Artikel

De bestorming van de hemel: 150 jaar Commune van Parijs

Friedrich Engels

+

Patrick Moens

— 7 april 2021

— PDF-versie

De Commune van Parijs van 1871 was de eerste poging om een arbeidersrepubliek op te bouwen. 99 %’ers avant la lettre. Om de dag van haar oprichting te vieren, herdrukt Lava het voorwoord van Friedrich Engels bij Marx’ De burgeroorlog in Frankrijk, voorzien van een inleiding door Patrick Moens.

Als u op doorreis bent in Parijs, aarzel dan niet om een omweg te maken via de begraafplaats Père-Lachaise. Daar, aan een pad, staat de Mur des Fédérés, een monumentale replica van een deel van de ommuring van de begraafplaats waartegen de laatste communards op 27 mei 1871 werden doodgeschoten. Als u goed luistert, hoort u misschien de spotvogel.

Patrick Moens is eindredacteur bij Lava Tijdschrift.

Nadat Frankrijk de oorlog tegen Duitsland had verloren en een reactionaire republiek was geworden, kwamen op 18 maart 1871 de Parijse volkswijken in opstand. Dat leidde op 28 maart tot de plechtige afkondiging van de Parijse Commune. Het was de eerste poging ooit tot de vestiging van een arbeidersrepubliek, de eerste proletarische revolutie. De opstand werd na 72 dagen, op 28 mei 1871, neergeslagen in de Semaine sanglante, de bloedige week.

Tijdens haar korte bestaan probeerde de Commune een concreet programma voor de arbeidersrepubliek te ontwikkelen en verwezenlijken. Dat wil zeggen: een sociale en echt democratische republiek die Fransen en buitenlanders, arbeiders en arbeidsters, ambachtslieden en boeren verenigt en de uitbuiting bant. Een 99 %’ers-beweging avant la lettre. Het ontbrak de Commune echter aan een duidelijke, eensgezinde marsrichting.

Vrouwen hebben vanaf het begin van de opstand een grote rol gespeeld. Het waren zij die de naar Versailles gevluchte regering dwarsboomden toen die probeerde de hand te leggen op de kanonnen van de Nationale Garde, een tijdens de oorlog opgerichte militie.

Op 11 april richtten de Communardes de ‘Vrouwenbond voor de Verdediging van Parijs en de Verzorging van de Gewonden’ op. Onder hen Elisabeth Dmitrieff, die door Marx naar Parijs was gestuurd. Voor hen viel de strijd voor de verdediging van de Commune samen met die voor de rechten van de vrouw.1 De Commune begon met de invoering van gelijke verloning voor mannen en vrouwen (te beginnen met de leerkrachten), ze erkende het ongehuwd samenwonen en verbood prostitutie. Ze gaf vrouwen stemrecht in al haar geledingen. Vrouwen namen bovendien deel aan de gevechten, waarbij vele het leven lieten door de kogels van de Versaillais, de reguliere troepen onder het bevel van de regering. Andere werden na de nederlaag door de krijgsraden veroordeeld. Eén iconische figuur, Louise Michel, werd verbannen naar Nieuw-Caledonië. De strijdsters werden beschuldigd van hysterie en brandstichting van Parijse monumenten, wat hen nog lang na de opstand de bijnaam pétroleuses opleverde. De branden waren echter aangestoken door de Versaillais zelf.

Vrouwen namen talrijk deel aan de gevechten, waarbij vele het leven lieten door de kogels van de Versaillais, de reguliere troepen onder het bevel van de regering.

Als embleem koos de Commune de rode vlag, de vlag van de Universele Republiek. Honderden buitenlanders, waaronder Leo Frankel, een Hongaarse Jood die later minister van Arbeid in de Algemene Raad van de Commune werd, sloten zich in naam van internationalisme aan. Elke buitenlander in dienst van de Commune werd als een volwaardig burger beschouwd. De democratische opstand onder leiding van het Parijse proletariaat leidde tot een uitbarsting van geweld vanwege de bourgeoisie en haar bondgenoten in Versailles. Alleen al in de Semaine sanglante vielen 20.000 doden. Er volgden 50.000 processen en 10.000 Communard(e)s werden naar de gevangenis gedeporteerd. Marx schreef na de slachting:

“De beschaving en de rechtvaardigheid van de orde der burgerij tonen hun ware gezicht wanneer de slaven van die orde tegen hun meesters opstaan. Dan blijken de beschaving en rechtvaardigheid onverholen wreedheid en wetteloze wraak te zijn.”2

Het gejammer van de Franse rechtervleugel over de opstand weerklinkt tot op de dag van vandaag, nu de herdenking van het 150-jarig jubileum wordt voorbereid.3 Sommige adepten van het oude regime vinden die herdenking onaanvaardbaar. Veel van de eisen van de Communards blijken namelijk nog verrassend actueel.

Een van de meest opmerkelijke maatregelen van de Commune was de invoering van het ‘imperatief mandaat’: “De leden van de gemeenteraad, die voortdurend publiekelijk worden gecontroleerd en besproken, zijn afzetbaar, verantwoordelijk en aansprakelijk.”4 Er was geen sprake meer van een ‘representatief mandaat’ dat de verkozene de vrijheid geeft om verkiezingsbeloften al dan niet na te komen: een verkozene wordt aangesteld om een opdracht uit te voeren, als hij daarvan afwijkt kan hij onmiddellijk worden afgezet. In dezelfde geest zijn ambtenaren er om te dienen en niet om zichzelf te bedienen. De lonen van ambtenaren werden begrensd op 6.000 frank per jaar, wat overeenkwam met het gemiddelde salaris van een arbeider. Al hun andere financiële rechten werden bovendien afgeschaft. Deze en andere maatregelen tonen duidelijk aan dat het bestaande staatsapparaat niet meer kon dienen na de overwinning van de arbeiders, zoals Marx dat al eerder opmerkte. De Commune durfde die eis echter niet volledig door te trekken. Een eeuw later werd in Chili nog maar eens het tragisch bewijs geleverd voor de juistheid van Marx’ stelling.

In haar korte bestaan werkte de Commune ook een arbeidswetgeving uit, met name inzake nachtarbeid en de terbeschikkingstelling van door de eigenaars verlaten fabrieken aan de arbeiders. Marx was vanaf het begin enthousiast over de Parijse opstand. Niettemin probeerde hij in de herfst van 1870 de Parijse revolutionairen ervan te overtuigen dat elke opstand tot mislukken gedoemd was. Reeds in juni 1871, een paar weken na het neerslaan van de opstand, keurde de Algemene Raad van de Eerste Internationale de tekst “Adres aan de Algemene Raad van de Internationale Vereniging van Arbeiders: de Burgeroorlog in Frankrijk” goed en liet hem publiceren.

Voor de 20e verjaardag van de Commune, in maart 1891, schreef Friedrich Engels een voorwoord voor een nieuwe Engelse uitgave. We publiceren hieronder een aantal fragmenten.

Uittreksel uit het voorwoord van Friedrich Engels bij De burgeroorlog in Frankrijk

Wanneer de Parijse Commune uitbreekt, is Karl Marx in Londen. Hij volgde de strijd van de Parijse arbeiders op de voet en schreef in mei 1871 De burgeroorlog in Frankrijk. Wij publiceren hier grote delen uit het voorwoord dat Friedrich Engels in maart 1891 voor de 20e verjaardag van de commune schreef. De meeste lessen die Engels in navolging van Marx trekt uit de ervaring van deze eerste proletarische revolutie, zijn vandaag de dag nog steeds relevant, vooral met betrekking tot de staat.

Het proletariaat bewapend na de oorlog

Friedrich Engels (1820-1895) droeg meer dan zijn steentje bij tot het marxisme. Hij bleef heel zijn leven aan de zijde van Karl Marx, met wie hij Het Communistisch Manifest schreef. Hij publiceerde verder o.a. De toestand van de arbeidersklasse in Engeland en Ludwig Feuerbach en het einde van de klassieke Duitse filosofie.

Door de economische en politieke ontwikkeling van Frankrijk sinds 1789 bevond Parijs zich al vijftig jaar in een situatie dat er geen revolutie kon uitbreken, zonder dat deze een proletarisch karakter aannam. “Proletarisch”, in die zin dat het proletariaat, dat de overwinning met zijn bloed kocht, na de overwinning met eigen eisen optrad. Deze eisen waren vaag en zelfs verward, volgens de toenmalige ontwikkeling van de Parijse arbeiders. Maar tenslotte kwamen alle eisen neer op afschaffing van de klassentegenstelling tussen kapitalisten en arbeiders. Hoe dit moest gebeuren, wist men weliswaar niet. Maar de eis zelf, in welke vage bewoordingen die ook was gekleed, was gevaarlijk voor de bestaande maatschappelijke orde: de arbeiders, die hem stelden, waren nog gewapend. Voor de bourgeoisie, die het roer van de staat in haar handen hield, was de ontwapening van de arbeiders dus een absolute noodzaak. Vandaar dat na elke, door de arbeiders bevochten revolutie, een nieuwe strijd volgt die met de nederlaag van de arbeiders eindigt.

Dit gebeurde voor de eerste keer in 1848. De liberale bourgeois van de parlementaire oppositie hielden hervormingsfeestmalen om te eisen dat de hervorming van het kiesrecht,5 die hun heerschappij zou waarborgen, werd doorgezet. In de strijd met de regering meer en meer gedwongen om een beroep op het volk te doen, moesten zij de radicale en republikeinse lagen van de bourgeoisie en van de kleine burgerij langzamerhand meer naar voren laten komen. Maar achter deze lagen stonden de revolutionaire arbeiders en deze hadden zich sinds 1830 veel meer politieke zelfstandigheid verworven dan de bourgeois en zelfs de republikeinen vermoedden. Op het ogenblik van de crisis tussen regering en oppositie begonnen de arbeiders het straatgevecht. Louis Philippe verdween en met hem de kiesrechthervorming. In plaats daarvan ontstond de republiek, en wel een republiek die de zegevierende arbeiders zelf “sociaal” noemden. Wat onder deze sociale republiek moest worden verstaan, was voor niemand duidelijk, ook voor de arbeiders zelf niet. Maar zij beschikten nu over wapens en waren een macht in de staat. Zodra dus de bourgeoisrepublikeinen, die in het zadel zaten, hun evenwicht terugvonden, was hun eerste doel de ontwapening van de arbeiders. Door directe woordbreuk, openlijke verachting en door de poging de werklozen naar een afgelegen provincie te verbannen, lokten ze de opstand van juni 1848 uit. En nu volgde een bloedbad onder de weerloze gevangenen, zoals er niet meer gezien was sinds de dagen van de burgeroorlogen, die de ondergang van de Romeinse republiek inleidden. Het was de eerste keer dat de bourgeoisie toonde tot welke krankzinnige wraakzuchtige wreedheid zij bereid is, zodra het proletariaat tegenover haar als afzonderlijke klasse met eigen belangen en eisen durft optreden. En toch was 1848 nog kinderspel, vergeleken met haar woede in 1871.

De straf volgde op de voet. Kon het proletariaat Frankrijk nog niet regeren, de bourgeoisie kon het niet meer. Tenminste niet op dat moment, toen zij voor het merendeel nog monarchistisch gezind, en in drie dynastieke partijen en een vierde republikeinse partij was gesplitst. Haar onderling gekrakeel maakte het de avonturier Louis Bonaparte6 mogelijk alle machtposities — leger, politie, bestuursmachinerie — in bezit te nemen en op 2 december 1851 de laatste burcht van de bourgeoisie, de Nationale Vergadering, uit elkaar te jagen. Het Tweede Keizerrijk begon, de uitbuiting van Frankrijk door een bende politieke en financiële avonturiers, maar tegelijk begon een industriële ontwikkeling, die onder het bekrompen en angstige systeem van Louis Philippe, onder de exclusieve heerschappij van slechts een klein gedeelte van de bourgeoisie, nooit mogelijk was geweest. Louis Bonaparte ontnam de kapitalisten hun politieke macht onder het voorwendsel hen, de bourgeois, tegen de arbeiders te beschermen en de arbeiders op hun beurt tegen hen. Maar in ruil hiervoor begunstigde zijn heerschappij de speculatie en de industriële werkzaamheden, kortom: de opbloei en de verrijking van geheel de bourgeoisie in tot dusverre ongekende mate. In nog veel grotere mate weliswaar ontwikkelde zich de corruptie en de massale diefstal, die zich rondom het keizerlijke hof groepeerden en van deze verrijking hun hoge procenten trokken.

Maar het Twee Keizerrijk beroept zich ook op het Franse chauvinisme; het betekende het terugeisen van de in 1814 verloren grenzen van het Eerste Keizerrijk, op zijn minst die van de Eerste Republiek. Een Frans keizerrijk binnen de grenzen van de oude monarchie, ja, zelfs binnen de nog meer ingeperkte grenzen van 1815 — dit was op de duur een onmogelijkheid. Vandaar de noodzakelijkheid van oorlogen af en toe en van grensverruiming. Maar geen verovering beroerde zozeer de fantasie van de Franse chauvinisten als die van de linker Rijnoever. Eén vierkante mijl aan de Rijn betekende bij hen meer dan tien in de Alpen of ergens anders. Met de oprichting van het Tweede Keizerrijk was het terugeisen van de linker Rijnoever, in één keer of bij gedeelten, slechts een kwestie van tijd. Deze tijd kwam met de Pruisisch-Oostenrijkse oorlog van 1866. Door Bismarck en door zijn eigen al te sluwe weifelpolitiek in de verwachte “gebiedsschadeloosstelling” bedrogen, restte Bonaparte nu niets meer dan de oorlog, die in 1870 uitbrak en hem in Sedan en van daar in Wilhelmshöhe deed belanden.

Het noodzakelijke gevolg was de Parijse Revolutie van 4 september 1870. Het keizerrijk viel in elkaar als een kaartenhuis; de republiek werd opnieuw uitgeroepen. Maar de vijand stond voor de poorten. De legers van het keizerrijk waren òf hopeloos ingesloten in Metz òf in Duitsland gevangen. In deze noodsituatie liet het volk toe dat de Parijse afgevaardigden in het vroegere wetgevende lichaam zich als “regering van de nationale verdediging” opwierpen. Men stond ook snel toe, omdat voor de verdediging alle voor de militaire dienst geschikte Parijzenaars in de Nationale Garde dienst hadden genomen en gewapend waren, zodat nu de arbeiders een grote meerderheid vormden. Maar al spoedig kwam de tegenstelling tussen de bijna alleen uit bourgeois bestaande regering en het gewapende proletariaat tot uitbarsting. Op 31 oktober werd het stadhuis door arbeidersbataljons bestormd en een gedeelte van de regeringsleden gevangen genomen. Verraad, directe woordbreuk van de regering en de tussenkomst van enige uit kleinburgers bestaande bataljons bevrijdden hen weer, en om geen burgeroorlog binnen de wallen van een door een vreemde krijgsmacht belegerde stad te doen ontvlammen, liet men de bestaande regering op haar post.

Een van de meest opmerkelijke maatregelen van de Commune was de invoering van het ‘imperatief mandaat’.

Eindelijk, op 8 januari 1871, capituleerde het uitgehongerde Parijs. Maar met tot dusver in de krijsgeschiedenis ongekende eer. De forten werden overgegeven, de vestingwal ontwapend, de wapens van de linietroepen en van de Mobiele Garde uitgeleverd en deze zelf als krijgsgevangenen beschouwd. Maar de Nationale Garde behield haar wapens en kanonnen en sloot alleen een wapenstilstand met de overwinnaars. En deze zelf durfden Parijs niet in triomf binnen trekken. Slechts een klein, bovendien gedeeltelijk uit openbare parken bestaand hoekje van Parijs durfden zij bezetten, en dat ook maar voor een paar dagen! En gedurende deze tijd waren zij die Parijs 131 dagen lang omsingeld hadden gehouden, zelf omsingeld door de gewapende Parijse arbeiders, die er zorgvuldig voor waakten dat geen “Pruis” de enge grenzen van het aan de vreemde veroveraar overgelaten hoekje overschreed. Zo’n grote eerbied boezemden de Parijse arbeiders het leger in, waarvoor al de legers van het keizerrijk de wapens hadden neergelegd; en de Pruisische jonkers, die gekomen waren om op de haard van de revolutie wraak te nemen, moesten eerbiedig blijven staan en voor diezelfde gewapende revolutie salueren!

De Commune

Gedurende de oorlog hadden de Parijse arbeiders zich ertoe bepaald, de energieke voortzetting van de strijd te eisen. Maar nu na de capitulatie van Parijs vrede tot stand kwam, moest Thiers, het nieuwe hoofd van de regering, inzien dat de heerschappij van de bezittende klassen van de grootgrondbezitters en de kapitalisten in voortdurend gevaar verkeerde, zolang de Parijse arbeiders de wapens in handen hielden. Zijn eerste werk bestond in een poging hen te ontwapenen. Op 18 maart zond hij linietroepen met het bevel de artillerie te roven van de Nationale Garde. Deze artillerie was vervaardigd gedurende het beleg van Parijs en betaald met geld verkregen door openbare intekening. De poging mislukte. Parijs maakte zich als één man tot verzet gereed en de oorlog tussen Parijs en de Franse regering in Versailles was verklaard. Op 26 maart werd de Parijse Commune gestemd en op 28 maart werd ze uitgeroepen. Het Centraal Comité van de Nationale Garde, dat tot dusverre de regering had gevoerd, diende haar zijn ontslag in, nadat het nog tevoren de afschaffing van de schandelijke Parijse “zedenpolitie” had afgekondigd. Op 30 maart schafte de Commune de conscriptie en het staande leger af en verklaarde de Nationale Garde, waartoe alle weerbare burgers moesten behoren, tot de enige gewapende macht. Ze schold alle huishuren van oktober 1870 tot april 1870 kwijt, onder afschrijving van de reeds betaalde huursommen op de toekomstige huurtijd, en zette elke verkoop van panden in de stedelijke bank van lening stop. Dezelfde dag werden de in de Commune gekozen buitenlanders in hun ambt bevestigd, daar “de vaan van de Commune die van de wereldrepubliek is”.

Op 1 april werd besloten dat het hoogste salaris van een Communebeambte, dus ook van haar leden zelf, niet hoger mocht zijn dan 6.000 frank.7 De volgende dag werd de scheiding van kerk en staat afgekondigd, evenals de afschaffing van alle betalingen voor godsdienstige doeleinden door de staat en de omzetting van alle bezittingen van de geestelijkheid in nationaal eigendom. Vervolgens werd op 8 april bevel gegeven om alle religieuze symbolen, schilderijen, dogma’s, gebeden, kortom, “al hetgeen tot het geweten van ieder persoonlijk behoort”, uit de scholen te verbannen, en dit werd geleidelijk ten uitvoer gebracht.

Op 5 april werd tegen het dagelijks doodschieten van gevangen genomen Communestrijders door de Versaillaanse troepen een decreet over het in hechtenis nemen van gijzelaars uitgevaardigd, dat echter nooit is toegepast.

Op 6 april werd de guillotine door het 137e bataljon van de Nationale Garde te voorschijn gehaald en onder luid gejubel van het volk in het openbaar verbrand.

Op 12 april besloot de Commune de overwinningszuil op de Place Vendôme, die na de oorlog van 1809 door Napoleon van veroverde kanonnen gegoten werd als zinnebeeld van het chauvinisme en volksophitsing, omver te werpen. Dit werd op 16 mei uitgevoerd.

Op 16 april verordende de Commune een statistische raming van de door de fabrikanten buiten werking gestelde fabrieken, en het uitwerken van plannen om deze opnieuw in gebruik te nemen; en dit door daarin werkzame arbeiders in coöperaties te verenigen, en door deze coöperaties in een grote bond te organiseren.

De bourgeoisie toonde tot welke krankzinnige wraakzuchtige wreedheid zij bereid is, zodra het proletariaat tegenover haar optreedt.

Op 20 april schafte zij de nachtarbeid voor de bakkers af, alsook de arbeidsbemiddeling, die sinds het Tweede Keizerrijk exclusief door een selecte groep arbeiders-uitbuiters van de eerste rang bedreven werd, uitgekozen door de politie; ze werd aan de gemeentebesturen (maires) van de twintig Parijse arrondissementen opgedragen.

Op 30 april beval zij het sluiten van de pandjeshuizen, die een particuliere uitbuiting van de arbeiders betekenden, en in strijd waren met het recht van de arbeiders op eigen gereedschap en op krediet.
Op 5 mei besloot zij tot het slopen van de boetkapel, opgericht als zoenoffer voor de terechtstelling van Lodewijk XVI.

Zo trad sinds 18 maart het klassenkarakter van de Parijse beweging scherp en zuiver naar voor. Door de strijd tegen de buitenlandse invasie was dat naar de achtergrond gedrongen. Zoals in de Commune bijna alleen arbeiders of erkende arbeidersvertegenwoordigers zitting hadden, zo droegen ook haar besluiten een beslist proletarisch karakter. Of ze vaardigde hervormingen uit die de republikeinse bourgeoisie slechts uit lafheid had nagelaten, maar die voor de vrije ontplooiing van de actie van de arbeidersklasse een noodzakelijke grondslag uitmaakten, zoals het verwezenlijken van de stelling dat tegenover de staat godsdienst niets anders dan een persoonlijke aangelegenheid is; óf zij vaardigde besluiten uit die rechtstreeks in het belang van de arbeidersklasse waren en gedeeltelijk diep in de oude maatschappijorde ingrepen. Maar tot dit alles kon men in een belegerde stad hoogstens een eerste aanzet geven. En vanaf begin mei nam de strijd tegen de steeds groter aanzwellende legermassa alle krachten van de regering in beslag.

Versaille tegen de Commune

Op 7 april hadden de Versaillanen zich van de overgang van de Seine, bij Neuilly, aan het westelijk front van Parijs, meester gemaakt. Maar op 11 april werden ze bij een aanval op het zuidelijk front door generaal Eudes, met bloedende koppen teruggeslagen. Parijs werd voortdurend gebombardeerd, en wel door dezelfde lieden die het bombardement van dezelfde stad door de Pruisen als heiligschennis hadden gebrandmerkt. Deze zelfde lieden bedelden nu bij de Pruisische regering om snelle terugzending van de gevangen Franse soldaten van Sedan en Metz, die voor hen Parijs moesten heroveren.

Deze troepen kwamen langzamerhand aan en gaven aan de Versaillanen van af begin mei een beslist overwicht. Dit bleek al toen Thiers op 23 april de onderhandelingen afbrak voor de door de Commune aangeboden ruil van de aartsbisschop van Parijs en een ganse reeks van andere te Parijs vastgehouden geestelijken tegen de enkele Blanqui,8 die tweemaal in de Commune was verkozen, maar te Clairvaux gevangen zat. En nog meer veranderde de taal van Thiers. Tot dusverre terughoudend en dubbeltongig, werd hij nu plotseling overmoedig, dreigend, brutaal. Aan het zuidelijke front namen de Versaillanen op 3 mei de schans van Moulin Saquet; op 9 mei het volslagen in puin geschoten fort van Issy; op 14 mei het fort van Vanves. Aan het westelijke front rukten zij langzamerhand op tot aan de noordwal zelf, terwijl ze gaandeweg de talrijke, tot aan de ringmuur zich uitstrekkende dorpen en gebouwen veroverden. Op 11 mei lukte het hen, door verraad en ten gevolge van de nalatigheid van de hier geplaatste Nationale Garde, de stad binnen te dringen. De Pruisen, die de noordelijke en de oostelijke forten bezet hielden, gaven de Versaillanen toelating over het volgens de wapenstilstand voor hen verboden terrein in het noorden van de stad op te trekken, zodat zij over een breed front konden aanvallen dat voor de Parijzenaars eerder onder de wapenstilstand viel en zij daarom maar zwak bezet hielden. Daarom was de tegenstand in de westelijke helft van de stad, in de eigenlijke luxestad, slechts zwak. Hij werd heftiger en hardnekkiger naarmate de binnendringende troepen de oostelijke helft, de eigenlijke arbeidersstad, naderden.

De ironie van de geschiedenis wilde dat zowel de Proudhonianen als de Blanquisten het tegendeel deden van wat hun leerstellingen voorschreven.

Pas na een strijd van acht dagen moesten de laatste verdedigers van de Commune op de heuvels van Belleville en Ménilmontant het opgeven, en nu bereikte het vermoorden van weerloze mannen, vrouwen en kinderen, dat de gehele week door in stijgende mate had gewoed, zijn hoogtepunt. Geweren doodden niet snel genoeg meer. Bij honderden werden de overwonnenen met mitrailleurs neergeschoten. De Mur des Fédérés op het kerkhof Père-Lachaise, waar de laatste massamoord werd voltrokken, staat er nog altijd, als een stomme, welsprekende getuige van de razernij waartoe de heersende klasse in staat is zodra het proletariaat voor zijn recht durft op te komen. Toen kwamen de massa-arrestaties. Toen het slachten van allen onmogelijk bleek te zijn, werden willekeurig uit de rijen van de gevangenen uitgezochte slachtoffers doodgeschoten, de rest in een groot kamp ondergebracht om daar af te wachten, totdat zij voor de krijgsraad werden geleid. De Pruisische troepen, die om de noordelijke helft van Parijs gelegerd waren, hadden bevel geen vluchtelingen door te laten. Toch deden de officieren dikwijls een oog toe als de soldaten meer naar het gebod van de menselijkheid luisterden dan naar dat van het oppercommando. Met name komt aan het Saksische legerkorps de roem toe dat het zich zeer humaan gedroeg en velen doorliet, die duidelijk de stempel van Communestrijders droegen.

Postscriptum

Zien wij heden, na twintig jaar, op de daden en de historische betekenis van de Parijse Commune van 1871 terug, dan zullen we vinden dat er nog enige aanvullingen op de uiteenzetting in De burgeroorlog in Frankrijk kunnen worden gegeven.

De leden van de Commune verdeelden zich in een meerderheid, de blanquisten, die ook een overwegende rol hadden gespeeld in de Nationale Garde, en een minderheid, de overwegend uit aanhangers van de proudhonistische9 socialistische school bestaande leden van de Internationale Arbeidersassociatie. Toentertijd waren de blanquisten, wat de grote massa betreft, slechts uit revolutionair, proletarisch instinct socialisten; slechts weinigen waren door Vaillant,10 die het Duitse wetenschappelijke socialisme kende, tot groter principiële klaarheid gekomen. Zo is het te begrijpen dat in economisch opzicht veel werd nagelaten van hetgeen volgens onze huidige opvattingen de Commune had moeten doen. Het moeilijkst te begrijpen is zeker de heilige eerbied, waarmee men voor de poorten van de Bank van Frankrijk bleef staan. Dit was ook een grote politieke fout. De bank in de handen van de Commune, dat was meer waard dan tienduizend gijzelaars. Dat betekende de druk van de ganse Franse bourgeoisie op de Versaillaanse regering in het belang van de vrede met de Commune. Nog wonderlijker evenwel was, dat toch nog zoveel goede dingen door de uit blanquisten en proudhonisten samengestelde Commune werden gedaan. Het spreekt vanzelf, dat voor de economische decreten van de Commune, zowel wat de roemvolle als wat de slechte kanten betreft, in de eerste plaats de proudhonisten verantwoordelijk waren, zoals voor haar politieke daden en tekortkomingen de blanquisten. En in beide gevallen wilde de ironie van de geschiedenis, zoals gewoonlijk wanneer doctrinairen aan het roer komen, dat zowel dezen als genen het tegendeel deden van wat hun leerstellingen voorschreven.

Het verreweg belangrijkste decreet van de Commune schreef een organisatie van de grote industrie voor.

Proudhon, de socialist van de kleine boeren en van de kleine bazen, haatte de vakvereniging met een positieve haat. Hij zei daarvan dat ze meer kwaads dan goeds meebrengt, dat ze van nature onvruchtbaar is, schadelijk zelfs, omdat ze de vrijheid van de arbeider aan banden legt, dat ze een zuiver dogma is, onproductief en bezwaarlijk, in strijd met zowel de vrijheid van de arbeider als met de efficiënte besteding van arbeid, en dat haar nadelen sneller groeien dan haar voordelen, en dat, met haar vergeleken, concurrentie, arbeidsdeling, privaat eigendom, economische krachten zijn. Slechts voor de uitzonderingsgevallen, zoals Proudhon ze noemt, van de grote industrie en van de grote bedrijfslichamen, bijvoorbeeld spoorwegen, was volgens Proudhon de associatie van de arbeiders op haar plaats.

En in 1871 had de grote industrie zelfs te Parijs, de centrale zetel van het kunstambacht, reeds zó zeer opgehouden, een uitzondering te zijn, dat het verreweg belangrijkste decreet van de Commune een organisatie van de grote industrie en zelfs van de manufactuur voorschreef, die niet slechts op de associatie van de arbeiders in elke fabriek moest berusten, maar ook al deze coöperaties in een groot verband moest verenigen; kortom, een organisatie, die, zoals Karl Marx volkomen terecht in De burgeroorlog zegt, ten slotte op het communisme moest uitlopen, dus op het directe tegendeel van Proudhons leer. En daarom was de Commune ook het graf van Proudhons school van het socialisme. Deze school is thans uit de Franse arbeiderskringen verdwenen. Hier heerst thans onbetwist, bij possibilisten11 niet minder dan bij marxisten, de theorie van Marx. Slechts onder de ‘radicale’ bourgeoisie worden nog proudhonisten gevonden.

Niet beter ging het met de blanquisten. Groot gebracht in de school van de samenzwering, bijeengehouden door de daaraan beantwoordende strikte discipline, gingen zij van de opvatting uit dat een betrekkelijk klein getal van vastberaden, hecht georganiseerde mannen, op een gegeven gunstig moment niet slechts het roer van de staat zou kunnen grijpen, maar ook door het ontplooien van grote, niets ontziende energie dit zo lang te handhaven, totdat de massa van het volk met de revolutie meegesleurd zou zijn en zich om de kleine, leidende schare heen zou groeperen. Daartoe behoorde voor alles de meest gestrenge dictatoriale centralisatie van alle macht in de hand van de nieuwe revolutionaire regering. En wat deed de Commune, die, wat de meerderheid betreft, juist uit deze blanquisten bestond? In al haar oproepen aan de Fransen in de provincie riep zij deze op tot een vrije federatie van alle Franse communes met Parijs, tot een nationale organisatie, die voor de eerste keer werkelijk door de natie zelf zou worden geschapen. Juist de onderdrukkende macht van de tot dusverre bestaande, gecentraliseerde regering, leger, politieke politie, bureaucratie, die Napoleon in 1798 had geschapen en die sedert elke nieuwe regering als welkom werktuig had overgenomen en tegen haar tegenstanders gebruikt, juist deze macht behoorde overal te vallen, zoals ze reeds te Parijs was gevallen.

De Commune had van meet af aan moeten erkennen dat de arbeidersklasse, eenmaal aan de macht gekomen, niet met de oude staatsmachine kan voortwerken; dat deze arbeidersklasse, wil ze niet haar eigen, pas veroverde heerschappij weer teloor zien gaan, enerzijds de gehele oude, tot dusverre tegen haar zelf aangewende onderdrukkingsmachinerie moest afschaffen, doch anderzijds zich moet beveiligen tegen haar eigen afgevaardigden en beambten, door deze, zonder uitzondering, als te allen tijde afzetbaar te verklaren. Waarin bestond de kenmerkende eigenschap van de nu toe bestaande staat? De maatschappij had zich voor het verzorgen van haar gemeenschappelijke belangen, oorspronkelijk door eenvoudige arbeidsdeling, eigen organen geschapen. Maar deze organen, met de staatsmacht op kop, hadden zich mettertijd, in dienst van haar eigen bijzondere belangen, van dienaren in meesters van de maatschappij veranderd. Zoals dit bijvoorbeeld niet slechts in de erfelijke monarchie maar even goed in de democratische republieken is te zien. Nergens vormen de ‘politiekers’ een meer op zich zelf staande en machtiger afdeling van de natie dan juist in Noord-Amerika. Hier wordt elk van de grote partijen, aan wie om beurten de heerschappij toevalt, zelf weer geregeerd door lieden, die uit de politiek een zaak maken, die op zetels in de wetgevende vergadering zowel van de Bond als van de afzonderlijke staten speculeren, of die van de agitatie voor hun partij leven, en als deze heeft gewonnen, door baantjes worden beloond. Het is bekend, hoe de Amerikanen sinds de laatste dertig jaren dit ondragelijk geworden juk pogen af te schudden en hoe zij toch steeds dieper in dit moeras van de corruptie wegzinken. Juist in Amerika kunnen wij het best zien hoe dit zelfstandig worden van de staatsmacht tegenover de maatschappij, waarvan ze oorspronkelijk als eenvoudig werktuig was bestemd, in zijn werk gaat. Hier bestaat geen dynastie, geen adel, geen staand leger buiten het paar man ter bewaking van de Indianen, geen bureaucratie met vaste aanstelling of recht op pensioen. En toch hebben wij hier twee grote benden van politieke speculanten, die om de beurt de staatsmacht in bezit nemen en met de meest corrupte middelen en voor de meest corrupte doeleinden uitbuiten, en de natie is machteloos tegen deze, zogenaamd tot haar dienst staande, in werkelijkheid haar evenwel beheersende en uitplunderende twee grote kartels van politiekers.

Tegen deze, in alle tot nu toe bestaande staten onvermijdelijke verandering van de staat en de staatsorganen van dienaren van de maatschappij in meesters van de maatschappij, paste de Commune twee onfeilbare middelen toe. In de eerste plaats bezette zij alle posten, besturende, recht sprekende, onderwijzende, door keuze volgens het algemeen stemrecht van de belanghebbenden, en wel met het recht van terugroeping door dezelfde belanghebbenden op elk moment. En ten tweede betaalde zij voor alle diensten, hoge zowel als lage, slechts het loon dat andere arbeiders ontvingen. Het hoogste salaris dat ze ten slotte betaalde, was 6.000 frank. Daarmee was de deur voor baantjesjagers voor goed gesloten, ook zonder de bindende mandaten bij gedelegeerden in vertegenwoordigende lichamen, die er ten overvloede nog aan werden toegevoegd.

De arbeidersklasse, eenmaal aan de macht gekomen, kon niet voortwerken met de oude staatsmachine.

Dit verbrijzelen van de tot nu toe bestaande staatsmacht en het vervangen daarvan door een nieuwe waarachtig democratische, is in het derde hoofdstuk van De burgeroorlog grondig behandeld. Het was evenwel nodig, hier nog eens op enkele trekken daarvan in te gaan, omdat juist in Duitsland het bijgeloof in de staat zich uit de filosofie in het algemeen bewustzijn van de bourgeoisie en zelfs van vele arbeiders heeft overgeplant. Volgens de filosofische voorstelling is de staat de “verwezenlijking van de idee”, of het in het filosofisch overgebrachte rijk Gods op aarde, het gebied waarop de eeuwige waarheid en gerechtigheid werkelijkheid wordt of behoort te worden. En daaruit volgt dan een bijgelovige verering van de staat en van al wat met de staat samenhangt, die des te gemakkelijker ingang vindt, naarmate men zich van kindsbeen af er aan heeft gewend zich in te beelden dat de aan de ganse maatschappij gemeenschappelijke zaken en belangen niet anders kunnen worden behartigd dan tot dusverre het geval is geweest: door de staat en zijn goed bezoldigde overheidspersonen. En men gelooft reeds een zeer geweldige stoutmoedige stap te hebben gedaan, als men zich van het geloof in de erfelijke monarchie heeft bevrijd en bij de democratische republiek zweert. In werkelijkheid echter is de staat niets dan een machine ter onderdrukking van de ene klasse door een andere, en wel in de democratische republiek niet minder dan in de monarchie. In het beste geval is het een kwaad, dat het in de strijd om de klassenheerschappij zegevierende proletariaat erft en welke ergste kanten het, evenmin als de Commune, zal kunnen nalaten met de grootst mogelijk spoed te besnoeien, totdat een in nieuwe vrije maatschappijtoestanden opgegroeid geslacht in staat zal zijn, zich van de gehele staatsrommel te ontdoen.

Deze tekst is een bewerking van de Nederlandse vertaling, oorspronkelijk uitgegeven bij uitgeverij Pegasus. We deden enige redactionele ingrepen om de leesbaarheid te bevorderen. Titel en tussentitels zijn van de hand van de redactie, net als de verklarende voetnoten.

Footnotes

  1. Michèle Camus, “Le 18 mars 2014: Vive la Commune ! Vive la Sociale !”, Les Amies et Amis de la Commune de Paris 1871, 6 mei 2014.
  2. Karl Marx, De burgeroorlog in Frankrijk, Uitgeverij Pegasus, 1936.
  3. Zie: Denis Cosnard, “‘Légende noire’ versus ‘légende rouge’: la difficile commémoration des 150 ans de la Commune de Paris”, Le Monde, 19 februari 2021.
  4. Les élections du 26 mars 1871”, Les Amies et Amis de la Commune de Paris 1871, 6 mei 2014.
  5. Kiesrechthervorming: het ging om de invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht voor mannen.
  6. Louis-Napoleon Bonaparte maakte na de staatsgreep van 2 december 1851 een einde aan de Tweede Franse Republiek. Hij herstelde het Rijk en werd keizer van de Fransen onder de naam Napoleon III.
  7. Ongeveer 20.000 euro aan de hedendaagse koers.
  8. Auguste Blanqui (1805-1881) was een Franse revolutionair. Hij was een voorstander van een soort utopisch socialisme en van een revolutionair voluntarisme van het putschistische type. Machtsovername moet gebeuren door een kleine groep vastberaden militanten. Binnen de grenzen die Engels hier stelt, hebben de blanquisten een beslissende rol gespeeld tijdens de Parijse Commune.
  9. Pierre-Joseph Proudhon (1809-1865) is een theoreticus van het libertaire socialisme. Zijn stellingen werden regelmatig door Marx werden tegengesproken. Hij heeft veel militanten van de Commune beïnvloed.
  10. Édouard Vaillant (1840-1915) was een leider van de Parijse Commune. Hij leunde dicht aan bij het blanquisme en onderhield contact met Marx.
  11. Possibilisten: verwijzing naar de hervormingsgezinde socialistische stroming waarvan de aanhangers zich in de jaren 1880 rond Paul Brousse verzamelden. Zij verzetten zich tegen het programma dat door Jules Guesde werd voorgesteld.