Artikels

En plots is er solidariteit

Benoit Bréville

—6 november 2026

Een spontane beweging van middelbare scholieren die de tekortkomingen van het onderwijssysteem aan de kaak stelde, vond aansluiting bij andere vormen van onvrede. Ze schaarde diverse sectoren van de samenleving achter zich. Tot nu toe mislukten de pogingen om de demonstranten te verdelen.

Shutterstock

Lucie en Robin klagen niet al te veel over hun studieomstandigheden in het Franse departement Aveyron. Hun middelbare school is onlangs gerenoveerd en de klassen zitten niet overvol. Toch demonstreerden ze mee op 17 oktober. Ze deden dat uit solidariteit met hun minder bevoorrechte medeleerlingen. ‘Ook al gaat het hier in Rodez goed, dat is niet overal zo, vooral niet in de voorsteden’, legden ze uit aan een journalist die verslag deed van de actie (Centre Presse Aveyron, 17 oktober). De solidariteit tussen middelbare scholieren uit regio’s die op het eerste gezicht weinig gemeen hebben, is ontstaan op de sociale media. Daar doen getuigenissen, video’s en bemoedigende berichten de ronde van school tot school. Dit is één van de bijzondere kenmerken van de beweging die Frankrijk sinds het begin van het schooljaar 2026 in rep en roer zet. Een andere bijzonderheid is dat de mobilisatie protesteert tegen de algemene achteruitgang van het openbaar onderwijs. Ze is niet ontstaan uit verzet tegen een specifieke hervorming, zoals dat vaak het geval is.

Overal, van Créteil tot Lamballe, van Vaulx-en-Velin tot Villefranche-de-Rouergue, via Parijs, Marseille, Mayotte of Frans-Guyana, komen dezelfde zorgen naar voren: vervallen en slecht geïsoleerde lokalen, leraren die niet worden vervangen, lesroosters vol gaten, te lange dagen, Parcoursup1 en zijn onbegrijpelijke algoritmes… En dan zijn er nog de steeds versomberende vooruitzichten van een kunstmatige intelligentie die banen bedreigt; van een klimaatverandering die de planeet teistert en van een Europese oorlogsdreiging.
Dat middelbare scholieren uit de voorsteden en uit landelijke gebieden elkaar nu vinden, kan verrassend zijn na vijftien jaar van voortdurende nadruk op de ‘territoriale kloof’. Die verankerde het idee dat er een tegenstelling bestaat tussen het ‘Frankrijk van de grootsteden’ en het ‘perifere Frankrijk’; tussen ‘stadsjongeren’ en ‘plattelandsjeugd’.

Als men ophoudt regio’s tegenover elkaar uit te spelen en zich in plaats daarvan op de sociale omstandigheden richt, blijken de ervaringen van jongeren erg op elkaar te lijken.

Volgens deze interpretatie, die even wijdverbreid is in de media als betwist door onderzoekers, zouden er in de volksklassen twee groepen jongeren bestaan2. Zij zouden noch dezelfde problemen, noch dezelfde waarden, noch dezelfde vooruitzichten hebben. Jongeren in de voorsteden zouden te maken hebben met racisme, discriminatie en stedelijke segregatie. Hun geografische nabijheid zou hen een zekere openheid naar de wereld bieden. Die openheid zouden zij te danken hebben aan dynamische centra of aan de bijzondere aandacht van de staat voor het stedelijk beleid. Ze zouden meer mogelijkheden krijgen om netwerken op te bouwen die hun sociale mobiliteit bevorderen. Omgekeerd zouden jongeren op het platteland, die bekendstaan als conservatiever en traditioneler, gevangen zitten in hun eigen regio. Ze zouden ver verwijderd zijn van de besluitvormingscentra, van de topopleidingen en van de arbeidsmarkt. De overheid zou ze vergeten zijn, en ze zouden minder kansen hebben om het te maken. ‘De jongeren in de voorsteden zijn bevoordeeld ten opzichte van die op het platteland. Het is een jeugd aan wie alles is gegeven. Het is beter om twintig jaar oud te zijn in Saint-Denis en Nanterre dan in de Creuse’, meent Jordan Bardella, de voorzitter van het Rassemblement National (RTL, 2 juli 2023). Je kunt je dan ook moeilijk voorstellen dat er een sociale beweging ontstaat die deze twee groepen jongeren verenigt.

Maar wanneer we deze regio’s niet langer tegenover elkaar plaatsen en ons richten op de sociale omstandigheden, blijken hun ervaringen veel dichter bij elkaar te liggen dan op het eerste gezicht leek. Zowel op het platteland als in de voorsteden worden jongeren hard getroffen door de gevolgen van de de-industrialisering. Ze hebben te maken met een gebrek aan vaste banen, onderinvestering in openbare diensten en de stigmatisering van de enen als ‘boerenkinkels’ en van de anderen als ‘tuig’. Ze delen ook vormen van sociale omgang die gericht zijn op ‘solidariteit in kleine kring’.3 Die kringen zijn erg homogeen en vertonen bij jongens een voorliefde voor voetbal en motorcross. Kortom, ze hebben alle reden om met één stem te spreken, en de middelbare scholierenbeweging heeft dat met kracht, vastberadenheid en enthousiasme duidelijk gemaakt.

Benoit Bréville is historicus en journalist. Sinds februari 2023 is hij de nieuwe directeur van Le Monde diplomatique.

Als reactie op deze ongekende mobilisatie heeft de regering een beproefde methode toegepast die al sinds de machtsovername door Emmanuel Macron wordt gebruikt. Eerst negeerde de regering de beweging (minister van Onderwijs Édouard Geffray wachtte twee weken voor hij vertegenwoordigers van de middelbare scholieren ontving). Vervolgens onderdrukte hij de beweging. Daarna beschadigde ze haar reputatie (de blokkades zouden slechts een ‘manoeuvre zijn van La France insoumise en haar vertegenwoordigers van extreemlinks’, aldus Matignon). Vervolgens probeerde ze de beweging te verdelen door een onderscheid te maken tussen de ‘goede’ demonstranten en de ‘slechte’ ‘relschoppers’. Die laatsten zouden het protest van de middelbare scholieren hebben omgevormd tot ‘een beweging van stedelijk geweld’, aldus premier Sébastien Lecornu. En natuurlijk heeft de regering een onlineplatform opgezet waarop leerlingen hun grieven kunnen uiten. Die methode werd al in 2019 bij de ‘gele hesjes’ toegepast. Het gaat erom een digitale uitlaatklep voor de woede te bieden en die vervolgens beter te kunnen negeren.

De regering dacht dat ze erin geslaagd was. De oproep voor de mobilisatie van 17 oktober kwam van middelbare scholieren, studentenorganisaties, de ‘gele hesjes’ en de vakbonden. De regering rekende erop dat die zou mislukken. Ze verwachtte slechts 150.000 tot 200.000 deelnemers. Het aantal deelnemers bleek vier keer zo groot. In de marge van de massale en vreedzame optochten – die niettemin traangas en willekeurige politieaanvallen moesten ondergaan – werden zo’n drieduizend winkels vernield of leeggeroofd. Openbare gebouwen werden in brand gestoken.

We kennen de ‘collectieve onderhandelingen via rellen’ sinds de jaren 1980. Geen toeval dat ze vandaag terug zijn.

Vanaf dat moment kwam de identitaire stoomwals weer op gang om de eisen van de demonstranten te verpletteren. Terwijl de demonstranten openbare diensten, lonen, inflatie en brandstofprijzen op de agenda zetten, verschoof het debat weer naar immigratie, criminaliteit en de voorsteden… We zien op de video’s die op internet circuleren toch jongeren met capuchons? ‘Deze plunderaars zijn voor een overweldigende meerderheid kinderen van immigranten die, ongetwijfeld onbewust, simpelweg de plunderingen van hun voorouders imiteren’, concludeert journaliste Élisabeth Lévy (Sud Radio, 19 oktober). Bardella hekelt eveneens de ‘ontwortelde horden wilden die zich aan de andere kant van de ringweg bevinden en die naar de agglomeraties en de grote steden komen om te plunderen terwijl ze een gevoel van wraak uiten jegens Frankrijk’ (CNews, 19 oktober). Bruno Retailleau, presidentskandidaat voor Les Républicains, keert zich op zijn beurt tegen de ‘mensen met een dubbele nationaliteit die plunderen, gewelddadig zijn en gendarmes en politieagenten aanvallen.’ Hij stelt voor ze de Franse nationaliteit te ontnemen – een idee dat ook verdedigd wordt door de voorzitter van Reconquête, Éric Zemmour. Aan het einde van deze week vol racistische uitbarstingen greep een man naar een machinepistool om, met zijn eigen woorden, ‘de winkeliers die schade opliepen te wreken’. In Trappes schoot hij zonder te waarschuwen op ‘zwarten en Arabieren’.

Niemand kent echter het profiel van de personen die bij deze rellen betrokken waren. En zelfs als zou blijken dat er onder hen zeer veel jongeren uit de voorsteden waren, zou dat nog niet volstaan om er een etnisch fenomeen van te maken. De gebeurtenissen in het Verenigd Koninkrijk in de zomer van 2011, na de dood van Mark Duggan, een jonge zwarte man die in Londen door de politie werd gedood, laten namelijk zien hoe vertekend deze interpretatie kan zijn. In vijf dagen tijd werden toen meer dan 2.000 winkels vernield of

geplunderd. ‘Deze rellen hadden een racistisch karakter. Waarom zou je dat ontkennen?’, stelde een columniste van de Telegraph (7 augustus 2011) meteen vast. ‘Zonder de bendecultuur in zwart Londen zou geen van deze rellen hebben plaatsgevonden’, besloot een collega van de Daily Mirror (13 augustus 2011). Een jaar later schetste een rapport van het ministerie van Justitie een heel ander beeld. Van de 3.103 personen die werden berecht wegens verstoring van de openbare orde, was 41 % blank en 39% zwart. Het hing in feite af van de betreffende stad. In Birmingham, waar de jongeren uit de volkswijken overwegend zwart zijn, waren de gearresteerden dat ook. In Liverpool of Manchester, waar in de volkswijken meer blanke jongeren wonen, was de trend omgekeerd. Met andere woorden: het profiel van de deelnemers weerspiegelde vooral de samenstelling van de lokale jongeren uit de volkswijken.4 Wat hun motieven betreft, bracht een ander rapport een sterk effect van opportunisme en kopiegedrag aan het licht. Het gebeurde in een context waarin de politie de situatie niet meer onder controle leek te hebben, waardoor een gevoel van straffeloosheid ontstond: ‘De nieuwsgierige toeschouwer kan een sensatiezoeker worden, of de sensatiezoeker een opportunist.’5 Bovendien vormde de rel, de gewelddadige en spontane opstand, eeuwenlang het belangrijkste middel om druk uit te oefenen op de heersende macht. Historicus Eric Hobsbawm noemde het de ‘collectieve onderhandeling via rellen’.6

Met de opkomst van de industriële samenleving en de groei van grote collectieve organisaties (partijen, vakbonden, verenigingen…), wierp de staking zich geleidelijk aan op als het belangrijkste actiemiddel van de arbeidersbeweging. Maar sinds de jaren 1980 hebben de verzwakking van deze organisaties, het uiteenvallen van de arbeidscollectieven en de herhaalde mislukkingen van traditionele actievormen bijgedragen aan de terugkeer van dit fenomeen, waarin eisen en vernielingen parallel of intrinsiek met elkaar samengaan.7 Die dynamiek is sinds de financiële crisis van 2008 in een stroomversnelling geraakt. Opstand tegen de bezuinigingen in Griekenland (2010-2012), protesten tegen de hoge kosten van levensonderhoud in Brazilië (2013), in Bulgarije (2013), in Chili (2019), de ‘gele hesjes’ (2018-2019) of stedelijke rellen in Frankrijk (2023)… Ondanks de verschillende contexten herhalen dezelfde taferelen zich, met aangevallen openbare gebouwen, vernielde winkels, barricades en confrontaties met de politie; rellen die de traditionele vormen van politieke mobilisatie overstijgen. Het najaar van 2026 bevestigt deze trend. Ook in Italië, België en Albanië braken jongerenrellen uit, terwijl Spanje, Portugal en Griekenland te maken kregen met massale protesten.

De machthebbers sluiten zich op in een bestuursmodel waarin de redenen voor verzet zich opstapelen en de ruimte voor protest steeds kleiner wordt.

Door de eeuwen en over nationale grenzen heen herinnert de geschiedenis van opstanden ons aan een fundamenteel principe: sociaal geweld (armoede, racisme, uitbuiting…) kan op zijn beurt leiden tot geweld bij wie er het slachtoffer van is. Dit idee wordt overigens algemeen aanvaard wanneer bevolkingsgroepen in opstand komen in Sri Lanka of Madagaskar. Maar ook wanneer boeren de prefectuur van Lot-et-Garonne bestormen, een gebouw van de regionale milieudienst in Carcassonne vernielen en Leclerc-winkels of McDonald’s-vestigingen vernielen. Dat was bijvoorbeeld in januari 2024 het geval. Toenmalig minister van Binnenlandse Zaken, Gérald Darmanin, had het over de ‘gerechtvaardigde woede-uitbarstingen van mensen die niet veel verdienen en heel hard werken’, waarbij hij uitlegde dat ‘je niet op ellende reageert door er de CRS op af te sturen’ (TF1, 25 januari 2024).

Middelbare scholieren, jongeren uit de voorsteden of de ‘gele hesjes’ hebben geen recht op zo’n inschikkelijkheid. Twintig jaar geleden kon een rechtse politicus als François Bayrou, met betrekking tot de stedelijke opstanden van november-december 2005, zonder meer verklaren: ‘Als we de oorzaak zoeken van wat er is gebeurd, dan vinden we die in de manier waarop we Frankrijk hebben laten verstedelijken door de armen bij de armen op te sluiten, door te accepteren dat er getto’s ontstaan. Getto’s van afkomst, getto’s van werkloosheid met meer dan 40% in bepaalde wijken. Getto’s waar het onderwijs in zwaar weer verkeert, en waar sociale problemen samengaan met culturele problemen (…). De gevolgen hebben oorzaken. Het zijn de oorzaken die moeten worden aangepakt.’8 In juli 2023 zag president Emmanuel Macron, die minder geneigd is tot zelfkritiek, in de rellen die volgden op de dood van Nahel Merzouk slechts ‘puur en onverdedigbaar geweld dat geen enkele legitimiteit heeft.’

Wat drijft een samenleving tot dergelijke uitbarstingen? Waarom gaan sommigen over tot het bestormen van openbare gebouwen, winkels of politieagenten? Wie die vragen durft te stellen, riskeert een heksenjacht. ‘Ofwel sta je aan de kant van de Republiek, en dus van de ordestrijdkrachten (…), ofwel sta je aan de kant van de relschoppers’, benadrukte premier Sébastien Lecornu op de avond van 17 oktober. De volgende dag stelde François-Xavier Bellamy, vicevoorzitter van Les Républicains, voor om Philippe Poutou, de voormalige woordvoerder van de Nouveau Parti anticapitaliste (NPA), in de gevangenis te gooien, omdat hij gezegd had ‘aan de kant te staan van de demonstranten, de relschoppers, de opstandige jeugd, de onderdrukten en de wanorde.’ La France insoumise wordt op haar beurt door Lecornu beschuldigd van ‘het verzinnen van excuses voor degenen die geweld plegen’; door Marine Le Pen van ‘het legitimeren van geweld door orde te beschouwen als onderdrukking en wanorde als een recht’; door Gérard Larcher van het verspreiden van ‘haatzaaiende taal’, waarbij de voorzitter van de Senaat zelfs zo ver ging dat hij zich afvroeg of de partij niet ontbonden moest worden.

Een week lang verschenen politici om beurten op televisie om hun voorstellen toe te lichten. Sommigen, zoals Gabriel Attal, willen de toegang tot sociale media tijdens demonstraties blokkeren. Zij willen gezichts- en algoritmische bewaking algemeen invoeren, terwijl anderen voorstellen om duizenden gevangenisplaatsen bij te bouwen naar het model van El Salvador onder Nayib Bukele. Zij pleiten ervoor de sociale uitkeringen in te trekken van de families van relschoppers of het jeugdstrafrecht aan te scherpen. De autoriteiten volgen deze escalerende repressievoorstellen gedwee. Voor gearresteerde jongeren wordt een versnelde rechtsgang ingevoerd, met onmiddellijke voorgeleidingen. Op die manier krijgen verdachten geen tijd om hun verdediging voor te bereiden. Er hangt zelfs een sterke geur van verklikking in de lucht wanneer de Parijse politieprefectuur een platform opzet waarop getuigen van de rellen hun video’s naar de politie kunnen sturen. Minister van Justitie Darmanin wil het openbaar ministerie zelfs toestaan om werkgevers op de hoogte te brengen van wie ooit veroordeeld werd.

In verschillende steden stelt men avondklokken in onder het waakzame oog van drones en helikopters. Bijeenkomsten worden geweigerd en in sommige wijken wordt het zelfs verboden rond te lopen met een rugzak of hoofddeksel. Op 24 oktober, de dag van de nationale mobilisatie, overschreed de inperking van de openbare vrijheden een nieuwe drempel. Onder het mom uit de hand lopende situaties te willen voorkomen, werden demonstraties verboden in Lyon, Nice, Montpellier, Rouen, Le Havre, Toulon… De SNCF schrapt treinen om te voorkomen dat bepaalde demonstranten naar de bijeenkomsten konden gaan. Er werden ook preventieve controles uitgevoerd in stations en op de wegen. In Parijs werd het leger ingezet en de regionale interventiebrigade (de RAID, Recherche, assistance, intervention, dissuasion). Ook de interventiegroep van de nationale gendarmerie (GIGN) rukte uit om de demonstranten in bedwang te houden.

Zo probeert de angstige regering het protest de kop in te drukken door te negeren wat het protest aanwakkert. Maar die trukendoos werkt niet meer. Op 24 oktober was de menigte uiteindelijk net zo groot als de week ervoor, ondanks de verboden, het traangas, het slechte weer en de schoolvakantie. Na tien jaar presidentschap van Macron zullen de slagen van de wapenstok de redenen voor de woede niet wegmeppen. Frankrijk telt inmiddels bijna tien miljoen armen. Zeven miljoen volwassenen geven aan niet genoeg te eten te hebben. Sinds 2024 is het jaarlijkse budget van een huishouden met twee volwassenen en twee kinderen als gevolg van de inflatie met gemiddeld 1.200 euro gekrompen. Justitie kampt met een tekort aan rechters, griffiers en openbare aanklagers; het onderwijs heeft een tekort aan leraren en toezichthouders, de gezondheidsdienst mist verpleegkundigen. In de ziekenhuizen raken de spoeddiensten overbelast en zijn er in tien jaar tijd ongeveer 35.000 bedden geschrapt. De regio’s met een tekort aan medische zorg breiden almaar meer uit, ook in de stadscentra. Stakende brandweerlieden, een tekort aan sociale woningen, geschrapte spoorlijnen, overbezette bejaardentehuizen, overbevolkte gevangenissen, … De lijst met problemen is eindeloos.

Het is de ironie van het neoliberalisme dat de woede zich over de grenzen heen verspreidt. Dezelfde oorzaken hebben immers dezelfde gevolgen. Is dit het begin van een Europese sociale beweging?

Tegenover dit alles komen Macron en zijn regering niet verder dan bezuinigingen. Met hun blik strak gericht op de staatsschuld en onderworpen aan het oordeel van de markten, herhalen ze dat de schatkist leeg is – behalve dan om de militaire uitgaven te verhogen, gevangenissen te bouwen en belastingvoordelen te verlenen aan bedrijven en welgestelde families. Maar, zoals econoom Thomas Piketty opmerkt: hoewel de overheidsschuld inderdaad is gestegen van 20 % van het bruto binnenlands product (bbp) in 1970 tot 120 % vandaag, is ook het privévermogen gestegen van 300 % tot 600 % van het bbp, met een extreme concentratie aan de top van de piramide.9 In 2025 bereikten de aan aandeelhouders uitgekeerde dividenden het recordniveau van 107 miljard euro, tegenover 46 miljard in 2017.10 Maar hoe meer het spaargeld toeneemt, hoe meer de schuld oploopt. Het is voor Macron echter ondenkbaar om de rijksten aan te pakken. Hij hoopt allicht dat ze hem binnenkort in dienst zullen nemen. En omdat hij die stap niet wil zetten, sluit de regering zich op in een gevaarlijk bestuursmodel, waarin de redenen om in opstand te komen zich opstapelen, terwijl de ruimte voor protest steeds kleiner wordt.

De afleidingsmanoeuvres rond identiteit enerzijds en de onderdrukking en intimidatie anderzijds, zijn er niet in geslaagd de vastberadenheid te breken om onrechtvaardigheden aan de kaak te stellen. Bij zijn aantreden in 2017, onder applaus van de westerse heersende klassen, had Macron zich opgeworpen als een bolwerk tegen de ‘illiberale verleiding’ die volgens hem in verschillende landen terrein won. Tien jaar later staat het Rassemblement National op de drempel van de macht. De Franse president, die sinds 2024 driemaal door algemene verkiezingen is afgewezen, aarzelt niet langer om het grondwettelijke recht op betogen ter discussie te stellen. Wat dat betreft wedijvert zijn onderdrukking van protesten met de extreemrechtse leider van de Italiaanse regering, Giorgia Meloni.

Door jongeren samen te brengen die op het eerste gezicht niets met elkaar gemeen leken te hebben, herinnert de huidige opstand ons eraan dat niets van tevoren vastligt. De dynamiek ervan grijpt namelijk ook andere groepen aan die de afgelopen decennia, elk afzonderlijk, tevergeefs hebben geprotesteerd: ambtenaren, ‘gele hesjes’, werknemers in de privésector en gepensioneerden. Het is ironisch dat de homogeniserende effecten van het neoliberalisme ervoor zorgen dat de woede zich over de grenzen verspreidt, waar dezelfde oorzaken dezelfde gevolgen hebben. De jeugd, die zich steeds meer beklemd voelt binnen een vergrijzend electoraat, baant zo de weg voor de Europese sociale beweging waar socioloog Pierre Bourdieu eind jaren negentig al van droomde. Dat alles bewijst dat niets onomkeerbaar is als er samen wordt gevochten.

Vertaling van Benoît Bréville « Soudain, la solidarité », Le Monde Diplomatique, november 2026. Lava Media maakt deel uit van Les éditions internationales van Le Monde Diplomatique. Maandelijks publiceren we drie artikelen uit het Franse maandblad in Nederlandse vertaling. Vertaling door Jan Reyniers.

Footnotes

  1. Parcoursup is het officiële Franse onlineplatform waarmee scholieren zich aanmelden voor een eerstejaarsopleiding in het hoger onderwijs.
  2. Christophe Guilluy, La France périphérique. Comment on a sacrifié les classes populaires, Flammarion, Parijs, 2014 ; Salomé Berlioux, Jérôme Fourquet en Jérémie Peltier, ‘Jeunes des villes, jeunes des champs : la lutte des classes n’est pas finie’, rapport pour la fondation Jean-Jaurès, 20 novembre 2019 ; Benoît Bréville en Pierre Rimbert, ‘Une gauche assise à la droite du peuple’, Le Monde diplomatique, maart 2015.
  3. Benoît Coquard, Ceux qui restent. Faire sa vie dans les campagnes en déclin, La Découverte, Parijs, 2019. Zie ook : Julian Mischi, Rural, Anamosa, Parijs, 2026.
  4. ‘Statistical bulletin on the public disorder of 6th-9th August 2011’, ministerie van Justitie, Londen, 13 september 2012.
  5. Gareth Morell, Sara Scott, Di McNeish en Stephen Webster, ‘The August riots in England. Understanding the involvement of young people’ (PDF), National Centre for Social Research, Londen, oktober 2011.
  6. Eric Hobsbawm, ‘The machine breakers’, Past & Present, n° 1, Oxford, februari 1952. Voor de Franse vertaling, zie : supplément 2006-4bis van Revue d’histoire moderne et contemporaine.
  7. Joshua Clover, Riot. Strike. Riot. The New Era of Uprisings, Verso, Londen, 2016.
  8. Discours à Nîmes, 30 maart 2007.
  9. Thomas Piketty, ‘Lycéens, étudiants : le crépuscule du macronisme’, blog van Thomas Piketty, 20 oktober 2026.
  10. « Dividendes et rachats d’actions au sein du CAC 40 en 2025 », La Lettre Vernimmen, n° 233, januari 2026.