Recensie

De beklimming van de empathiemuur

Frederica Bono

— 11 april 2017

  1. Arlie Russell Hochschild is een van de meest invloedrijke sociologen. Ze onderzoekt hoe mensen omgaan met emoties op de werkvloer en in het persoonlijk leven. Ze is professor op emiritaat aan de University of California, Berkeley. Haar werk is vertaald in 16 talen. Ze won verscheidene prijzen waaronder de prestigieuze Ulysses Medal.

Hockschild ging 5 jaren wonen in het conservatieve Louisiana op zoek naar Trumpkiezers en leden van de Tea Party. Relaas en begrip in haar boek Strangers in their own land.

Op 10 november werd de wereld verbaasd wakker met het nieuws over Trumps winst. Onmiddellijk regende het reacties op de sociale media: het resultaat was niet alleen onverwacht, maar ook onbegrijpelijk en dom. Er volgde een vloedgolf aan opinies en analyses, die poogden dit resultaat te verklaren. De collectieve verbazing bij deze uitslag legde alvast de pijnlijke realiteit van een diep verdeeld Amerika bloot. De afstand tussen rechts en links, Republikeins en Democratisch, rood en blauw, is groter dan ooit.

Steeds meer Amerikanen verhuizen naar plaatsen waar gelijkgezinden wonen. Steeds vaker krijgt elke kant van het politieke spectrum enkel zijn eigen nieuws van eigen televisiekanalen. Steeds minder wordt er met de andere kant gesproken. Er lijkt wel een muur opgetrokken te zijn tussen Amerikaanse conservatieven en progressieven (het Amerikaanse ‘liberal’ wordt hier vertaald als ‘progressief’)

De Amerikaanse sociologe Arlie R. Hochschild noemt dit de ‘empathiemuur’, een obstakel dat een diep begrip van de ander belemmert. Deze muur maakt ons onverschillig of zelfs vijandig ten opzichte van zij die er andere overtuigingen op nahouden. Hochschild woont in het links-progressieve Berkeley (in Californië), maar trok gedurende vijf jaar naar het ultraconservatieve Louisiana, waar ze leden van de extreemrechtse Tea Party-beweging opzocht. In haar boek Strangers in their own land beschrijft ze haar moeizame klim over de empathiemuur. Ze gaat daarbij op zoek naar de emoties die ten grondslag liggen aan politieke overtuigingen.

De electorale paradox

Volgens Hochschild en veel andere progressieven schuilt er een grote paradox in het stemgedrag van rechtse kiezers. Door conservatief te stemmen, schijnen veel mensen tegen hun sociaal en economisch eigenbelang te stemmen. In de Verenigde Staten zijn Republikeinse staten doorgaans armer en kennen ze meer tienermoeders, meer scheidingen, slechtere gezondheidscijfers, meer obesitas, meer sterfte door trauma’s, meer baby’s met een laag geboortegewicht en een lagere onderwijsdeelname. Inwoners van deze staten sterven gemiddeld vijf jaar eerder dan inwoners van Democratische staten.

Louisiana is hiervan een extreem voorbeeld. Van de 50 Amerikaanse staten, staat Louisiana op de 49e plaats op een ranglijst die levensverwachting, onderwijsinschrijvingen, mediaan persoonlijk inkomen en behaald diploma meeneemt. Bovendien staat Louisiana ook op de voorlaatste plaats voor kinderwelzijn en op de laatste voor gezondheid. Toch behaalde Trump hier in november 2016 meer dan 58 % van de stemmen.

Ook de Amerikaanse journalist Thomas Frank beschreef deze paradox in zijn boek What’s the matter with Kansas? Hij stelt dat rechtse standpunten over ethische kwesties, zoals een abortusverbod of het recht op vrije wapendracht, mensen overtuigen om een economisch beleid te omarmen dat hen eigenlijk schaadt. Volgens Hochschild verklaart dit evenwel nog niet waarom iemand zich aangesproken voelt door die rechtse ethische standpunten. Bovendien missen zulke analyses een goed begrip van hoe het leven voelt voor mensen op rechts. Wat willen mensen voelen? Wat denken ze dat ze wel of niet zouden moeten voelen? Om deze vragen te beantwoorden en om de traditionele hypothese van het economisch eigenbelang te testen, besloot Hochschild in te zoomen op een probleem waar iedereen – arm of rijk – in de Republikeinse staten mee te maken krijgt: milieuvervuiling. En ook hier is de paradox aanwezig. Inwoners van Republikeinse staten lijden zwaarder onder industriële vervuiling dan inwoners uit Democratische staten. Toch is de tegenstand tegen milieureglementering er veel groter.

De beklimming van de ‘empathiemuur’

Hochschild vindt deze paradox ook terug bij haar respondenten. Stuk voor stuk geven ze veel om het milieu. Toch is er voor elk van hen iets dat nog belangrijker is. Zo spreekt ze met Lee, een man die in opdracht van zijn werkgever Pittsburg Plate Glass (PPG) jarenlang ’s nachts illegaal toxisch afval in een rivier loost. Wanneer hij hierdoor zelf ziek wordt en niet meer kan werken, wordt hij ontslagen wegens absenteïsme. Daarna krijgt hij door verscheidene administratieve fouten van een staatsambtenaar minder uitkering dan hem toekomt. PPG heeft hem dan wel op straat gezet, maar hij voelt zich nog meer verraden door de overheid. Uiteindelijk is het wel PPG die hem geld gaf en is het de overheid hem geld afneemt.

Tekenend is ook het verhaal van een koppel, waarvan de families al generaties lang naast de Indian Bayou wonen. Louisiana staat bekend om de vele bayous, watermassa’s die typisch zijn voor vlakke, laaggelegen gebieden en zowel op een zeer traag stromende rivier als op een moerassig meer kunnen wijzen. Het koppel vertelt hoe ze jarenlang machteloos toekeken hoe de bomen, de vissen, de kikkers, de schildpadden, hun koeien, kippen, geiten en schapen een voor een stierven en hoe ze ook hun eigen familieleden verloren aan kanker (zijzelf hebben allebei kanker overleefd). Toen de zwijnen van hun neef uit hun hok ontsnapten en toch van het vervuilde water dronken en stierven, kwam die neef in de problemen bij de gezondheidsdienst. Hij werd ervan beschuldigd zijn zwijnen niet van het water weg te houden, maar aan het slechte water zelf werd niets gedaan.

“De overheid is altijd harder voor de kleine man,” zegt het koppel. “Als je met je motorboot een beetje benzine in het water lekt, zwiert de bewaker je op de bon. Maar als de bedrijven duizenden liters lekken en al het leven hier doden? De overheid laat hen gaan. Ik denk dat ze de onderkant overreguleren omdat de top moeilijker te reguleren valt.” Het koppel zegt heel goed te weten dat de Republikeinen synoniem staan voor ‘big business’. Ze zullen hen niet helpen met de problemen die ze hebben. Maar ze plaatsen God en de familie tenminste daar waar ze horen: op de eerste plaats. Ze hebben de middelen niet om te verhuizen en ondertussen verdween hun omgeving rondom hen, en werden ze vluchtelingen in hun eigen huis. Om de kracht te vinden om dit te overleven, heeft de politiek niet geholpen, vinden ze. De Bijbel, daarentegen, heeft dat wel gedaan.

Een van de meest aangrijpende gebeurtenissen uit het boek, is dat van de Bayou Corne sinkhole, een regelrechte catastrofe die plaatsvond in augustus 2012. Op minder dan twee kilometer onder de Bayou Corne ligt een zoutkoepel, de Napoleonville Dome. Dit is een enorme ondergrondse geologische formatie gevormd door een blok zout omgeven door een laag olie en aardgas. Privébedrijven boren diep in het zout om grote en kleine grotten uit te hollen voor de opslag van chemische stoffen. In zo’n 126 ondergrondse zoutkoepels in Louisiana worden giftige chemische stoffen bewaard. In de Napoleonville Dome bezitten petrochemische bedrijven 53 grotten en nog 7 andere bedrijven huren er hun ‘opslagruimte’. Texas Brine, een boorbedrijf dat naar intens geconcentreerd zout boort, doorboorde per ongeluk een zijmuur van zo’n grot. Die stortte in en “alsof de stop uit de badkuip gehaald werd” werden water, bomen, struiken en boten de aarde in gezogen. Omliggende huizen raakten door de hiermee gepaard gaande aardbeving zwaar beschadigd. De olie die de zoutkoepel omgaf, vloeide naar boven, infiltreerde het bodemwater en bedreigde zo het drinkwater. In 2015 was het gat al 37 are groot. De hoofdbaan naar het dorp begon te zinken, net zoals de aarden wallen die de gemeenschap moesten beschermen tegen overstromingen. Na het incident was er niemand van de overheid te zien en de gouverneur van Louisiana verscheen pas zeven maanden later op een vergadering die diezelfde ochtend aangekondigd was. Hij droeg de bewoners op te evacueren waarop Texas Brine een voor een de bewoners rond Bayou Corne begon af te kopen. De eens zo hechte gemeenschap verbrokkelde. Zelfs al zou ze mensen helpen, vindt een van de getroffenen, de overheid zou nooit de geest van de gemeenschap mogen eroderen.

Het psychologisch programma

Hochschild begreep nu makkelijker waarom deze ‘milieuvluchtelingen’ zo furieus waren op de overheid. De grotten bleken zeer losjes gereguleerd te zijn. Daarenboven bleek dat het Louisiana Department for Natural Resources al lang op de hoogte was van de zwakke grot, maar Texas Brine toch een toelating gegeven had om te boren. Ten slotte onderschatten de industriële klanten systematisch de waarde van deze grotten en hun inhoud en betaalden ze veel te weinig belastingen.

Het probleem lijkt dus niet zozeer een overheid te zijn die te groot, te opdringerig, of te controlerend is, maar eerder één die amper aanwezig is. “Hier doen we aan zelfregulering”, zegt Generaal Russel Honoré, een gepensioneerde luitenant-generaal die in 2005 meehielp met het redden van orkaan Katrina-slachtoffers en waarvan gezegd werd dat hij weleens gouverneur zou kunnen worden. “De staatsoverheid speelt de bal door naar de oliebedrijven. Zij reguleren zichzelf. Het is alsof ik met mijn wagen 160 kilometer per uur zou rijden, de politie zou opbellen en zeggen: ‘Agent, sorry, maar ik rijd op dit moment te hard.’”

Op het eerste zicht lijken de mensen die Hochschild in Louisiana leert kennen gekant tegen het hele idee van overheidsinterventie. Maar ze graaft dieper en ontdekt dat de staatsregulering in Louisiana een zeker patroon vertoont. Een aantal traditioneel blanke, mannelijke gevoeligheden, zoals alcohol, wapens en motorhelmen, zijn nagenoeg vrij van regulering. Maar voor vrouwen en zwarte mannen treedt de overheid veel strikter op. Zo wordt abortus in de praktijk beperkt tot één enkel ziekenhuis in New Orleans en is het verboden in het openbaar een broek te dragen die ‘huid onder het middel of een onderbroek’ vertoont – iets wat geassocieerd wordt met zwarte tienerjongens.

Bovendien telt Louisiana proportioneel niet alleen het grootste aantal gevangenen van het land, die gevangenen zijn ook nog eens disproportioneel zwart. Wanneer Hochschilds respondenten echter verontwaardigd over regulering spreken, gaat het niet over abortusklinieken of gevangenissen, maar over wat de staat hen vertelt wel of niet te kopen. Tijdens gesprekken op verschillende bijeenkomsten met Republikeinen hoort Hochschild dus vooral veel gedoe over de vrijheid ‘om’ zaken te doen zoals te telefoneren tijdens het rijden of rond te wandelen met een geladen geweer. Maar Hochschild hoorde in haar gesprekken nagenoeg niets over de vrijheid ‘van’ zaken zoals wapengeweld, verkeersongelukken of vervuiling. Generaal Honoré spreekt in dit verband over het psychologische programma. Dat bestaat erin mensen te laten denken dat ze vrij zijn terwijl ze dat eigenlijk niet zijn. Specifiek over milieuvervuiling zegt de Generaal: “Als een bedrijf vrij is om te vervuilen, zijn de mensen niet langer vrij om te zwemmen.”

Hochschild onderzoekt ook hoe zo’n psychologisch programma juist werkt. Het antwoord in dit geval is jobs. Olie brengt jobs, jobs brengen geld en geld brengt een beter leven: een school, een thuis, goede gezondheid … Dus hoe meer jobs, hoe meer welvaart en hoe minder nood aan overheidshulp. Het psychologische programma bestaat in het geloof dat er een vreselijke keuze moet gemaakt worden tussen jobs en schone lucht of water. In Louisiana, net zoals in vele andere staten, geeft de overheid ruim baan aan de olie en petrochemische industrie. Om die aan te trekken biedt de staatsoverheid 1,5 miljard dollar financiële steun aan. Dat geld geven die bedrijven terug aan de gemeenschap in de vorm van liefdadigheid. De inwoners van Louisiana zijn de industrie dus dankbaar. Voor de jobs én voor de giften. Ondertussen knapt de overheid het vuile werk op voor de bedrijven, en de weinige regulering die er wel is, werkt niet.

Voor Hochschild is dit alles juist een reden voor meer overheid en meer regulering. Maar voor haar respondenten beschermt de overheid de burger niet. Erger nog ze erodeert gemeenschappen en neemt individuele vrijheden – vrijheden ‘om’ – af. In een situatie waarin de lonen al decennialang niet verhogen, vragen de mensen zich af waarom ze ook nog eens belastingen betalen voor iets dat niet goed werkt. Ze schrijft hoe ze zelf ook best wel kritiek heeft op de federale overheid, maar dat deze kritiek is gebaseerd op een geloof in het idee van een goede overheid. Texas Brine handelde alsof publiek water hun privé-eigendom was. De bewoners kunnen toch niet meer van dat willen? Ze staat dus nog steeds aan haar kant van de empathiemuur.

Het diepe verhaal

Om tot de emotionele kern van rechtse overtuigingen te komen, werkt Hochschild toe naar de constructie van een deep story, een diep verhaal dat, los van oordelen en feiten, vertelt hoe de dingen voelen. Zo’n verhaal, schrijft ze, laat ons toe om aan beide zijden van het politieke spectrum een stap terug te nemen en de subjectieve lens waardoor de andere partij de wereld bekijkt, te inspecteren. Voor haar is dit noodzakelijk om iemands politieke overtuigingen – links of rechts – te kunnen begrijpen. Het diepe verhaal van haar respondenten uit Louisiana ziet er zo uit:

Je staat in de rij voor iets dat je heel graag wilt, net zoals iedereen die in de rij staat trouwens: de Amerikaanse Droom. Je voelt dat je die echt verdient. Je hebt heel je leven hard gewerkt als fabrieksarbeider, loodgieter of in de petrochemische industrie. Je hebt afgezien, lange dagen gewerkt en bent blootgesteld aan gevaarlijke chemische stoffen. Je staat al lang in de rij, maar de rij beweegt niet. Je klaagt niet, blijft op je tanden bijten en de Amerikaanse Droom is je beloning: een eresymbool. Je focus ligt bij hen die vooraan de rij staan. Plots zie je mensen voorsteken. Wie zijn dat? Groepen die bevoordeeld worden door positieve discriminatie. Vrouwen en zwarten, die nu ook jobs gaan doen die vroeger overwegend mannelijk en blank waren. Vluchtelingen. En plots sta je niet langer stil, maar lijk je zelfs achteruit te bewegen. Dan zie je Barack Obama naar de voorstekers zwaaien. Je realiseert je dat hij meer hun president is, dan die van jou. Hij is trouwens zelf een voorsteker! Hoe geraakte hij binnen op Harvard? Hoe geraakte hij aan het geld? Zijn moeder was een alleenstaande moeder en zoiets heb je in jouw onmiddellijke omgeving nog nooit gezien. Dit is toch niet eerlijk. Dit doet jou echt als een verliezer voelen, jij, die zogezegd meer bevoordeeld zou moeten zijn. De voorstekers beginnen je te irriteren. Iemand aan het begin van de rij draait zich om en zegt: ‘Och jij Red Neck’. Je voelt je beledigd en gekwetst. Er wordt je gevraagd sympathie te hebben voor de voorstekers. Maar jij hebt zelf ook veel afgezien en je klaagt hier niet over. Je voelt je verraden. Je herkent jezelf niet in hoe anderen jou zien. Je voelt je een vreemdeling in je eigen land.

Langzaam voelen mensen zich naar achteren schuiven in de rij, omwille van redenen die voor hen verborgen blijven. Ze voelen zich gemarginaliseerd door de eigen overheid, die voor hen hun overheid niet meer is. Ze voelen zich vervreemd: niet alleen worden ze kleiner als demografische groep, ze zijn religieus in een cultuur die steeds meer seculier wordt en er wordt op hen en hun houding neergekeken. Hun trotsheid op een gewortelde identiteit, omringd door een hechte gemeenschap van familieleden, mede-parochianen en vrienden, noopt hen tot een verdedigende positie tegenover de vele bedreigingen van buitenaf. Samen met de blue-collar jobs lijkt ook deze identiteit tot uitsterven bedreigd. Een nieuwere kosmopolitische identiteit lijkt de overhand te nemen. Wat volgens deze Tea Party-leden, meer dan het milieu, vooral gevaarlijk vervuild lijkt, is de Amerikaanse cultuur. En het is deze vervuiling waar de Tea Party zich tegen afzet.

En dan gaat ook de economie achteruit. In de laatste twintig jaar zijn de reële lonen niet gestegen of zelfs gedaald. Maar de Bijbel leert hen te focussen op de eigen morele sterkte om te volharden in plaats van op de wil om de omstandigheden te veranderen. Hochschild noemt dit een stilzwijgende heldendaad, verborgen voor vele progressieven. Weinig of niets krijgen van de overheid is voor deze mensen een vaak vermelde bron van eer. Enkel arbeid biedt een uitweg uit onzekerheid, armoede en schaamte. Al deze mensen doorstaan het ergste van het industriële systeem, schrijft Hochschild, maar de vruchten worden op afstand geplukt door progressieven in hun sterk gereguleerde en properdere blauwe staten. Toch ziet niemand van haar respondenten zichzelf als een slachtoffer. Dat is namelijk de taal van de ‘armen’, die om overheidssteun vragen.

Een verborgen klassenconflict?

In alle gesprekken die Hochschild voerde, sprak men telkens over de kloof tussen belastingbetalers – zij, de harde werkers, de arbeiders – en belastingnemers die hun steun niet verdienen en die, volgens die eerste groep, een klasse onder hen vormden. Progressieven zeggen Amerikanen dat ze ‘medelijden’ moeten hebben met de ontvangers van overheidssteun, maar zij identificeren zich niet met die ontvangers en dit alles voelt aan alsof progressieven uit de verre kuststeden hun eigen regels trachten op te leggen aan oudere Christelijke blanken uit het Zuiden en Midwesten van het land.

De Bijbel leert de Tea Party-leden focussen op de eigen morele sterkte om te volharden in plaats van op de wil om de omstandigheden te veranderen.

Hochschild schrijft dat we aan beide zijden van het politieke spectrum verkeerdelijk denken dat empathie met ‘de ander’ een einde brengt aan klare analyse. Volgens haar is het echter net aan de andere kant van de empathiemuur dat de werkelijke analyse kan beginnen. Het is dan ook pas in de laatste hoofdstukken dat Hochschild zich afvraagt of hier een klassenconflict schuilgaat op een plaats waar we dat het minst zouden verwachten, namelijk de rol van de overheid, en tussen groepen waar progressieven niet op focussen, namelijk tussen de arbeidersklasse en de armen. Het diepe verhaal brengt een al lang sluimerend sociaal conflict naar boven, genegeerd door zowel het links van Occupy Wall Street – dat op de kloof in de private sector bovenaan de ladder focust, tussen de absolute top en de rest – als door rechts, dat klassenverschillen als een zaak van karakter beschouwt en focust op wat wordt aangevoeld als een kloof tussen de middenklasse en de armen.

Om dit verschil in blikveld te verklaren, onderzoekt Hochschild de manier waarop het verleden bepaalde patronen van klassenidentificatie fixeert en oplegt aan het heden. Ze blikt terug op de jaren 1860, wanneer het systeem van plantages in het Zuiden aan de ene kant een kleine elite produceerde en aan de andere kant een grote groep slaven. Ze richt de aandacht op een groep die vaak vergeten wordt in dit verhaal, namelijk die van de arme blanke boeren en pachters, waaronder de voorouders van de mensen die ze in Louisiana ontmoette. De beste gronden en bossen werden ingepalmd door de plantage-eigenaars en de blanke boeren werden opzijgeschoven, de moerassen in, zonder wild om op te jagen. Ze werden gemarginaliseerd en er was geen vraag naar hun arbeid want er waren slaven genoeg. Ze stonden dus helemaal achteraan de rij. Er was geen middenklasse die voorstak en al zeker geen publieke overheidssfeer.

Toch identificeerden de arme boeren zich meer met de blanke plantage-eigenaars dan met de zwarte slaven. Ze keken vooruit. Toen 100 jaar later, tijdens de jaren 1960, hele groepen kansarmen naar voren kwamen en over hun mishandelingen getuigden, waren blanke, blue-collar mannen uit het Zuiden de meest zichtbare tegenstanders van de burgerrechtenbeweging. Net zoals tijdens de burgeroorlog kwam het moraliserende Noorden opnieuw naar het Zuiden om hen te vertellen dat ze hun manier van leven moesten veranderen. En de federale overheid hielp mensen actief voorsteken in de rij voor de Amerikaanse Droom.

Volgens Hochschild zijn de olie- en petrochemische bedrijven in zekere zin een soort moderne plantages in een systeem waar geen middenklasse en geen publieke sector nodig is. Maar daar waar de plantage-eigenaars tijdens de 19e eeuw het lot van de arme, blanke boer fnuikten, zijn het in de 21e eeuw de grote bedrijven die globaliseren, automatiseren en arbeiders vervangen door goedkopere arbeidskrachten. Ze worden gekrenkt in hun eer, en zich identificeren met de bovenste 1 %, de klasse van plantage-eigenaars, is voor hen een bron van eer. Het toont optimisme en hoop. Progressieven vragen hen om medelijden te hebben met de ‘slaven’ van onze maatschappij, maar zij willen alleen vooruitkijken. Want ambitie hebben en hard werken, is voor hen de grootste deugd.

Over de muur heen

Bijna iedereen waar Hochschild gedurende deze vijf jaar mee praatte, bevond zich in een economisch precaire situatie, voelde zich cultureel gemarginaliseerd en deel van een almaar kleiner wordende demografische groep. Hier komt dan nog de culturele tendens bovenop om zich te identificeren met de plantage-eigenaar, de oliemagnaat bovenaan de sociale ladder en een afstand te voelen tot diegenen die zich onderaan de ladder bevinden. De rechterkant zoekt verlossing van linkse regels die hen komen opdragen hoe ze zich moeten voelen ten opzichte van die groepen en die de emotionele kern van hun overtuigingen uitdagen. Het is tot deze kernidentiteit dat een politicus als Donald Trump spreekt.

De vraag die vele Europeanen zich stellen – of een Bernie Sanders er misschien wel in geslaagd zou zijn om deze mensen te bereiken, wordt niet gesteld. Het boek biedt dan ook geen vertrekpunt voor een diepere analyse van wat nu juist misliep binnen de Democratische partij. Maar waar vele progressieve analisten op een economisch eigenbelang focussen, toont dit boek het cruciale belang van emotioneel eigenbelang: zich niet meer als een vreemdeling voelen in eigen land.

Daar waar links naar de privésector kijkt als bron van onrechtvaardigheid (de 1 versus 99 procent), kijkt rechts naar de publieke sector als dienstbalie voor een almaar groeiende klasse ‘nemers’. En terwijl deze tegenstelling voor de Europese lezer misschien te binair is, is het belangrijk om het boek te begrijpen in de context van de tweedeling die diep in de Amerikaanse maatschappij geworteld is. De dagelijkse discussie gaat uiteindelijk nog altijd veel minder over een bepaalde kandidaat, maar over bij welke kant je nu hoort: Democraten versus Republikeinen. Wat Hochschilds zoektocht naar emoties toont, is dat men aan beide zijden van het politieke spectrum lijkt te strijden tegen een en hetzelfde angstaanjagende gezicht van het globaal kapitalisme.

  1. Arlie R. Hochschild, Strangers in their own land: Anger and Mourning on the American Right, 2016, New York, The New Press. 351 p. Beschikbaar in het Engels. ISBN 978-1-62097-225-0.