Artikel

Die Linke regeert zonder macht

Herwig Lerouge

— 30 september 2019

Door haar deelname aan verscheidene regeringen loopt Die Linke het risico geen geloofwaardig links alternatief meer te zijn naast de gevestigde partijen, en, erger nog, niet langer de sociale beweging op gang te trekken.

Precies 50 jaar na de eerste maanlanding is de eerste rood-rood-groene meerderheid deze zomer geland in voormalig West-Duitsland, meer bepaald in de noordelijke stadsstaat Bremen. De kleinste Duitse deelstaat zal bestuurd worden door een coalitie gevormd door de SPD (socialisten), Groenen en Die Linke. 78,5% van de leden van de lokale afdeling van Die Linke gingen er mee akkoord. Om de meerderheid te halen, zijn 43 zetels nodig. SPD heeft er 23, de Groenen 17 en Die Linke 11. Naast de minister van economie, heeft Die Linke nog een tweede ministerpost gekregen. De Groenen hebben drie ministers, de SPD heeft er vier.1

De armslag van een linkse regering is uiterst beperkt in Duitsland, vooral in de deelstaten.

Dietmar Bartsch, fractieleider van Die Linke in de Bundestag, het federale parlement, liet zich inspireren door astronaut Neil Armstrong om te stellen “dat het een kleine stap was voor de inwoners van Bremen, maar een grote stap voor het Duitse machtssysteem”.2 Hij meent dat de Bremense coalitie een voorbeeld stelt. Tot nog toe heeft Die Linke enkel gezeteld in deelstaatregeringen van de voormalige DDR. Hij is ervan overtuigd dat de SPD, de Groenen en Die Linke ook in de federale regering kunnen samengaan: “Meerderheden zonder christendemocraten zijn mogelijk”.

Het dilemma van Die Linke

De aanwezigheid van Die Linke in het parlement heeft zonder twijfel het Duitse politieke klimaat grondig veranderd: een marxistische linkse beweging mag naast de sociaaldemocraten en de Groenen bestaan. Hierdoor kwam er meer ademruimte in een land waar de Communistische Partij in 1956 verboden werd en de regering in 1972 het zogenaamde “Berufsverbot” invoerde. Dit hield in dat communisten, “vijanden van de Grondwet” en zelfs mensen die gewoon een reis gemaakt hadden naar de toenmalige Duitse Democratische Republiek (DDR) niet langer mochten werken voor de overheid of in het onderwijs. Zelfs bepaalde privéondernemingen, religieuze organisaties, pers en vakbonden hanteerden dit principe. Dankzij Die Linke is die negatieve ingesteldheid verdwenen, ook bij de vakbonden. De partij heeft sociale thema’s, antifascisme, de strijd tegen racisme en voor vrede terug op de agenda geplaatst. Sedert de oprichting van Die Linke hebben vakbonden en het linkse gedachtengoed meer armslag.

De partijleiding in Bremen heeft veel moeite gedaan om de sceptici binnen de partij te overtuigen. Voor haar heeft het akkoord “duidelijk een linkse stempel”. Ze verwijst daarbij naar het sluiten van steenkoolmijnen tegen 2023, grotere inspanningen voor sociale woningbouw en het plan om de huren te plafonneren.

De vraag blijft echter of de partij werkelijk in staat zal zijn om een ander beleid te voeren. Zo bijvoorbeeld is de financiële marge erg beperkt. “Het coalitieakkoord is nog erger dan ik vreesde”, zegt Peter Erlanson, de vroegere fractieleider van Die Linke in het parlement van de deelstaat. “Toegegeven, je moet niet meedoen aan de verkiezingen als je geen coalitie wilt aangaan, maar het zou niet tegen gelijk welke prijs mogen zijn. Want nergens in het akkoord staat precies hoe het programma zal gefinancierd worden. Het document bevat een aantal punten waar we in de twaalf voorbije jaar voor opgekomen zijn. Maar als er geen cijfers bij staan, heeft het weinig gewicht. Trouwens, Herman Kuhn van de Groenen heeft al toegegeven dan de discussie over de begroting zoiets als de tweede ronde van de coalitievorming zal zijn. Pas dan zullen de echte prioriteiten gesteld worden, en zal er geschrapt worden.”3

Al dan niet deelnemen aan een regering is niet alleen een tactische kwestie omtrent de haalbaarheid van een aantal hervormingen.

De deelstaat Bremen bestaat uit de steden Bremen en Bremerhaven, twee van de armste Duitse steden. Beide gaan gebukt onder zware schulden. Een op drie kinderen en jongeren in Bremen groeit op in een gezin dat afhankelijk is van de Hartz IV-maatregel.4 Sedert 2010 heeft Bremen jaarlijks voor 125 miljoen euro moeten snoeien in zijn uitgaven om een tekort van een miljard euro op een begroting van 5,5 miljard op te vangen. Daardoor kwamen er draconische besparingen, vooral in de gezondheidszorg, maar ook op het vlak van investeringen. De gezondheidsinfrastructuur heeft er zwaar onder geleden. Nu zijn er dus investeringen nodig.

Volgens de linkervleugel van Die Linke in Bremen hadden de onderhandelingen moeten beginnen met een lijst van de meest broodnodige eisen: meer personeel in ziekenhuizen en kinderdagverblijven, betaalde vervolgopleidingen voor opvoeders, renovatie van schoolgebouwen, honderden nieuwe leraars, de bouw van 5000 sociale woningen om de huurprijs te doen dalen, het stopzetten van sancties tegen personen die leven van uitkeringen, stoppen met uitzettingen, sluiting van de steenkoolmijnen gevolgd door jobcreatie in de sector van de hernieuwbare energieën. Pas daarna kon er gesproken worden over de uitvoering en financiering ervan.

Erlanson legt de vinger op de wonde: het heeft allemaal te maken met de “rem op schulden” die door de EU werd opgelegd en ook in de Duitse Grondwet staat.5 “De Staat mag geen leningen meer aangaan om investeringen te bekostigen. Kinderopvang, scholen, ziekenhuizen voelen dit maar al te goed. Ons verkiezingsprogramma eist dat deze rem wordt afgeschaft, maar volgens het huidige coalitieakkoord gaan we er ons net wel aan houden. Voor de SPD en de Groenen kan er niet geraakt worden aan dit mechanisme. We zouden de rijken om geld moeten vragen, maar we hebben de moed niet om het te doen”, zegt Erlanson.

Erlanson trekt zich weinig aan van het dreigement van de voorstanders van regeringsdeelname. “Als het zonder Die Linke is, dan komt er een Jamaicaanse coalitie met CDU, Groenen en liberalen van de FDP”, beweren ze. Maar Erlanson vraagt zich af wat dan het probleem is. “Ik denk niet dat dat erger zou zijn. De CDU zal immers voor dezelfde problemen staan. Ze moet even goed crèches en scholen bouwen en kan het niet doen door dezelfde rem. Het feit is dat de stedelijke ziekenhuizen beheerd worden volgens een kapitalistisch model. Dat was zo met de SPD en de Groenen, en met CDU zal het net hetzelfde zijn. Maar ik wil verandering. Als Die Linke in de regering zit zonder de hoofdpunten van ons programma uit te kunnen voeren, dan weet ik echt niet waarom wij de klussen van een uitgebluste SPD moeten klaren. Het stoort me werkelijk dat mijn partij wil toetreden tot een coalitie die een neoliberaal beleid verdedigt.”

Door in de huidige omstandigheden in regeringen te zetelen, zet de partij haar geloofwaardigheid als links alternatief naast de gevestigde partijen op het spel en riskeert ze vooral niet langer te dienen als motor om de volksmassa te mobiliseren. De manoeuvreeruimte van een integraal linkse regering is uiterst beperkt in het Duitsland van vandaag. 97% van de inkomsten van deelstaten hangen namelijk af van federale wetgeving. Als een regering bovendien geen leningen mag aangaan of geen schulden mag maken, is ze met handen en voeten gebonden aan een soberheidsbeleid dat van bovenaf wordt opgelegd.

Een pijnlijke ervaring (Berlijn 2003-2011)

Bremen riskeert een herhaling te worden van de regeringsdeelname in Berlijn. De Berlijnse PDS (Partei des Demokratischen Sozialismus) (nu die Linke) trad er toe tot de regering in 2003. Op dat ogenblik waren nepotisme, corruptie en bankschandalen er schering en inslag. De voorstanders van de regeringsdeelname beweerden toen “dat het niet vanuit de oppositierangen was dat er een reorganisatie kon komen van een falende overheid, of dat er sociale woningen of crèches konden gebouwd worden. Dat was allemaal maar mogelijk door regeringsdeelname en grootschalige investeringen.”

De coalitie tussen SPD en PDS heeft inderdaad de rem gezet op de corruptie en het nepotisme. Maar het is wel de bevolking die de prijs heeft betaald van de overgang van een corrupte overheid naar een ‘normaal’ kapitalistisch bestuur met een neoliberaal beleid. De verkiezingspropaganda van Die Linke voor de wetgevende verkiezingen van 2016 kwam trouwens terug op deze periode: “De rood-rode coalitie heeft tussen 2002 en 2011 de staatsbegroting opnieuw in evenwicht gebracht. Ze ging er hard tegen aan, soms onverantwoord hard. Huurders, ambtenaren, leraars en de arme bevolking in het algemeen hebben helaas geen verbetering gemerkt, integendeel, hun situatie is er op achteruit gegaan.”6

Inderdaad, de rood-rode coalitie in Berlijn heeft het grootste stedelijk hospitaal gedeeltelijk geprivatiseerd en heeft een budgettair beleid gevoerd met nadelige gevolgen. Blinden kregen vanaf 2003 lagere uitkeringen, sociaal tarief op openbaar vervoer werd afgebouwd in 2004, 67.700 woningen van het sociaal woningfonds werden voor de spotprijs van 405 miljoen euro verkocht aan een consortium behorend tot de groep van Goldman Sachs, vergoedingen aan eigenaars die hun woningen aan sociale huurtarieven verhuurden werden geschrapt, de Berlijnse openbare vervoermaatschappij werd deels geprivatiseerd, pogingen om de stad weer eigenaar te maken van het waterbedrijf werden afgeremd, lonen gingen er met 12% op achteruit en van de 130.000 voltijdse ambtenaren van de deelstaat in 2001 waren in 2011 33.000 aan de deur gezet.

Voor haar deelname aan de regering had de PDS campagne gevoerd tegen dit soort maatregelen, maar eens aan de macht had de partij alle protest van vakbonden en studenten genegeerd. Op 6 december 2003 was de Berlijnse oproerpolitie zelfs nodig om een bijeenkomst van de partij in het luxueuze hotel Maritim te beveiligen en werd de straat brutaal ontruimd. Cornelia Hildebrandt, toenmalig lid van het regionale partijbestuur zegt: “De vakbonden betoogden toen tegen aangekondigde loonverlagingen in de overheidssector. De PDS had toen het standpunt van de betogers moeten aannemen, in plaats van de regionale collectieve arbeidsovereenkomsten te schenden en de vakbonden onder druk te zetten.”7

Resultaat? De inwoners van Berlijn besteden tegenwoordig gemiddeld 46% van hun inkomen aan huur. Water werd 33% duurder, openbaar vervoer en onderwijs zijn duurder, de overheid bespaart een half miljard per jaar op haar personeel, dat overigens harder moet werken, en duizenden Berlijnse woningen zijn nu in de handen van speculanten. Tot op de dag van vandaag zijn de Berlijnse overheidssalarissen lager dan die van andere deelstaten. Het is dan ook geen wonder dat de PDS, nu Die Linke, slecht presteerde bij de verkiezingen voor de Berlijnse deelstaatregering in 2011. In 10 jaar tijd is de partij van 22,3% van de stemmen afgezakt naar 11,5% en bleven van de 12.000 leden in 2001 er nog 8000 over in 2011. Er zijn geen nieuwe leden gerekruteerd tijdens de studentenstakingen van 2003 of de acties van de overheidsambtenaren, om de eenvoudige reden dat partij in de regering zat tegen wie deze acties gericht waren. De partij is een louter aanhangsel geworden van de parlementaire fractie en is dus niet meer dan een passieve toeschouwer. De regionale partijleiding heeft zich uitgesloofd om de partij te doen passen binnen het keurslijf van de coalitiepartners in plaats van openlijk kritisch te staan tegenover de deelstaatregering. De democratische rechten van de basis zijn beknot. Het partijbestuur heeft de idee bevorderd van een partij van ambtenaren eerder dan van leden.

De partij heeft de neoliberale logica aanvaard die aanstuurt op budgettaire besparingen. Daardoor is er niet meer bewegingsruimte gekomen op financieel vlak, maar zijn het sociale vangnet en de openbare diensten integendeel verder uitgehold. De partij heeft haar eigen leden niet geholpen om weerstand te bieden tegen de neoliberale argumenten, maar heeft deze integendeel zelf verspreid. Ze heeft haar eigen slagkracht afgezwakt door na te laten vakbonden en massabewegingen in te schakelen om druk uit te oefenen op de regering. De keuze om in deze omstandigheden deel uit te maken van de regering betekent dan ook het tegendeel van een bredere manoeuvreerruimte, het is integendeel een belemmering. Een deelstaatregering heeft geen controle over de economie of de federale wetgeving en dus de begroting, en al evenmin over justitie of het repressieapparaat, die niet op een democratische wijze samengesteld zijn.

Een dramatische normalisering

De huidige regeringsdeelname van Die Linke doet zich voor op een moment dat er begrotingsoverschot is en de tewerkstellingsgraad hoog. Regeringen moeten de riem niet aanhalen zoals in Berlijn tussen 2001 en 2011. Berlijn heeft sedert 2017 een nieuwe rood-rood-groene regering. Deze regering heeft een aantal dringende uitgaven en verbeteringen kunnen goedkeuren.

Het is alsof de huidige regering de rampzalige vergissingen van de voorgaande wil vermijden. In een context van groeiende inkomsten heeft de regering van Berlijn na talloze stakingen en betogingen een aantal veranderingen doorgevoerd. Kinderopvang en schoolabonnementen voor kinderen van werklozen of steuntrekkers zijn gratis, tarieven van openbaar vervoer zijn terug goedkoper geworden. De coalitie heeft gratis schoolmaaltijden ingevoerd in basisscholen. Onderwijzers staan nu op gelijke voet met andere lesgevers en krijgen een hogere wedde. Er zijn 1200 plaatsen voorzien voor nachtopvang van daklozen. Er zijn ook symbolische maatregelen met een positieve impact zoals de Vrouwendag, die een vrije dag is geworden.

Sociale huisvestingmaatschappijen bouwen weer. Ruim 7000 woningen die eerder geprivatiseerd werden, zijn inmiddels teruggekocht door huisvestingsmaatschappijen, en de huurprijs van 1,5 miljoen woningen van de openbare en private sector is voor de volgende 5 jaar bevroren. Huurprijzen die een bepaalde maximumdrempel overschrijden moeten verplicht dalen. Dit is het resultaat van een massabeweging rond het thema van de huur, die ook de onteigening eist van vastgoedmaatschappijen die meer dan 3000 woningen beheren. Een voorbeeld hiervan is Deutsche Wohnen die met haar 110.000 woningen op de Berlijnse woningmarkt al 1,9 miljard euro winst boekte in 2018 alleen. De campagne voor de onteigening stelt dat de vergoeding voor onteigening onder de werkelijke marktwaarde mag liggen. De discussie rond de kostprijs van deze woningen kondigt dan ook een zwaar conflict aan tussen vastgoedbedrijven en partijen. Die Linke is ronduit voor onteigening. De kwestie zal een test worden voor de geloofwaardigheid van Die Linke. Als de SPD en de Groenen dit punt van het coalitieakkoord niet willen uitwerken, moet Die Linke bereid zijn om de Berlijnse regering ten val te brengen.

Toch is de regering niet bij machte om alle grote problemen meteen op te lossen. Betaalbare woningen blijven schaars. De regering heeft beloofd jaarlijks 6000 nieuwe woningen te bouwen, maar er zijn er in feite al 100.000 tekort. Kinderopvang vinden is een bijna hopeloze zaak. De brandweer van Berlijn heeft al op spectaculaire wijze aangetoond wat de gevolgen zijn van een gebrek aan investeringen, te weinig personeel en overwerk. Er is inmiddels meer geïnvesteerd in scholen en ziekenhuizen, maar de inspanningen wegen niet op tegen de noden. Rood-rood-groen blijft het soberheidsprincipe trouw, en van de rijken en machtigen wordt zo goed als niets gevraagd. Investeren kan enkel via verdoken vormen van privatisering. In Berlijn verlopen de huidige investeringen in de scholen volgens een model van publiek-privaat partnerschap. Hierdoor zullen privatiseringen in de toekomst alleen maar bevorderd worden.

De voorzitter van Die Linke in het Berlijnse district Neukölln stelt vast dat er “veel projecten een deel van de koek proberen te krijgen, maar dat de koek gewoonweg te klein is”. Er is een enorme wedijver en dan ook enorme vijandigheid tussen verschillende projecten en hun initiatiefnemers worden tegen elkaar opgezet. Het soberheidsbeleid dwingt iedereen om te vechten voor een paar kruimels. In tegenstelling tot een besparingsregering zou een linkse beweging een heel andere aanpak verkiezen. Ze zou gaan samenzitten met de vakbonden van brandweerlui en kinderverzorgers en zou een gezamenlijk plan opstellen voor de nodige investeringen maar ook de uitvoering ervan, zelfs al zou daarvoor het principe van ‘de rem op de schulden’ moeten overtreden worden of zou er dan geen geld meer zijn voor prestigeprojecten of cadeaus voor de rijken. In een land met duizenden miljardairs is er toch voldoende geld voor algemene kinderopvang en een deftig salaris voor alle ambtenaren, lesgevers en ziekenhuispersoneel. Zulke aanpak zou een einde maken aan het soberheidsbeleid dat duizenden gepensioneerden in armoede dompelt, en dat openbaar vervoer zoveel geld ontzegt dat de bus- en treindiensten er onder lijden.

Een regering met Die Linke leidt echter niet tot zichtbare veranderingen in deelstaten waar er geen sterke buitenparlementaire oppositie is. Berlijn heeft die wel, namelijk de hele beweging rond betaalbare woningen. Maar de situatie is anders in de deelstaten Thüringen, Brandenburg en Bremen. In Thüringen is het volgens de vakbonden nu veel moeilijker dan vroeger om af te komen met syndicale eisen. Er zullen dan ook 7000 jobs verloren gaan. Die Linke besteedde er 290.000 euro aan een campagne om de principes van soberheid en evenwichtige begroting te verdedigen. Thüringen is ondertussen ook de tweede deelstaat op het vlak van uitzettingen van vluchtelingen. In Brandenburg heeft de regering ondanks alle protest de fusies van universiteiten doorgedrukt. Er zijn veel jobs verloren gegaan bij de overheid en het onderwijs. Die Linke heeft er ook mee ingestemd dat de politiebevoegdheid aanzienlijk wordt verruimd, o.a. door telefoontap van mobiele telefoons. Verzet is moeilijk als Die Linke deel uitmaakt van een regering die niet geeft om het milieu, die de controle op de burgers verhoogt en de neoliberale greep op de universiteiten vergroot. Een regeringspartij die besparingen op sociale uitgaven duldt maakt het moeilijk om te strijden voor een herverdeling naar beneden toe en hogere belastingen voor de rijken. Een regeringspartij die haar eigen ambtenaren laat werken tot na de pensioengerechtigde leeftijd is niet geloofwaardig in haar strijd voor het pensioen op 65 jaar.

Zonder sterke buitenparlementaire oppositie, leidt een regering met Die Linke niet tot zichtbare veranderingen.

Door haar regeringsdeelname is Die Linke medeverantwoordelijk voor al wat de regering doet, inbegrepen alle projecten die in strijd zijn met een links beleid. De deelstaatregeringen waar Die Linke in zetelt, hebben in de Bundesrat, het parlement van de regio’s, een wet gestemd voor de privatisering van de snelwegen. Deze stem gaat flagrant in tegen de politieke lijn van de partij. Door haar deelname aan de regering moet Die Linke de volstrekt antisociale federale wetten ten uitvoer brengen. In 2004 betoogde de PDS tegen de Hartz-IV wetten, die ze in Berlijn nota bene zelf had ingevoerd.

Foute argumenten voor regeringsdeelname

Voorstanders van de regeringsdeelname van Die Linke hebben drie soorten argumenten.8 Er zijn de electorale: “De mensen willen dat we in de regering zitten. Als we dat op voorhand al uitsluiten, verliezen we 5 tot 10% van de stemmen. Pas als meerderheden anders samengesteld zijn, zal er een andere beleid komen. Natuurlijk willen de mensen niet dat we dat doen zonder voorwaarden te stellen. De mensen willen dat het beter wordt. Als die beterschap er toch niet komt, doen we liever niet mee.” Maar na de eerste regeringsdeelname is Die Linke er wel fel op achteruit gegaan. Bij de regionale verkiezingen van 1 september 2019 in Brandenburg en Saksen is de partij ingestort: in Saksen -8,5%, in Brandenburg -7,9%. Die Linke vertolkt niet langer het ongenoegen en de opstandigheid van de volksmassa. Het is niet langer een radicale partij maar wordt gezien als de zoveelste pijler van het systeem, en dus een partij zoals alle andere.

Vervolgens zijn er ook antifascistische argumenten: “De opkomst van extreemrechts plaatst ons voor nieuwe uitdagingen. Het gaat niet meer over het overstijgen van het kapitalisme of de invoering van democratisch socialisme, maar eerder over de verdediging van de democratie en het oriënteren van het beleid naar meer rechtvaardigheid en solidariteit. Daarvoor zijn ruime allianties nodig. De staat is een klassenstaat, maar de marxistische theorie rond de staat in inmiddels geëvolueerd. We moeten de staat zien als een strijdtoneel en kruispunt van klassentegenstellingen. Kapitalisme is er nog altijd, maar met een ziekteverzekering is het toch iets anders dan zonder.” Dit soort argumenten doorstaan de test ook niet. Regeringen met Die Linke kunnen extreemrechts niet tegenhouden. Integendeel, AfD was al sinds 20115 de op een na grootste politieke kracht in de parlementen van Saksen-Anhalt en sinds 2016 in Mecklenburg-Vorpommen. Dat is nu ook het geval in Saksen en Brandenburg. De extreemrechtse AfD verdubbelde zijn score tijdens de verkiezingen van 1 september in Brandenburg: van 12 naar 24,5%. In een vijftal jaar is extreemrechts sterk vertegenwoordigd geraakt in de parlementen van alle deelstaten alsook in het federale parlement, de Bundestag. De PDS, en daarna Die Linke, werd lang beschouwd als de partije van de vroegere DDR-burgers. Die Linke leek lang de enige partij die opkwam voor ouderen en voor mensen die vanuit een vaste job beland waren in een situatie van werkloosheid of toenemende werkonzekerheid. Maar door haar deelname aan regeringen lijkt Die Linke steeds meer deel uit te maken van het establishment. Het is dan ook geen wonder dat de mensen kiezen voor de AfD omdat deze partij meer tegen het establishment lijkt in te gaan. In de verkiezingen van 2017 heeft de AfD 400.000 stemmen afgesnoept van Die Linke.

De voorstanders van regeringsdeelname hebben tenslotte ook sociologische argumenten. “De wereld is veranderd”, zeggen ze. “De antwoorden van de 20e eeuw zijn niet echt meer relevant. De mensen hebben andere verwachtingen, en daarom zijn compromissen nodig. Als men daar niet toe bereid is, is het zinloos om in een parlement te gaan zetelen. We zijn een conservatieve partij geworden, een partij met antwoorden die niet meer in de tijd passen. Als er zich nieuwe problemen stellen, reageren we defensief in plaats van ze te benutten om een democratisch socialisme te ontwikkelen. We moeten onze ideeën omzetten in werkelijkheid. Een echte verandering is maar mogelijk met een parlementaire meerderheid. SPD, de Groenen en Die Linke hebben heel wat gemeenschappelijke standpunten, bijvoorbeeld rond vluchtelingen, democratie en de civiele maatschappij, en er zou meer samenwerking moeten zijn.”

De voorstanders van regeringsdeelname hebben gezegd “dat ze de krachtverhoudingen meer naar links zouden kunnen duwen”. Maar wat blijkt, ook in de meest recente gevallen? Sedert halverwege de jaren 30 hebben 19 partijen die linkser waren dan de sociaaldemocraten in 11 Europese landen deelgenomen aan 31 regeringen. De econoom Paul Glier heeft deze ervaringen bestudeerd.9 Zijn conclusie is: “Deze partijen hebben de verwachtingen van hun kiezers niet ingelost en hebben hun beloften niet vervuld. De kiezers verwachten een beleid ten voordele van de werknemers en dat een zichtbare verbetering brengt in hun werk en leven, of democratische hervormingen of het einde van militaire avonturen. Soms hebben deze partijen progressieve maatregelen kunnen doordrukken, vooral dan bij het begin van de legislatuur. Vaak gaat het dan om het intrekken van antisociale maatregelen van de vorige regering en uitvoeren van sociale maatregelen die in het coalitieakkoord stonden. Maar die verwezenlijkingen zijn vaak van korte duur.10 Ze worden teniet gedaan door tal van tegengestelde factoren en monden uiteindelijk uit in een beleid dat nog meer dan voordien tegen de belangen indruist van de werkende mensen.”

De armslag van linkse regeringen wordt vaak beperkt door factoren die sterker zijn dan de wil van de partijen en de linkse houding van hun politici. Dat komt door de macht van het geld, de nauwe band tussen het staatsapparaat en de economische elites, het gerechtsapparaat dat de economische condities bepaalt (Karl Marx) en dat de bestaande politieke orde in stand houdt, wetgeving die de financiële speelruimte van de regering beperkt, en ook het feite dat het coalitieakkoord een compromis is tussen de programma’s van meerdere partijen. Als links wil gebruik maken van de staat om de maatschappij te veranderen, hangt het af van de hoge ambtenaren en bureaucratische experts nodig. Deze specifieke ‘staatsburgerij’ doet zich voor als neutraal maar is in feite gekant tegen een links beleid en sociale hervormingen. Haar inertie is vaak al voldoende om pogingen tot verandering te doen mislukken.11

De macht van de financiële wereld, de grote bedrijven en de bestaande politieke structuren zijn de hoofdredenen waarom regeringsdeelname geen succes is.

Volgens Glier zijn naast de macht van de financiële wereld en de grote bedrijven de bestaande politieke structuren de hoofdreden waarom regeringsdeelname van radicaal-links geen succes wordt. Concrete aanleidingen om een linkse politiek te stoppen kunnen een financiële crisis zijn of de begrotingsregels van de EU. Vaak worden de progressieve maatregelen van het begin daarna weer ingetrokken en belandt men in een beleid dat niet overeenkomt of flagrant in strijd is met de belangen van de werkende mensen. En wat er dan nog overblijft wordt ontmanteld door de daaropvolgende regering, waar vaak zelfs sociaaldemocraten in zetelen.”12

Sociale beweging verlamd door teleurstelling

Radicaal-linkse partijen worden gezien als de vertegenwoordigers van de werkende mensen omdat ze vanuit de parlementaire oppositie en op straat opkomen voor de eisen van sociale- en democratische bewegingen. Ze oefenen druk uit op de regering en behalen op die manier bepaalde successen, zelfs vanuit de oppositie. Wanneer ze in een regering stappen, verwachten hun kiezers dat ze even strijdlustig blijven als in de oppositie, en dat dit tastbare resultaten oplevert. Als die resultaten uitblijven of het beleid geen haar beter is, creëert dat teleurstelling, ongenoegen en op de duur zelfs afkeer. Glier zegt: “De kritiek van de kiezers keert zich tegen de regering, maar nog meer tegen de radicaal-linkse partij die de verantwoordelijkheid krijgt voor het gehele beleid van de regering en niet alleen het specifieke beleid van linkse ministers.”13

Glier besluit dat linkse partijen die deel uitmaken van kapitalistische regeringen wel moeten teleurstellen zolang de macht van het kapitaal niet gecompenseerd wordt door de sociale en buitenparlementaire tegenmacht. “In een kapitalistische maatschappij heeft de politiek geen grotere macht dan de economie. Zij die denken dat ze het primaat van de politiek op de economie kunnen herstellen door zelf deel uit te maken van de regering, worden dag na dag met het tegenbewijs geconfronteerd.”

Uiteindelijk leidt regeringsdeelname voor de radicaal-linkse partijen tot frustratie omtrent hun programma en hun beleid in het algemeen. De gevolgen zijn dan ook merkbaar op lange termijn. Partijen verliezen hun geloofwaardigheid, en daardoor hun kiezers. Ze worden zwaarder afgestraft dan de traditionele partijen. Ze horen het verwijt “dat ze zoals de andere partijen toch maar hun beloften breken”. Voor de periode na 1964 toont Glier aan de hand van cijfermateriaal hoe deze partijen telkens tot 26% van hun kiezers verloren na deelname aan een regering. In Italië, Frankrijk en Zweden gaat het tot 50% van de kiezers. In absolute termen gaat het hier om miljoenen personen. “Hoe vaker de regeringsdeelname, hoe groter het gebrek aan geloofwaardigheid en hoe groter het wantrouwen van de kiezer”, besluit Glier.

Een partij die, eens in de regering, het soberheidsprincipe trouw blijft, bemoeilijkt de strijd voor herverdeling en rechtvaardige belastingen.

De aanwezigheid van radicaal-links in een kapitalistische regering heeft ook als gevolg dat sociale bewegingen als het ware stilvallen en op lange termijn verzwakken. Buitenparlementaire bewegingen hebben geen vertrouwen meer in partijen tegen wie ze betogingen en stakingen hebben moeten organiseren. Leden van deze bewegingen voelen zich vaak verraden en stoppen hun engagement. De deelname van radicaal-linkse partijen aan kapitalistische regeringen heeft het gedachtengoed van de arbeidersbeweging in diskrediet gebracht. Ze heeft bij veel militanten en werkende mensen de idee versterkt dat er niets aan te vangen was tegen de wetten van de kapitalistische markteconomie, de concurrentiewedloop, rentabiliteit en winstbejag.

Samen met de sociaaldemocraten de maatschappij veranderen?

Herhaaldelijk gingen sociaaldemocraten coalities aan met radicaal-linkse partijen om deze laatsten te compromitteren door hen medeplichtig te maken aan zware saneringen. Ze hoopten dat ze zo hun invloed en soms hun meerderheidspositie in het progressieve kamp zouden kwijtspelen. Toen hij nog voorzitter was van de SPD, zei Oskar Lafontaine in 2003 het volgende over de rood-rode regering in Berlijn: “Een Berlijnse regering die offers vraagt aan de bevolking mag geen gefrustreerde CDU en sociaal-populistische PDS in de regering op te nemen. Zij die van plan zijn om besparingen door te voeren, doen er goed aan om de PDS te engageren.”14 Het soberheidsbeleid heeft de PDS in een positie gebracht die in strijd is met de belangen van haar kiezers. Als de PDS in de oppositie was gebleven, had ze talloze protestbewegingen kunnen ondersteunen. Maar door de rood-rode coalitie is de buitenparlementaire oppositie aanzienlijk verzwakt.”

Deelnemen aan een coalitie geleid door de sociaaldemocraten leidt onvermijdelijk tot een verzwakking van de antikapitalistische bewegingen. De deelname van links leidt ertoe dat mensen berusten en een afwachtende houding aannemen. Het bevordert de illusie dat politiek via afgevaardigden mogelijk is. Het lijkt niet meer nodig om zich te mobiliseren, om buitenparlementaire oppositie te organiseren. “Onze partij aan de macht zal onze eisen wel omzetten in werkelijkheid.” Bovendien moeten de radicaal-linkse afgevaardigden mede de verantwoordelijkheid dragen voor al wat de regering onderneemt. Een minderheid is daardoor mee verantwoordelijk voor het globale beleid van de regering en zal dus voor iedere beslissing afgestraft worden door de achterban.

Bij het begin van de 20e eeuw zei Rosa Luxemburg al dat een machtsovername door de sociaaldemocraten bij ongunstige verhoudingen van de politieke krachten tot de volgende logica zou leiden: “De prooi is niet geschoten, maar het geweer is nu zo goed als onbruikbaar.” De linkse regering heeft haar doelstellingen niet bereikt, en er is niets veranderd. De mobilisering van de massa, het grootste wapen van links, valt stil door de groeiende teleurstelling. Nochtans is dit uitgerekend het beste wapen om de elites bang te maken en toegevingen af te dwingen.

Het cliché van een linkse regering die in een-twee-drie een ommekeer zal kunnen brengen naar meer sociale rechtvaardigheid en democratie gaat niet op als de machtsverhoudingen dergelijke breuk niet mogelijk maken. Linkse partijen zullen altijd meer gedaan krijgen vanuit de oppositie en in samenwerking met buitenparlementaire groeperingen dan als minderheidspartner in een regering. In Berlijn heeft Die Linke zo bijvoorbeeld meer bereikt met die eerste strategie dan met de tweede Een voorbeeld hiervan is de terugkeer van de watermaatschappij in de handen van de stad, na een referendum. Een ander voorbeeld is de strijd van het personeel van het Berlijnse Charité-ziekenhuis dat de allereerste cao ooit voor gezonde werkomstandigheden en minimum personeelsbezetting heeft verkregen. Vijf jaar op de banken van de oppositie hebben Die Linke ook meer steun opgeleverd, precies omdat het deze bewegingen heeft gesteund. Als een partij niet sterk genoeg is om een werkelijke verandering door te drukken in een regering, kan ze veel meer bereiken in de oppositie en op de straat dan wanneer ze als verlamd zit in regering met een linkse stempel maar die geen enkele verandering brengt. Dit sluit niet uit dat ze bepaalde wetgevende initiatieven zou kunnen steunen, op voorwaarde natuurlijk dat ze in de goede richting gaan.

De vrees te breken met het huidige Europese besparingsbeleid is precies waarom Mitterrand,
Die Linke of Syriza faalden.

Het is ook een illusie te denken dat de belangen van de werkende mensen kunnen behartigd worden met het huidige Europese besparingsbeleid. Dat is precies waarom Mitterrand, Die Linke of Syriza faalden. Deelnemen aan de regering is maar mogelijk als zulk beleid ernstig in vraag wordt gesteld en als de regeringspartners bereid zijn de confrontatie aan te gaan met de Europese elite. Mobilisatie van de massa is hierbij een belangrijke factor.

Een nieuwe politieke cultuur

Echte politieke verandering zal maar mogelijk zijn wanneer er een einde komt aan de politiek door delegatie van de macht door de burger, het discours van “wij zullen het voor u oplossen”, en mensen integendeel zelf hun lot in handen nemen, zichzelf informeren en organiseren. Leden van radicaal-linkse partijen in regeringen klagen over de enorme toename van ambtenaren, afgevaardigden en bedienden in de partij. Die willen allemaal bruggen slaan naar andere partijen en zijn bereid om zich te onderwerpen aan “het staatsbelang” en het soberheidsprincipe. Als er verkiezingen op til zijn, komt er vanuit deze laag druk om mee te regeren met het argument dat dit een politiek wending zal inluiden. Via regeringsdeelname gaat men zich steeds meer aanpassen aan de klassieke politieke wereld. Sommige partijleiders houden nog de juiste toespraken en spreken over het belang van de partij als een ‘beweging’. Maar daar blijft het bij. Teksten die in een partijcongres worden goedgekeurd zijn geen politiek programma meer, maar louter toespraken en beloften.

Deelnemen of niet aan een regering is niet alleen een tactische kwestie die draait rond de haalbaarheid van een aantal hervormingen. Het heeft ook te maken met de strategische keuze om een alternatief te bieden voor het kapitalisme. Het is maar door de slachtoffers van verdrukking en uitbuiting te verenigen en te organiseren dat er een tegenmacht zal komen die sterk genoeg is om een alternatief door te drukken.

Radicaal-links is het best geplaatst om de strijd aan te binden tegen de kapitalistische logica van het winstbejag, tegen oorlog en racisme, en om verzet van onderuit te organiseren. Hervormingen zijn niet mogelijk als er geen sterke drukkingsgroep wordt gecreëerd die evenveel druk kan uitoefenen op machthebbers als de media, de grote bedrijven, en de investeringsfondsen. Radicaal-links heeft een totaal ander uitgangpunt dan traditionele partijen. Het wil niet gewoon besturen, maar het wil iets op op structureel niveau veranderen. Radicaal-links beschikt niet over de wapens waarmee anderen macht uitoefenen: banden met de lobby’s van de bedrijfswereld, massamedia, connecties tot diep in de administratie en het staatsapparaat. De enige bron waaruit het macht kan putten, is de mobilisering van de massa: door middel van sociale strijd, vormingswerk, dagelijkse solidariteit en organisatie. Een werkelijk linkse politiek is een engagement dat bewijst dat het de moeite loont om voor iets te strijden. Een engagement dat andere mensen aanspreekt en hen politiek bewust maakt. Een engagement dat krachtsverhoudingen smeedt die tot diepgaande veranderingen kunnen leiden.

Footnotes

  1. Kristian Stemmler. “Mondlandung in Bremen”. Junge Welt, 24 juli 2019. Beschikbaar op www.jungewelt.de/artikel/359315.neue-regierung-in-bremen-mondlandung-in-bremen.html.
  2. Verklaring van Bartsch aan de kranten van Funke Media Group.
  3. Lotta Drügemöller, “Linken-Politiker über R2G in Bremen”, Taz, 4 juli 2019. Beschikbaar op http://taz.de/Linken-Politiker-ueber-R2G-in-Bremen/!5605169/.
  4. “Na een hervorming van de werkloosheidsuitkering (wet Hartz IV) onder de SPD-Groene regering van Gerhard Schröder, wordt de uitkering voor wie langer dan een jaar werkloos is een forfaitair bedrag. Het lage bedrag – amper 409 euro per maand in 2017 voor een persoon- moet de uitkeringsgerechtigde motiveren om zo snel mogelijk weer werk te vinden, hoe slecht betaald het ook is, en hoe weinig overeenkomt er is met zijn verwachtingen en competenties. De Duitse uitkeringen zijn bovendien onderworpen aan een van de strengste controles van Europa” (vrij naar Wikipedia, http://fr.wikipedia.org/wiki/Réformes_Hartz).
  5. Het gaat om de beruchte regel in het Verdrag van Maastricht die stelt dat schulden maximum 60% van de begroting mogen bedragen. Daardoor moeten de Duitse deelstaten een begroting opstellen zonder structureel tekort.
  6. “Unser Plan für ein soziales und ökologisches Berlin”, Die Linke, 2016. Beschikbaar op www.die-linke-berlin.de/fileadmin/download/2016/wahlprogramm.pdf.
  7. Lucia Schnell en Irmgard Wurdack, “Linke in Berlin: Eine linke Koalition für eine gerechtere Stadt? Besser opponieren als mitregieren: Rot-Rot in Berlin 2001–2011”, Marx21, 29 juli 2016. Beschikbaar op www.marx21.de/linke-berlin-rot-rot-gruen-koalition-kritik/.
  8. Zie ook: Luise Neuhaus-Wartenberg, Mathias Klätte & Dominic Heilig, “Inhalte und Strategie nach vorn stellen — Reformalternativen sichtbar machen”: http://forum-ds.de/wp-content/uploads/2016/10/Inhalte-und-Strategie-nach-vorne-stelle.pdf.
  9. Paul Glier. Was bringt es, wenn Linke mitregieren? Erfahrungen aus acht Jahrzenten. Gedanken zur Neuorientierung. 2018, Park Verlag.
  10. Er zijn vermoedelijk uitzonderingen. In Portugal hebben de communisten die deel uitmaakten van de antifascistische en antikoloniale regeringen van 1974/1975 een blijvende stempel kunnen drukken op de verworvenheden die vervat zijn in de Grondwet. Maar dat heeft ook maar geduurd zolang deze regeringen gedragen werden door een revolutionaire, buitenparlementaire beweging. Dat is de reden waarom de auteur Portugal mee vermeldt onder de mislukkingen.
  11. Zie ook: Serge Halimi, Quand la gauche essayait: Les leçons du pouvoir (1924, 1936, 1944, 1981), Agone, 2018.
  12. Glier, op. cit. p. 109-111.
  13. Op. cit. p. 112-113.
  14. Oskar Lafontaine, “Alle für eine”, Tagesspiegel, 20 juni 2001.