Artikels

Schommelen tussen zeepbellen en stagnatie

Ruben Ramboer

+

JOHN BELLAMY FOSTER

— 18 april 2017

  1. John Bellamy Foster is uitgever van Monthly Review en docent sociologie aan de Universiteit van Oregon. Hij is auteur van The Endless Crisis: How Monopoly-Finance Capital Produces Stagnation and Upheaval from the USA to China (samen met Robert Mc. Chesney) en van The Great Financial Crisis: Causes and Consequences (samen met Fred Magdoff). Daarnaast is Foster ook wereldberoemd om zijn ecologisch werk met onder meer The Ecological Rift: Capitalism’s War on the Earth (met Brett Clark and Richard York), Ecology Against Capitalism en Marx’s Ecology: Materialism and Nature.

Monopolisering, stagnatie, militarisering, financialisering en globalisering vormen het quintet van het financieel monopoliekapitalisme: een nieuw historisch tijdperk met vooralsnog een open einde.

“Laten we beginnen bij het begin. De ideologie, de politieke basis en het verdedigde beleid van het Witte Huis van Trump zijn neofascistisch.” Dit is de allereerste zin van John Bellamy Fosters scherpe antwoord op enkele nieuwe vragen die we hem mailden na de verkiezing van Trump tot president. “Trump staat voor neofascisme, maar de rest van het staatsapparaat, het Congres, het gerecht, de veiligheidsdiensten, lokale regeringen en bij uitbreiding de media en het onderwijs zijn (nog) niet neofascistisch.”

“We hebben nu een gevecht in de staat. Deze periode is wat de nazi’s Gleichschaltung (in het gareel brengen of nazificatie: alle organisaties onderwerpen aan de NSDAP, n.v.d.r.) noemden. Steve Bannon heeft het over ‘de deconstructie van het staatsbestuur’.” De toon is gezet, de context geschetst. Nu, Trump of geen Trump, Foster weet met zijn theorieën over financieel monopoliekapitaal de politieke economie perfect te plaatsen.

Ruben Ramboer: Wie steunt Trump dan in deze periode van Gleichschaltung?

John Bellamy Foster: Trump heeft de volle steun van Wall Street met aandelenkoersen die klommen tot 13% tussen zijn verkiezing en eind februari. De grootste steun komt van de fossielebrandstoffenindustrie, het financieel complex en de militaire industrie. Hij had altijd al de steun van grote delen van de ‘miljardairsklasse’, terwijl andere delen Clinton nog steunden. Nu is hij de lieveling van de 1% omdat hij belooft om 75% of meer van alle bedrijfsregulering op te heffen. Ten slotte zou 88% van de Republikeinse kiezers tot dusver instemmen met zijn maatregelen.

“Putting America first again.” In Europa staat de slogan van Trump in de eerste plaats voor protectionisme: importtarieven heffen, het TPP begraven en de maakindustrie naar de VS terughalen. Angela Merkel zei ook dat het TTIP er met Trump niet zal komen. Krijgen we een werkelijke breuk met de naoorlogse periode waarin de VS zijn wereldhegemonie wist op te leggen met vrijhandel?

‘America first’ is economisch én militair nationalisme. Op vlak van handel zal Trump schipperen tussen protectionisme en de zogezegde free trade, al naargelang het hem goed uitkomt. Hij denkt vooral bij bilaterale handelsovereenkomsten zwaarder te kunnen doorwegen dan bij multilaterale overeenkomsten. Maar Trumps strategie bestaat in de eerste plaats uit het economisch ontsporen van China, en is niet zozeer gericht tegen Europa. Ongetwijfeld volgen pogingen om de andere partijen in de triade – Europa en Japan – te werven in een alliantie, om China onder druk te zetten.

Voor de handelspolitiek heeft Trump net als in andere domeinen te maken met het Congres. Traditionele Republikeinen meer nog dan de Democraten kanten zich tegen protectionisme, maar ze zouden het wel aanvaarden indien het hen voordeel zou opleveren. De waarheid is dat de VS zich verwijdert van vrijhandel, net omdat zijn hegemonie over de wereldeconomie afkalft. We zagen hetzelfde gebeuren in de latere fases van de neergang van de Britse hegemonie.

Wat in Trumps voordeel speelt, is dat de bedrijven in de VS met argusogen naar China kijken. Forbes verklaarde in 2016 dat China de VS-economie zou overvleugelen in 2018. Ik ken hun berekeningen niet maar het feit dat het patronaat daarover bezorgd is en een hegemonisch keerpunt als een bedreiging ziet, is op zich significant. Voor de VS, gewend om over de wereld te heersen, is dat werkelijk een grote verandering. Sinds 2000 daalt het aandeel van de VS in de globale economie geleidelijk, jaar na jaar.

Trump wil de militaire uitgaven verhogen met 54 miljard dollar: een stijging van 10% van de defensiebegroting. Hij noemt dat zelf een van de ‘greatest military buildups in American history’. Vergeet niet dat Hitler de eerste ‘militaire keynesiaan’ was, zoals de economen Michael Kalecki en Joan Robinson hebben aangetoond. Hitler toonde dat een economie tot op een zekere hoogte kan worden geboost door bestedingen aan wapentuig. Het is al eerder gedaan en het opdrijven van de militaire uitgaven zit ondertussen ingebakken in het VS-systeem. Maar Trump pakt het nog grootser aan. Hij schept ook al op dat hij Duitsland en de andere NAVO-staten kan bewegen tot meer militaire uitgaven door hun ‘fair share’ te doen in de NAVO.

Over keynesiaanse politiek gesproken, wat denkt u van zijn aankondiging om 1 biljoen dollar te investeren in infrastructuur?

The Financial Times bestempelde het voorstel als ‘bait and switch’. Trump plant niet echt een betekenisvolle verhoging van de overheidsuitgaven in infrastructuur. Dat zijn politiek een biljoen dollar investeringen in infrastructuur zou genereren is gebaseerd op een twijfelachtige analyse van de minister van Handel, Wilbur Ross. Die beweert dat het toekennen van 137 miljard dollar belastingkortingen aan bedrijven met infrastructuuruitgaven hen de financiële hefboom levert om de uitgaven in infrastructuur te verhogen met 1 biljoen dollar in tien jaar. De meeste economen beschouwen dat als een broekzak-vestzak-operatie, kapitaal geven aan kapitaal zodat ze meer winsten kunnen boeken op uitgaven die ze toch zouden maken. Dit is een heel eind verwijderd van overheidsuitgaven aan infrastructuur en zal de tegenstellingen van overaccumulatie nog verdiepen.

De verhoging van de militaire uitgaven is het enige wat Trump rest omdat het Republikeins Congres hem geen andere overheidsuitgaven zal toelaten. Die 54 miljard dollar extra, die hij in de defensiebegroting schrijft, lijken hoog, maar het is een kleine som om een economie van 1,8 biljoen dollar te stimuleren. En die economie zit net zoals de Europese in het slop met een groei van slechts 1,6% in 2016. Om u een idee te geven, tijdens de crisisjaren 1930 groeide de economie gemiddeld met 1,3% per jaar. Larry Summers, minister van Financiën onder Bill Clinton en economisch adviseur onder Barack Obama, schat de kans op een recessie in de VS volgend jaar op een op drie ; binnen twee jaar op een op twee. Als we weten dat hij zijn militaire uitgaven wil financieren met besparingen in andere overheidsuitgaven, zal het effect van de stimulus al bij al wel zeer beperkt blijken.

Trump hoopt eigenlijk de economie niet zozeer te stimuleren met uitgaven maar wel met minder bedrijfsbelastingen en minder bedrijfsregulering. Maar het vrijkomend geld zal eerder vloeien naar de financiële sector dan dat het leidt tot nieuwe investeringen. De bedrijven zitten nu al op een berg cash van biljoenen dollars die ze niet investeren. Voor Trump is deregulering de sleutel tot goedkopere en meer winstgevende investeringen. Het probleem van marktverzadiging en ongebruikte productiecapaciteit die de investeringen net ondermijnen, is daarmee allerminst opgelost. We krijgen verdere financialisering en stagnatie.

Stagnatie en financialisering: de kernbegrippen van de economische theorie van het monopoliekapitaal. In de traditie van de economen Paul Baran en Paul Sweezy meent u dat stagnatie de normale staat is van de hedendaagse economie. U noemt dat The endless crisis. Dat staat haaks op de spontane gedachte dat crisissen eerder de uitzondering zijn.

De term stagnatie is niet nieuw. De Poolse econoom Kalecki sprak al in de jaren dertig over de stagnerende tendensen door steeds grotere monopolies. Nog vroeger ontwikkelden de radicale econoom Thorstein Veblen en marxisten als Rudolf Hilferding, Rosa Luxemburg and V.I. Lenin de eerste theorieën over monopoliekapitalisme. Paul Baran en Paul Sweezy brachten veel van dit alles samen, wat in 1966 resulteerde in de klassier Monopoly Capital: een theorie van hoe de kapitaalaccumulatie was gewijzigd door de groei van mega-ondernemingen. Larry Summers heeft de term dezer dagen weer gepopulariseerd. Voor The Financial Times schreef hij in 2013 het artikel “Why stagnation might prove to be the new normal” dat ruim weerklank kreeg. De herontdekking van stagnatie is zeker welkom maar de mainstream-economen vatten de essentie niet. Ze zien het probleem niet als een tendens eigen aan het systeem.

Volgens de theorie van het monopoliekapitaal gedragen markten zich helemaal niet vrij. In plaats van concurrentie tussen vele ondernemingen die elkaar niet beïnvloeden, krijg je rivaliteit tussen megabedrijven die zich bewust zijn van elkaars doen en laten. Ze zijn winstgevender dan enig ander bedrijf door hun monopoliemacht en bovenal door het vermijden van onderlinge prijsoorlogen. Daar hebben ze geen van allen iets bij te winnen. Marx wees ook al op de concentratie en centralisatie van kapitaal maar hij zag dat nog niet als een nieuwe fase in de economische ontwikkeling. Zijn kritiek van de politieke economie blijft het noodzakelijke vertrekpunt voor alle analyses van het kapitalisme, maar doordat in de loop van de 20e eeuw een handvol bedrijven hele industrieën gaan controleren, krijg je wel een heel andere situatie.

En waarom leidt dat tot stagnatie?

Er is eigenlijk maar één zaak waar alle economen het over eens zijn: uitblijven van investeringen leidt tot economische stilstand en crisis. Daarna verschillen ze van mening over zowat alles. Na de Tweede Wereldoorlog had je de investeringen in de wederopbouw van Europa, de opleving van de automobielsector, de militaire investeringen door de Koude Oorlog en door de grote regionale oorlogen in Azië. Maar op een bepaald punt is dat allemaal uitgeput. Sinds de jaren vijftig daalt de gemiddelde jaarlijkse economische groei: rond 4% in de jaren 1950 en 1960, rond 3% in de periode 1970-90 en de laatste twee decennia minder dan 3%.

De verdwijning van prijsoorlogen heeft werkelijk verregaande gevolgen. Het groeiend economisch surplus belandt bij steeds minder megabedrijven. In een competitiever kapitalisme geraken opbrengsten nog enigszins verspreid over de samenleving, door dalende prijzen. Geconfronteerd met een dalende vraag zal de monopolist niet overgaan tot een prijsdaling maar wel tot een vermindering van de capaciteitsbezetting. Dat leidt dan weer tot overtollige productiecapaciteit. Je moet goed gek zijn om te investeren in nieuwe fabrieken als 30% van de fabrieken stilliggen. Neem de autosector. Die kan 94 miljoen wagens produceren, maar dat zijn er 34 miljoen meer dan de huidige verkoopscijfers ; niets minder dan de output van zo’n 100 fabrieken. Ze geraken de geproduceerde goederen aan de straatstenen niet kwijt.

In het monopoliekapitalisme heb je grotere winstvoeten, intensere uitbuiting en grotere overtollige productiecapaciteit dan in het kapitalisme van de vrije concurrentie. Er zijn niet voldoende winstgevende investeringsmogelijkheden om het enorme surplus te absorberen in productieve investeringen. Kortom, hoe meer monopolistisch een economie, hoe sterker de tendens tot stagnatie.

Het vraagstuk van accumulatie, groei en crisis wordt zo ondersteboven gezet. Eerder dan de trage groei of de stagnatie als een anomalie te beschouwen waarvoor je de uitleg zoekt in externe factoren, wordt de uitdaging nu om een snellere groei uit te leggen als een anomalie ten gevolge van een aantal stimuli.

Hoe wordt een stagnerende economie gestimuleerd? Wat gebeurt er dan met het economisch surplus van de megaondernemingen?

Kapitalistische consumptie en investeringen zijn niet de enige twee uitwegen voor absorptie van het economisch surplus, het kan ook worden verspild. Dit inzicht van Baran en Sweezy is cruciaal. ‘Verspilling’ werd een kernbegrip in de studie van het monopoliekapitaal en dekt vele ladingen: verkoopinspanning (reclame, marketing, verpakking, geplande veroudering, modelwijziging, merknamen, bespieden van surf- en aankoopgedrag, datamining, enz.), oorlog, imperialisme, militaire en niet-militaire overheidsuitgaven. De verspilling kan een beetje groei en tewerkstelling creëren en de schijn wekken dat de economie goed draait. Maar de stimulus blijkt uiteindelijk ruim onvoldoende om de stagnatie te verhinderen.

De ultieme verspilling is speculatie. Vanaf de jaren tachtig krijgen we werkelijk een shift in de economie van productie naar speculatieve financiën als de belangrijkste impuls voor groei. De economische booms van de jaren tachtig en negentig komen van de snelle groei van financiële speculatie aan de hand van stijgende schulden, vooral in de private sector. Vroeger dacht men dat financiële expansie hand in hand ging met welvaart in de reële economie. Dat is niet langer zo. De financiële expansie voedt geen reële economie meer, maar een stagnerende.

Trump zal schipperen tussen protectionisme en de zogezegde free trade al naargelang het hem goed uitkomt.

Door de hoge vlucht van die financialisering spreek ik ook niet langer van monopoliekapitaal maar van monopoly-finance capital (verder vertaald als financieel monopoliekapitaal, nvdr). De intrinsiek verbonden aspecten van monopolisering, stagnatie, financialisering en globalisering brachten ons in een nieuwe historische fase. Financieel monopoliekapitaal is geïnstitutionaliseerde stagnatie en verspilling. Een gebrek aan winstgevende investeringsopportuniteiten, gecombineerd met enorme verspilling, lijkt misschien paradoxaal. Maar niet de theorie is paradoxaal, het is haar voorwerp: het kapitalisme.

Acht jaar na de val van Lehman Brothers overheerst nog altijd de idee dat het casinokapitalisme met zijn speculatie en zeepbellen aan de basis ligt van de economische crisis. Maar u zet dat idee dus op zijn kop. Volgens u kan het monopoliekapitaal niet zonder financialisering en kredieten. Het is juist door de stagnatie dat de financiële sector (met als acroniem FIRE, Finance, Insurance en Real Estate) een hoge vlucht nam.

Wat aan de oppervlakte oogt als een speculatieprobleem is in werkelijkheid een probleem van stagnatie in het centrum van de wereldeconomie. Het economisch surplus vindt geen winstgevende investeringen meer in de reële economie en vloeit naar de financiële sector door de expansie van de FIRE-sector. Het surpluskapitaal van de bedrijven en de rijken wordt geabsorbeerd door de financiële sector. Die speelt daar handig op in door het leveren van een heel exotisch gamma financieel complexe instrumenten: futures, options, derivaten, swaps, hedge funds, subprimes, effectisering, enz.

De reële economie stagneert, de financiële economie gaat door het dak. Door het aansporen van speculatie stijgen de koersen. De kapitalist wordt rijker en rijker. Hypes zoals de interneteconomie kunnen dat versterken. Maar dé stimulans voor de financiële economie is het leiden van al de monetaire stromen in de samenleving – hypotheken, kledij, openbaar onderwijs, verzekeringen – naar de financiële markten. Systematisch worden constructies opgezet om alles om te zetten in finance. Steeds grotere bedragen worden verpakt in steeds meer financiële producten die de basis vormen voor een speculatieve boom.

Het resultaat was de creatie van bergen schuld, gekoppeld aan een buitengewone groei van de financiële winsten. Het ging hard. Geweldig hard. De privéschulden (van gezinnen en bedrijven) stegen van 110% van het bruto binnenlands product van de VS in 1970 naar 293% in 2007. De financiële winsten namen een zeer hoge vlucht met een groei van meer dan 300% tussen 1995 en 2007. Schulden van allerlei types dopeerden de economie: hypotheken, autoleningen, kredietkaarten, studentenleningen. De schulden evolueerden van 150% van het bruto binnenlands product in 1980 naar 350% net voor de crisis van 2008.

Die financiële groei had wel effecten in de reële economie en counterde stagnerende tendensen.

Jazeker, studies wijzen uit dat de luxeconsumptie toenam met 7% tijdens de stijging van de aandelenkoersen. De rijkeren kochten dankzij de ogenschijnlijk opwaartse waarderingen van beleggingen en immobiliën een tweede huis. De financialisering creëerde ook bijkomende jobs maar de financiële sector werft per dollar omzet veel minder mensen aan dan andere sectoren. En schulden financierden consumptie. Het gevolg is wel de groeiende afhankelijkheid van de hele economie van de ene zeepbel na de andere om het spel gaande te houden.

Indien je aan het roer van zo’n zeepbeleconomie staat, dan doe je alles om de zeepbel niet te doorprikken. Je zoekt juist manieren om ze verder op te blazen: dereguleren en nieuwe geldstromen naar de financiële markten leiden door hen toe te laten tot sectoren waar ze geen toegang toe hadden. De enig denkbare overlevingsstrategie in deze economie is het speculatieproces weer op gang krijgen. Zelfs Larry Summers gaf grif toe dat een economie, wereldwijd gekenmerkt door stagnatie, geneigd is tot nieuwe luchtbellen. De economie wisselt uitgesproken stagnatie af met korte periodes van magere groei door financiële uitbundigheid.

Volgens u is het een misvatting dat het neoliberalisme of de extreme vrijemarktideologie de bron is van de huidige problemen. U schrijft: “De overwinning van de neoliberale economie was niet het resultaat van overtuigende argumenten of astrofysisch onderzoek. We zien het veeleer als de politiek-economische tegenhanger van de opkomst van het financieel monopoliekapitaal.”

In de redactie van Monthly Review snoeien we in het gebruik van het begrip neoliberalisme. Dat wordt vaak gebruikt als etiket voor de hedendaagse economie maar het neoliberalisme is geen systeem. Het is de politieke strategie van het financieel monopoliekapitaal om alle geldstromen te integreren in de speculatie. Publieke scholen worden privéscholen met misschien nog publieke middelen maar die worden beheerd als privébedrijven. Onderwijs wordt een business als een ander met scholen en universiteiten die beleggen op de beurs. Private pensioenstelsels veranderen de publieke pensioenkas in fondsen voor speculatie. Het maakt allemaal deel uit van de strategie om alles om te zetten in financiële groei. Meedogenloos commercialiseert de neoliberale politiek zo de hele samenleving.

Waar vinden we de maakindustrie in het verhaal over het financieel monopoliekapitaal? Moeten we nog een onderscheid maken tussen een financiële en industriële kapitalist? De ene investeert en creëert jobs, de andere gokt en speculeert?

Dat is het verhaal van Paul Krugman en co. Zij verkiezen een soort van old-school conservatief keynesianisme. Hun kernboodschap luidt: reguleren en terugkeren naar een industrieel kapitalisme. Halverwege de 20e eeuw ging dat misschien nog, maar vandaag niet meer. Het hele systeem van financialisering is veel te ver heen. Dat industriële kapitaal zit ook in de financiële sector. General Motors heeft een financiële arm die compleet gericht is op beleggingen en speculatie met de pensioenfondsen van het personeel.

Kapitaalaccumulatie in de traditionele zin van het woord is niet langer de gebruikelijke manier van doen, aandelengroei op de financiële markten staat centraal. Daardoor zijn regulering en keynesianisme onmogelijk. Verder houdt een miljardair natuurlijk van een bloeiende reële economie maar bovenal is het intact houden van zijn vermogen de grootste bekommernis. Door het vermijden van prijsoorlogen in het financieel monopoliekapitaal krijg je een intrinsieke inflatietendens. Dat kan je historisch nagaan. In de 19e eeuw daalt het algemeen prijsniveau in de VS continu, op de jaren van de burgeroorlog na. Maar gedurende de hele 20e eeuw stijgt het prijsniveau, op de jaren van de grote depressie na. Die inflatie schrikt het kapitaal enorm af. Ze bedreigt natuurlijk de waarde van de vermogens.

Zo wordt financialisering en het intomen van inflatie de inzet van elk economisch beleid. Het zijn de New Yorkse banken die de FED (de centrale bank van de VS, nvdr) controleren. Het financieel kapitaal staat aan het stuur. De locus van de economische macht bevindt zich niet langer in de raden van bestuur van een honderdtal multinationals, maar verplaatste zich echt wel naar de financiële markten. Sinds de jaren zeventig is financialisering de strategie: geld pompen in het systeem om het draaiende te houden. Investeren in de reële economie en reguleren zijn geen opties.

Na het uitbreken van de crisis gingen nochtans veel stemmen op om de financiële sector strenger te reguleren. Regeringspolitici en centrale bankiers hadden de mond vol van transparantie, regulering, controle en moralisering van het kapitalisme. Ze beloofden te handelen tegen de ratingagentschappen, tegen de fiscale paradijzen, tegen de bonussen en tegen de speculatieve fondsen.

Er gebeurde niets van dat alles. Het is een ijdele hoop. Na elke regulering volgt deregulering vanaf dat ze de speculatie hindert. Eens een financiële zeepbel zich ontwikkelt, wil de lopende regering vermijden dat ze barst. Geen enkele kapitalistische regering zal de vraag om deregulering van de financiële sector negatief beantwoorden bij een dreigende ineenstorting. Zij zal dereguleren zoals Trump alweer heeft aangekondigd. De zeepbel moet weer groeien in het voordeel van het kapitaal. Mogelijks is ze zich bewust dat ze een nieuwe grotere crisis in de startblokken zet, maar dat zijn kopzorgen voor later. Sinds de financialisering van start ging in de jaren zeventig, werd de wereldeconomie geteisterd door een vijftiental financiële crisissen, vaak eufemistisch geduid met kredietschaarste. Ze groeien in schaal en impact. (De laatste waren de Aziatische crisis (1997), de roebelcrisis (1998), de internetzeepbel (1997-2001), de Argentijnse (2001) en finaal de grote financiële crisis (2007-2009), nvdr).

De leefwereld van bankiers, makelaars, traders, grote aandeelhouders, CEO’s enz. is daarmee min of meer geschetst. Hoe staat het met de gevolgen van het financieel monopoliekapitalisme voor de werkers, de gepensioneerden en de zwakkeren in deze samenleving?

Bij prijsoorlogen vloeit een deel van de rijkdom terug naar de bevolking in de vorm van een stijgende koopkracht. Volgens de vrijemarkttheorie moeten bij een stijgende productiviteit de prijzen dalen door de concurrentie. Maar monopolisten weerstaan de prijsdalingen en al de productiviteitswinsten vloeien zo naar de monopolist. De groei van de productiviteit in de VS bedroeg 2,2% tussen 2000 en 2007 maar het mediaan uurloon daalde met 0,1%. In 1970 waren de lonen nog goed voor 53% van het bruto binnenlands product, in 2005 schommelde dat rond de 46%. De verkoopinspanning van het financieel monopoliekapitaal heeft ook negatieve gevolgen. De kosten van gewijzigde modellen, verpakkingsdesign en reclame worden natuurlijk doorgerekend aan de klant. In feite is dat verspild surplus die de werkers moeten betalen voor eenzelfde gebruikswaarde.

Arbeid is geconfronteerd met de ‘verdeel-en-heers’ politiek van het financieel monopoliekapitaal op wereldschaal. De meeste hindernissen op free trade – dat is dus niets anders dan de mobiliteit van het kapitaal – zijn uit de weg geruimd, terwijl de arbeidsmobiliteit zich meestal beperkt tot de natiestaat of door andere factoren als taal, cultuur en immigratiewetten wordt ingedamd. Multinationals doen daarvoor beroep op onderaannemers die niet zelden overgaan tot de meeste brutale vorm van uitbuiting, zonder enige regulering. Het dalend gebruik van de productiecapaciteit, kenmerkend voor het monopoliekapitalisme, loopt parallel met wat we de ‘stagnatie van de werkgelegenheid’ noemen. De werkloosheid schommelt rond de 15%, wat de rooskleurigere officiële werkloosheidsstatistieken ook mogen beweren.

Marx’ politieke economie blijft het vertrekpunt, maar met een handvol bedrijven die hele industrieën controleren, krijg je wel een heel andere situatie.

De werkelijke toestand vinden we terug in andere statistieken met stijgende honger, slechtere gezondheid, toegenomen dakloosheid, groeiende schuldbemiddeling, enz. Samen met de afleiding van de geldstromen naar de financiële sector, de stijgende militaire uitgaven, de klimaatopwarming, de besparingen in de sociale zekerheid, regressieve belastingkortingen, de afbouw van onderwijs, de beperking van de toegang tot gezondheidszorg en justitie kunnen we met Naomi Klein inderdaad spreken van disaster capitalism. Het succes van Bernie Sanders toonde dat de mensen razend zijn. Velen uit de werkende klasse stemmen conservatief maar in grote getale vonden ze zich in zijn verhaal. Nooit voorheen hadden ze iemand gehoord die zo beantwoordde aan hun verzuchtingen.

Overheidsschuld en begrotingstekort zijn de alfa en omega van de regeringspolitiek. De dogma’s van de Europese Unie zijn een overheidsschuld van maximaal 60% en een begrotingstekort van maximaal 3%. Ze zijn verwoestend voor de bevolking en niet zelden leiden ze net tot grotere schulden en tekorten omdat ze de economie verstikken. Het voorbeeld van Griekenland is tekenend. Waarom toch die focus op de overheidsfinanciën?

Merk eerst op dat de ontwikkeling van de schulden voor het uitbreken van de crisis het hardst ging bij de privébedrijven, vervolgens bij de huishoudens en dan pas bij de overheid. Waarom dan die conservatieve aanpak van de overheidsfinanciën in vergelijking met de financiën van de huishoudens en de bedrijven?

De situatie in Europa is redelijk uniek door de complicaties van de euro, een eenheidsmunt tussen meerdere natiestaten, maar, meer algemeen, komt het neer op het verzekeren van het financieel kapitaal van banken en bedrijven. Bij angst voor de zeepbel die barst, zoekt dat kapitaal heil in andere waardepapieren. In die context is de rol van de staat drastisch gewijzigd. De financiële machten decreteren een relatief schuldenvrije staat met voldoende liquide middelen. De functie van de staat wordt in hoofdzaak die van lender of last resort. De rol wordt nog centraler door het too big to fail-probleem. De financiële bedrijven werden zo gigantisch, dat ze bij failliet de hele economie meesleuren in hun val. Ze noemen dat saneren maar eigenlijk gaat het om voorzien in een spaarpotje om bedrijven uit te kopen – to bail out – als de crash nabij is. De overheid moet dan borg staan. Ook moet de munt worden ondersteund, de waarde van het geld beschermd.

De autosector kan 94 miljoen wagens produceren, maar dat zijn er 34 miljoen meer dan hij kan verkopen. De output van zo’n 100 fabrieken.

Hogere belastingen voor de financiering van sociale programma’s rijmen niet met een neoliberale politiek. Sociale zekerheidsprogramma’s zijn vruchtbaar terrein voor deregulering, commercialisering en privatisering om nieuwe geldstromen te laten samenvloeien naar de financiële markten. Het versterken van financieel kapitaal werd belangrijker dan productie en werkgelegenheid. En zo onderwerpt de staat zich steeds meer aan de noden van een plutocratie.

De crisis lijkt de multinationals niet te raken. De cijfers die u in het boek The Endless Crisis vermeldt, zijn toch wel heel straf. Al na één jaar herstelde de top-500 zich compleet van de crash in 2008. Amper een jaar later namen de inkomsten toe met 335% en de returns on sales verviervoudigden in 2009. Wat vertellen die cijfers ons?

Eerst even terugblikken naar 2000. De internetzeepbel wordt vooral geassocieerd met overgewaardeerde internetbedrijfjes, maar het was niets anders dan een financiële crisis op de aandelenbeurs, met biljoenen dollar die in rook opgingen. Ook dan slaagden de bedrijven erin hun verliezen weer goed te maken. Bij iedere crisis die het kapitaal treft, stelt zich de vraag wie de rekening betaalt. Initieel belandt de kost bij het kapitaal, maar er bestaan allerlei manieren om de kost uiteindelijk op de bevolking af te wentelen.

Een andere factor is dat tijdens een crisis de concentratie en de centralisatie met rasse schreden voortgaat. De grote banken controleerden zo’n 40% van de markt bij het uitbreken van The Great Financial Crisis in 2007, maar dat evolueerde naar 80% in 2009. Enkele giganten hadden andere giganten opgeslokt. Van de 15 grootste banken in de VS in 1991 (samen goed voor 1,5 biljoen dollar in financiële activa), bleven er in 2008 maar 5 over (samen goed voor 8,9 biljoen dollar).

Doorslaggevend in de redding en het herstel van de winsten was de geldpers van de FED die het geld werkelijk weggaf of uitleende aan bijzonder voordelige voorwaarden. Niemand kent de werkelijke bedragen maar begin 2009 had de VS al voor een slordige 12 biljoen dollar engagementen aangegaan om financiële instellingen uit te kopen door kapitaalinjecties en schuldgaranties. Meer dan welk land ter wereld ook, hebben de VS de macht om geldpersen te laten draaien met quantitative easing zodanig dat veel bedrijven zelfs beter af zijn dan voor de crisis.

Obama pakte na het uitbreken van de crisis uit met een plan van 700 miljard dollar voor fiscale stimulus van de economie. Dat stelt weinig voor in verhouding tot de omvang van de economie van de VS. En het is al helemaal klein bier in vergelijking met de sommen van de FED. Ik vertel mijn studenten vaak volgend verhaaltje – fictief maar waarschijnlijk niet zo ver van de waarheid. Toen Obama het Witte Huis introk, nodigde hij Ben Bernanke, voorzitter van de FED, uit om wat van gedachten te wisselen. De minister van Financiën zou er ook zijn. Op de afspraak zegt Bernanke aan Obama: “We kampen met een financiële crisis, maar jij moet je daar echt geen zorgen om maken. Wij lossen dat wel op met een injectie van biljoenen dollar in de bedrijven. Jij op jouw beurt krijgt 700 miljard om te besteden. Daarvan gaat ook een deel naar de bedrijven maar zo kan je toch laten uitschijnen dat je iets doet voor de bevolking en de economie. Jouw job is om je op onze lijn te zetten, zodanig dat wij jou niet moeten ondermijnen.”

Hoe gaat het verhaal voor Trump?

Voor Trump denk ik eerder aan een ontmoeting met de Amerikaanse inlichtingendiensten over Rusland. Je kunt het natuurlijk niet zeker weten, maar mogelijk ging het als volgt. Trump trekt op 23 januari naar het hoofdkwartier van de CIA in Langley, Virginia. Hij is vergezeld van Michael Flynn, de nieuwe nationale veiligheidsadviseur, en Steve Bannon, strateeg van het Witte Huis. Vertegenwoordigers van de andere zestien inlichtingendiensten zijn ook op de afspraak.

Na de gebruikelijke felicitaties krijgt Trump te horen dat hij de nieuwe Koude Oorlog met Rusland moet verderzetten. Hij antwoordt dat het Witte huis net werkt aan een deal met Poetin. Flynn neemt over met een oorlogszuchtige verklaring: “De CIA-gesponsorde oorlog tegen het regime van Assad in Syrië moet stoppen. Samen met Rusland vegen we IS van de kaart en China wordt het volgende doelwit.” Na wat vragen van de inlichtingendiensten komt Bannon tussen en snauwt hen toe dat ze hun kop moeten houden en zich schikken naar de nieuwe politieke orde. Je kon een muis horen lopen bij de CIA en de andere spionagediensten.

Enkele weken later slaat de “diepe staat” van de NSA terug met een record aantal lekken aan de belangrijkste nationale kranten. Die zijn allemaal gericht tegen Flynn en de onderhandelingen met Rusland om de sancties tegen te beëindigen. Flynn werd gedwongen tot ontslag, om Trump te beschermen. Drie dagen later vraagt Trump aan de miljardair Stephen Feinberg om de inlichtingendiensten te onderzoeken. Feinberg is de CEO van Cerberus Capital Management, moederbedrijf van Dyncorp, één van de vijf grootste defensie- en veiligheidsbedrijven. Met andere woorden, Bannon en Trump zijn ervan overtuigd dat ze met misleiden en intimideren de deep state in het gareel kunnen brengen.

Baran en Sweezy wezen op het belang van militaire uitgaven in het absorberen van het economisch surplus. U zei dat Trumps militaire uitgaven de stagnatieproblemen zeker niet oplossen maar hij geeft er wel een lap op: 100.000 nieuwe grondtroepen, 18.000 nieuwe marinetroepen, het optrekken van de vloot naar 350 schepen en 1200 jachtvliegtuigen. Trekt hij ten oorlog?

Het Witte Huis wil via militaire macht een reeks geopolitieke overwinningen boeken. Dat houdt vooral in de uitbreiding van de controle op de Perzische Golf en China terugslaan, in het bijzonder in de Zuid-Chinese Zee. Bannon, een openlijk neofascist, is verdediger van een “Joods-Christelijke oorlog” tegen de Islam en China. Het dispuut in de heersende klasse was niet of de VS al dan niet hun militaire macht gebruiken om hun imperium uit te breiden. Maar Obama en Clinton zochten hun heil eerder in een nieuwe Koude Oorlog tegen Rusland, terwijl Trump China op het oog heeft als ultieme vijand. Hij propageert een nationalistisch-religieuze-racistische kruistocht à la Samuel Huntingtons The Clash of Civilizations.

Trump laat er ook geen twijfel over bestaan dat hij klaar is voor “boots on the ground” in het Midden-Oosten. En hij wil het nucleair arsenaal uitbreiden. De militaire vooruitzichten zijn huiveringwekkend. Zoals Istvàn Mészaros zegt: we zijn in “potentieel de meest dodelijke fase van het imperialisme”. Minister van Defensie James Mattis wordt gezien als een terughoudend figuur ondanks zijn bijnaam “Mad Dog”. Dat alleen al is verontrustend.

Terug naar de economie. Het monopoliseringsproces is karakteristiek voor de geschiedenis van het kapitalisme. U noemde ook al de fusies in de financiële sector. Recent zagen we weer enkele sterke staaltjes. Kraft Heinz wilde fusioneren met Unilever om nog een grotere gigant te worden in de sector. Dichter bij huis hebben we de overname van SAB Miller door AB Inbev, de fusie van De Telegraaf met het Mediahuis, van Delhaize met Albert Heijn, Peugeot dat Opel overneemt, enz… Wanneer stopt het?

Het stopt niet, toch niet in dit systeem. De beste indicator voor de monopoliegraad is de capaciteit van de grote ondernemingen om hogere winsten te boeken dan hun kleinere concurrenten. Wel, het aandeel van de totale brutowinsten van de top-200 bedrijven in de VS als een percentage van de totale bedrijfswinsten in de economie steeg tussen 1950 en 2008 van 13% naar meer dan 30%.

Het neoliberalisme is geen systeem. Het is de politieke strategie om alle geldstromen in de samenleving te integreren in de speculatie.

Grote bedrijven spelen de kleintjes weg of slokken ze op. Karl Marx zag dat als eerste in de 19de eeuw. Hij maakt een onderscheid tussen centralisatie en concentratie. De concentratie is de eigenlijke accumulatie van kapitaal. Marx vatte dat in de formule M-C-M’ (M staat voor Money en C voor Commodity). Je begint met geld en eindigt met geld. Het motief kan niet anders zijn dan winst. De volgende fase begint dan met M’ en eindigt met het grotere M’’. Zo krijg je een sneeuwbaleffect. Naast de concentratie heb je wat Marx centralisatie noemt: de tendens tot het samenvloeien van afzonderlijke kapitalen om grotere eenheden te vormen door fusies, overnames of de absorptie van een failliet bedrijf.

Het meest tot de verbeelding sprekende voorbeeld uit die tijd is de vorming van US Steel in 1901. Dit was het eerste miljarden-dollar-bedrijf, gevormd door de combinatie van maar liefst 165 staalbedrijven met het financieel imperium van J.P. Morgan dat voorzag in de nodige kredieten. Monopoliekapitaal en financieel kapitaal waren altijd al nauw gekoppeld. Overigens legde Marx ook al het verband tussen de ontwikkeling van de kredietmarkt en wat hij de joint-stock companies noemde: een aandelenbeurs georganiseerd rond industriële effecten. Dat komt vrij goed overeen met de situatie vandaag. De centralisatie is ondertussen al lang niet meer louter horizontaal zoals in het voorbeeld van US Steel maar ook verticaal waarbij het staalbedrijf zijn leveranciers opslokt. De volgende stap werd dan de overstap naar andere industrieën met gigantische ondernemingen die de lakens uitdelen in vier of vijf verschillende sectoren. Een autobedrijf wordt ook actief in de filmindustrie. We krijgen conglomeraten.

Internationaal kan je toch spreken van concurrentie tussen multinationals?

In de crisisjaren van 1970 kreeg je inderdaad meer internationale concurrrentie. Buitenlandse producenten werden actief op de VS-markten. Een Japanse automaker ging auto’s produceren op Amerikaanse bodem. Later kwamen de Koreanen enzovoort. Dat zag men als een toename van concurrentie, maar eigenlijk ging het om een globalisering van kapitalisme. Binnen de grenzen van ieder land kreeg je meer competitie, maar op wereldschaal steeg de concentratie en de centralisatie. Steeds minder bedrijven controleren een steeds groter deel van de globale markt. Het monopoliekapitaal ging globaal. Globaal genomen daalt de concurrentie. Dat resulteert in een enorme concentratie van de inkomsten. De top-500 bedrijven van de wereld zijn goed voor 40% van het wereldinkomen. In 1960 was dat nog minder dan 20%. En het aandeel neemt toe, ook al omdat de crisis de concentratie aanwakkert.

Als je aan het roer staat van een zeepbeleconomie doe je alles om de zeepbel niet te doorprikken.

Het is belangrijk om die band tussen monopoliekapitaal en multinationals te zien. In wezen gaat het om hetzelfde fenomeen. Lenin dacht al in die termen maar het was de industrieel econoom Stephen Hymer die het bewijs leverde voor het ontstaan van multinationaal kapitaal in het verlengde van de tendens tot concentratie en centralisatie van kapitaal. Hij noemde dat “The Law of Increasing Firm Size”: van atelier, over fabriek, nationale ondernemingen, multidivisionele onderneming, naar multinationale onderneming. Baran en Sweezy gaven in 1963 het kind een naam: de multinational. Belangrijk is dat de opkomst van de multinational niet mogelijk is tot het stadium van het monopoliekapitalisme (te onderscheiden van het competitief kapitalisme) in een land is bereikt.

Omdat ze geen andere verklaring hadden, werd de theorie van Hymer destijds hernomen door de economen van de vrije markt. Later kwamen die wel met de theorie van transactiekosten die de nadruk legt op efficiëntie, kostenoptimalisatie en schaalvoordelen. Verticale integratie werd dan bijvoorbeeld gezien als het vermijden van transactiekosten door de aankopen binnen de firma te houden. Dat bood hen het voordeel – wat ze expliciet toegaven – om te blijven denken in het kader van de theorie van de vrije markt. Hoewel al ontwikkeld in de jaren dertig krijgt de uitleg van transactiekosten niet toevallig de wind in de zeilen met de opkomst van het vrijemarktconservatisme in de jaren 1970 en 1980, waarbij elke verwijzing naar monopolievorming wordt geschuwd. Maar in ons begrip is een multinational monopoliekapitaal. Elke mega-onderneming is ook een multinational en die zijn inherent aan het systeem.

U omschrijft Thomas Piketty als een “highly credentialed member of the neoclassical elite”. Nochtans pleitte hij in zijn wereldwijde bestseller “Kapitaal in de 21ste eeuw” voor een belasting op de grote vermogens. Wat vindt u daarvan?

Piketty is ongetwijfeld wereldexpert in het onderwerp van de ongelijkheid, onder meer door zijn indrukwekkende databank. Hij vindt het “principe van de oneindige accumulatie” de belangrijkste tegenstelling van de huidige economie. Dat leidt in het kapitalisme tot “hypergeconcentreerde welvaart” en allerlei andere irrationaliteiten. Daarom pleit hij voor een “useful utopia”: een progressieve jaarlijkse belasting op individuele welvaart. Straf dat een mainstream-econoom een voorstel lanceert dat nog steeds als anti-kapitalistisch wordt beschouwd. Voor hem was het zeker a big deal. Echt nieuw is het voorstel niet. In 1937 werkte Kalecki als eerste het argument uit voor een taks op welvaart.

Piketty blijft in zijn werk nauw aanleunen bij de neoklassieke economie. Hij haalt de dingen ook door elkaar. De term kapitaal gebruikt hij voor welvaart, en kapitaalaccumulatie staat bij hem voor vermogensgroei. Vanuit marxistisch perspectief is dit allemaal zeer verwarrend. Niettemin toont Piketty goed de erfelijkheid van fortuinen en maakt hij duidelijk dat in een kapitalistische economie vermogen veel belangrijker is dan inkomen. Stel dat de inkomensongelijkheid dezelfde blijft, dan zal de vermogensongelijkheid toch stijgen. Maar Piketty kiest niet echt kant. Van systeemverandering spreekt hij niet, terwijl de ongelijkheid juist inherent is aan het systeem. Hij is een sociaaldemocraat. Je krijgt bij hem wat minder ongelijkheid, een bescheiden vermindering. Fijn, zeker in een neoliberale economie, maar je schiet er toch niet zoveel mee op.

Waar schiet je dan wel mee op?

Een meer rechttoe rechtaan aanpak zou toch zijn om direct te focussen op de sociale noden door de basisbehoeften van de mensen en het milieu op de eerste plaats te zetten. Het alternatief voor stagnatie is jobs voor de werklozen, huizen voor de daklozen, gezondheidszorg, inkomenszekerheid en een treffelijk milieu voor iedereen.

Het kan niet dat een economie, gerund door een honderdtal megabedrijven, gericht op status quo met zijn bijproducten van verspilling, uitbuiting en oorlog, de grondvesten legt van de toekomst. Het principe van oneindige accumulatie voor het profijt van weinigen moet baan ruimen voor het principe van voldoende voor iedereen.

Maar zoals de Cambridge-econome Joan Robinson en studente van Keynes het formuleerde: “Elke regering die de macht én de wil zou hebben om de belangrijkste gebreken van het kapitalistisch systeem te herstellen, zou de wil en de macht hebben om het volkomen op te doeken.” De radicale verandering zal vooral van onderuit moeten komen.