Artikel

Het arrest-Verlaeckt, of de limieten van de neoliberale tolerantie voor systeemkritiek

Marc Rigaux

— 17 april 2020

Het arrest van het Hof van Cassatie in de zaak tegen Bruno Verlaeckt, de voorzitter van het Antwerpse ABVV, is kenmerkend voor hoe (in)tolerant de rechtspraak is voor systeemkritiek.

Verantwoording

Het democratische gehalte van een burgerlijk parlementair regime blijkt onder meer uit de mate waarin het systeemkritiek toelaat.

Systeemkritiek staat voor het geheel van door de burger ontwikkelde meningen, gedragingen en attitudes waardoor de (door het recht) gevestigde of gelegitimeerde machtsstructuren in hun bestaan en/of hun werking worden in vraag gesteld of gehinderd.

Systeem kan dan weer worden gezien als het geheel van voormelde structuren en hoe die van elkaar afhangen en op elkaar ingrijpen.

Tolerantie ten slotte is de mate waarin de kritiek het voorwerp uitmaakt van al dan niet formele sancties. De rechtspraak is hierbij een relatief betrouwbare indicator, in het bijzonder voor rechtspraak inzake syndicale acties. Syndicale actie bestaat uit diverse vormen van systeemkritiek: het collectief actierecht (met inbegrip van het stakingsrecht), het recht om te betogen, het recht om aan te zetten tot burgerlijke ongehoorzaamheid … Deze rechten hebben hun diepere grondslag in de eerste generatie mensenrechten, zoals de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging en vergadering, de persvrijheid of het recht gelijk behandeld te worden.

Het arrest van het Hof van Cassatie in de zaak tegen Bruno Verlaeckt, de voorzitter van het Antwerpse ABVV, is in meer dan één opzicht kenmerkend voor hoe tolerant (of hoe intolerant) de rechtspraak is voor systeemkritiek.

Ter herinnering. Op 24 juni 2016 houdt het ABVV een nationale staking. In de Antwerpse haven worden piketten opgezet op drie invalswegen. De politie rukt uit in gevechtsuitrusting, met de wapenstok in de hand, en met een soort bulldozer om alles en iedereen uit de weg te duwen. De piketten worden ontruimd en Bruno Verlaeckt wordt samen met vakbondsafgevaardigde Tom Devoght gearresteerd.

Tolerantie ten slotte is de mate waarin de kritiek het voorwerp uitmaakt van al dan niet formele sancties.

Twee jaar later wordt Bruno Verlaeckt veroordeeld voor het organiseren van “kwaadwillige belemmering van het verkeer”. Het vonnis voorziet geen straf. Tom Devoght wordt vrijgesproken voor dezelfde feiten.

Begin dit jaar, op 9 januari 2020, bevestigt het Hof van Cassatie (het hoogste rechtscollege in België) de veroordeling van Verlaeckt.

Met het arrest als uitgangspunt willen we in de onderstaande kanttekeningen even blijven stilstaan bij de gespannen verhouding tussen recht, macht, tegenmacht, emancipatie en democratie. Bijzondere aandacht gaat hierbij uiteraard naar de cruciale rol van de rechter en van de rechtspraak van de (hogere) rechtscolleges.

Door de openheid van de doorsnee rechtsregel voor de inbreng van diverse belangen en door de ontoereikendheid van de taal om regels volledig sluitend te formuleren, kunnen zelfde rechtsregels volledig verschillende draagwijdtes verkrijgen afhankelijk van de lezing ervan door de rechter, die zich in die oefening bewust of onbewust laat leiden door de fundamentele waarden (of belangen), die hem eigen zijn of die hem worden opgedrongen.

Recht als factor van macht: algemeen

Het gros van de maatschappelijke verhoudingen zijn in wezen te herleiden tot machtsverhoudingen. En we definiëren macht als het vermogen van iemand om een ander te dwingen tot handelen of tot het zich onthouden te handelen.

Het recht is het geheel van gedragsregels die een samenleving op een bepaald moment voortbrengt en waarvan de samenleving de toepassing en naleving waarborgt. Flink wat gedragingen worden dus vertaald naar geformaliseerde en geïnstitutionaliseerde macht. Het recht concretiseert, legitimeert en bevestigt die macht.

Aan elke macht ligt een belang ten grondslag. Macht veronderstelt een dwangmiddel dat de machthebber aanwendt tegen degene die onderhevig is aan diens macht. Omdat er binnen de samenleving vaak tegenstrijdige belangen voorkomen, zal het recht dikwijls te maken krijgen met belang en tegenbelang, en dus ook met macht en tegenmacht.

De wetgever en de rechter hebben een beslissende rol bij het al dan niet erkennen en legitimeren van macht en tegenmacht, en dus bij het bepalen welke van de diverse belangen primeren in een samenleving.

De wetgever creëert de nieuwe rechtsregel, de rechter past ze toe, maar uiteenlopende factoren hebben de grondwettelijke bevoegdheden van wetgever en (hogere) rechter gaandeweg minder duidelijk afgescheiden gemaakt.

Het beginsel van “het gezag van gewijsde” – waardoor de rechterlijke uitspraak enkel geldt tussen de gedingvoerende partijen – heeft in de cassatierechtspraak al langer een stevige deuk gekregen. Cassatiearresten zetten meer dan eens de toon voor wat de lagere rechter zal kunnen beslissen, wat niet de bedoeling was van de grondwetgever.

Als ultieme rechter beschikt de cassatierechter over een feitelijke macht, die zijn grondwettelijke bevoegdheid ver te buiten gaat.

Als ultieme rechter – die zijn keuzes bovendien niet dient te verantwoorden in een motivering – beschikt de cassatierechter over een feitelijke macht, die zijn grondwettelijke bevoegdheid ver te buiten gaat. Vandaar dat de verleiding voor hem soms groot is zijn rechtsmacht te buiten te gaan, en zoals in het geval van het arrest-Verlaeckt, niet te beslissen op basis van recht, maar van macht.

Ook sommige lagere rechters laten zich af en toe verleiden tot dit euvel. Een van de meest gekende voorbeelden hiervan is de burgerlijke rechter, die in het kader van een kortgedingprocedure op eenzijdig verzoekschrift de uitoefening van het stakingsrecht beknot door actievormen te verbieden op straffe van dwangsommen, waarbij de rechter zich niet baseert op een deugdelijke rechtsgrond. De afwezigheid van tegenspraak brengt ook deze rechters vaak in de verleiding niet te beslissen op recht maar op macht. De rechter wendt in deze zijn constitutioneel gezag aan om belangen te beschermen die niet door de wet en door het recht in bescherming werden genomen.

Van tegenbelang over tegenspraak naar tegenmacht en tegenrecht. De beperkte emancipatorische functie van het recht in de neoliberale rechtsorde

Systeemkritiek, zoals hiervoor omschreven, omvat veelal vier elementen. Het gaat om het tegenbelang, de tegenspraak, de tegenmacht en om het eventuele tegenrecht.

Het tegenbelang is het belang dat strijdig is met de gevestigde machtsstructuur en dat aan de grondslag ligt van de kritiek. De tegenspraak staat dan weer voor het formuleren van de kritiek met de bijhorende ondersteunende argumenten. Vaak wordt de tegenspraak concreet gemaakt in eisen, die dan weer de actie inspireren. De tegenmacht geeft gestalte aan de dwangmiddelen waarover de actievoerders (systeemcritici) menen te beschikken om de gevestigde macht te dwingen te handelen en het tegenbelang te erkennen. Het tegenrecht ten slotte vormt de door het recht gelegitimeerde en beschermde tegenmacht.

Toegepast op de arbeidsverhoudingen zou men kunnen stellen dat het recht op syndicale vrijheid het tegenrecht uitmaakt van het liberale economische recht van individuele vrijheid van arbeid. Zoals eerder betoogd, kan de systeemkritiek en dus ook zijn samenstellende elementen bogen op een legitimatie, aangereikt door de mensenrechten van gewetensvrijheid en vrije meningsuiting, van vrijheid van vereniging en vergadering, van persvrijheid en van gelijke behandeling.

Systeemkritiek valt samen met emancipatie, wanneer het voorwerp ervan de volledige of gedeeltelijke opheffing viseert van de onderdrukking of verongelijking van een groep.

Het emancipatorische recht vervangt niet de machtsstructuur, maar schrijft zich erin in als een afwijkende situatie.

Toegepast op de arbeidsverhoudingen zullen de systeemkritiek en de ermee gepaard gaande acties meestal ook emancipatorisch zijn. De kapitalistische productieverhoudingen wringen de arbeidskrachten immers in een structurele onderwerping die ingekapseld zit in de neoliberale rechtsorde. De (neo)liberale rechtsorde mag dan wel een opening laten voor het formuleren van kritiek en voor het nastreven van emancipatie, ze legt er tegelijk beperkingen aan op.

Wanneer het tegenrecht de vorm aanneemt van een emancipatorische regelgeving, dan kan het doorgaans geplaatst worden als een subsysteem van de gevestigde machtsstructuur. Anders gesteld, het emancipatorische recht vervangt niet de structuur, maar schrijft zich erin in als een afwijkende situatie.

Toegepast op de arbeidsverhoudingen kunnen we gerust stellen dat de sociale wetgeving emancipatorisch blijkt, aangezien het gevolgen van de onderwerping van arbeid aan het kapitaal poogt te milderen. De sociale wetgeving neemt evenwel de vorm aan van een subsysteem van de kapitalistische neoliberale rechtsordening, waardoor het allicht ongewild ook de ordening versterkt.

Hoe dan ook, een emancipatie is in deze context nooit definitief verworven. Een voldoende sterke sociale tegenmacht blijft geboden. De volledige bevrijding van de werkende bevolking kan dus niet in een kapitalistische ordening. Een meer directief economisch besturingssysteem blijkt aangewezen.

De rechtspraak ten dienste van de gevestigde orde

De waardengebondenheid (of belangengebondenheid) van het recht en van zijn beoefening

Recht is niet waarden- of belangenvrij. Het heeft immers alles te maken met het institutionaliseren van machten en machtsstructuren, die allen berusten op de bescherming van belangen. Ook al wil de overheid het naar de rechtsonderhorige laten uitschijnen dat het recht beantwoordt aan een wetenschappelijk objectieve logica met een universele draagwijdte.

De waarden- en belangengebondenheid van de rechtsregel ligt vervat in zijn eigenheid zelf: de wetgever en de rechter handelen elk op hun eigen wijze getrouw aan bepaalde belangen.

Het komt de wetgever toe te bepalen welke belangen en bijhorende machten hij zal institutionaliseren door ze te legitimeren en in het recht op te nemen. Het komt de wetgever ook toe de verhouding tussen de nieuw gecreëerde regel en de bestaande regels te preciseren. Anders gesteld, de wetgever gaat over tot een weging van de belangen en machten die hij zelf erkent en beschermt. De rechtsaard van de nieuwe regel, de keuze van de aard en de zwaarte van de sancties die eraan verbonden zijn, en de plaats die in het recht wordt toegekend aan de nieuwe regel, zeggen alles over het gewicht dat de wetgever aan de nieuwe regel toekent. De wettelijke weging gehoorzaamt aan de waarden of belangen, die de wetgever het dierbaarste zijn.

De wettelijke weging gehoorzaamt aan de waarden of belangen, die de wetgever het dierbaarste zijn.

Maar ook het rechterlijke optreden is niet belangenvrij. Door de relatieve openheid van het liberale rechtsstelsel en door de onvolkomenheid van de rechtstaal om een regel volledig sluitend te maken, kan de rechter eigen waarden inbrengen, die de belangen of waarden van de wetgever al dan niet of in meerdere of mindere mate zullen bevestigen. Dat de rechter verplicht is zijn uitspraak te motiveren en te objectiveren, verandert niets aan het gegeven. Zoals we hieronder zullen aangeven leiden de structuur en het globale concept van het recht ertoe dat de rechter gemakkelijker een systeembevestigend oordeel velt. Systeemafwijkend oordelen vergt dus meer dan eens enige rechterlijke creativiteit en durf.

De dominantie in het recht van de kapitalistische marktordening

Met het neoliberalisme als officiële ideologie heeft de Europese Unie de basisbeginselen van de vrije kapitalistische markteconomie tot de hoogste rechtsnormen verheven van alle (nationale) rechtsstelsels die de eengemaakte markt schragen. Eender welke materie die door een recht geregeld is, kan dus principieel door het Europese Hof van Justitie op zijn marktconformiteit worden getoetst. Het recht van de arbeidsverhoudingen – iets waarvoor de Europese wetgever slechts zeer gedeeltelijk bevoegd is – maakt hierop geen uitzondering.

Met zijn rechtsmacht om nationale wetgeving indien nodig op te heffen, heeft het Europees Hof niet enkel substantieel bijgedragen tot een verdere economische eenmaking van Europa, het heeft vooral ook het nationale recht doordrongen van het neoliberale geloof in de weldoende efficiëntie van de marktwerking. In werkelijkheid ondersteunden en bekrachtigden de Europese instanties een systeem van neerwaartse sociale concurrentie en voedden ze de sociaal vernietigende werking van een spiraal van sociale uitsluiting en uitbuiting.

Het liberale arbeidsrecht corrigeert de vrije arbeidsmarkt en sociale concurrentie maar zeer gelimiteerd.

Het recht der sociale verhoudingen is evenwel niet enkel op Europees vlak doordrongen van het marktdenken. Het liberale recht inzake arbeidsverhoudingen blijkt ook nationaal nog steeds de verdoken grondslag te vormen van het arbeidsrecht. Het recht op individuele vrijheid van arbeid, de zeer formele individuele contractvrijheid en de even formele gelijkheid der burgers, maken dus de grondslag uit van een arbeidswetgeving die de vrije arbeidsmarkt en de sociale concurrentie slechts zeer marginaal corrigeert. Zoals verder zal blijken, dient een kritische lectuur van het arrest-Verlaeckt uit te gaan van de neoliberale inslag van het nationale rechtssysteem. Het Cassatiearrest schrijft zich bijgevolg in in het respect voor de dominantie van de marktordening. Ook al is het een element van zwakte in deze rechtspraak dat het arrest niet duidelijk motiveert waarom de rechter weigert de adequate rechtsvragen te onderzoeken.

De quasi onaantastbaarheid van de nationale en Europese rechtscolleges: een bedreiging voor de burgerlijke parlementaire democratie

De negentiende-eeuwse grondwetgever had een grote weerzin voor het fenomeen van “le gouvernement des juges” (regering door rechters, waarbij rechters bepalen wat wet is). De weerzin was ingegeven door de praktijk van de koninklijke rechtscolleges, die onder het Ancien Régime de bevoegdheid hadden om algemene rechtsregels uit te vaardigen. De regels kwamen tot stand zonder enige controle door de wetgever. Vandaar dat de scheiding der machten werd ingevoerd. De wetgever creëert de rechtsregel, de rechter past ze toe en legt ze uit. Beiden hebben een duidelijk verschillende bevoegdheid.

Vandaag kunnen we gewagen van een terugkeer van “le gouvernement des juges”, omdat tal van arresten van Cassatie, over de gedingvoerende partijen heen, ook de lagere rechtscolleges de facto binden in hun beoordelingsvrijheid. Wat als uitleg van een bestaande wet is aangekondigd, wordt in feite een nieuwe rechtsregel, zonder dat de wetgever ooit de kans kreeg zich hierover uit te spreken.

Het euvel wordt nog erger als men weet dat de Belgische cassatierechter zich op geen enkel moment dient te verantwoorden voor de gemaakte keuze of zijn beslissing moet motiveren. We staan hier voor de paradoxale situatie dat het Hof dat de andere hoven en rechtbanken moet terugfluiten wanneer ze niet behoorlijk motiveren, zichzelf nooit dient te verantwoorden.

Een ander zorgwekkend fenomeen is dat de cassatierechter zich vaak geroepen voelt om de bevoegdheid van de rechterlijke macht uit te breiden ten nadele van de wetgevende macht, opnieuw zonder hiervoor een verklaring te moeten geven. De cassatierechtspraak machtigt de rechter wetten te toetsen aan de inhoud van goedgekeurde en geratificeerde verdragen, in het bijzonder als het gaat om de verdragrechtelijke erkenning van grondrechten. Hierdoor ontstaat opnieuw een paradoxale situatie: een rechter die niet bevoegd is om de wetten aan de grondrechten in de grondwet te toetsen, kan dit wel zonder te blozen als het gaat om de verdragrechtelijke erkenning van dezelfde grondrechten. Resultaat van de constructie is een (cassatie)rechter, die de wetgever corrigeert en verbetert.

Eenmaal benoemd dient de rechter tegenover de samenleving geen enkele verantwoording af te leggen voor zijn beleid.

De wetgever stak echter zelf nog een tandje bij in de terugkeer van “le gouvernement des juges” door rechtscolleges in het leven te roepen of toe te laten tot de Belgische rechtsorde, die de uitdrukkelijke rechtsmacht hebben om wetgeving te toetsen aan hogere rechtsnormen. We denken hierbij uiteraard aan het Grondwettelijk Hof, aan het Europese Hof van de Rechten van de Mens en vooral aan het Europese Hof van Justitie.

Maar er is meer aan de hand. De feiten tonen aan dat de hogere rechtscolleges hun  rechtspraak op elkaar afstemmen. De lagere rechter en de burger komen zo voor een “muur” van rechtspraak te staan. En nog erger, ook de nationale en Europese wetgevers zien hun politieke actieradius danig beperkt. Hogere rechters draaien er hun hand niet meer voor om om uitspraken te doen over de vraag of maatregelen die de wetgever nam, al dan niet passend zijn. De evenredigheidstoets is hierbij het breekijzer. De rechter bedrijft politiek onder het mom van zijn bezorgdheid voor het respect van de gelijke behandeling en de niet-discriminatie.

Terloops: de gelijkheid in kwestie sluit perfect aan bij de zeer liberale formele individuele gelijkheid van burgers. Ondenkbaar dus dat een hogere rechter in naam van het eerbiedigen van de gelijkheid een uitspraak zal doen die de economische ongelijkheid onder de burgers wegwerkt of mildert. De gelijkheid die de hogere rechtscolleges beweren te koesteren, bevestigt de neoliberale rechtsorde en sluit mooi aan bij het bekrachtigen van de rechtsbeginselen van de vrije marktordening, zoals die door het Europese Hof van Justitie zijn uitgelegd en toegepast. De vraag rijst nu of de tijd niet gekomen is om de rol en de betekenis van die rechtscolleges te herzien, om zo opnieuw meer ruimte te scheppen voor de nationale en Europese parlementaire democratie.

Vanuit een zuiver principieel oogpunt bezien, is de vraag dan wel enkel puur retorisch, toch kan men niet voorbij aan de vaststelling dat wet-corrigerende rechtscolleges schijnbaar een vast bestanddeel geworden zijn van de rechtsstaat. De wetgever lijkt te moeten dulden dat zijn handelingen steeds rechterlijk kunnen worden getoetst aan hogere rechtsnormen. De hogere normen betreffen meestal de grondrechten en in het geval van het Europees Hof van Justitie, de basisbeginselen van de kapitalistische vrijemarkteconomie.

Dat die wet-corrigerende rechter soms een welkome uitweg bieden voor burgers die geconfronteerd worden met de vaak asociale maatregelen van door rechts en extreemrechts beheerste parlementen, verdient wellicht alle begrip. Net zoals het inschakelen en aanspreken van dergelijke rechtscolleges deel kan uitmaken van een geïntegreerde strategie van sociale tegenmacht.

Toch is er grote waakzaamheid geboden bij het evalueren van het werk van wet-corrigerende rechtscolleges. Zo mag nimmer vergeten worden dat hogere rechters vaak voor een stuk benoemd worden om de waarden en de belangen die ze aanhangen. Net zo min mag vergeten worden dat eenmaal benoemd, de rechter tegenover de samenleving geen enkele verantwoording dient af te leggen voor zijn beleid. Het voorbeeld van het Amerikaanse Supreme Court indachtig, mogen we ook niet uit het oog verliezen dat rechtse conservatieve parlementen door de aanstelling van behoudsgezinde rechters emancipatorische en solidaire wetgeving flink kunnen bemoeilijken, en dit nog tot lang na een meerderheidswissel in het parlement.

Het arrest Verlaeckt en de beperkte neoliberale ruimte voor systeemkritiek. De verbreding van de sociale tegenmacht tussen gedogen en repressie

Het arrest-Verlaeckt doet de vraag rijzen naar de wettigheid van de meer complexe collectieve actie. Complexe collectieve actie staat dan voor de tegenmachtsontplooiing, waarbij actievoerders niet alleen staken, maar ook andere technieken van drukuitoefening hanteren. Het gaat dan meestal om betogingen, wegversperringen, verspreiding van pamfletten, etc. Overgaan tot meer complexe actie is vaak een reactie op de verbreding van het machtskader van de werkgever. Om zijn belangen met meer kracht te verdedigen schakelt de werkgever de overheid in, die zijn belang bekrachtigt. De bijkomende acties die de staking ondersteunen zijn er dan vaak op gericht om de publieke opinie te sensibiliseren, of om derden te benadelen en zo ook de werkgever onrechtstreeks economisch te schaden.

In feite is het vraagstuk van de meer complexe collectieve actie terug te brengen tot de vraag hoe wettig en gepast de verbreding van de sociale tegenmacht is. Om de efficiëntie van de tegenmacht aan te scherpen voeren de actievoerders een schaalvergroting door van het machtskader en diversifiëren ze de aangewende dwangmiddelen.

Om de wettigheid te onderbouwen van de uitgebreide tegenmacht kan de rechtspraak een beroep doen op diverse rechtsgronden. Vooreerst is er het subjectief recht om te staken zelf. Uit lectuur van het recht blijkt dat de uitoefening ervan niet beperkt is tot het enkel niet uitvoeren van de bedongen arbeid. Ook sommige vormen van belemmering van de toegang tot de onderneming vallen onder een ruimere omschrijving van het stakingsrecht. Voor andere drukkingsmiddelen, zoals wegversperringen of bemoeilijken van het verkeer, zullen de rechten op syndicale actie en collectieve actie soms volstaan om de wettigheid ervan te schragen. Voor nog andere, zoals betogingen of beïnvloedingen van de publieke opinie, zal dan weer rechtstreeks een expliciet beroep moeten worden gedaan op de primaire mensenrechten van vrije meningsuiting, vrije vergadering of vrijheid van pers. Deze primaire grondrechten zijn eigenlijk ook de impliciete grondslagen van het recht om te staken en van de rechten op syndicale vrijheid en collectieve actie. Of de rechter ze al dan niet gaat benutten om een complexe actie te legitimeren, hangt nogal eens af van de eigenheid van het te beoordelen gedrag.

Door te weigeren de relevante rechtstoetsen door te voeren hebben zowel beroeps- als cassatierechter een rechtse koers gekozen, geen sociale.

Zoals onder meer uit het arrest-Verlaeckt blijkt, stuiten de meer complexe acties vaker op strafbepalingen. Toch kan het anders. Als de rechter oordeelt dat de actievoerders gebruikmaken van voormelde grondrechten, kan hij ofwel de toepassing van de strafbepaling weren door zich te beroepen op het primaat van de grondrechten, of wat meer gebeurt, oordelen dat het moreel bestanddeel van het misdrijf niet is vervuld, door de kwaadwilligheid uit te sluiten in het licht van de grondrechtsbeoefening.

Volgens het officiële discours van de rechtspraak zal de rechterlijke beslissing ingegeven zijn door zijn analyse van de feiten. In werkelijkheid zal de rechter de complexe collectieve actie al dan niet strafrechtelijk sanctioneren, afhankelijk van de waarden en/of belangen die hij koestert. De tijdsgeest is hierbij meer dan eens bepalend. Een samenleving die doordrongen is van zin voor solidariteit, zorgt voor een totaal ander maatschappelijk kader dan een samenleving waarin een dynamiek van verrechtsing aanzet tot eigenbelang, uitsluiting en uitbuiting van zwakkeren.

De keuze tussen gedogen of repressie is dus niet echt een zuiver rechtsprobleem, maar eerder een vraagstuk van maatschappelijke afwegingen bij de toepassing van rechtsregels. Door in de zaak-Verlaeckt te weigeren de relevante rechtstoetsen door te voeren zijn de beroepsrechter en de cassatierechter duidelijk gevoeliger geweest voor de verrechtsing dan voor de sociale solidariteit.

Inzetten op de vrijwaring van het burgerverzet. Het recht als legitimatie van de tegenmacht

Zoals reeds gesteld, is de mate waarin een samenleving tegenbelang, tegenspraak, tegenmacht en tegenrecht duldt, tekenend voor het democratische gehalte van de samenleving. Hoe meer een samenleving kreunt onder de vermarkting en de bijhorende neerwaartse sociale concurrentiespiraal, hoe groter de kans dat ze een sterk repressieve inslag heeft.

Als de machtsverhoudingen wijzigen is dat vrijwel altijd een proces van lange duur. Zelden of nooit geschiedt zoiets eensklaps. Zo ook is de verrechtsing van de huidige maatschappij decennia geleden ingezet, toen de machtsverhouding tussen arbeid en kapitaal nationaal en internationaal werd omgebogen door de ongeremde expansie van het vrijemarktkapitalisme. Het neoliberalisme heeft ondertussen het maatschappelijk weefsel grondig aangetast en met het weefsel ook de publieke opinievorming.

Het arrest-Verlaeckt is een verwittiging dat het democratische gehalte van de sociale verhoudingen wegkwijnt.

Op een moment, dat tegenspraak en tegenmacht als grondslagen van burgerverzet broodnodig zijn om de samenleving van een elementaire democratische inslag te verzekeren, worden ze frontaal aangevallen. Systeemkritiek is iets dat het neoliberalisme, het regionalisme, het nationalisme en het populisme nu eenmaal kunnen missen als kiespijn. Het vrijemarktkapitalisme dweept trouwens liever met de fascisering van de maatschappelijke verhoudingen, dan dat het sociale solidariteit tolereert.

Het arrest-Verlaeckt dient gelezen en beoordeeld tegen de achtergrond die hierboven geschetst wordt. Het is een verwittiging dat het democratische gehalte van de sociale verhoudingen wegkwijnt. Een aanmaning dus voor de politiek begane burgers om door middel van een verhoogde solidariteit meer dan ooit in te zetten op de verdediging van het burgerverzet als hoogste goed. Het recht kan hierbij een wezenlijke bijdrage leveren door het burgerverzet als tegenmacht te legitimeren en af te schermen.