Artikel

François Houtart:
de revolutionaire adel

Francine Mestrum

— 22 juli 2017

Op 6 juni overleed de Belgische socioloog en bevrijdingstheoloog François Houtart. Deze “niet-dogmatisch marxist” was een scherp criticus van het imperialisme en speelde een belangrijke rol in de andersglobalistische beweging.

Een klein kamertje, een bed, een bureau, een makkelijke stoel. Meer had hij niet nodig bij de ‘Fundación Pueblo Indio’ in Quito, Ecuador, waar hij is gestorven. Ook in het CETRI-huis in Louvain-la-Neuve had hij nooit meer, een ‘kot’, net zoals de buitenlandse studenten die er woonden. Het bureau kwam wel van zijn grootvader, en hij was er trots op. François Houtart was een bescheiden en nederig man, zoals wellicht alleen (en heel soms) de adel kan zijn.

Hij werd geboren in 1924. Zijn grootvader langs moeders kant was graaf Carton de Wiart, België’s eerste minister in 1921-22.
Hij was de oudste van veertien kinderen. Hij groeide op met de idealen van Jozef Cardijn, ging tijdens de tweede wereldoorlog in het verzet en werd in 1949 tot priester gewijd.

De wereld was zijn actieterrein: van Vietnam tot Sri Lanka, Brazilië en Kongo.

Hij studeerde sociologie in Franstalig Leuven en werd er hoogleraar godsdienstsociologie. Tijdens zijn rijke academische carrière, met tientallen publicaties, ging zijn belangstelling vooral naar het Zuiden.

Vanuit zijn christelijke achtergrond herkende hij zich snel in de bevrijdingstheologie die in het evangelie een inspiratiebron voor sociaal en politiek engagement vindt. Houtart stond zijn hele leven voor een radicale bevrijding van sociale, politieke en economische onderdrukking.
Hij gebruikte het marxisme als analysemethode om stelselmatig de mechanismen van uitsluiting en onderdrukking bloot te leggen.

Francois Houtart

De wereld was zijn actieterrein: van Vietnam tot Sri Lanka, Brazilië en Congo.

Hij werkte mee aan het Vaticaans Concilie, stichtte in 1976 de ngo CETRI (Centre Tricontinental), naar het voorbeeld van de conferentie van Bandoeng in 1955 en de eerste tricontinentale conferenties in het revolutionaire Cuba. De bedoeling was de stem van het Zuiden te laten horen, een antikoloniale en anti-imperialistische stem, de stem van de ‘verworpenen der aarde’. Tot vandaag blijft CETRI dat doel nastreven.
De strijdpunten van Houtart mogen dan zijn hele leven dezelfde zijn gebleven, hij wist zich wel voortdurend aan te passen aan de nieuwe tijd en zijn inzichten bij te stellen om een antwoord te vinden op de nieuwe uitdagingen.

Houtart was één van de eersten om vast te stellen dat de progressieve regimes in Latijns-Amerika wel post-neoliberaal maar lang niet post-kapitalistisch waren.

Hij was één van de initiatiefnemers van ‘L’autre Davos’ en daarna, in 2001, van het Wereld Sociaal Forum. Nog later volgde, samen met zijn marxistische vrienden, zoals Samir Amin, het Forum voor Alternatieven. Hij was ook lid van het Netwerk van intellectuelen, kunstenaars en sociale bewegingen voor de Verdediging van de Mensheid.

Hij deelde de Latijns-Amerikaanse kritiek op de moderniteit, maar zette zich tegelijk fel af tegen de postmoderniteit die geen grote verhalen of sociale utopieën meer duldt. Permanent wees hij erop dat we moeten blijven proberen ons transnationaal te organiseren om een mondiaal collectief bewustzijn te creëren en om een collectief revolutionair subject te creëren. De vele lokale acties zijn zeker positief, zo stelde hij, maar ver van voldoende. Wie enkel zijn lokale wereld ziet, vergeet de onderdrukkingsmechanismen, vergeet de grote onrechtvaardigheid die deze wereld kenmerkt. Hij maakte zich grote zorgen over de fragmentering van de sociale strijd, over de vele bewegingen die elk hun eigen eng bepaalde doel nastreven zonder het totaalbeeld te kennen of zelfs te willen kennen.

Pogingen om ook solidariteit aan zijn lijstje toe te voegen zijn jammerlijk mislukt. Ik heb nooit begrepen waarom.

Het gemeenschappelijk goed van de mensheid

Zijn laatste grote bekommernis was de ecologie. Hij schreef een manifest over het ‘gemeenschappelijk goed van de mensheid’ dat hij als een kader zag voor een nieuw politiek paradigma, een ‘socialisme voor de 21ste eeuw’1. Het berust op vier punten:

  • Ten eerste, een nieuwe relatie tussen mens en natuur, afstappend van de westerse dominantie die de mens als rentmeester beschouwt. Om te overleven moet het evenwicht worden hersteld. De mens is deel van de natuur en moet daarom respectvol omgaan met alle leven en met alle natuurlijke hulpbronnen.
  • Ten tweede, de ruilwaarde van het kapitalisme moet plaats maken voor de gebruikswaarde. Er moet dus een ander economisch systeem worden bedacht dat niet berust op uitbuiting maar op samenwerking en respect. In het kapitalisme is de markt genaturaliseerd, terwijl hij een maatschappelijke verhouding is en moet blijven.
  • Zijn derde punt was een veralgemeende democratie, niet enkel om de gebrekkige representatieve politieke democratie te verbeteren, maar vooral om ook economische democratie waar te maken. Want niets is zo antidemocratisch als het kapitalisme.
  • Tenslotte legde hij een grote klemtoon op interculturaliteit. Het gaat dan om de participatie van alle culturen, kennis, filosofieën en religies aan de opbouw van een ‘andere mogelijke wereld’. Dit druist in tegen de culturele dominantie van het westen, niet enkel op economisch, kapitalistisch vlak maar ook op het vlak van waarden. De interculturaliteit kan niet gedacht worden zonder de drie bovenstaande krachtlijnen. Het is onontbeerlijk dat ze samen gaan.

Pogingen om ook solidariteit aan zijn lijstje toe te voegen zijn jammerlijk mislukt, ondanks het sterke aandringen van uw dienares en heel wat vrienden. Ik heb nooit begrepen waarom. Keer op keer sprak hij zich uit tégen sociale bescherming, met het argument dat ze contra-revolutionair was. Hij verwees daarbij hoofdzakelijk naar de ‘bolsa familia’ in Brazilië, een systeem dat inderdaad veel kenmerken van een caritatieve aanpak had – en waar zijn vrienden van het MST (de landloze boeren) zich tegen verzetten. Vorig jaar, op een conferentie in Cuba, gaf hij toe dat sociale bescherming wel belangrijk was, maar zijn denkschema bleef dicht.

Houtart was een voorbeeld van een intellectueel die ook met beide voeten in de sociale praktijk stond.

In 2009 kreeg Houtart van UNESCO de Madanjeet Singh Price voor Verdraagzaamheid en Geweldloosheid. In datzelfde jaar zetelde hij in de door Stiglitz voorgezeten VN-Commissie voor de hervorming van het internationaal monetair en financieel systeem. In 2010 kreeg hij in Gent de Jaap Kruithof Prijs en werd een dossier voorbereid om hem voor te dragen voor de Nobelprijs voor de Vrede. Een familielid maakte bekend dat hij veertig jaar geleden belangstelling getoond had voor knaapjes. (Houtard erkende dat hij in 1970 twee maal de intieme delen van zijn neefje heeft aangeraakt, n.v.d.r.). Hij vroeg zijn medestanders om de campagne voor zijn kandidatuur voor de Nobelprijs van de Vrede 2011 op te schorten, nam ontslag uit CETRI en verhuisde naar Ecuador. Zijn internationale activiteiten bleven even intensief als ervoor, hij reisde de wereld rond en bleef diepgravende analyses publiceren.

Uiteraard gaf hij zijn volledige steun aan de progressieve regimes in Latijns Amerika, maar hij was ook één van de eersten om vast te stellen dat die wel post-neoliberaal maar lang niet post-kapitalistisch waren. Hij bleef het extractieve karakter van hun economie aan de kaak stellen, in de mijnbouw zowel als in de landbouw (met o.m. een dossier over de brocoliteelt in Ecuador). Ook het pleidooi voor biobrandstofen in Europa werd scherp veroordeeld.

In tegenstelling tot veel van zijn even oude vrienden was Houtart in staat zijn denken permanent te vernieuwen

Houtart had belangstelling voor alle sociale bewegingen die zich inzetten voor maatschappelijke verandering. Hij werkte nauw samen met bewegingen in de hele wereld en kan zeker als een voorbeeld worden gezien van een intellectueel die ook met beide voeten in de sociale praktijk stond. Hij had een luisterend oor voor iedereen die hem wilde spreken, en dat waren zéér veel mensen. Tegelijk was hij kind aan huis bij de progressieve leiders van Zuid-Amerika, wat hem overigens niet altijd in dank werd afgenomen.

In tegenstelling tot veel van zijn even oude vrienden was Houtart in staat zijn denken permanent te vernieuwen, bij hem geen herhaling van decennia-oude analyses, maar telkens opnieuw een bijgesteld analysekader, een nieuwe evaluatie, én … een zelfde conclusie. Deze wereld en deze mensheid kunnen niet overleven zonder grondige transformatie.

Houtart zal zonder enige twijfel een inspiratiebron blijven voor iedereen die blijft geloven in, en wil werken aan een betere wereld, aan de noodzaak van een antikapitalistische strijd, aan een geloof in mensen en hun potentieel. Houtart was geen paus en geen held, maar een integer, eerlijk, moedig en onvermoeibaar man die zijn hele leven in dienst van anderen heeft gesteld, een mens die zo coherent als mogelijk wilde zijn, maar uiteraard in dat mens-zijn even ambigu was als alle anderen. Mijn respect en mijn bewondering zijn grenzeloos.

Footnotes

  1. Birgit Daiber and François Houtart – A postcapitalist Paradigm: The Common Good of Humanity