EN/UDHR/Pages/Language.aspx?LangID=dut
  2. Burgers Jan Herman, “De ontstaansgeschiedenis van de Universele Verklaring voor de rechten van de Mens”, in Tegenspraak Cahier 14, Mensenrechten tussen retoriek en realiteit, Ed. Stephan Parmentier, Mys & Breesch, 1994, p. 33.
  3. Het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten van 19 december 1966, goedgekeurd in België bij wet van 15 mei 1981 – Zie http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/change_lg.pl?language=nl&la=N&cn=1966121931&table_name=wet
  4. Internationaal verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten van 19 december 1966, goedgekeurd in België bij wet van 15 mei 1981 – http://www.ejustice.just.fgov.be/cgi_loi/change_lg.pl?language=nl&la=N&table_name=wet&cn=1966121930
  5. Goossens Paul, “Mensenrechten aan de ketting”, Column in De Standaard, 1 december 2018, p. 45.
  6. Zie “De Geschiedenis van de mensenrechten”, in Internationale Solidariteit, nr. 152, december 1999, p. 12
  7. Buitenweg Rob, Recht op een menswaardig bestaan. Een humanistische reflectie op sociaal-economische mensenrechten, Uitgeverij deGraaff Utrecht, 2001, p. 49 – 50
  8. Werkgevers beroepen zich hier soms op om zich te verzetten tegen een staking. Maar het recht om te werken tijdens een staking is allerminst een grondrecht en iets helemaal anders als het recht op arbeid. Zie https://www.vrt.be/vrtnws/nl/2014/12/14/7_-_het_recht_opwerkenbestaatnietjanbuelens-1-2181292/
  9. Karl Marx, Het Kapitaal, voorlaatste alinea van hoofdstuk 4 https://marxists.catbull.com/nederlands/marx-engels/1867/kapitaal/4.htm
  10. Friedrich Engels, De oorsprong van het gezin, van de particuliere eigendom en van de staat, 1884.
  11. De Feyter Koen, “Mensenrechten en ontwikkelingssamenwerking” in Mensenrechten – Tussen Retoriek en Realiteit, Ed. Parmentier Stephan, Tegenspraak Cahier 14, Mys en Breesch, 1994, p. 97.
  12. Déclaration du droit à l’éducation, au travail, à l’aide sanitaire, à une alimentation adéquate et au développement économique comme partie intégrante des droits de l’Homme”, Resolutie 41/128 van 4 december 1986.
  13. Vertaling : “Er is niet zoiets als de samenleving”.
  14. Goossens Paul, “Mensenrechten aan de ketting”, Column in De Standaard, 1 december 2018, p. 45.
  15. Stuk van Bart De Wever uit De herkenbare andere. Zie https://www.tijd.be/opinie/algemeen/de-wever-aartsvader-van-het-conservatisme-is-nog-altijd-relevant/10012096.html (De Tijd, 16 mei 2018)
  16. Maly Ico, N-VA Analyse van een politieke ideologie, EPO, 2012
  17. Zie: https://www.oxfam.org/sites/www.oxfam.org/files/bp-working-for-few-political-capture-economic-inequality-200114-en.pdf
  18. De Witte Ludo, Als de laatste boom geveld is, eten we ons geld wel op – Het kapitalisme versus de aarde, EPO, 2017, 243.
  19. De Witte Ludo, l.c., p. 13.
  20. Mertens Thomas, Mens en Mensenrechten – Basisboek rechtsfilosofie, Boom Uitgeverij, Amsterdam, p. 232 – 248.
  21. Zie: https://www.nlg.org/
  22. Zie “De aanval van de Belgische regering op het stakingsrecht” https://www.marx.be/nl/content/de-aanval-van-de-belgische-regering-op-het-stakingsrecht