Terwijl Europa volop militariseert onder het mom van de veiligheid, blijven de impact op het klimaat en de sociale gevolgen van die blinde koers grotendeels buiten schot in het publieke debat. Oorlog, fossiele brandstoffen en geopolitieke rivaliteit vormen een dubbele dreiging: voor de groene transitie én voor de levenskwaliteit van de werkende klasse.
De versnellende klimaatcrisis kan niet worden begrepen noch opgelost zonder de verbanden te leggen met militarisering en imperialisme. Toch worden deze thema’s nauwelijks behandeld in het dominante klimaatdebat, waar de voorkeur uitgaat naar gedepolitiseerde technologische oplossingen of marktmechanismen. In die context is het Transition Security Project ontstaan, mede geleid door Khem Rogaly. Zijn werk toont hoe militaire infrastructuren en imperialistische politiek de uitstoot van broeikasgassen en milieuschade aanjagen, en tegelijk de democratische ruimte inperken die nodig is voor een klimaatbeleid dat de crisis werkelijk het hoofd kan bieden. Volgens hem worden militarisering en imperialisme binnen de klimaatbeweging sterk onderschat, op een manier die doet denken aan de marginalisering van klassenkwesties. Voor Khem Rogaly ondermijnt Europa, door zich te militariseren, zijn eigen decarbonisatie, verzwakt het zijn sociale infrastructuur en raakt het verstrikt in een ondergeschikte positie binnen een afbrokkelende en steeds agressievere imperiale orde onder leiding van de Verenigde Staten. Terwijl Europa zijn militarisering versnelt in naam van veiligheid, blijven de klimaat- en sociale gevolgen van deze vlucht vooruit grotendeels afwezig in het publieke debat. In dit interview toont Khem Rogaly hoe oorlog, fossiele energie en imperialistische rivaliteiten zowel de ecologische transitie als de levensomstandigheden van de werkende klasse bedreigen.
Kas Bakx De vorige Europese Commissie zei de nadruk te willen leggen op de Green Deal en het klimaatbeleid. Vandaag plaatst de nieuwe strategische agenda, vaak gedragen door dezelfde mensen en politieke krachten, militarisering centraal in de doelstellingen. Toch wordt deze verschuiving in prioriteiten zelden voorgesteld als tegenstrijdig. Nochtans is de impact van militarisering op het klimaat enorm, te beginnen met de gevolgen voor de uitstoot van broeikasgassen.
Khem Rogaly De uitstoot vormt het meest voor de hand liggende uitgangspunt, maar het probleem is breder en heeft meerdere dimensies. Dus, om te beginnen: in 2019, vóór de explosie van de militaire uitgaven die we de voorbije vijf jaar hebben gezien, waren legers wereldwijd verantwoordelijk voor ongeveer 5,5% van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen. Om een idee van de schaal hiervan te geven: dat is ongeveer het dubbele van de uitstoot van de burgerluchtvaart en de scheepvaart samen.
Wanneer we kijken waar die uitstoot vandaan komt, zien we dat die rechtstreeks verbonden is met de werking van hedendaagse legers. Dat omvat luchtmacht, gevechtsvliegtuigen, luchtaanvallen, maar ook alle logistiek die nodig is om een militaire infrastructuur in stand te houden. Daarnaast is er de zeemacht: oorlogsschepen en de brandstoffen die hen aandrijven.
Militaire uitstoot komt dus voornamelijk voort uit het massale gebruik van fossiele brandstoffen, zowel voor militaire operaties zelf als voor hun logistiek. Daarbovenop komt nog de productie van wapens. De productie van gevechtsvliegtuigen, tanks of marineschepen heeft een bijzonder hoge koolstofuitstoot.

De NAVO vertegenwoordigt echter ruim meer dan de helft van de wereldwijde militaire uitgaven en bijgevolg ook meer dan de helft van de daarmee samenhangende uitstoot. Die dynamiek dreigt de komende jaren nog te versnellen met de nieuwe uitgavendoelstellingen van het bondgenootschap en het vooruitzicht van een Amerikaans militair budget dat 1.500 miljard dollar bereikt.

