Artikels

Op het spoor van de neo-aristocratische elite

David Sebrechts

+

Klaartje Schrijvers

— 21 december 2020

— PDF-versie

Onderzoeksjournalist Walter De Bock baande zich een weg doorheen censuur, achterkamerpolitiek en geheime netwerken, maar de ziekte van Alzheimer sneed hem de pas af.

“Voor Walter was de waarheid niet alleen iets dat hij koste wat het kost wilde vinden, maar ook een levensvisie, een kijk op de samenleving. Het streven naar waarheid en waarachtigheid vormde haast het fundament van zijn persoonlijkheid. Hij zag glashelder hoe de verdediging van de waarheid samenviel met het verdedigen van de democratie. Zonder waarheid geen democratie!” Met die woorden vat Klaartje Schrijvers in haar dit jaar verschenen boek Het archief van Walter de kern van Walter De Bocks engagement samen.

Walter De Bock (1946-2007) was een van de belangrijkste onderzoeksjournalisten die ons land heeft gekend. Hij schreef onder meer voor De Morgen en Knack en verzekerde zich van een stevige reputatie door onthullingen in diverse cases zoals de moord op PS-kopstuk André Cools, de Agusta-Dassault-affaire (smeergeld voor wapenaankopen), de Bende van Nijvel, het Belgisch aandeel in Irangate (illegale wapenhandel van de VS aan Iran) en Tractebel (smeergeld voor de ontginning van gaspijplijnen in Kazachstan). Maar Walter De Bock had tijdens zijn leven ook een gigantisch archief aangelegd. In 2005 begon hij met de overdracht van honderden dozen documenten naar universiteitsbibliotheek van Leuven aan het Ladeuzeplein. Dat archief vormde misschien nog het meest van al zijn levenswerk, dat hij helaas zelf niet heeft kunnen afwerken. Enkele jaren eerder werd bij hem de ziekte van Alzheimer vastgesteld.

Het anticommunisme is verantwoordelijk voor enkele van de meest ingrijpende en spannendste bladzijden uit de Belgische geschiedenis.

Klaartje Schrijvers doctoreerde op dat moment in de geschiedenis aan de UGent. Haar proefschrift kreeg de titel “‘L’Europe sera de droite ou ne sera pas!’. De netwerking van een neo-aristocratische elite in de korte 20e eeuw.” Dat was echter het resultaat, vertelt Schrijvers hierover, van een onderzoek dat ze zich op voorhand niet had kunnen voorstellen. Immers, wat ze in kaart bracht was nog nooit eerder beschreven: een industriële, financiële, anticommunistische, christelijke, conservatieve en uiterst rechtse elite die zich in diverse clubs en organisaties organiseerde om achter de schermen van de officiële politiek gezamenlijk te streven naar een rechts Europa, wars van alle linkse invloeden. Het betrof een élite de l’esprit, een begrip ontleend aan graaf Coudenhove-Kalergi, die zowel in het communisme als in het algemeen stemrecht een bedreiging zag voor Europa’s voortbestaan. Deze elite deelde dan ook een minachting voor de parlementaire democratie. Ze beschouwde het algemeen stemrecht als de dictatuur van de massa.

David Sebrechts: Je schreef je doctoraat over de netwerking van een neo-aristocratische elite in de korte 20e eeuw, die achter de schermen van de officiële politiek streefde naar een rechts Europa. Hoe ben je op het pad van onderzoeksjournalist Walter De Bock gekomen?

Klaartje Schrijvers: Dat is best wel een lang verhaal. Het begon met de vaststelling dat de officiële archiefinstellingen nauwelijks of geen materiaal hadden waarmee ik mijn onderzoek kon voeren. Ofwel had men niets verzameld over de protagonisten uit die netwerken, ofwel kreeg ik geen toegang tot de dossiers. Het viel mij op hoe in de Belgische archieven wel iets te vinden was over communisme en communistische agitprop, communistische politieke partijen en organisaties, maar niets over anticommunistische activiteiten. Een verklaring daarvoor is dat die anticommunistische actie werd gedragen door leden van het establishment die zowel toen als nu nog voor respectabel doorgaan. Bovendien laat een elite zelden veel sporen na over haar privé-engagementen, en al helemaal niet in de context van de Koude Oorlog.

Toch is het anticommunisme in België verantwoordelijk voor enkele van de meest ingrijpende en spannendste bladzijden uit de Belgische geschiedenis. Daarom is de afwezigheid van sporen daarvan op zijn zachtst gezegd opmerkelijk. Zo weet men bijvoorbeeld nog steeds niet met zekerheid wie de opdrachtgevers waren voor de moord op de communistische leider Julien Lahaut in 1950. Nochtans hebben zeer bekwame teams van historici tot twee keer toe tot het uiterste gegraven in deze geschiedenis. Ook de moord op Patrice Lumumba uit 1961 is nog steeds deels gehuld in mysteries. Het Belgische onderzoek naar Gladio – het geheime stay-behindnetwerk dat vanaf 1952 opereerde in diverse Europese landen en gesponsord werd door de CIA en de NAVO – werd dan weer nooit zo diep en exhaustief gevoerd als in Italië. Het baadt bijgevolg nog steeds in een waas van onvolledigheid en oppervlakkigheid.

De dossiers zwijgen, de archieven houden op te bestaan zodra er nog maar in de buurt wordt gekomen van anticommunisme en anticommunistische actie. Om dus terug te komen op je vraag: in het tweede jaar van mijn doctoraat dreigde mijn onderzoek daardoor vast te lopen. Maar dan was er plots het archief van Walter. In 2005 was hij begonnen met de overheveling ervan naar de bibliotheek van de KULeuven aan het Ladeuzeplein. Via via werd ik aan hem voorgesteld, de start van een nieuw elan in mijn onderzoek.

Kortom, zijn archief werd voor jouw doctoraat de redding. Wat was er zo uniek aan het archief van Walter De Bock?

Om te beginnen is Walters archief het resultaat van meer dan dertig jaar onderzoeksjournalistiek en verzamelen. Hij ging hierbij vaak wetenschappelijk te werk, waardoor zijn verzameling documenten, briefwisselingen, agendaboekjes, ledenlijsten, biografieën… voor de onderzoeker van grote waarde kunnen zijn. Hij beschikte verder zelf over een netwerk van informanten, weliswaar vaak anoniem, waardoor er in zijn archief uiterst interessante en unieke stukken zitten. Maar bovenal bleek hij heel wat verzameld te hebben over de talrijke protagonisten uit het netwerk dat ik onderzocht. Walter was uitgerekend heel geboeid door de anticommunistische actie en hij vergaarde er dan ook een grote hoeveelheid onderzoeksmateriaal over. En dat was voor mij toegankelijk. Eindelijk kreeg ik inzage in wat een verborgen geschiedenis had moeten blijven.

Onder dit anticommunistisch netwerk bevonden zich zelfs gewezen premiers van Frankrijk, Italië en België.

Om je een idee te geven: een van de belangrijkste protagonisten was niemand minder dan Otto von Habsburg, de zoon van de laatste keizer van Europa. Zijn vader Karel was de monarch van het in 1918 ter ziele gegane Oostenrijks-Hongaarse Rijk. Een andere protagonist was een goede vriend van Otto, Alfredo Sanchez Bella, Spaans minister van Informatie en Toerisme onder Franco. Zelfs gewezen premiers als Antoine Pinay in Frankrijk en Giulio Andreotti in Italië waren vooraanstaande leden. Antoine Pinay had zelfs zijn eigen netwerk binnen het netwerk: de Cercle Pinay. Maar ook voormalig eerste minister van België en minister van Landsverdediging Paul Vanden Boeynants was een spilfiguur.

En dan was er Florimond Damman, onze onterecht onbekende Gentenaar. Walter had mij bij onze eerste ontmoeting al documenten over hem gegeven. In mijn doctoraat werd hij de gids in het verhaal. Damman bleek al die mensen te kennen en slaagde er ook in ze allemaal met elkaar in contact te brengen.

In je doctoraat lezen we dat die neo-aristocratische elite zich organiseerde in Europeïstische organisaties met als doel een rechts Europa te garanderen. Wat moeten we ons daarbij voorstellen?

Je moet dit zien in de context van de pas beëindigde Tweede Wereldoorlog, waarbij men in Europa streefde naar een eenmaking. Men wilde nooit meer oorlog. Men wilde dus een sterk, eengemaakt, vreedzaam Europa creëren. Met dat doel richtten politici, zakenlui en intellectuelen de European Movement op die over de ideologische grenzen van links en rechts heen streefde naar een verenigd Europa. Uiteraard werden extreemrechtse radicale figuren geweerd. Het is hier dat mijn protagonisten ten tonele verschijnen. Zij organiseerden zich dan maar zelf in Europeïstische organisaties die wel een uitgesproken ideologische en politieke agenda hadden.

Opmerkelijk is dat Florimond Damman in al deze organisaties opduikt en bijna altijd ook mee aan de wieg ervan stond. Ik denk hierbij aan de Académie européenne de sciences politiques (AESP), de Mouvement d’action pour l’Union européenne (MAUE), de Paneuropese Unie van Coudenhove-Kalergi, het Centre européen de documentation et d’information (CEDI) van Otto von Habsburg, de Cercle de politique étrangère…Al die organisaties hadden zo hun eigen ledenbestand, maar vele protagonisten vinden we terug in meerdere organisaties. Ze waren allemaal uiterst conservatief en rechts en streefden allemaal naar de restauratie van een christelijk Europa. Het communisme, en bij uitbreiding alles wat links was, vormde daarbij de grootste vijand. L’Europe sera de droite ou ne sera pas…

Wat voor lieden waren dat juist? Wat is de professionele, politieke en sociale achtergrond van die neo-aristocratische elite?

Ik heb indertijd het woord ‘neo-aristocratie’ gekozen als overkoepelende term voor de protagonisten uit het netwerk. In dat woord zit voor een stukje al het antwoord op jouw vraag. Ze zagen zichzelf als een nieuwe adel. Sommigen waren dat ook daadwerkelijk; ze werden wegens professionele verdiensten door de koning in de adelstand verheven. Daarnaast liet het netwerk zich ook graag omringen door leden van de oude bloedadel, zoals Otto von Habsburg, die ik al aanhaalde. Maar het overgrote deel waren prominenten uit het bedrijfsleven: rijke zakenlieden met grote bedrijven. Daarnaast waren ook politici met uitgesproken rechtse sympathieën lid, zoals Paul Vanden Boeynants. Kortom, een rijke gezaghebbende klasse organiseerde zich achter de schermen van de officiële politiek om Europa in de door hen gewenste richting te sturen. Met de opmars van het neoliberalisme zagen zij trouwens veel van hun doelen ook gerealiseerd.

In je boek beschrijf je de queeste die je doctoraatsonderzoek is geworden. Die voerde je op een gegeven moment ook naar de Verenigde Staten, waar je onderzoek verrichtte in de National Archives and Records Administration (NARA). In een interessante anekdote vertel je hoe men in Amerika eigenlijk geen woord heeft voor extreemrechts en het enkel over fascisme heeft. Dat is problematisch, zo schrijf je. Kan je dit toelichten?

Ik ben blij dat je die vraag stelt, omdat het een heel belangrijk gegeven uit mijn onderzoek belicht. Wat valt onder de definitie van extreemrechts? Wanneer is er sprake van extreemrechts en niet gewoon rechts? Lange tijd viel de definitie samen met fascisme of nazisme, maar daardoor vielen heel wat uiterst rechtse lieden uit de boot. Dat is problematisch omdat op die manier een ondemocratisch, radicaal gedachtegoed voor ‘gematigd’ kan doorgaan, terwijl het dat duidelijk niet is. In mijn boek leg ik uit dat leden uit het netwerk opmerkelijk genoeg tijdens de Tweede Wereldoorlog niet in de collaboratie gingen, maar juist in het rechtse verzet. Ook hier weer een belangrijke toevoeging en nuance in de geschiedenis. Vaak legt men, ten onrechte, het verzet enkel in het linkse kamp, terwijl er ook zoiets geweest is als een rechts verzet. Zij waren trouw aan de koning en aan België, maar hielden er in het interbellum corporatistische ideeën op na en sommigen onder hen hadden zelfs sympathieën voor de Nieuwe Orde. Toch gingen zij niet mee in de collaboratie met nazi-Duitsland.

Het vooropstellen van een hiërarchische onwrikbare maatschappelijke ordening vormde een rode draad bij deze protagonisten.

Het was dus nodig de term ‘extreemrechts’ te herdefiniëren. Extreemrechts in de betekenis van fascisme is een populistische massabeweging, anti-elitair, anti-establishment, anti-intellectueel, die gaat voor één grote autoritaire leider en de volledige uitholling van het democratisch bestel. Ook in de naoorlogse extreemrechtse partijen zie je eenzelfde invulling en streven. Bovendien hebben haast al die partijen hun roots in de collaboratie. Maar wat met mijn elite? Wat met mijn protagonisten, die zich doorgaans ver hielden van partijpolitieke beslommeringen? In notulen van vergaderingen, briefwisselingen en speeches sijpelde glashelder door waar deze elite echt voor stond. Het vooropstellen van een hiërarchische onwrikbare maatschappelijke ordening vormde een rode draad bij mijn protagonisten. Als je dit consequent vertaalt naar een reële maatschappelijke ordening, wordt duidelijk dat die onverzoenbaar is met een democratisch georganiseerde samenleving. Hierin openbaart zich wel degelijk een extreemrechts gedachtegoed.

Niet alleen hier in België, maar ook in de VS botste je op censuur zodra het over de anticommunistische actie ging. Bij Walter De Bock vond je die informatie wel. Hoe heeft hij die bronnen kunnen verzamelen? In je boek schrijf je dat hij er niet voor terugdeinsde om zich in het hol van de leeuw te wagen.

Walter had meer dan eens nachtelijke ontmoetingen met protagonisten naar wie hij op dat moment onderzoek aan het verrichten was. Dat was niet zonder risico, maar hij beschikte over een opmerkelijke doodsverachting wanneer het de zoektocht naar de waarheid betrof. Nu besefte Walter al op heel vroege leeftijd dat politiek en zakenleven onlosmakelijk met elkaar verbonden waren. Dat is een heel belangrijk gegeven, omdat die neo-aristocratische elite zich juist op dat raakvlak bevindt en daar ook de anticommunistische actie plaatsvond. Walter verzamelde dus al vanaf het einde van de jaren 60 allerlei informatie die te maken had met die corrupte relatie tussen politiek en zakenleven. Wat hij toen nog niet kon bevroeden is dat zij zich niet alleen in Europeïstische organisaties organiseerden, maar ook in privéclubs zoals de Cercle des Nations. Pas in het begin van de jaren 80 komt hij per toeval in het bezit van een uiterst belangrijk ledenboekje van de Cercle, waarin voor het eerst zwart op wit diverse politici, zakenlui, intellectuelen tot ambassadeurs uit diverse hoeken van de wereld met elkaar in verband konden worden gebracht. Ik moet je niet vertellen dat uitgerekend dat boekje ook voor mijn doctoraatsonderzoek van onschatbare waarde bleek.

Eigenlijk vervulde deze privéclub een centripetale functie in het netwerk. De club werd in 1969 opgericht door Richard Van Wijck, afstammeling van een schatrijke familie en grootaandeelhouder van Unilever, en kreeg van meet af aan onderdak in een voormalig hotel aan de Franklin Rooseveltlaan 25 te Brussel. Officieel wilde de club de internationale roeping van Brussel promoten. Brussel moest het meest dynamische Europese en zelfs mondiale centrum worden. De dieper liggende drijfveer laat zich slechts tussen de regels lezen. Wat meteen opviel in het ledenboekje was het groot aantal Belgische vertegenwoordigers van nationale en internationale bedrijven. Het promoten van Brussel als mondiaal centrum zou immers vooral hun eigen bankrekeningen spijzen.

Het was een opmerkelijke constellatie waarbij in een en dezelfde club een hele waaier aan bedrijven die tot de wereldtop behoorden, elkaar vonden: de Société Général, Solvay, Gécamines, de fossielebrandstoffensector, bedrijven die hun fortuin in Congo hadden vergaard, autoproducenten, de haute finance …

Het hoeft dan ook niet te verbazen dat we in die club Charly De Pauw tegenkomen, die met zijn WTC-torens erin slaagde een gigantisch bouwproject binnen te halen. Dat Manhattanplan transformeerde de Noordwijk in Brussel totaal, honderden woningen werden onteigend en afgebroken. Dat Paul Vanden Boeynants, eerste minister in 1966-1968 en later minister van Landsverdediging, ook lid was van de Cercle, was in deze affaire uiterst interessant. Bovendien was Vanden Boeynants van 1965 tot 1972 Brussels schepen van Openbare Werken en Stedenbouw en kon hij dus de belangen van het Manhattanplan vurig mee behartigen.

En zo waren er nog tientallen voorbeelden van zakelijke combines die in de beslotenheid van deze privéclub konden worden gesmeed. Ook opmerkelijk is dat we vele leden eveneens terugvinden in de AESP en andere Europeïstische organisaties. Florimond Damman vond trouwens met zijn AESP lange tijd een onderkomen in het majestueuze gebouw van de Cercle en deelde er dezelfde secretaresse.

De centripetale rol die de club speelde, zat hem in de financieel lucratieve deals die men kon sluiten onder het mom van een gemeenschappelijk ideologisch doel. Laten we er geen doekjes om winden, een industriële financiële elite – of ze nu neo-aristocratisch is of niet, een élite de l’esprit of niet – kan je niet aan je binden puur met een politieke en ideologische strijd. Bij hen gaat het altijd om geld, en bijna altijd ook alleen maar om geld. Dat maakt hen daarom niet ‘onschuldiger’. De banden die de verschillende organisaties hadden, met de Cercle des Nations op kop, met dictatoriale regimes zoals het Chili van Pinochet of, dichter bij huis, het Spanje van Franco en het Portugal van Salazar spraken boekdelen. Het openbaarde alweer hun dieperliggende minachting voor de parlementaire democratie en de democratie tout court.

Voor Walter De Bock was de waarheid een levensvisie, een kijk op de samenleving. Over die zoektocht naar de waarheid hield hij er drie axioma’s op na, schrijf je: het Belgisch Staatsblad moet verplichte literatuur zijn, schijn bedriegt en persconferenties zijn journalistiek waardeloos. Wat zegt dit over Walter De Bock?

Zijn voorliefde voor het Belgisch Staatsblad dateert al van het einde van de jaren zestig. Ze vloeit voort uit wat ik hoger aanhaalde, namelijk dat politiek en zakenleven onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn. Wat staat er immers in een staatsblad? De statuten van bedrijven, vzw’s en allerhande organisaties. Zo ontdekte Walter al in 1966 dat Paul Vanden Boeynants zoveel meer was dan enkel een politicus, toen hij in het Belgisch Staatsblad zijn betrokkenheid in tal van bedrijven achterhaalde. Het tweede axioma vormde als het ware zijn tweede natuur. Neem nooit zomaar iets aan voor waarheid, achter elk beeld zit een andere werkelijkheid die dat beeld juist tracht te verhullen. Sommigen noemen dat paranoia, maar voor Walter en iedere gepassioneerde onderzoeksjournalist is dat een tweede natuur.

De banden die de verschillende organisaties hadden met dictatoriale regimes zoals dat van Pinochet, Franco en Salazar spraken boekdelen.

Wat het derde axioma betreft, ook dat viel voor een deel samen met zijn persoonlijkheid. Als journalist vertoefde Walter het liefst achter de coulissen en niet in de spotlights. Zowel in het politieke bedrijf als in de zakenwereld kan precies wat achter de coulissen gebeurt ons dichter bij de waarheid brengen, niet wat in de spotlights in vol ornaat wereldkundig wordt gemaakt. En dat is exact de reden waarom Walter zo een afkeer had van persconferenties. Als er één gelegenheid is waarbij je het publiek jouw versie van de feiten kan opdringen, is het een persconferentie. Daarin komt nooit de waarheid aan het licht, maar alleen dat waarvan je als spreker hebt beslist dat men het mág weten. Journalistiek zijn persconferenties dan ook waardeloos, omdat het juist de taak is van de journalist het publiek in te lichten over wat men zou móeten weten.

De waarheid en de leugen. Je merkt in je boek op dat er ook zoiets bestaat als ‘de institutionalisering van de leugen’.

Ja, dat is opnieuw in de context van de censuur in de officiële archieven. Censuur kan je op diverse manieren invullen. Het kan gaan over zwarte doorhalingen in een tekst, waardoor je gevoelige materie onleesbaar maakt. Dat was de censuur die ik vooral in de NARA aantrof. Maar je kan ook simpelweg over een bepaald onderwerp niets verzamelen en daardoor de indruk creëren dat iets nooit heeft plaatsgevonden of zaken nooit hebben bestaan. Als we over censuur spreken, dan denken we ook meestal aan dictatoriale regimes, landen met instellingen waar geen democratie en bestuurlijke transparantie is. Met mijn onderzoek naar die neo-aristocratische elite heb ik echter willen aangeven dat ook in het democratische Westen op een heel subtiele manier censuur wordt bedreven. En dat gebeurt onder meer via die institutionalisering van de leugen: het preserveren van een niet onschuldig en ideologisch gekleurd status quo, net lang genoeg tot het als een onomstotelijke en statische waarheid wordt beschouwd.

Wat heeft je ertoe aangezet dit boek te schrijven? Het gaat immers over nog veel meer dan enkel je doctoraatsonderzoek.

Een belangrijk element kwam in dit gesprek nog niet aan bod. Toen ik Walter voor het eerst ontmoette in januari 2005 in de universiteitsbibliotheek aan het Ladeuzeplein in Leuven, was hij al een aantal jaren ziek. Het verdict luidde ziekte van Alzheimer. Walter was op dat moment helemaal niet zo oud: toen ik hem leerde kennen was hij 58. Je kunt je voorstellen wat een tragedie dat was. Uitgerekend datgene wat voor Walter het belangrijkste wapen was, zijn kennis, zijn weten, liet hem nu in de steek. En dan kwam ik met mijn doctoraat op de proppen. Hij klampte zich aan mij vast om nog zoveel mogelijk van zijn weten aan mij door te geven. Hij zei letterlijk: “Het is op jouw doctoraat dat mijn archief heeft zitten wachten.” En zo werd hij mijn gids in zijn archief, soms chaotisch, soms in herhaling vallend, met hiaten. Maar wat een privilege om de samensteller van dat archief te hebben mogen kennen! De gesprekken die wij voerden, werden echter gekleurd door een bijzondere tragiek. Walter begon gaandeweg alsmaar meer te ‘ont-weten’, terwijl ik alsmaar meer inzicht begon te krijgen in het netwerk dat ik onderzocht, en in de draagwijdte ervan. Het is die confrontatie die mij ertoe aanzette om dit boek te schrijven. Het deed mij nadenken over wat geschiedenis betekent wanneer kennis verdwijnt, wanneer geschiedenis zwijgt. Al die zaken kon ik natuurlijk niet kwijt in het doctoraat zelf. Dat moest een wetenschappelijk en academisch manuscript zijn. Maar dit alles had mij zo aangegrepen dat ik wist: ooit zal ik hierover een boek schrijven. En dat werd uiteindelijk Het archief van Walter.

Klaartje Schrijvers, Het archief van Walter. De onderzoeksjournalist, de historica en de waarheid, EPO, 2020, 244 p.
Klaartje Schrijvers, “L’Europe sera de droite ou ne sera pas!”. De netwerking van een neo-aristocratische elite in de korte 20ste eeuw, proefschrift ingediend tot het behalen van de graad van doctor in de geschiedenis, UGent, 2007, 511 p.