Artikels

De meest angstaanjagende econoom van de wereld

Michael Roberts

— 16 december 2019

In de stellingen van Mariana Mazzucato zit veel waarheid die de essentie vormt van de moderne heterodoxe economie. Maar haar visie op waarde vertoont wel enkele ernstige tekortkomingen.

Mariana Mazzucato is een van ’s werelds invloedrijkste economen, schrijft Quartz magazine.1 De Italiaans-Amerikaanse woont en werkt in Groot-Brittannië en haar werk werd al vaak bekroond. De Britse Labour Party vraagt haar om advies wanneer het over economisch beleid gaat. Ze heeft het oor van de radicale Amerikaanse volksvertegenwoordigster Alexandria Ocasio-Cortez. Ze adviseert senator Elizabeth Warren, een Democratische kanshebber voor de Amerikaanse presidentsverkiezingen, en ook Nicola Sturgeon, de leidster van de Schotse nationalisten. En als beste anti-mainstream econoom ontving ze onlangs de alternatieve prijs ‘Not the Nobel prize for economics’.2

Mariana Mazzucato is hoogleraar innovatie-economie en publieke waarde, en directeur van het Instituut voor Innovatie en Publieke Doelstellingen aan de University College London (UCL). Haar werk spitst zich voornamelijk toe op innovatie en groei, en meer bepaald de herwaardering van de rol van publieke sector. Van haar verschenen recent De ondernemende staat (Nieuw Amsterdam, 2015) en De waarde van alles (Nieuw Amsterdam, 2018).

Daarnaast schreef ze ook twee belangrijke boeken: De ondernemende staat (2015)3 en De waarde van alles (2018).4

Veel mainstream economen en conservatieve politici beschouwen Mazzucato als radicaal, en zelfs ‘angstaanjagend’. De reden daarvoor is dat zij met klem zegt dat de staat en regeringen een belangrijke rol hebben gespeeld bij technologische innovaties en het steunen van productieve investeringen. Het idee dat de staat, als het aankomt op nuttige activiteit, een leidende rol kan vervullen op het vlak van innovatie en investeringen is een gruwel voor de rechtse neoliberale standpunten over de ‘vrije markt’ die de meerderheid van de mainstream economen en politici aanhangen.

In haar eerste boek, De ondernemende staat, maakt ze duidelijk dat de nieuwe technologieën van het einde van de 20e en het begin van de 21e eeuw niet zozeer te danken zijn aan individuele uitvinders en kwieke kapitalistische ondernemers, maar aan de staat en publieke instellingen. De grootste stappen voorwaarts inzake technologie, sociaal welzijn, productiviteit en gezondheid zijn ontwikkeld en gerealiseerd met de hulp van overheidsgeld. Neem bijvoorbeeld het wereldwijde web en internet: die zijn er gekomen dankzij staatsmiddelen voor ‘defensie’ en de ruimtewedloop.

Mazzucato beweert: “Het echte verhaal achter Silicon Valley is niet het verhaal van de staat die zich nergens mee bemoeit zodat de risicokapitalisten — en garageknutselaars — hun ding konden doen. Van het internet tot de nanotechnologie, de meeste fundamentele vernieuwingen — zowel het onderzoek ernaar als de latere commercialisering — zijn gefinancierd door de overheid. De bedrijven stapten er pas mee in toen duidelijk werd dat ze winstgevend zijn. Alle radicale technologieën die in de iPhone zitten, zijn gefinancierd met overheidsgeld: internet, GPS, aanraakscherm en zelfs Siri, de persoonlijke assistent die op je stem reageert.”

Van het internet tot de nanotechnologie, de meeste fundamentele vernieuwingen zijn gefinancierd door de overheid.

Ze vervolgt: “In het prille begin kreeg Apple 500.000 dollar van de Small Business Investment Corporation, een overheidsinstelling die bedrijven financieel steunt. Ook Compaq en Intel kregen in hun begintijd financiële beurzen, maar niet van risicokapitalisten. De beurzen waren overheidsgeld dat die bedrijven kregen via het Small Business Innovation Research program (SBIR). Risicokapitaal speelt steeds korter op de bal en dus vervulden de leningen en subsidies van de SBIR een almaar belangrijkere rol om de beginfase te financieren van ontwikkelingen voor het Amerikaanse ministerie van Gezondheid en het ministerie voor Energie. Maar liefst 75% van de meest innovatieve geneesmiddelen is niet gefinancierd door de farmareuzen of risicokapitaal maar door de National Institutes of Health (NIH, nationale gezondheidsinstituten). De voorbije tien jaar heeft de NIH 600 miljard dollar geïnvesteerd in de kennisbank voor biotechnologie en farmacologie; alleen al in 2012 ging daar 32 miljard dollar naartoe. Het risicokapitaal heeft op het einde van de jaren 1980 en in het begin van de jaren 1990 zijn intrede gedaan in de biotechnologie, maar alle zware investeringen in die sector begonnen in de jaren 1950 en gingen door tot de jaren 1970.” De belastingbetaler heeft meegeholpen om miljardairs zoals Steve Jobs en Jeff Bezos ontzaglijk rijk te maken.

Mazzucato beweert dat privé-investeringen door zogenaamd risicokapitaal of private investeringsfondsen eigenlijk meer schade berokkenen aan de maatschappij dan dat ze er goed aan doen. “Risicokapitalisten deden hun intrede 20 jaar nadat de staat de meest riskante en de meest kapitaal vretende onderdelen van de industrie had gefinancierd. En hun ingesteldheid, namelijk dat het binnen drie tot vijf jaar winst moet opleveren, is ook behoorlijk schadelijk geweest voor de industrie. Vandaag zien we massa’s bedrijven zonder producten. Ze produceren weinig voor de economie, zo goed als alles gaat naar de winst voor de investeringsfondsen wanneer die uit het bedrijf stappen.”

In zijn uitstekende boek, The Bleeding Edge, geeft Bob Hughes5 ook voorbeelden van de manier waarop kapitalisme en winsthonger innovatie vervormen (en vertragen) en niet in eerste instantie gericht zijn op de noden van mensen. Kodachrome, opgericht in 1935 en de eerste producent die massaal filmrolletjes produceerde, kwam er niet dankzij onderzoek door kapitalistische bedrijven. Het dankte zijn ontstaan aan twee muzikanten die in hun vrije tijd in de keuken in de gootsteen experimenteerden. Geen enkel bedrijf stak tijd en geld in het idee of mensen echt konden vliegen; de gebroeders Wright deden dat wel, helemaal in hun eentje. Hetzelfde geldt voor xerografie (later geprivatiseerd tot Xerox) en schijfgeheugen (het latere IBM). Die ontwikkelingen kwamen tot stand dankzij individuen, die er in hun vrije tijd aan werkten. Vaak gingen ze daarmee tegen de wil van hun werkgevers in, die waren meer geïnteresseerd in onderzoek dat snel geld opleverde en niet in innovatie.

De belastingbetaler heeft meegeholpen om miljardairs zoals Steve Jobs en Jeff Bezos ontzaglijk rijk te maken.

Een van de beroemdste voorbeelden is Colossus, ’s werelds eerste, echt programmeerbare digitale computer, tijdens de Tweede Wereldoorlog ontwik­keld door ingenieurs van British Post Office, de Britse post, een staatsbedrijf. Na de oorlog moesten die pioniers terugkeren naar hun gewone job en de ontwikkeling van de computer lag tientallen jaren stil, omdat de be­-drijven er niet naar omkeken. Uit een studie van het Brookings Institute blijkt dat de staat in 1950 voor de ontwikkeling van de computer liefst 75 % van de kosten voor zijn rekening nam — erna deden bedrijven weinig om deze boeiende innovatie verder te ontwikkelen en zo moesten we tot de jaren 1980 wachten voordat die technologie echt doorbrak.

Het is dus geen toeval dat de drastische daling van het aandeel van de overheidsinvesteringen in het bruto binnenlands product (bbp), een ontwikkeling die vanaf het begin van de jaren 1980 — dus het neoliberale tijdperk — duidelijk zichtbaar is in de meeste sterk ontwikkelde kapitalistische economieën, gepaard gaat met een vertraagde productiviteitsgroei. Sinds de jaren 1980 hebben privé-investeringen nooit dezelfde productiviteit per persoon gehaald als in de periode ervoor, toen de overheid meer investeerde. In de jaren 1970 daalde de winstgevendheid in alle grote economieën en dat leidde tot een inkrimping van de overheidsinvesteringen voor technologie en ‘menselijke kapitaal’ om de belastingen op kapitaal te verminderen en de lonen laag te houden. Samengevat, er werd toen volop geprivatiseerd. Dat hielp de winstgevendheid in de kapitalistische sector een beetje (al volgden er daarna verschillende inzinkingen), maar het ging wel ten koste van de productiviteitsgroei.

De waarde in onze economie

Dat brengt ons terug bij Mazzucato’s tweede boek, De waarde van alles.6 In dat boek waagt ze zich aan een veel lastigere taak: definiëren wie (wat) in onze economieën waarde creëert, een onderwerp waarover de grootste kapitalistische economen, beginnend bij Adam Smith, uitvoerig hebben gediscussieerd. “Wie creëert in onze wereld echt rijkdom? En hoe bepalen we de waarde van wat iemand doet?”

In dat boek hamert ze erop dat 1) de nationale rekeningen er geen rekening mee houden dat de overheid waarde creëert door bij te dragen aan investeringen en innovatie; 2) dat de financiële wereld zich in de rekeningen heeft gewurmd als productieve en waarde-creërende entiteit terwijl die vooral waarde onttrekt aan productieve sectoren en het pad effent voor speculatie en kortetermijndenken; en 3) dat in het moderne kapitalisme meer monopolisten ontstaan die vooral gedreven worden door de drang zich meer winst toe te eigenen zonder meer waarde te scheppen — het zogenaamde ‘rent-seeking’.

Mazzucato zegt dat “tot de jaren 60 de financiële wereld niet algemeen gezien werd als een ‘productief’ onderdeel van de economie. Het was belangrijk om bestaande rijkdom te transfereren, maar niet om nieuwe rijkdom te creëren. Economen waren ervan overtuigd dat de financiële wereld enkel een ondersteunende rol had en dus telden ze de diensten die banken aanboden, o.a. spaargeld beheren en leningen verstrekken, niet mee in hun berekeningen over hoeveel goederen en diensten de economie produceerde. In hun berekening van het bbp beschouwden economen de financiële sector als een ‘halffabricaat’ — een dienst die ervoor zorgde dat andere sectoren functioneerden, sectoren die echt waarde creëerden. Maar rond 1970 begon dat te veranderen. De nationale rekeningen — die scheppen een statistisch beeld van de omvang en de samenstelling van de economie en welke richting ze uitgaat – begonnen de financiële wereld wel mee te tellen in hun berekening van het bbp, de totale waarde van de goederen en diensten die de economie in kwestie produceerde.”

En vandaag stellen we vast dat “het probleem niet alleen de omvang van de financiële sector is en het feit dat die veel sterker is gegroeid dan de niet-financiële economie (bv. de industrie), maar vooral het effect van die sector op het gedrag van de rest van de economie, waarvan grote delen ‘gefinancialiseerd’ zijn.7 Financiële transacties en de mentaliteit die ze doen ontstaan verspreiden zich doorheen de industrie, wat zichtbaar wordt wanneer managers ervoor kiezen een groter deel van de winst te gebruiken om eigen aandelen in te kopen – wat de prijs van het aandeel en de opties omhoog stuwt en waardoor de topmanagers meer verdienen – dan te investeren in de langetermijntoekomst van het bedrijf.”

Ja, openbare investeringen hebben een concreet nut, maar volgens de kapitalistische definitie creëren ze geen waarde.

Tegenwoordig wordt er geïnvesteerd om op korte termijn geld te verdienen. Het gevolg is dat een kleiner deel van de winst geherinvesteerd wordt en dat er meer schulden komen. Zo belandt de industrie in een vicieuze cirkel en zet ze nog meer in op de korte termijn. “In het moderne kapitalisme wordt ‘waarde-onttrekking’ beter beloond dan waardecreatie, het productieve proces dat de motor is voor een gezonde economie en maatschappij. Van bedrijven die alleen oog hebben voor het maximaliseren van de waarde voor de aandeelhouder tot big farma, die astronomisch dure medicijnen rechtvaardigt met het principe ‘prijsbepaling door waarde’, stuk voor stuk verwarren ze rijkdom binnenrijven met rijkdom maken en zijn ze vergeten wat waarde echt betekent.”

Mazzucato’s stellingen bevatten veel waarheid en ze gaan naar de kern van de moderne heterodoxe economie. Maar haar visie op waarde vertoont wel enkele ernstige tekortkomingen. Ze beweert dat de overheid waarde ‘creëert’, maar dat is een verkeerde interpretatie van wat waarde volgens het kapitalisme is. In het kapitalisme worden geproduceerde waren (goederen en diensten) te koop aangeboden met de bedoeling winst te maken. Waren moeten een gebruikswaarde hebben (nuttig zijn voor iemand), maar ze moeten ook een ruilwaarde hebben (iets verkopen om winst te maken). Volgens die kapitalistische visie creëert een overheid geen waarde — nee, ze is een (noodzakelijke) kostenfactor die een negatieve invloed heeft op de winst van de kapitalistische productie en accumulatie. Precies om die reden is het bbp als maatstaf voor het meten van hoeveel waarde een economie creëert subjectief. Het meet vooral de ruilwaarde en veel minder de productie van alle waarden, want dan zouden ook overheidsdiensten en thuiswerk mee worden opgenomen (en misschien zelfs geluk, welzijn en vertrouwen).

Jazeker, een overheid creëert gebruikswaarde (ook al is dat vaak schadelijke gebruikswaarde, gerealiseerd in onder andere de wapenindustrie, kernwapens, chemicaliën en veiligheidstroepen om de belangen van het kapitaal te beschermen). Maar ze produceert geen waarden en meerwaarde voor kapitaal. Dus voor kapitaal heeft niet alles waarde. Op het einde van de rit telt voor kapitaal maar één ding, de (ruil)waarde, niet de gebruikswaarde.

Mazzucato heeft gelijk als ze zegt dat de financiële sector geen waarde creëert. Volgens de marxistische economie laat die alleen waarde rondgaan die gecreëerd is door arbeid in productiesectoren (sectoren die de productiviteit van arbeid verhogen en dus voor de accumulatie van kapitaal zorgen). Dankzij banken en het kredietsysteem dalen de kosten voor het transfereren van geld (geld opnemen en leningen verstrekken) zodat bedrijven efficiënt kunnen lenen en het kapitaal blijft circuleren — en voor hun diensten strijken de banken een deel van de meerwaarde op.

Het financiële systeem en het kredietsysteem zijn nodig om kapitaal te accumuleren, maar zelf voegen ze geen waarde toe. Maar die eigenlijke functie, bijdragen aan het circuleren van kapitaal, is almaar meer in de verdrukking geraakt en vervangen door risicovolle investeringen in ‘fictief kapitaal’ (de handel in obligaties en aandelen).

In haar boek citeert Mazzucato berekeningen van Andy Haldane, nu hoofdeconoom bij de Bank of England. Hij becijferde hoeveel extra waarde de financiële sector werkelijk toevoegt aan de economie.8 Hij stelde vast dat de toegevoegde waarde van financiële tussenpersonen in de VS in 2010 ongeveer 1,2 triljoen dollar bedroeg — goed voor 8 procent van het bbp. In het VK bedroeg de toegevoegde waarde van de financiële sector in 2009 ongeveer 10 % van het bbp. Sinds de Tweede Wereldoorlog is in de VS het aandeel van de financiële sector in het bbp bijna verviervoudigd. Volgens Haldane geven die percentages aan dat banken grote risico’s nemen op het vlak van lenen en investeren, en dat eindigt steevast met een enorme kater wanneer een financiële bubbel of een vastgoedbubbel barst, wat om de zoveel tijd gebeurt. In Haldanes besluit weerklinkt duidelijk de waardetheorie van Marx: “Kapitaal investeren in een riskant goed is een fundamenteel kenmerk van kapitalistische markten. Wie bijvoorbeeld in de detailhandel investeert en bedrijfsobligaties koopt, neemt risico maar draagt geen cent bij tot de gewogen economische activiteit. Hetzelfde geldt voor een gezin dat beslist al zijn liquide middelen te gebruiken om een huis te kopen in plaats van een deel van de koopsom te lenen bij de bank en een deel van zijn geld op de rekening te laten staan. Het gezin neemt dan een liquiditeitsrisico. Geen van beide voorbeelden draagt bij tot de algemene economische activiteit of productiviteit. Ze verschuiven het risico binnen het systeem, maar fundamenteel veranderen ze niets aan de omvang of de vorm van het systeem.” Een paper van het IMF leert ons dat banken niet alleen financiële catastrofes triggeren, doorheen de tijd heeft de financiële sector doorgaans een negatief (parasitair?) effect op de productiesectoren van de kapitalistische economie.9

De financiële sector is duidelijk niet-productief. Maar het is niet de enige onproductieve sector. Vastgoed, reclame, media en tal van andere sectoren zijn ook niet ‘productief’ omdat de arbeid die daar geleverd wordt geen nieuwe waarde creëert, maar de gecreëerde waarde en meerwaarde alleen maar doet circuleren en herverdeelt. De winstgevendheid van de productiesectoren is essentieel voor de kapitalistische economie, niet de totale hoeveelheid geproduceerde gebruikswaarde.

Kapitalisme hervormen of vervangen ?

Mazzucato suggereert dat er niets mis was met het kapitalisme voordat de financiële sector na de jaren 1970 explodeerde. Waren er voor de jaren 1970 dan geen crisissen door overproductie en investeringscrisissen, geen monopolies en rent-seeking monopolies? Was er dan wel sprake van een voorbeeldig productieve, concurrentiële en rechtvaardige kapitalistische manier van produceren in de jaren 1890, 1930 of zelfs in de jaren 1960?

Bovendien biedt Mazzucato geen verklaring voor het feit dat het kapitalisme steeds ‘onproductiever’ en meer ‘rent-seeking’ werd. Waarom maakte de financiële sector in de jaren 1970 zo’n steile opmars dat de berekeningswijze voor het bbp werd aangepast en de financiële sector erin werd opgenomen? De waardetheorie van Marx biedt wel een antwoord. Van halfweg de jaren 1960 tot het begin van de jaren 1980 ging de winstgevendheid van de productiesectoren in alle belangrijke kapitalistische economieën sterk achteruit. Het kapitalisme trad het zogeheten neoliberale tijdperk binnen waarbij de welvaartstaat werd ontmanteld en vakbonden aan banden werden gelegd, een tijd van privatiseringen en globalisering — en financialisering. Financialisering werd een belangrijk instrument om die daling van de winstgevendheid te compenseren. Voor het kapitaal was het geen kwestie van ‘keuze’ maar een noodzaak. De overheidskosten moesten teruggedrongen worden en de winstgevendheid verhoogd, en dat moest gedeeltelijk mogelijk gemaakt worden door financiële speculatie en rent-seeking monopolies.

Het lijkt me een utopie te geloven dat monopolisten overhaald kunnen worden om in plaats van op ‘korte termijn’ te denken gaan voor de ‘lange termijn’.

Toen Mazzucato bij Bloomberg TV geïnterviewd werd over haar nieuwe boek,10 vroeg de presentator hoe ze topmanagers van grote multinationals kon overtuigen om productief te investeren en te innoveren in plaats van eigen aandelen in te kopen om hun aandeelprijs de hoogte in te jagen en hogere dividenden uit te keren aan de aandeelhouders (financiële speculatie dus). Mazzucato antwoordde dat het een kwestie van keuzes was: sommige bedrijven investeerden op een productieve manier, andere niet. Dus blijkbaar moeten we die laatste groep bedrijven laten inzien dat ze verkeerd bezig zijn.

Mazzucato zegt dat de overheid “de balans moet doen doorslaan naar de kant van de innovatoren en zij die echte waarde creëren.” Maar is dat mogelijk in een omgeving waar kapitaal (en monopolies) de dienst uitmaken? Dat zou een radicale overheid vereisen die bereid is een einde te maken aan de controle van het kapitaal over investeringsbeslissingen door gemeenschappelijk bezit en democratische controle te installeren en zo ‘de balans te doen doorslaan’ ten gunste van zij die ‘waarde creëren’. En daar is Mazzucato duidelijk geen voorstander van.

De mainstream economie is nog altijd verre van overtuigd dat de overheid in een kapitalistisch systeem waarde kan toevoegen. In zijn recensie van Mazzucato’s boek11 schreef Martin Wolf, economisch correspondent van de Financial Times: “Ik had veel liever een diepgaand onderzoek gezien naar wanneer en hoe overheden waarde toevoegen. […] Hoe kun je garanderen dat overheden waarde toevoegen in plaats van die te onttrekken en te verspillen? In haar enthousiasme voor de potentiële rol van de staat bezondigt de auteur zich aan schromelijke minimalisering van de aanzienlijke gevaren van een incompetente en corrupte overheid.”

Bij de lancering van haar boek in de London School of Economics12 gaf Mazzucato het voorbeeld van Brazilië. Ten tijde van de wereldwijde financiële crisis overtuigde de regering van president Lula de overheidsbanken ervan in projecten te investeren die de werkgelegenheid en de technologie een duwtje in de rug zouden geven, ook al waren ze niet winstgevend (toch niet op middellange termijn). Wat gebeurde er? Grote bedrijven en de financiële wereld (nationaal en internationaal) haalden ongemeen hard uit naar dat beleid en de uitvoering ervan door de Braziliaanse ontwikkelingsbank omdat het de winsten van de financiële sector aantastte. Toen Lula geen president meer was, werd het beleid helemaal teruggedraaid.

Mazzucato roept niet op om het kapitalisme te vervangen, of alleen maar de ‘parasitaire’ financiële sector of de rent-seeking monopolies in handen van de overheid te geven, ze vraagt zich enkel af “hoe we die kunnen hervormen” om “het huidige parasitaire systeem te vervangen door een soort kapitalisme dat duurzamer en symbiotischer is – dat voor ons allemaal werkt.” In haar tv-interview sprak ze van een “partnership tussen overheid, multinationals en een ‘derde sector’.

Het lijkt me een utopie te geloven dat monopolisten overhaald kunnen worden om niet langer op ‘korte termijn’ te denken maar te gaan voor investeringen voor een hogere productiviteit en innovatie op lange termijn, als zij vinden dat de opbrengst van zulke productieve investeringen te laag is in vergelijking met wat de financiële sector of vastgoed opleveren (als productieve investeringen meer opbrachten, zouden ze daar sowieso voor gaan).

Investeringen en productie door de overheid creëren wel degelijk waarde, met name zaken en diensten die we nodig hebben en zijn dus niet alleen een (noodzakelijke) kost. Maar Mazzucato gooit waarde en gebruikswaarde op één hoop. Ja, investeringen van de overheid in scholen, ziekenhuizen, vervoer, infrastructuur en technologie creëren nuttige, bruikbare dingen, maar volgens de kapitalistische definitie, namelijk produceren om winst te maken, creëren ze geen waarde (meerwaarde of winst). Integendeel, ze kunnen leiden tot een daling van de totale winstgevendheid van de kapitalistische sector. Het kapitalisme bevat dus een intrinsieke tegenstrijdigheid tussen hogere gebruikswaarde en waarde.

Mazzucato lijkt dat niet in te zien. Het gevolg is dat ze vindt dat zij als econoom moet laten zien hoe de overheid kan helpen om het kapitalisme te laten functioneren en wil ze overheden ervan overtuigen meer ‘waarde’ te creëren voor kapitaal. Volgens Mazzucato kunnen overheden meer doen “dan alleen een passieve rol spelen bij het herstellen van fouten van de markt”. In plaats daarvan zouden ze “de vrijheid moeten hebben om de ondernemersgeest te omarmen en te bepalen welke richting innovatie en economische groei uitgaan”. Ze wil dat overheden missies krijgen “om dingen voor elkaar te krijgen”.

Dat doet de mainstream huiveren, maar die hoeft zich geen zorgen te maken. Mazzucato pleit er niet voor het kapitalisme door het socialisme te vervangen — of zoals zij zegt: “Ik denk niet dat die termen (met name socialisme) nuttig zijn… er zijn heel veel manieren om aan kapitalisme te doen. Zo denk ik erover. Het kapitalisme heeft een reboot nodig, maar we moeten niet met socialisme gaan zwaaien.”

Kapitalisme, socialisme; doet de naam ertoe? Wel, die naam staat voor een structurele indeling, een bepaalde manier van produceren en sociale relaties. Mazzucato wil dat het kapitalisme de mensen meer en betere dingen en diensten levert, maar zonder te raken aan het privébezit van de productiemiddelen. Overwegen om kapitalistische bedrijven te vervangen door gemeenschappelijke eigendom, socialistische planning en een arbeidersdemocratie zou een vergissing zijn. “Als je over socialisme begint te praten zal dat niet veranderen. Bedrijven zullen zich niet anders gaan gedragen dan ze nu doen.” Maar zal het dan wel iets uithalen als we grote bedrijven vriendelijk vragen om productief te investeren en geen rekening te houden met de “waarde van de aandeelhouder”?

Mazzucato vindt het socialisme een leuk idee maar niet praktisch haalbaar. “Ongeacht hoe ik zou willen dat de ideale wereld eruitziet, realistisch gezien denk ik dat het een kapitalistische wereld zal zijn.” Ik heb een probleem met die conclusie. ‘Realistisch’ zijn en aanvaarden dat het kapitalisme er in de nabije toekomst nog zal zijn, en dat we dus moeten proberen dat het beter functioneert, is nu net níet realistisch! Kunnen onder het kapitalisme de regelmatig terugkerende economische crisissen voorkomen worden die elke generatie weer miljoenen mensen beroven van hun baan, woning en middelen van bestaan? Kunnen imperialistische avonturen en uitbuiting voorkomen worden? Kan de extreem ongelijke verdeling van rijkdom en inkomen ongedaan gemaakt worden? Kunnen de klimaatverandering en de opwarming van de aarde een halt worden toegeroepen?

Kan er realistisch komaf worden gemaakt met ook maar één van die gruwelen door overheden en multinationals ‘missies’ mee te geven om ‘dingen voor elkaar te krijgen’ als we tegelijk blijven vasthouden aan het kapitalistische systeem van produceren en investeren om privéwinsten te realiseren? Dat is onrealistisch. Maar het is veiliger om te zeggen dat we het kapitalisme van zichzelf moeten redden of ervoor moeten zorgen dat het beter werkt door de overheid mee te laten helpen, dan het kapitalisme te vervangen. Dat zou pas echt angstaanjagend zijn voor de bestaande orde.

Mariana Mazzucato, De ondernemende staat: waarom de markt niet zonder overheid kan. Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2015.
Mariana Mazzucato, De waarde van alles: onttrekken of toevoegen aan de wereldeconomie. Nieuw Amsterdam, Amsterdam, 2018.

Footnotes

  1. Eshe Nelon, “One of the world’s most influential economists is on a mission to save capitalism from itself”, Quartz, 22 juli 2019. Zie www.qz.com/1669346/mariana-mazzucatos-plan-to-use-governments-to-save-capitalism-from-itself/.
  2. Zie www.economicpluralism.org/not-the-nobel-prize/.
  3. Mariana Mazzucato, The Entrepreneurial State – Debunking Public vs. Private Sector Myths, Anthem Press, 2018.
  4. Mariana Mazzucato, The Value Of Everything, Allen Lane – Penguin, Londen, 2018.
  5. Bob Hughes, The Bleeding Edge: Why Capitalism Mustn’t Get its Hands on New Technologies Ever Again, New Internationalist, 2016.
  6. Zie Michael Roberts, “The value (price and profit) of everything”, The Next Recession, 25 april 2018. Zie www.thenextrecession.wordpress.com/2018/04/25/the-value-price-and-profit-of-everything/.
  7. Dit wil zeggen, winst maken door financiële goederen te kopen en te verkopen door nieuwe vormen van financiële derivaten te gebruiken; dit in tegenstelling tot investeringen met oog op productieve groei.
  8. Andrew Haldane, “The contribution of the financial sector – miracle or mirage?” Lezing door Mr. Andrew Haldane, Executive Director, Financial Stability van de Bank of England, op de conferentie Future of Finance, Londen, 14 juli 2010. Zie www.bis.org/review/r100716g.pdf.
  9. Jean-Louis Arcand, Enrico Berkes en Ugo Panizza, Too Much Finance?, werkdocument IMF, 2012. Zie www.imf.org/external/pubs/ft/wp/2012/wp12161.pdf.
  10. Bloomberg Markets and Finance, “Rethinking Capitalism to Create Global Value”, YouTube, 24 april 2018. Zie www.youtube.com/watch?v=ssAT1xDh-fw.
  11. Martin Wolf, “Who creates a nation’s economic value?”, Financial Times, 24 april 2018. Zie www.ft.com/content/e00099f0-3c19-11e8-b9f9-de94fa33a81e.
  12. Mariana Mazzucato, “The Value of Everything: making and taking in the global economy”, The London School of Economics and Political Science, 23 april 2018. Zie www.lse.ac.uk/lse-player?id=4128.