Artikel

De communisten en de Staking van de eeuw

Adrian Thomas

— 21 december 2020

In het verhaal van de staking van 1960-61 gaat de meeste aandacht veelal naar de renardisten. Toch hebben ook communistische vakbondsmilitanten een sleutelrol gespeeld bij de aftrap van de beroemdste staking van België.

Hoeveel inkt is er al niet gevloeid over die staking van 1960-1961? Er zijn maar weinig sociale gebeurtenissen in België die zo hun stempel hebben gedrukt op de 20e eeuw. Van de vakbondslieden die hun naam aan deze staking hebben verbonden, is André Renard ongetwijfeld de bekendste. De radicale leider van de Centrale van de Metaalindustrie van België (CMB) was de vurige belichaming van dit brede volksprotest, hoewel zijn vakbond (ABVV) en de socialistische partij er aanvankelijk tegen gekant waren. Toch is er nog een naam die geregeld in dit verhaal opduikt, namelijk die van Robert Dussart. Zijn naam vindt vandaag nog weerklank in sommige politieke en vakbondskringen, omdat hij een belangrijke, zij het veel minder bekende rol heeft gespeeld, vooral in de mobilisatie in Charleroi. En hij was niet de enige. Ook in Antwerpen en Seraing belichaamden militante arbeiders zoals Dussart, het beeld van de man op het terrein, de vakbondsman ‘van de basis’, van de militanten die met hun strijdlust een mobilisatie op gang hebben gebracht die ons zestig jaar later nog veel leert over het belang van vakbonden voor de klassenstrijd.

De oorzaken van de grote staking

Aan de basis van de Staking van de eeuw lag het protest tegen de Eenheidswet, een reeks maatregelen die snoeiden in de werkloosheidsuitkeringen en het ambtenarenpensioen en die een verhoging voorzagen van sommige belastingen. Als voornaamste verantwoording voor die Eenheidswet werd de Congolese onafhankelijkheid naar voren geschoven. Eyskens, de eerste minister van de regering van katholieken en liberalen, rechtvaardigde deze eerste grote besparingsronde met het verlies van Congo in juni 1960. Toch wel een cynisch argument, zeker als je bedenkt hoe dat land sinds 1885 brutaal was uitgebuit. Maar het was ook gewoon onwaar: de Belgische kolonie was in de jaren 50 al veel minder winstgevend geworden. De Eenheidswet had in feite tot doel België af te stemmen op de antisociale eisen van de Europese gemeenschappelijke markt.

Van vakbondszijde wou het ABVV een vervolg breien aan de stakingen van 1957-1959. De strijd van de metaalarbeiders had immers de kracht van de sociale beweging aangetoond. Ook de openbare diensten kenden een opgang. In Vlaanderen staakten de textielarbeiders en de dokwerkers, de mijnwerkers streden tegen de sluiting van de steenkoolmijnen. Overal in het land leefde bij het volk het verlangen om terug te keren naar de tijd van de grote sociale verworvenheden van na de Bevrijding. De glitter en glamour van Expo 58 slaagden er niet echt in om de economische vertraging in België te verdoezelen. En het patronaat en de rechtse regering zochten naar manieren om te besparen. Kortom, het leek of alles en iedereen in stelling was gebracht voor de schokkende gebeurtenissen van de stakingswinter van 60-61.

Politiek links en de linkse vakbonden riepen steeds luider op om de onverzettelijkheid van de regering te doorbreken. Het protest kwam vooral uit de Waalse industriële bastions, maar de eerste demonstratie tegen de Eenheidswet vond wel plaats in Antwerpen, begin oktober al. De optocht van stadsambtenaren was bovendien heel bijzonder, want het ABVV en het ACV kwamen er in gemeenschappelijk front op straat. Dat was voor die tijd ongezien. De christelijke vakbond ACV was verbonden aan de partij van de eerste minister en had in Vlaanderen een meerderheid, het ABVV was gelieerd aan de socialistische partij en prominent vertegenwoordigd in de industriebekkens die zich vooral in Wallonië bevonden. Die tegenstelling zou belangrijk blijken bij de staking: ondanks die eerste demonstratie zou het ABVV in zijn eentje het gewicht van de staking dragen, zeker in het zuiden van het land, ondanks verwoede pogingen in het begin om de leden van de christelijke vakbond te overtuigen om mee te staken, tegen het verbod van de ACV-leiding in.

Op 29 december bereikte de mobilisatie haar hoogtepunt met 600.000 stakers.

Maar van een algemene staking was nog helemaal geen sprake. De nationale leiding van het ABVV was verdeeld tussen voorstanders van actie en aanhangers van overleg. Renard kruiste de degens met Dore Smets, de voorzitter van de Algemene Centrale, en Louis Major, de algemeen secretaris van het ABVV. Die vakbondsleiders hingen een iets meer gematigde strekking aan en voegden zich naar de partijlijn van de BSP, de Belgische Socialistische Partij. Hun invloed op de Nederlandstalige afdeling van de vakbond zou de staking in Vlaanderen nog meer hypothekeren. Renard koos er dan ook voor om vooral op zijn eigen medestanders te rekenen, meer bepaald de metaalbewerkers en de Waalse vleugel van het ABVV. In november en december werden op grote schaal acties georganiseerd. Tot 100.000 vakbondsmensen namen deel aan lokale stakingen, vooral in Luik en Henegouwen. Maar op 16 december verwierp een stemming binnen het Nationaal Comité van het ABVV, met een heel nipte meerderheid, het voorstel van Renard om in januari een 24-urenstaking te organiseren. De vakbond had blijkbaar niet gevoeld dat er bij de bevolking een golf van onvrede zat aan te komen. De ACOD, waarvan een aanzienlijk aantal militanten communist waren, gaf echter niet op en diende een stakingsaanzegging in voor 20december, de eerste dag van de parlementaire debatten. Die datum zou het sleutelmoment blijken. De staking, die 700.000 arbeiders zou mobiliseren en vijf weken zou duren, werd dus niet officieel noch spontaan door het ABVV op gang gebracht.

De rol van de KPB in de stakingsactie

De Kommunistische Partij van België stond in 1960 vrij zwak. Ze had nog maar twee volksvertegenwoordigers —tegenover 23 in 1946— en slechts 11.500 leden, tegenover 88.000 bij de Bevrijding. Vanwege haar aanzienlijke betrokkenheid bij het verzet tegen de nazi’s was de Kommunistische Partij toen alom geliefd, maar door de Koude Oorlog veranderde ze in een paria. Heel wat communisten hadden een belangrijke rol gespeeld in de vakbonden, maar slechts weinigen hebben die rol kunnen behouden, en ook de meeste bedrijfscellen waren verdwenen. Drie bastions bleven wel overeind. Vooral de Luikse metaalindustrie (100.000 arbeiders), waar de communisten stevig voet aan de grond hadden bij Cockerill (Seraing), bij Espérance-Longdoz en FN-Herstal. Daarnaast ook in de haven van Antwerpen (10.000 dokwerkers), waar een cel zich ondanks alles wist te handhaven en met het rode vaandel bleef zwaaien, tegen de enorme druk van het socialistische vakbondsapparaat in. Het derde bastion was ACEC in Charleroi. Het opmerkelijke aan die elektronica-fabriek met 10.000 werknemers was dat de communisten er sinds 1950 in waren geslaagd stap voor stap de vakbondsdelegatie in te nemen. In 1960 stond Robert Dussart nog niet helemaal bovenaan en moest hij rekening houden met de socialisten, maar het was toen al duidelijk dat zijn ster rijzende was. Hij was een echte trekkersfiguur en zou dat tijdens de staking ook bewijzen.

De KPB werd zich bewust van de omvang van de beweging tijdens de bijeenkomst van haar Centraal Comité in Brussel, in het weekend van 17 en 18december. De communistische kaderleden beslisten toen de staking van de ACOD op 20 december met alle middelen te steunen. Als doorgewinter­­­de syndicalisten beseften ze dat de massa witheet was en dat de besluiteloosheid van het Nationaal Comité van het ABVV bij de werknemers in het verkeerde keelgat zou schieten. De KPB besliste een twintigtal bedrijfsafdelingen te mobiliseren om de staking van de ACOD een boost te geven, waaronder de afdeling van ACEC-Charleroi, waar Dussart de leiding had. Er werd snel een fabriekspamflet gemaakt, met een niet mis te verstane boodschap: “Vanaf maandagmorgen [19december] moeten de werknemersvergaderingen de beslissingen nemen die noodzakelijk zijn om zoveel mogelijk druk uit te oefenen op het Parlement dat dinsdag 20 december met zijn besprekingen begint. Tijdens die dagen van openbaar debat moeten maximale inspanningen worden geleverd. Laat de actie dinsdag van start gaan en snel uitbreiding vinden.” De teerling was geworpen.

Op 30 december liepen de spanningen op toen in Brussel een eerste staker omkwam door toedoen van de politie. Nog drie andere stakers zouden het leven laten.

Toen Dussart die zondagavond van Brussel naar huis was teruggekeerd, riep hij zijn kameraden samen. Hij bracht hen op de hoogte en begon met de voorbereiding van een speciale editie van de kleine fabriekskrant gebaseerd op het nationale pamflet. De editie zou ’smaandags in de fabriek verspreid worden. Maandag 19 december was cruciaal: de drie socialistische vakbondsafgevaardigden van ACEC die op vrijdag 16 december aanwezig waren op het Nationaal Comité van het ABVV, kwamen die dag niet opdagen op het werk. In de werkplaatsen waren slechts drie vaste vakbondsafgevaardigden aanwezig, onder hen Dussart en een andere communist. Om 10.00 u “zorgde ik ervoor dat mijn vakbondslokaal overspoeld werd door honderden arbeiders die verantwoording kwamen eisen”, vertelt Dussart met een kwinkslag. “Ik stelde mijn delegatie meteen voor om 13.00u een algemene vergadering te beleggen.” De arbeiders en bedienden van de twee vakbonden kwamen massaal opdagen en reageerden, zoals verwacht, woedend op het uitstel van de ABVV-leiding. Ze beslisten unaniem de volgende dag te beginnen staken, tot het eind, tot de finish, en in gemeenschappelijk front (!). ACEC was de eerste fabriek die het werk neerlegde.

Belangrijker nog was dat ook werd beslist om ’s anderendaags vanaf 7 uur een optocht te organiseren naar de bedrijven die zich mogelijks bij hen zouden aansluiten. Na de vergadering belde Dussart naar ACEC-Herstal om hen het nieuws te melden en op te roepen hetzelfde te doen, een oproep die goed gevolgd werd. Dussart stelde zijn vakbondsdelegatie gerust: als ACEC de avond van de 21e alleen zou blijken te staan, zouden zij het werk de 22e hervatten. Dinsdag 20 december bezetten de stakers van ACEC de naburige fabrieken, aangevoerd door groepen motorrijders. Het bleek efficiënt, want de arbeiders van die fabrieken sloten zich bij hen aan. De socialistische baas van het ABVV-Charleroi reageerde woedend op zoveel ongehoorzaamheid. Hij belde Dussart om hem te melden dat hij uit de vakbond was gezet. Te laat. Op woensdag 21 december om 14 uur stemde het regionale interprofessionele ABVV voor het onmiddellijk uitroepen van een algemene staking, waardoor de sanctie werd opgeheven. Je mag zonder meer stellen dat de fabrieken van ACEC-Charleroi in het Zwarte Land de lont aan het kruitvat hebben gestoken.

Ook elders breidde de staking zich uit. Marcel Baiwir, de communistische afgevaardigde van Cockerill-Ougrée, deed in zijn memoires uitgebreid verslag van die fameuze 20edecember, de dag waarop de staking zich met medeweten van de voorzitter van de vakbondsdelegatie, de communist Honoré Swinbergh, vanuit de staalfabriek en de centrale werkplaatsen als een inktvlek verspreidde naar alle afdelingen van het enorme bedrijf met zijn 45.000 arbeiders. De staking had een weerslag op alle bedrijven van het Maasbekken, zowel langs de Boven- als de Beneden-Maas, waar de KPB vaste voet had, vooral bij FN-Herstal. Ook Baiwir werd gestraft door de leiding van de vakbond, maar in tegenstelling tot Dussart zou zijn straf niet worden kwijtgescholden. De sanctie van drie maanden schorsing van zijn vakbondsmandaat had ook als gevolg dat hij niet langer beschermd was door zijn vakbondsstatuut, en dus door zijn werkgever kon worden ontslagen. Renard had zich in 1947 ook niet verzet tegen de uitzetting van zes ongehoorzame communistische vakbondsmensen bij FN-Herstal.

Giften en renteloze leningen stroomden toe, van Britse vakbonden, van de Franse communistische  vakbond CGT en van Oost-Duitse en Sovjet-vakbonden.

In Antwerpen was Frans Vanden Branden de communistische leider van de dokwerkers. Hij was wel duizend keer door de vakbond aan de deur gezet en even vaak via het raam terug naar binnen gekropen. Die ochtend van 20december vatte hij samen met 500havenarbeiders post voor het regionale kantoor van het ABVV dat in een afwijzende stilte was gehuld, met de eis de staking uit te roepen. ’s Avonds was de groep aangegroeid tot duizend. De plaatselijke vakbondsleider probeerde hen met een kluitje in het riet te sturen, maar die pogingen waren vruchteloos: de volgende dag ging de haven plat.

In Gent was Ateliers Carels (SEM), dat in 1961 omgedoopt zou worden tot ACEC-Gent, met zijn 1.200 arbeiders de drijvende kracht achter de staking. Na de oorlog was in die oude fabriek, die bekendstond als het rode bastion van de regio, een communistische kern ontstaan. Beetje bij beetje zou een jonge arbeider de belichaming worden van de lokale verankering van de KPB. Robert Blansaer werd in de nasleep van de staking van 60-61, die in Vlaanderen veel moeilijker te consolideren was dan in het zuiden van het land, hoofdafgevaardigde van ACEC-Gent.

Ook de oproep van de openbare diensten (ACOD) werd overal in het land en vooral in Brussel met succes beantwoord, zowel in het onderwijs als bij de administratieve diensten, het openbaar vervoer, de energieleveranciers (Gazelco) en de post.

De opstelling van de communisten tijdens de staking

De volgende dagen breidde de staking zich als een inktvlek uit, mobiliseerde ze 300.000 werknemers en kreeg ze steeds bredere navolging. De rol van de communisten was doorslaggevend voor de snelle uitrol van de staking. Renard, die eerst wat overweldigd was, trok al snel de controle over de beweging weer naar zich toe, waarbij hij de unitaire stakingscomités onder de paraplu bracht van de leiding van het ABVV. De andere vakbondsleiders reageerden op dezelfde manier.

In Charleroi organiseerden de arbeiders van ACEC bijna dagelijks een stakersvergadering. Net als met carnaval trok er dan een stoet door de benedenstad. Een groep motorrijders met knetterende knalpotten en zijspannen zette zich aan het hoofd van de stoet. De motards waren cruciaal voor de vliegende piketten en doorkruisten de hele regio. Met vlaggen en spandoeken in felle kleuren trok de optocht een hoop aandacht. Aan een galg bengelde een pop die de eerste minister voorstelde. De massa hief de Internationale of de Marseillaise aan, traditionele revolutionaire liederen. De volksoptochten haalden de banden tussen de stakers aan en versterkten hun solidariteit. Voor de arbeiders en arbeidsters waren ze een bron van vreugde en trots. De staking kreeg zelfs een feestelijke uitstraling, net als in mei-juni 1936. Er werd geschreeuwd om het ontslag van Eyskens en een Mars op Brussel, net als tijdens de Koningskwestie (1950). Tien jaar al had de werkende klasse gewacht om de overwinningsroes van de jaren 44-50 te herbeleven, en dat moment was nu aangebroken. Tijdens de hele staking zouden meer dan 300 betogingen plaatsvinden, dat zijn er gemiddeld tien per dag.

De KPB was terughoudend om een mars op de hoofdstad te steunen, uit angst voor rellen en de repressie op de beweging die daarop zou volgen. Elders in het land waren er al dagelijks confrontaties met de politie. De KPB zag liever dat de staking zich bleef uitbreiden door druk uit te oefenen op de andere partijen, terwijl de machtige christelijke pijler al zijn gewicht in de schaal bleef werpen om de staking te demoniseren, vooral in Vlaanderen waar de staking beperkt bleef tot de openbare diensten.

Het leger werd strategisch ingezet in de buurt van bepaalde fabrieken, bruggen en wegen. Soldaten werden teruggeroepen uit Duitsland. Twaalf- tot vijftienduizend militairen werden gemobiliseerd als versterking voor de 18.000 rijkswachters. Er werd beslag gelegd op de krant La Wallonie omdat die de soldaten had opgeroepen tot solidariteit. Militanten werden willekeurig opgepakt. Op 29 december bereikte de mobilisatie haar hoogtepunt met 600.000 stakers. Op 30 december liepen de spanningen op toen in Brussel een eerste staker omkwam door toedoen van de politie. Nog drie andere stakers zouden het leven laten en de staking werd grimmiger zoals blijkt uit de sabotagedaden.

Voor de gezinnen van de arbeiders betekent een dergelijke staking een zware beproeving. De stakingsvergoeding bedroeg amper de helft van een normaal loon en het werd een Kerstmis in mineur. De volkshuizen, de hoofdkwartieren van de stakers, stonden centraal bij de solidariteit tussen arbeiders, maar vanaf de derde stakingsweek konden ze het niet meer bolwerken, ondanks de huis-aan-huiscollectes en de schenkingen van winkeliers. Maar het proletarisch internationalisme blies het leeggebloede ABVV nieuw leven in. Uit de buurlanden stroomden giften en renteloze leningen toe. Ze kwamen van Britse vakbonden, maar ook van de Franse communistische vakbond CGT en van Oost-Duitse en Sovjet-vakbonden. En er kwam niet alleen financiële steun. Heel wat leden van de CGT uit Noord-Frankrijk vingen kinderen van Belgische stakers op of staken de grens over om hun kameraden aan de andere kant van de grens een hart onder de riem te steken. Overigens niet alleen hun Franstalige kameraden: de dokwerkers uit Duinkerke trokken ook naar Antwerpen om er hun collega’s te steunen, maar werden vervolgens manu militari uitgezet, met een verbod om ooit nog een voet in Antwerpen te zetten. Dussart vroeg steun aan de CGT van Maubeuge die hem 50.000Belgische frank schonk (omgezet zo’n 9.300 euro, hedendaagse koers). Maar meer nog dan de financiële steun was de morele steun uit het buitenland van belang: het gevoel alleen te staan of, precies het omgekeerde, zich gesteund te voelen kon de uitslag van de strijd bepalen.

Arbeidersdelegaties staken de taalgrens over om elkaar te steunen. De Antwerpenaren trokken naar Luik, de arbeiders van La Louvière naar Gent, met een veelzeggend spandoek (“Wallons, Flamands, soyons unis” [“Vlamingen en Walen, laten we ons verenigen”]), terwijl de Antwerpse socialist Jos Van Eynde naar Charleroi trok om er in het bijzijn van 45.000 arbeiders de eenheid van de arbeiders tussen noord en zuid te vieren. Dussart ging naar een bijeenkomst van ACEC-Ruisbroek (Sint-Pieters-Leeuw) en verkondigde er het idee voor een Mars op Brussel, een eis die voortdurend tijdens de demonstraties werd gescandeerd. Renard kwam met een nieuw ordewoord: “l’abandon de l’outil” —het doven van de hoogovens. Dat was een ernstig en gevaarlijk dreigement, zeker voor de hoogovens, die te allen tijde een minutieus onderhoud nodig hebben. De stakers vierden Nieuwjaar in een optimistische sfeer, nog niet bezwaard door wat zou komen. De staking duurde nu twee weken en 3 januari vormde zeker een hoogtepunt. In heel het land werden in alle rust optochten gehouden.

De federalistische slogan en de fameuze “abandon de l’outil” speelden het ACV een afleidingsmanoeuvre in de hand, en gaf de politie een voorwendsel voor de repressie.

Maar een andere slogan zou het idee van de Mars op Brussel naar de achtergrond duwen: het federalisme. In Vlaanderen, dat al moeilijk standhield, waren de gevolgen van die leuze desastreus. Volgens Jacques Yerna, nationaal secretaris van Gazelco-ACOD en zelf een Waal, voelde men in Vlaanderen de regionalisering van de acties in Wallonië aan als een breuk in de verbondenheid van de arbeiders. De Vlamingen hadden het gevoel dat ze in de steek werden gelaten. De leiders van het Vlaamse ABVV zagen er een uitweg in en gebruikten de regionalisering om de stakingsbastions in Gent en Antwerpen te ondermijnen. Het status quo van de derde stakingsweek was een voorbode van de vermoeidheid die de beweging zou verzwakken.

Op 6 januari ging de staking een nieuwe fase in: het station van Luik werd vernield. Als er één beeld van de staking in het geheugen is blijven hangen, dan is het wel het beeld van de rellen bij het station van Luik. De woede, die al 18 dagen lang sudderde, kwam plots tot uitbarsting. Er vielen 75gewonden en twee doden. Het was een wanhoopspoging als reactie op het sputteren van de staking. Politie en Rijkswacht reageerden met gerichte arrestaties. Alles samen werden 2.000 stakers opgepakt en 1.000 zouden worden veroordeeld tot een gevangenisstraf van een maand of meer.

In Charleroi werden op 9 januari 30 vakbondsmilitanten in de cel gestopt, duidelijk met de bedoeling de stakingspiketten te beroven van hun leiders. Die avond kwamen 25.000 stakers samen in het stadion van Sporting Charleroi. Na de meeting vormde zich een spontane stoet van 10.000 arbeiders die door het centrum naar de gevangenis trok waar de stakers werden vastgehouden. De ruiten van het celgebouw vlogen aan diggelen. De volgende dag betoogden de arbeiders van ACEC opnieuw en opnieuw werden stakers opgepakt en in hechtenis genomen. Kreten weerklonken: “Op naar Brussel!”, “België republiek!”. Dussart had altijd een akkoord gehad met de politie dat hijzelf de orde zou handhaven op voorwaarde dat de politie buiten het zicht van de manifestanten bleef, maar op 12 januari besliste de Rijkswacht plots om schijnbaar zonder reden met getrokken sabel te chargeren. Er werden zoveel waterkanonnen gebruikt dat zelfs de ruiters doornat waren. Er vielen veel gewonden. Dat soort provocaties van de ordediensten herhaalde zich overal in het land. De volgende dag wierp Dussart zich op als regionale leider en verzamelde in een rustige sfeer duizenden betogers rond zich. Die machtsdemonstratie van de beweging zorgde ervoor dat iedereen vergat dat op dat moment het Parlement de Eenheidswet goedkeurde. Een harde maar niet onverwachte klap in het gezicht.

In de loop van de vijfde stakingsweek gingen de stakers geleidelijk aan weer aan het werk. Velen keerden terug in groep, de vuist geheven en onder het zingen van de Internationale, om de staking niet op een negatieve noot te laten eindigen. Alleen het ‘IJzerbataljon’ van de industriebekkens van Charleroi en Luik hield nog stand, vooral de metaalbewerkers. Dat was ook de meeste strategische en meest winstgevende sector. Bij ACEC-Ruisbroek werd het werk de 19e hervat, als laatste in de streek rond Brussel. Op 20 januari —de staking was toen een maand oud— kwamen de arbeiders van ACEC nog een laatste maal op straat om dat gedenkwaardige moment te vieren. De laatste 40.000 stakende metaalbewerkers van Charleroi stemden de volgende dag in met een werkhervatting op maandag 23 januari. Bij ACEC-Herstal en bij het spoorwegpersoneel van Charleroi ging de staking nog iets langer door als reactie op sancties die door hun directie waren opgelegd.

Besluit

Bij ACEC in Charleroi eindigde de staking in gemeenschappelijk front. Sommigen “wilden de strijd nog voortzetten”, beweerde Dussart stellig. “Ik was het die in werkelijkheid een einde maakte aan de staking, want de doelstellingen golden niet langer, het ontbrak aan een mogelijk politiek antwoord. Men was vergeten een syndicale tegeneis te formuleren, zoals 10 BF per uur of de 45-urenweek,” en niet enkel de intrekking van de Eenheidswet. Er werden collectes gehouden om de stakers van de christelijke vakbond te vergoeden die tegen de instructies van hun vakbond in gestaakt hadden. “Ik beschouw de ACV-afgevaardigden van ACEC als mijn beste strijdmakkers”, zei Dussart om hen te bedanken en te eren. Zijn werkgever zou hem zes maanden later proberen te ontslaan, maar dat was buiten de arbeiders van ACEC gerekend. Zij slaagden erin die enggeestige wraakactie te verijdelen.

Voor de KPB was de staking “de grootste sociale strijd” van België. Maar de invoering van de Eenheidswet was enkel uitgesteld. De linkervleugel van het ABVV had fel gestreden, maar had meer op de basis moeten steunen. De middenstand werd onderschat. De federalistische slogan en de fameuze “abandon de l’outil” speelden het ACV een afleidingsmanoeuvre in de hand, en de politie kon de sabotagedaden inroepen om de repressie te rechtvaardigen. De KPB dacht dat ze door haar propaganda “de echte leiding van de staking vormde”, maar bleek veel te klein “om de rol te vervullen die geboden werd”: weinig meetings, perspublicaties, acties in fabrieken en regionale initiatieven.

De staking maakte wel het pad vrij voor een nieuwe fase in de strijd. De jaren na Mei 68 zouden een nieuwe periode brengen met lokale, creatieve en weerspannige stakingen, waarbij bijvoorbeeld gebruik werd gemaakt van fabrieksbezettingen.

De staking leidde tot de val van de regering-Eyskens. De katholieke partij verloor haar meerderheid en om te kunnen regeren moest ze een coalitie aan gaan met de BSP. Alleen de Vlaamse nationalisten en de KPB kwamen als winnaar uit de stembus. De communisten werden voor hun bijdrage aan de staking beloond met vijf volksvertegenwoordigers (+3). Dat was het begin van een politieke opleving die in 1965 resulteerde in nog meer zetels, terwijl de CVP en de BSP 40 zetels zouden verliezen.

Men had nagelaten een syndicale tegeneis te formuleren, en niet enkel de intrekking van de Eenheidswet.

Samengevat kunnen we stellen dat de Staking van de eeuw niet de krachtigste staking van België was —dat was eerder die van 1936— maar ze was na 1945 met haar 34 dagen wel de langste in Europa. Voor België was ze door haar nationaal en interprofessioneel karakter ongetwijfeld de meest exemplarische. Het autonome, unitaire en politieke karakter van de vakbondsactie gedragen door de brede massa was uitzonderlijk. Hierin lag haar grootste succes. Wat de resultaten betreft, betekende deze staking geen overwinning maar ook geen nederlaag. De Eenheidswet zou geleidelijk toegepast worden, met de hulp van de BSP, maar met veel vertraging. Het zou ook nog een hele tijd duren voor een regering het opnieuw aandurfde de sociale zekerheid aan te vallen. Deze staking was zeker geen revolutionaire opstand, maar ze toonde wel het revolutionaire potentieel van de Belgische werkende klasse, ook al zou een sociale mobilisatie van die omvang zich niet meer herhalen. De werkende klasse heeft zich niet geradicaliseerd, maar strafte wel de CVP en BSP af. Het duurde 25 jaar voor de Belgische sociaaldemocratie het vertrouwen van een deel van haar kiezers kon terugwinnen, hoewel de grote massa teleurgestelde kiezers zich liever tot andere partijen dan de communisten richtte. De KPB kende niettemin een heropleving die weerspiegeld werd in het Parlement en in een aanzienlijke groei van haar militanten, vooral in de fabrieken. De communistische bedrijfscellen bij Cockerill, FN-Herstal en ACEC-

Charleroi zagen hun aantal leden aanzienlijk toenemen. De communisten hebben de staking niet geleid – daarvoor was de omvang van de staking te groot en hun aantal te klein – maar ze hebben ze wel flink vooruitgeholpen. Dat is niet niks. De KPB heeft een waardevolle bijdrage geleverd aan het grootste sociale conflict van de tweede helft van de 20e eeuw in België. Bij het ABVV werd door de staking de hele structuur overhoopgehaald. De praktijk van het gemeenschappelijk vakbondsfront zou steeds beter ingeburgerd geraken in de sociale strijd en die strijd zou ook een heropleving kennen.

Dit artikel is een bewerking van een hoofdstuk uit het boek dat op 1 mei 2021 verschijnt: Robert Dussart, une histoire ouvrière des ACEC de Charleroi. Het boek kan vandaag al besteld worden door een mail te sturen naar de auteur op adri.thomas@hotmail.com.