Artikels

Militarisering en oorlog zijn fundamenteel afhankelijk van fossiele brandstoffen

Terwijl Europa volop militariseert onder het mom van de veiligheid, blijven de impact op het klimaat en de sociale gevolgen van die blinde koers grotendeels buiten schot in het publieke debat. Oorlog, fossiele brandstoffen en geopolitieke rivaliteit vormen een dubbele dreiging: voor de groene transitie én voor de levenskwaliteit van de werkende klasse.

Shutterstock

De versnellende klimaatcrisis kan niet worden begrepen noch opgelost zonder de verbanden te leggen met militarisering en imperialisme. Toch worden deze thema’s nauwelijks behandeld in het dominante klimaatdebat, waar de voorkeur uitgaat naar gedepolitiseerde technologische oplossingen of marktmechanismen. In die context is het Transition Security Project ontstaan, mede geleid door Khem Rogaly. Zijn werk toont hoe militaire infrastructuren en imperialistische politiek de uitstoot van broeikasgassen en milieuschade aanjagen, en tegelijk de democratische ruimte inperken die nodig is voor een klimaatbeleid dat de crisis werkelijk het hoofd kan bieden. Volgens hem worden militarisering en imperialisme binnen de klimaatbeweging sterk onderschat, op een manier die doet denken aan de marginalisering van klassenkwesties. Voor Khem Rogaly ondermijnt Europa, door zich te militariseren, zijn eigen decarbonisatie, verzwakt het zijn sociale infrastructuur en raakt het verstrikt in een ondergeschikte positie binnen een afbrokkelende en steeds agressievere imperiale orde onder leiding van de Verenigde Staten. Terwijl Europa zijn militarisering versnelt onder de noemer van veiligheid, blijven de klimaat- en sociale gevolgen van deze vlucht vooruit grotendeels afwezig in het publieke debat. In dit interview toont Khem Rogaly hoe oorlog, fossiele energie en imperialistische rivaliteiten zowel de ecologische transitie als de levensomstandigheden van de werkende klasse bedreigen.

Kas Bakx: De vorige Europese Commissie zei de nadruk te willen leggen op de Green Deal en het klimaatbeleid. Vandaag plaatst de nieuwe strategische agenda, vaak gedragen door dezelfde personen en politieke krachten, militarisering centraal in de doelstellingen. Toch wordt deze verschuiving in prioriteiten zelden voorgesteld als tegenstrijdig. Nochtans is de impact van militarisering op het klimaat enorm, te beginnen met de gevolgen voor de uitstoot van broeikasgassen.

Khem Rogaly: De uitstoot vormt het meest voor de hand liggende vertrekpunt, maar het probleem is breder en heeft meerdere dimensies. Dus, om te beginnen: in 2019, vóór de explosie van de militaire uitgaven die we de voorbije vijf jaar hebben gezien, waren legers wereldwijd verantwoordelijk voor ongeveer 5,5% van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen. Om een idee van de schaal hiervan te geven: dat is ongeveer het dubbele van de uitstoot van de burgerluchtvaart en de scheepvaart samen.

Wanneer we kijken waar die uitstoot vandaan komt, zien we dat die rechtstreeks verbonden is met de werking van hedendaagse legers. Dat omvat luchtmacht, gevechtsvliegtuigen, luchtaanvallen, maar ook alle logistiek die nodig is om een militaire infrastructuur in stand te houden. Daarnaast is er de zeemacht: oorlogsschepen en de brandstoffen die hen aandrijven.

Militaire uitstoot komt dus voornamelijk voort uit het massale gebruik van fossiele brandstoffen, zowel voor militaire operaties zelf als voor hun logistiek. Daarbovenop komt nog de productie van wapens. De productie van gevechtsvliegtuigen, tanks of marineschepen heeft een bijzonder hoge koolstofuitstoot.

De NAVO vertegenwoordigt echter ruim meer dan de helft van de wereldwijde militaire uitgaven en bijgevolg ook meer dan de helft van de daarmee samenhangende uitstoot. Die dynamiek dreigt de komende jaren nog te versnellen met de nieuwe uitgavendoelstellingen van het bondgenootschap en het vooruitzicht van een Amerikaans militair budget dat 1.500 miljard dollar bereikt.

Daarnaast is er ook een krachtig lock-in effect. Grote militariseringsprogramma’s leggen ons voor tientallen jaren vast op toekomstige uitstoot. Neem bijvoorbeeld een programma voor nieuwe gevechtsvliegtuigen: dat impliceert productiecycli die zich over meerdere decennia uitstrekken, gevolgd door even lange gebruiksperiodes, voor kosten van meerdere miljarden euro. Met andere woorden: we binden ons niet alleen aan de uitstoot die gepaard gaat met de productie en het onmiddellijke gebruik, maar ook voor voortdurende uitstoot gedurende vele jaren.

Hedendaagse oorlogsvoering steunt structureel op fossiele brandstoffen. Er bestaat op dit moment geen ernstig, koolstofvrij alternatief. Er is geen realistisch scenario met tanks op zonne-energie of geëlektrificeerde gevechtsvliegtuigen. Legers zijn diep afhankelijk van fossiele brandstoffen.

Op wereldniveau zijn legers verantwoordelijk voor ongeveer 5,5% van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen, dat is ongeveer het dubbele van de uitstoot van de scheepvaart en de burgerluchtvaart samen.

In Europa heeft dit grote gevolgen. De NAVO-lidstaten hebben zich inmiddels geëngageerd voor een uitgavendoelstelling die overeenkomt met 5% van het bbp, waarvan 3,5% bestemd is voor zogenaamde “hard military”-uitgaven, met andere woorden zware militaire capaciteiten. Een schatting van Allianz suggereert dat een veralgemening van die doelstelling op Europese schaal de totale uitstoot van broeikasgassen op het continent met ongeveer 12% zou kunnen doen stijgen. Dat is evenveel als de uitstoot die wordt veroorzaakt door de verwarming van alle gebouwen in Europa.

Dat geeft een idee van niet alleen het huidige gewicht van militarisering in de uitstoot, maar ook van de manier waarop de toekomstige uitbreiding ervan de klimaattrajecten ingrijpend zou kunnen veranderen.

Kas Bakx: Het is opvallend om sommige ecologische politici te zien pleiten voor militarisering. Een argument dat vaak naar voren wordt geschoven, en door de defensie-industrie wordt overgenomen, is dat een sterke defensie stabiliteit zou garanderen, en dat die stabiliteit een noodzakelijke voorwaarde zou zijn voor klimaatbeleid en duurzaamheid.

Khem Rogaly: Dat is een nogal verrassende bewering, en er zijn veel manieren om die te betwisten. Men kan wijzen op de uitstoot die het militaire apparaat veroorzaakt, op de afleiding van publieke middelen ten koste van de ecologische transitie, of op de verschuiving van arbeid, vaardigheden en grondstoffen weg van de energietransitie richting wapenproductie.

Maar fundamenteel dient het vocabulaire van “defensie” en “stabiliteit” vooral om iets anders te verbergen: een kwestie van politieke loyaliteit, meer bepaald loyaliteit tegenover de Verenigde Staten, in een context van mondiale geopolitieke herschikking.

We beleven een bifurcatie van de internationale orde. Voor het eerst sinds de val van de Sovjet-Unie stelt een opkomende macht, China, de Amerikaanse hegemonie in vraag. Een van de pijlers van die opkomst is de dominantie van China in groene industrieën en in de toeleveringsketens verbonden aan hernieuwbare energie, van grondstoffen tot hoogtechnologische maakindustrie.

De Verenigde Staten hebben begrepen dat ze op dat terrein niet doeltreffend met China kunnen concurreren. Daarom eisen ze iets anders van hun bondgenoten: meer politieke loyaliteit en een intensivering van de militarisering. Het gaat er ook om de toegang te verzekeren tot strategische natuurlijke hulpbronnen, zowel fossiele brandstoffen als materialen die onmisbaar zijn voor geavanceerde sectoren zoals artificiële intelligentie en militaire industrieën.

Khem Rogaly doet onderzoek naar legers en de militaire industrie, hun politieke economie en hun rol in de klimaatcrisis. Hij werkt ook samen met werknemers om de omschakeling van bepaalde delen van de militaire sector naar groene industriële productie te verkennen. Khem Rogaly is co-directeur van het Transition Security Project. Hij heeft een MPhil in wereldgeschiedenis en een BA in geschiedenis van de Universiteit van Cambridge.

In deze context probeert Europa zich via militarisering in de eerste plaats vast te klampen aan zijn alliantie met de Verenigde Staten, ongeacht de prijs. In plaats van deze koers te rechtvaardigen vanuit concrete defensiebehoeften, engageren Europese leiders zich om een doelstelling te respecteren die arbitrair door Washington werd vastgelegd. Ze beloven gigantische begrotingsmiddelen, wat neerkomt op meer dan een verdubbeling van de huidige militaire uitgaven op Europese en Britse schaal.

De Russische invasie van Oekraïne wordt voortdurend ingeroepen als rechtvaardiging. Maar als het werkelijk om defensie zou gaan, zouden we een debat zien over concrete defensieve capaciteiten: welke middelen, tegen welke dreigingen, met welke strategie? Dat is echter niet wat er plaatsvindt. Alle aandacht gaat naar het halen van een boekhoudkundige uitgavendoelstelling.

Er moet ook aan herinnerd worden dat de Europese NAVO-lidstaten vandaag al ongeveer drie keer zoveel uitgeven aan hun legers als Rusland. Het probleem is dus niet fundamenteel budgettair. Het is geopolitiek.

De Europese militariseringsagenda heeft niet in de eerste plaats defensie als doel, maar het behoud van trouw aan een door de Verenigde Staten geleide wereldorde.

Kas Bakx: Wat is de historische band tussen imperialisme en fossiele energie, en tussen de militaire industrie en de fossiele industrie? Kunnen we die relatie kort schetsen om het huidige moment beter te begrijpen?

Khem Rogaly: Zoals bij de klimaatimpact zelf heeft ook deze kwestie meerdere dimensies. Maar de meest fundamentele en meest evidente is historisch.

Als we kijken naar de geschiedenis van het westerse imperialisme, eerst gedragen door de Europese mogendheden en later door de Verenigde Staten, zien we hoe militaire macht werd gebruikt om politieke wil en economische dominantie op te leggen over een groot deel van de wereld. Sinds het midden van de negentiende eeuw is die militaire macht afhankelijk van fossiele energie: eerst steenkool, die onder meer de Britse marine aandreef, en vervolgens olie, die centraal werd in de Amerikaanse militaire macht.

Er bestaat geen realistisch scenario met tanks op zonne-energie of geëlektrificeerde gevechtsvliegtuigen: legers zijn diep afhankelijk van fossiele brandstoffen.

Die afhankelijkheid heeft geleid tot een gemeenschappelijk strategisch belang tussen legers en de fossiele industrie rond het veiligstellen van energiebevoorrading. Legers beschouwden olie en fossiele brandstoffen als strategische activa en werkten rechtstreeks samen met oliemaatschappijen om hulpbronnen te beschermen en de toegang ertoe te garanderen.

De staatsgreep in Iran in 1953 vormt een bijzonder duidelijk historisch voorbeeld. Georganiseerd door de Britse en Amerikaanse inlichtingendiensten, met steun van het bedrijf dat later BP zou worden, had die onder meer als doel de oliebevoorrading veilig te stellen. Die geschiedenis resoneert met recentere situaties, onder meer in Venezuela en opnieuw in Iran.

Maar er bestaat een nog diepere band. Het gaat niet alleen om het militaire belang bij oliereserves. Het gaat ook om de oplegging, gedurende eeuwen, van een westerse militaire dominantie over een groot deel van de wereld en, via die dominantie, van een mondiaal kapitalistisch systeem dat structureel afhankelijk is van fossiele energie.

Dat systeem berust op de voortdurende exploitatie van natuurlijke hulpbronnen met het oog op private winst. Precies dat maakt het zo moeilijk om uit de klimaatcrisis te raken: er bestaat een permanente economische stimulans om de winning en productie van fossiele brandstoffen voort te zetten, in plaats van een echte transitie op gang te brengen.

Mathieu Strale: In dat verband beschrijft u twee tegenstrijdige transities die zich gelijktijdig voltrekken: die van de Verenigde Staten enerzijds, en die van China en een deel van het mondiale Zuiden anderzijds. Kunt u dat idee verder toelichten en uitleggen welke gevolgen dit met zich meebrengt?

Khem Rogaly: Om dit idee van twee transities te begrijpen, moeten we vertrekken van een eenvoudige vaststelling: we bevinden ons wel degelijk in een energietransitie, maar die blijft ongelijk en onvolledig. In plaats van een echte vervanging van fossiele brandstoffen zien we vaak eerder de toevoeging van nieuwe hernieuwbare infrastructuren boven op systemen die op fossiele energie gebaseerd blijven, zonder dat die laatste fundamenteel in vraag worden gesteld.

Parallel daarmee maken we een geopolitieke transitie door: de overgang van een wereldorde die door de Verenigde Staten wordt gedomineerd, zonder strategische rivaal sinds de val van de Sovjet-Unie, naar een nieuwe Koude Oorlog tussen de Verenigde Staten en China. Tegelijk winnen middelgrote machten aan autonomie en proberen ze onafhankelijk te handelen, of volgens vormen van niet-gebondenheid ten opzichte van de Amerikaanse invloedssfeer.

Zoals ik eerder al aangaf, drijft de wil om hun imperiale positie te behouden, gecombineerd met de logica van militarisering, de Verenigde Staten ertoe hun afhankelijkheid van fossiele brandstoffen te behouden precies op het moment dat hun belangrijkste concurrent een leider is geworden van de groene economie. Die situatie doet hen ook nog sterker steunen op militaire macht.

Kas Bakx is voormalig medewerker bij het Presidium van het Europees Parlement, nu onderzoeker en klimaat- en vredesactivist.

Historisch hebben de Verenigde Staten hun belangen opgelegd via militaire macht, staatsgrepen of regimewissels. Wat we vandaag zien, is een intensivering van die logica. Dat zien we in Venezuela, maar ook in het genocidale offensief in Gaza, tijdelijk onderbroken door een staakt-het-vuren, gekenmerkt door voortdurende vernietiging en bloedbaden gepleegd door Israël met westerse steun [red.: en recenter nog in de Golfregio met de oorlog tegen Iran]. We beleven een moment waarop imperiaal geweld niet langer verborgen of verpakt wordt in een façade van retoriek. Het verschijnt als een brutale realiteit.

Dat heeft diepgaande gevolgen voor de energietransitie. Naarmate we een nieuwe Koude Oorlog binnentreden, maakt samenwerking plaats voor strategische rivaliteit. Zelfs wanneer staten investeren in klimaatbeleid, doen ze dat door de bril van concurrentie. Zoals toen de regering-Biden probeerde toeleveringsketens en groene industrieën te herlokaliseren om de afhankelijkheid van China te verminderen en er een tegengewicht tegen te vormen.

Die dynamiek verzwakt de decarbonisatie, omdat ze staten ertoe aanzet een concurrentievoordeel na te streven in plaats van samen te werken aan de koolstofvrije omschakeling van de wereldeconomie.

Er bestaat ook een risico op fragmentatie van de wereld: enerzijds een potentieel “groen” blok gedomineerd door China; anderzijds een blok gebaseerd op fossiele brandstoffen onder leiding van de Verenigde Staten. Een dergelijke configuratie zou betekenen dat de massale exploitatie van fossiele brandstoffen wordt voortgezet, ruim voorbij wat verenigbaar is met een leefbare klimaattoekomst.

Mathieu Strale: Wat zijn in die context de gevolgen voor Europa van een afstemming op de Verenigde Staten?

Khem Rogaly: Voor Europa zijn de risico’s aanzienlijk. Eerst en vooral is er de oplegging van een logica van militarisering. Met andere woorden: de geleidelijke invoering van een oorlogseconomie ten koste van andere strategische sectoren, openbare diensten en sociale zekerheid. Dat is precies wat de nieuwe NAVO-uitgavendoelstellingen weerspiegelen.

Europese begrotingsmiddelen worden omgeleid naar militarisering, met negatieve economische effecten: publieke middelen vloeien naar grote Amerikaanse en Europese militaire ondernemingen, met beperkte terugvloei-effecten voor de reële economie, ten nadele van burgers en ontwikkeling op lange termijn.

Daarnaast voedt deze dynamiek een oorlogseconomie gericht op nieuwe conflicten. De Amerikaanse strategie van zogenaamde “burden sharing” impliceert dat Europeanen ertoe worden gebracht te vechten, of zich voor te bereiden om te vechten, tegen de tegenstanders van de Verenigde Staten, en zelfs deel te nemen aan oorlogen die onder Amerikaanse leiding worden gevoerd.

Dit dreigt Europa ook mee te sleuren in onnodige oorlogen ten dienste van Amerikaanse imperiale doelstellingen. Europa kiest er vandaag voor zich af te stemmen op een tanende hegemoniale macht. Dat is niet alleen een economisch risico, maar ook een politiek en moreel risico: het gevaar een ondergeschoven voorpost te worden, betrokken bij conflicten die Amerikaanse imperiale belangen dienen terwijl de eigen bevolking aan groeiende gevaren wordt blootgesteld.

Toch zijn er andere wegen mogelijk, in tegenstelling tot deze route naar een nieuwe Koude Oorlog. Vandaag veronderstelt elk ernstig klimaatbeleid, elke reële strategie van decarbonisatie, technologische en industriële samenwerking met China.

China bekleedt een dominante positie in technologieën die verband houden met schoon transport en groene energie. Als Europa zijn economie werkelijk wil decarboniseren, in plaats van groen beleid om te vormen tot een instrument van imperiale concurrentie, zal het met China moeten samenwerken om technologieën en groene industrieën te ontwikkelen en de toegang tot noodzakelijke materialen veilig te stellen.

Een onafhankelijke Europese buitenlandse politiek zou echte samenwerking kunnen bevorderen met China, met landen van het mondiale Zuiden, maar ook met de Verenigde Staten, op basis van gemeenschappelijke doelstellingen van decarbonisatie in plaats van geopolitieke rivaliteit. Ons gemeenschappelijk belang is wereldwijde decarbonisatie, en dat veronderstelt dat we de snelst mogelijke weg volgen, door samen te werken met de actoren die al beschikken over de nodige technologieën en middelen.

Mathieu Strale: Sommigen stellen dat China, net als de Verenigde Staten, probeert zijn hegemonie in de wereld op te leggen, en dat er dus geen voordelen zouden zijn om dichter bij de ene of de andere te staan. Wat antwoordt u daarop?

Khem Rogaly: Er bestaat een sterk contrast tussen het Chinese en het Amerikaanse beleid. Zo is het Chinese “Belt and Road Initiative” uiteraard een antwoord op de strategische belangen van Peking, maar het is in grote mate gebaseerd op investeringen in infrastructuur—havens, wegen, energienetwerken—die ook ontwikkelingshefbomen bieden aan veel landen in het Zuiden. Chinese investeringen maken een grootschalige uitrol van groene technologieën in landen van het Zuiden mogelijk. Dat biedt een afzetmarkt voor Chinese industrieën, maar vermindert ook de afhankelijkheid van die landen van fossiele energie.

Daartegenover staat dat de Verenigde Staten steeds meer steunen op economische, diplomatieke en militaire dwang om hun invloed te behouden, zoals blijkt uit de druk die wordt uitgeoefend op landen als Cuba, Colombia of Mexico. Dit bovenop de open oorlogen die zij voeren of aanwakkeren. Dat toenemende beroep op dwang weerspiegelt ook een zekere kwetsbaarheid. De intensivering van sancties, dreigementen en interventies toont de moeilijkheden van de Verenigde Staten om hun dominante positie te behouden in een wereld die steeds multipolairder wordt.

In Europa dienen de oproepen tot “defensie” en “stabiliteit” vooral om iets anders te verhullen: politieke loyaliteit aan de Verenigde Staten.

Voor Europa heeft het vasthouden aan een afhankelijkheid van de Verenigde Staten al zeer concrete gevolgen. Na de Russische invasie van Oekraïne heeft de snelle vervanging van Russische energie door Amerikaans gas de energiekosten sterk opgedreven, waardoor de Europese industrie verzwakt is en een afhankelijkheid van een energiesysteem dat gedomineerd wordt door fossiele brandstoffen verder is versterkt.

Mathieu Strale is onderzoeker aan het Institut de Gestion de l’Environnement et d’Aménagement du Territoire (het Instituut voor Milieubeheer en Ruimtelijke Ordening, DGES-IGEAT) van de ULB. Hij doet onderzoek naar de problematiek van de grootstedelijke mobiliteit in Brussel en Europa.

Daarom is decarbonisatie ook een strategisch Europees belang. In veel opzichten deelt Europa met veel landen in het Zuiden een kwetsbaarheid tegenover energieafhankelijkheden. Een meer onafhankelijke positie, gebaseerd op klimaat- en sociale prioriteiten en open voor samenwerking met verschillende partners, zou het mogelijk maken die kwetsbaarheid te verminderen en te ontsnappen aan energiechantage.

En tegelijk moet men rekening houden met een reëel gevaar: een imperiale macht in verval kan agressiever reageren op pogingen tot autonomie. Het risico op toegenomen dwang, vooral tegenover landen in het mondiale Zuiden, is groot. Vandaar de noodzaak om brede allianties te bouwen tussen Noord en Zuid, die technologieën, financiering en middelen kunnen bundelen, om afhankelijkheden te verminderen en de voorwaarden te creëren voor een echt niet-gebonden beleid.

Mathieu Strale: Een ander element dat moet worden bestreden om te breken met de propaganda voor militarisering is het idee dat investeringen in bewapening goed zouden zijn voor de werkgelegenheid in de industrie. Dat de militair-industriële sector stabiele jobs zou opleveren en dat zijn ontwikkeling de werkende klasse zou kunnen ten goede komen. Wat antwoordt u op dat argument?

Khem Rogaly: Dit narratief is een extreem krachtig element geweest van de militaire industrie in de Verenigde Staten, van haar invloed in Europa, en van de Europese militaire industrie zelf. Wat opvalt, is dat het fundamenteel gaat om een argument dat door een private industrie wordt ontwikkeld om instemming te verkrijgen voor een activiteit die volledig op publiek geld berust.

We zien dus enorme private wapenbedrijven die zich presenteren alsof ze in het belang van de werkende klasse handelen, terwijl ze in werkelijkheid een overdracht van publieke middelen naar de privésector organiseren. Het moet herhaald worden: de militaire industrie is volledig afhankelijk van publieke uitgaven—publieke investeringen, overheidsopdrachten en publieke subsidies. In de militaire sector vinden we gegarandeerde overheidscontracten, omvangrijke subsidies en onderzoek en ontwikkeling dat door de staat wordt gefinancierd. En dat publieke geld belandt uiteindelijk in handen van private aandeelhouders.

Ondanks de kracht van het lobbydiscours dat militaire uitgaven zogenaamd ten goede zouden komen aan werknemers, tonen de gegevens het tegendeel aan. Als vorm van publieke investering creëren militaire uitgaven minder jobs per geïnvesteerde euro of pond dan veel andere sectoren. Ze genereren weinig tot geen economische groei, en dat wordt zelfs erkend door denktanks die worden gefinancierd door het Amerikaanse ministerie van Defensie of door bedrijven uit de sector zelf.

Het geld dat wordt gebruikt om deze industrie te financieren, wordt noodzakelijkerwijs onttrokken aan andere prioriteiten: pensioenen, sociale bescherming, groene industrieën, scholen en ziekenhuizen. Sectoren die in veel gevallen meer jobs creëren, stabielere banen opleveren en meer economische waarde genereren.

Op macro-economisch niveau is vastgesteld dat het multiplicatoreffect van militaire uitgaven lager ligt dan in andere sectoren. Maar er is ook een meer concrete realiteit: de jobs in de militaire industrie zijn private-sectorjobs die volledig afhankelijk zijn van overheidscontracten en exportakkoorden met andere staten. Wanneer een bedrijf beslist om productie te verplaatsen of wanneer een regering contracten elders toewijst, kunnen die jobs van de ene dag op de andere verdwijnen.

In de interviews die ik heb gevoerd met werknemers uit de militaire industrie komt één thema regelmatig terug: massale jobverliezen. In het Verenigd Koninkrijk bijvoorbeeld zijn de militaire uitgaven sinds 1980 gestegen, terwijl de werkgelegenheid in de sector met meer dan de helft is gedaald. De publieke uitgaven blijven hoog, de bedrijven blijven winstgevend, maar de werkgelegenheid krimpt. Militaire bedrijven zijn kapitaal- en technologie-intensiever geworden, waarbij ze de opbrengsten voor aandeelhouders maximaliseren en hun behoefte aan arbeid verminderen.

Die evolutie verklaart waarom de traditionele zware industriële jobs die ooit met de sector werden geassocieerd geleidelijk verdwenen zijn. En als we kijken naar het huidige militariseringsprogramma in Europa, dan is dat expliciet gericht op hoogtechnologische productie: artificiële intelligentie, drones, autonome systemen. Dat betekent nog minder jobs. Wat gecreëerd wordt, zijn een beperkt aantal hooggeschoolde technologische functies.

Mathieu Strale: In dit kader is uw werk met vakbonden rond alternatieven voor de militaire industrie, geïnspireerd door het “Lucas Plan”, erg interessant. Kunt u uitleggen wat het Lucas Plan was en hoe het uw benadering van alternatieven voor militaire investeringen vandaag verduidelijkt?

Khem Rogaly: Het Lucas Plan is een arbeidersinitiatief dat in de jaren 1970 werd ontwikkeld door vakbondsleden van Lucas Aerospace, een Brits bedrijf dat verbonden was met de militaire sector. Geconfronteerd met ontslagdreigingen hebben de werknemers een plan uitgewerkt om de productie van het bedrijf om te schakelen, onder controle van de arbeiders zelf.

Ze identificeerden meer dan 150 alternatieve civiele producten die konden worden geproduceerd met het bestaande personeel, de bestaande machines en de bestaande vaardigheden. Opmerkelijk genoeg ging een groot deel van die voorstellen al over hernieuwbare energie, met name de productie van windturbines, en over ecologisch transport, lang voordat deze thema’s centraal stonden in het overheidsbeleid.

Militarisering stuurt publieke middelen weg van groene ontwikkeling, openbare diensten en sociale zekerheid naar private militaire bedrijven.

Wat het Lucas Plan aantoont, is geen geïsoleerd geval. Doorheen de twintigste eeuw, ook na de Eerste Wereldoorlog, hebben werknemers regelmatig “van onderuit” reconversieplannen ontwikkeld om uit de militaire productie te stappen. Dat gebeurde in het Verenigd Koninkrijk, de Verenigde Staten en verschillende landen in continentaal Europa.

Op verschillende momenten hebben ook bedrijven zelf reconversies buiten de militaire sector doorgevoerd. Dat toont aan dat alternatieven voor militarisering bestaan, en dat het argument dat militaire uitgaven niet kunnen worden afgebouwd omdat er jobs van afhangen, niet klopt.

Er bestaat een reëel potentieel om militaire werkplaatsen om te schakelen naar civiele productie, of het nu gaat om groene industrieën of bredere sociale noden, precies zoals de arbeiders van Lucas het hebben geformuleerd.

Vandaag blijft het Lucas Plan op twee niveaus relevant. Op lokaal en territoriaal niveau toont het dat concrete industriële alternatieven bestaan en dat de afhankelijkheid van militaire contracten kan worden doorbroken. Het opent ook een nationaal en internationaal perspectief: er is geen economische noodzaak die de voortzetting van militarisering oplegt.

Niets verplicht ons om deze weg te volgen. Een veiligere en rechtvaardigere toekomst is perfect mogelijk als publieke investeringen worden heroriënteerd.

Kas Bakx: Kunt u uitleggen hoe u samenwerkt met vakbonden en vakbondsmilitanten in het Verenigd Koninkrijk rond deze kwesties? Hoe voert u deze strijd tegen militarisering, en welke argumenten blijken het meest doeltreffend?

Khem Rogaly: Ik begin inderdaad een dynamiek van hoop te zien. In het Verenigd Koninkrijk had de nationale vakbondsconfederatie, het TUC (Trade Union Congress), in 2022 nog een standpunt ingenomen dat gunstig was voor een verhoging van de militaire uitgaven en voor militarisering. Maar dat standpunt is in de herfst van 2025 omgekeerd. Het TUC steunt nu wat het een “Wages, not Weapons”-lijn noemt, een oriëntatie die publieke investeringen in civiele sectoren en de versterking van openbare diensten vooropstelt in plaats van de uitbreiding van het leger.

Doorheen de jaren is er, dankzij het organiserende werk van geëngageerde vakbondsmilitanten, een echte koerswijziging in de positie van de vakbeweging rond deze kwesties ontstaan.

Ik werk samen met vakbondsmilitanten, zowel in de militaire industrie als daarbuiten, en ik heb zeer sterke vormen van organisatie kunnen waarnemen. Er zijn werknemers en vakbonden binnen de militaire industrie zelf die proberen het status quo van binnenuit te betwisten.

Zo zijn er initiatieven genomen om de positie van de vakbond Unite, een van de belangrijkste vakbonden in de militaire sector, te verschuiven met betrekking tot wapenexporten naar Israël. Vorig jaar hebben werknemers uit de luchtvaart- en scheepsbouwsector die bij Unite aangesloten zijn, mee geholpen om een standpunt te laten aannemen ten gunste van een wapenembargo tegen Israël. Dat is een belangrijke overwinning, rechtstreeks gedragen door werknemers uit de militaire industrie.

Tegelijk wordt de “Wages, not Weapons”-lijn ook gedragen door werknemers in de openbare diensten. Zij wijzen erop dat in het Verenigd Koninkrijk de stijging van de militaire en veiligheidsuitgaven kan oplopen tot meer dan 100 miljard pond per jaar aan nieuwe publieke investeringen in militarisering tegen 2035. Dat zou een zware klap betekenen voor andere openbare diensten.

De vakbonden stellen steeds duidelijker dat de meerderheid van hun leden werkt in openbare diensten, sociale sectoren en de zorgeconomie. Als men werkelijk de hele werkende klasse wil verdedigen, kan men geen militariseringsprogramma ondersteunen. Men moet integendeel publieke investeringen richten op de sectoren die het meest nuttig zijn voor de economie, voor de samenleving en voor de materiële veiligheid van de werkende klasse als geheel.

Die verschuiving geeft mij echt hoop voor de komende jaren.

Kas Bakx: Wat kunnen mensen doen, of ze nu georganiseerd zijn in vakbonden, klimaatbewegingen of vredesbewegingen, om een overgang weg van de militaire industrie en richting een groene industriële productie te ondersteunen? En hoe werkt u in steden of regio’s die sterk afhankelijk zijn van militaire werkgelegenheid?

Khem Rogaly: Barrow-in-Furness is een zeer interessant voorbeeld. Het is een stad in het noordwesten van Engeland waar al tientallen jaren Britse nucleaire onderzeeërs worden geproduceerd. Maar het is ook een plek waar al lang strijd voor industriële reconversie bestaat.

Na de Eerste Wereldoorlog, toen het nog een klassieke scheepswerf was en geen fabriek voor nucleaire onderzeeërs, ontstond er al een eerste dynamiek van reconversie, deels gedragen door het bedrijf zelf, met het idee om geleidelijk uit de oorlogsproductie te stappen. Later, in de jaren 1970 en meer algemeen tegen het einde van de jaren 1980, kwamen er nieuwe pogingen tot reconversie.

Aan het einde van de jaren 1980 gingen de vakbonden in Barrow deze kwestie ernstig bekijken. Onder meer omdat de activiteiten met de hoogste toegevoegde waarde op de site niet altijd militaire contracten waren geweest, maar ook civiele productie, zoals de bouw van motoren voor treinen van British Rail. Er bestond dus een lange geschiedenis van civiele productie op de site, die op bepaalde momenten zelfs de belangrijkste bron van winst was geweest.

De vakbonden werkten toen samen met de Campaign for Nuclear Disarmament om na te denken over een diversificatie van de productie en over reconversiescenario’s: wat zou de scheepswerf kunnen produceren in plaats van of naast militaire contracten? Uit dat werk ontstond een voorstel genaamd Oceans of Work, dat concrete alternatieven schetste voor marineopdrachten. Maar dit initiatief werd uiteindelijk verworpen door het management, en er werd beslist om de afhankelijkheid van militaire productie voort te zetten, nu toegespitst op nucleaire onderzeeërs.

Echte veiligheid ligt niet in militarisering, maar in een klassegericht klimaatbeleid dat de planetaire crisis kan aanpakken.

Hoewel er publiek geld bleef toestromen naar de site, vooral nadat de scheepswerf begin jaren 2000 werd overgenomen door BAE Systems, de grootste militaire aannemer van het Verenigd Koninkrijk, is de werkgelegenheid sterk gedaald. De werkgelegenheid nam af vanaf het einde van de jaren 1980 en begint pas zeer recent opnieuw licht te herstellen.

Dit toont aan dat zelfs in de meest arbeidsintensieve segmenten van de militaire industrie bedrijven kunnen blijven profiteren van publieke contracten terwijl ze tegelijk de werkgelegenheid verminderen. Het is een duidelijke illustratie dat militarisering geen agenda is die ten dienste staat van de werkende klasse.

Barrow heeft dan ook een reputatie als “trieste stad”, vanwege de hoge niveaus van sociale precariteit, ondanks de miljarden ponden die via contracten voor nucleaire scheepsbouw worden geïnjecteerd. Precies daarom moeten sociale bewegingen zich coördineren om te stellen dat er wel degelijk alternatieven bestaan.

Kas Bakx: Hoe kunnen deze strijdbewegingen verbonden worden met een breder klimaat- en anti-oorlogsbeleid dat vandaag door de werkende klasse wordt gedragen?

Khem Rogaly: Historisch gezien hebben arbeiders en arbeidsters al campagnes gevoerd voor alternatieven voor militaire contracten, zelfs wanneer hun lokale economie er sterk van afhankelijk was. Vandaag is het mogelijk en noodzakelijk om een klassegericht klimaatbeleid op te bouwen dat de ernst van de crisis die zich voor ons opent ernstig neemt, een tijdperk dat gekenmerkt wordt door chaos en risico’s op planetaire catastrofe.

De enige echte manier om zich collectief te beschermen is deze crisis onder ogen te zien. In plaats daarvan worden we richting een logica van oorlog en militarisering gestuurd, die middelen onttrekt aan de werkende klasse en ze overdraagt aan aandeelhouders van grote private bedrijven, of het nu gaat om technologiebedrijven of wapenindustrieën, terwijl we tegelijk verder worden vastgezet in trajecten die afhankelijk zijn van fossiele energie.

Het gaat niet noodzakelijk om een uitgewerkt organisatorisch programma, maar om een essentieel politiek vertrekpunt: echte veiligheid ligt niet in militarisering, maar in een klassegericht klimaatbeleid dat de planetaire crisis daadwerkelijk kan aanpakken. Militarisering in Europa gaat in tegen de reële veiligheid van de werkende klasse.

En dat is een boodschap die op heel concrete manieren kan resoneren op alle niveaus. Dat zien we al via campagnes van werknemers tegen wapenexporten naar Israël, die in veel landen zijn ontstaan in samenhang met bredere bewegingen tegen oorlog. Er bestaat een veel ruimer potentieel om deze strijd te verbinden, door de eisen van werknemers in de publieke sector tegen militarisering te koppelen aan bredere eisen voor klimaatrechtvaardigheid en sociale transformatie.