Artikel

Anti-globalisering: Het coronavirus en de zoektocht naar alternatieven

Sam Gindin

— 4 mei 2020

Rechts had tot nu toe het grootste succes in de strijd tegen globalisering, maar het kan de tegenstrijdigheden ervan niet oplossen. Links moet het op klassenbasis aanpakken en niet teveel verwachten van een zogenaamd ‘zachtere globalisering’.

De maatschappelijke ontwikkelingen verrassen ons voortdurend. De laatste zorgen over de economische tegenstellingen van de extreme globalisering zijn niet veroorzaakt door een handelsoorlog, mondialisering, interimperialistische rivaliteit, een financiële ineenstorting of rellen in de straten. Ze zijn eerder aangewakkerd door een schijnbaar niet-economische en toevallige gebeurtenis: de uitbraak van het coronavirus. Terwijl werknemers op plaatsen waarvan weinigen van ons ooit hebben gehoord uit voorzorg naar huis worden gezonden en daardoor werkplekken sluiten op plaatsen waarvan de meesten van ons nooit hebben geweten dat ze met elkaar verbonden waren, slaan de bedrijven in paniek. Volwassen mannen (en vrouwen) staren met afgrijzen naar beursschermen en de zakenpers vreest een dreigende recessie.

Sam Gindin was van 1974 tot 2000 onderzoeksdirecteur van de Canadese automobielarbeidersvakbond (CAW). Hij is co-auteur (met Leo Panitch) van The Making of Global Capitalism (Verso), en co-auteur met Leo Panitch en Steve Maher van The Socialist Challenge Today, de uitgebreide en bijgewerkte Amerikaanse editie (Haymarket).

Toch ligt er een diepere angst op de loer in zakenkringen. Heeft de mondialisering haar hoogtepunt bereikt? Zou de verdere verspreiding van het virus de globalisering kunnen terugdraaien? Sommige mainstream journalisten suggereerden zelfs dat een vertraging in de hyperglobalisering “misschien geen slechte zaak is, gezien de soms absurde en gevaarlijke dimensies die het aannam”.1 Anderen zijn meer cataclysmisch en vragen zich af, zoals een van de krantenkoppen doet, of de verspreiding van het coronavirus “De Grote Ineenstorting van de Globalisering” zou kunnen versnellen.2

Voorbereiden op ‘meer van dat’

De minst overtuigende reactie op de huidige nervositeit is er een die het coronavirus reduceert tot een ongelukkige eenmalige gebeurtenis. De EcoHealth Alliance, die de gebeurtenissen op het gebied van besmettelijke ziekten in de loop van de tijd en wereldwijd volgt, heeft vastgesteld dat dergelijke gebeurtenissen “in de jaren tachtig van de vorige eeuw met de komst van het hiv-virus een hoge vlucht hebben genomen en dat ze sindsdien hoog zijn gebleven”. Dit heeft ertoe geleid dat The Wall Street Journal nuchter waarschuwt dat “het publiek zich moet voorbereiden op meer van dat.” Maar wat kan ‘voorbereiden’ in de context van de globalisering juist betekenen?3

De druk die de globalisering met zich meebrengt maakte er een deugd van om de gezondheidsbudgetten te beperken, zo niet te verlagen (met de Verenigde Staten die uitblinken met hun belastingverlagingen van 1,5 biljoen dollar voor de superrijken, terwijl ze nog steeds debatteren over de vraag of universele gezondheidszorg voor iedereen ‘betaalbaar’ is). Tegelijkertijd leidden de winstvoordelen van schaalvergroting en specialisatie, die door de toegenomen internationale concurrentie des te veeleisender zijn geworden, tot uitgebreide waardeketens – productiestructuren, waaronder die van de geneeskunde, waarbij sprake is van meervoudige input van meerdere fabrieken in meerdere landen.

Voeg daarbij de bijna algemene gelijkschakeling van eventuele ‘overcapaciteit’ met onnodige verspilling (‘lean production’) waardoor het belang van een zekere mate van flexibiliteit wordt onderschat, en je hebt lokale medische systemen die kwetsbaar zijn voor zelfs kleine onderbrekingen en die niet in staat zijn om onverwachte noodsituaties het hoofd te bieden. Aan de globalisering als economische vloek wordt de medische vloek toegevoegd die het binnenlandse vermogen ondermijnt om zich voor te bereiden en te reageren op potentiële pandemieën.

De zorgen worden nog groter wanneer we de aandacht vestigen op de meest bedreigende en grootste grootschalige pandemie aan de horizon: het milieu.

Deze zorgen worden nog groter wanneer we de aandacht vestigen op de meest bedreigende en grootste grootschalige pandemie aan de horizon: het milieu. De ecologische dreiging is geen verre onbekende maar een wetenschappelijk vastgestelde aanwezigheid in het hier en nu. De uitdaging die het vormt is niet wat we moeten doen nadat we het ecologische omslagpunt hebben gepasseerd, en ook niet alleen hoe we de aanval op het milieu kunnen afremmen. Het is, zoals Barbara-Harriss White heeft benadrukt, de noodzaak om te reconstrueren wat we al hebben beschadigd.4 Dit betekent dat we heel onze manier van leven, werken, reizen, consumeren en omgaan met elkaar moeten veranderen.

In een dergelijke focus op het milieu zou in de beste omstandigheden een consensus over de vereiste offers al moeilijk zijn, maar zo goed als onmogelijk als de huidige ongelijkheid blijft bestaan. De economische herstructurering die gepaard gaat met het “herstellen” van het milieu en de gecoördineerde acties in alle sectoren van de samenleving die dit met zich meebrengt vereisen planningscapaciteit. Het is ondenkbaar dat een dergelijke sociale transformatie kan worden bereikt binnen een economisch systeem dat gebaseerd is op gefragmenteerde private ondernemingen die hun individuele winsten maximaliseren in het licht van de concurrentie en die gefragmenteerde individuen hun gebrek aan controle over hun leven compenseren met meer individuele consumptie.

Een echte aanpak van het milieu zou een ingrijpende verandering van de nationale planning, internationale coördinatie en steun van de bevolking met zich meebrengen. De mate van democratisering die dit inhoudt met betrekking tot de manier waarop we onze materiële behoeften aanpakken, zou op de meest fundamentele wijze niet alleen een uitdaging vormen voor de ‘hyperglobalisering’, maar ook voor de sociale verhoudingen en het bouwwerk dat het kapitalisme is.

Hebben we het punt van de deglobalisering bereikt?

Als we met ‘deglobalisering’ het afvlakken van de globalisering bedoelen of zelfs een lichte omkering, dan is dat misschien welkom, maar – net als bij de belofte van de derde weg van de sociaaldemocratie van ‘neoliberalisme met een menselijk gezicht’ – moeten we van een zogenaamd ‘zachtere globalisering’ niet te veel verwachten. Compromissen aanvaarden in de lange strijd voor fundamentele verandering is een ding, maar het is iets heel anders om de belofte te verkopen, zoals Josh Biven het sarcastisch in een boektitel verwoordt, dat met elke vorm van kapitalistische globalisering Everybody Wins, Except Most of Us (Iedereen wint, behalve de meesten van ons).

Zou de globalisering zelf dan ineenstorten of wegrotten door haar overvloed aan tegenstrijdigheden? Misschien. Maar reken er niet op dat het gebeurt zonder een beslissende duw van de sociale actoren. De politieke begraafplaatsen liggen vol met voorbarige voorspellingen over het ‘onvermijdelijke’ en dreigende einde van dit of dat; we vermijden best dat ze aan die lijst wordt toegevoegd. Het wereldwijde kapitalisme is niet vanzelf ontstaan, maar is gemaakt, en het einde ervan zal waarschijnlijk alleen voortkomen uit het besef dat de veelheid aan economische, sociale en politieke tegenstrijdigheden en verschrikkingen geen voortekens zijn van een automatisch einde van de globalisering, maar eerder openingen die kunnen bijdragen aan het bewust ongedaan maken van het kapitalisme.

De globalisering zal niet instorten zonder een beslissende duw van de sociale actoren.

De ontevredenheid over de globalisering is er al enige tijd, maar is de laatste tijd zowel bij rechts als links op de voorgrond getreden. Het is echter rechts dat het meest algemene succes heeft gehad in het mobiliseren van de gistende frustraties van het volk. De reactie van rechts was succesvoller, en onderscheidt zich door haar nationalisme in plaats van klassenoriëntatie. Ze gaat met veel kabaal en woede tekeer, met lelijke aanvallen op de immigratie, terwijl, afgezien van de occasionele retoriek, ze weinig aandacht besteedt aan de confrontatie met de bedrijfsmacht in de kern van de globalisering.

Trump ging bijvoorbeeld tekeer tegen NAFTA en de impact van Mexico op de Amerikaanse auto-industrie, maar de nieuwe NAFTA (USMCA) heeft weinig of geen invloed gehad op het gedrag van de belangrijkste Amerikaanse autobedrijven en de terugkeer van Amerikaanse banen. Zes weken na ondertekening van de overeenkomst kon GM ongestraft de sluiting van vier grote Amerikaanse fabrieken (en één in Canada) aankondigen. Hetzelfde betreft zijn geraaskal tegen China als de belangrijkste boosdoener in de achteruitgang van de Amerikaanse productie, waar zijn eindspel een vaak verwarde mix van geopolitieke belangen (het afremmen van de Chinese technologisch-militaire vooruitgang) was en China ertoe brengen de voorwaarden voor de vestiging in China van Amerikaanse financiële en hightechbedrijven te versoepelen (d.w.z. een verdieping in plaats van een ondermijning van de wereldwijde economische orde). Ondertussen zijn de productiebanen in het Amerikaanse Midwesten stilletjes uit de aandacht verdwenen. Het gezeur over het verminderen van de ‘oneerlijke’ last die de VS draagt bij het toezicht op het wereldwijde kapitalisme en het mobiliseren van populistische sympathieën als hefboom in deze zaak, heeft over het algemeen delen van het Amerikaanse bedrijfsleven geholpen in plaats van de Amerikaanse arbeidersklasse.

De tegenstrijdigheid voor rechts ligt in het feit dat het, om zijn arbeidersbasis tevreden te stellen, een kruistocht zou moeten voeren tegen de vrijheden van het Amerikaanse bedrijfsleven om te investeren, te handelen en de winst naar eigen goeddunken te herverdelen. Maar nu zelfs middelgrote bedrijven stevig geïntegreerd zijn in de wereldeconomie, staan rechtse politici niet op het punt om zich van die achterban te vervreemden. Zij kunnen dit aanpakken door te proberen hun achterban intact te houden door de aanvallen op de immigratie op te voeren en tegen de ‘elites’ tekeer te gaan, en/of een meer autoritaire koers te varen. Maar we kunnen niet voorbijgaan aan de mogelijkheid dat de tegenstrijdige retoriek van rechts (die de legitimiteit van de globalisering aantast) en de populistische erosie van het vermogen van de staten (die de Amerikaanse regering en het toezicht op de wereldorde aantasten) per ongeluk ook de opmars van de globalisering kunnen schaden, zo niet ondermijnen.

Hoe zit het dan met de linkerzijde die wil regeren? Het dilemma voor links begint met de realiteit dat het economische, politieke en media establishment minder tolerant is ten opzichte van de antiglobaliseringsretoriek van links. Maar in ieder geval is het een intimiderende en overweldigende taak om te proberen te regeren en daarbij de economie te ontwarren uit het thans zo sterke en dichte kluwen van grensoverschrijdende verbanden. Dit proces daagt het kapitaal en de particuliere investeringen uit. Men kan ervan uitgaan dat bedrijven zullen dreigen te vertrekken of weigeren te investeren vanwege de onzekerheid. Bijgevolg zullen aanzienlijke ontberingen voor een tijdje noodzakelijkerwijs op de schouders van de werknemers terechtkomen. En dus zal om het even welke linkse regering ernstig gehinderd worden om er voluit voor te gaan, tenzij er al begrip en de nodige inzet zijn verworven onder de werkende klasse en ze de komende moeilijkheden beschouwen als investeringen in hun toekomst in tegenstelling met de nooit aflatende toegevingen die ze voordien moesten

Waarom hebben arbeiders de kwetsbaarheid van waardeketens niet uitgebuit?

De rol van het coronavirus in het blootleggen van de economische kwetsbaarheid van de wereldwijde productie wekt verbazing. Als de onderbreking van één schakel in de productieketen zo’n verwoestende algemene impact heeft, waarom hebben werknemers en vakbonden deze hefboomwerking dan niet gebruikt om de aanvallen af te weren die ze hebben geleden? (Een recent voorbeeld van de verzetswaarde van het onderbreken van de economische kritieke knooppunten, zij het op een andere schaal, is onlangs nog gebleken in Canada tijdens de protesten van inheemse demonstranten en hun bondgenoten waarbij ze spoorwegen en af en toe ook snelwegen afsloten).

De verklaring voor de huidige relatieve passiviteit van werknemers is dat bedrijven, hoewel die al eerder hadden geëxperimenteerd met outsourcing en waardeveranderingen, aarzelden om voluit te gaan totdat aan twee voorwaarden was voldaan. Ten eerste, dat de outsourcing van werk niet zou leiden tot een ontwrichtende oorlog met werknemers op de thuiswerkplek. Ten tweede, dat de bedrijven erop vertrouwden dat de werknemers die het werk kregen het niet zouden gebruiken als een hefboom om de bedrijven te gijzelen. Dat wil zeggen dat een verslagen arbeidersklasse een sleutelvoorwaarde voor het veralgemenen van waardeketens vormde,  een gedemoraliseerde klasse, met nog maar lage verwachtingen en grotendeels zonder leider.

Rechts gaat met veel kabaal en woede tekeer maar besteed geen aandacht aan de confrontatie met de bedrijfsmacht in de kern van de globalisering.

Het belang van leiderschap ligt in de grenzen van herhaalde strijdlustige opstoten op een bepaalde werkplek die de totale productie verstoren. Het bedrijf zou daarop reageren door dergelijke vestigingen te sluiten en andere bronnen te vinden. Maar als de onderbrekingen strategisch worden gecoördineerd en verspreid over een groot aantal fabrieken in plaats van geïsoleerd in bepaalde fabrieken, kunnen bedrijven niet alle fabrieken sluiten zonder a) het risico te lopen op een politiek verzet dat het van de binnenlandse markten afsluit, waardoor multinationals aan grote beperkingen zouden kunnen worden onderworpen; en b) de aanzienlijke kosten van de verhuizing naar elders op zich te nemen om waarschijnlijk snel andere werknemers te vinden die op dezelfde manier reageren.

De zwakte van de arbeidersklasse na de jaren ’70 wordt algemeen beschouwd als het resultaat van de globalisering. Maar die heeft een geschiedenis. De versnelling van de globalisering was vanaf die periode alleen mogelijk omdat, ondanks de economische strijdlust, de arbeidersweging als klasse en politiek te zwak stond om die tegen te kunnen houden. (Toen de globalisering eenmaal in gang was gezet, heeft het de werknemers inderdaad verder verzwakt). Het punt is dat, hoe belangrijk strijdvaardigheid ook is, het slechts een begin is. Als de beweging niet ook gepolitiseerd wordt – verspreid over de hele klasse en uitgebreid om de staatsmacht uit te dagen – zal de strijdvaardigheid uitgeput raken en zal de beweging uiteindelijk verlamd of vernietigd worden.

Er is geen uitweg zonder een transformatie van de vakbonden zelf. Het addertje onder het gras is dat, terwijl arbeiders op sommige momenten en op sommige plaatsen het potentieel van georganiseerde arbeiders hebben laten zien, men zich moeilijk een wijdverbreide en aanhoudende arbeidersopstand kan voorstellen als er geen instelling – een soort socialistische partij – bestaat wiens enige zorg is de versnipperde arbeidersklasse te verenigen en te ontwikkelen.

Heroriëntatie op interne ontwikkeling

Wat ons hier interesseert is niet hoe we de delegitimatie van de hyperglobalisering kunnen veranderen in een vage ‘verzachting’ van de globalisering. Maar, hoe kunnen wij ons als socialisten beter positioneren om de samenleving te transformeren? Daarvoor moeten we de politieke agenda radicaal van de mondiale concurrentie naar “inwaartse ontwikkeling” heroriënteren.5Voor alle duidelijkheid: we suggereren niet dat we ons op onszelf moeten terugplooien, weg van de technologie, het moderne leven en de wereld buiten onze grenzen. Deze oriëntering heeft ook niets te maken met een (Steve) Bannon-achtig populistisch nationalisme dat ‘ons’ voor de rest van de mensheid plaatst. En hoewel we de nadruk leggen op een nationaal gericht alternatief, staan we erop dat het een internationalistische geest behoudt.

Het argument voor een wending naar binnen begint met de realiteit dat al het organiseren uiteindelijk lokaal of binnenlands is. Ten tweede moet alle politiek noodzakelijkerwijs via de staat verlopen, vooral als we de macht van het mobiele kapitaal serieus willen inperken. Ten derde moeten we een alternatief opbouwen dat het democratische bestuur van alle aspecten van ons leven maximaliseert – met aandacht voor de menselijke schaal van de maximale participatie – als voorwaarde om de natiestaat te transformeren, als onderdeel van het op zijn beurt transformeren van de subniveaus van de staat, de lokale werkplek en de gemeenschapsinstellingen.

We moeten de politieke agenda radicaal van de mondiale concurrentie naar “inwaartse ontwikkeling” heroriënteren met behoud van een internationalistische geest.

We sluiten af met twee voorbeelden – die de meest internationale kwesties vertegenwoordigen, nl. het milieu en de immigratie – die spreken over de wisselwerking tussen een nationale focus met een internationalistische gevoeligheid. Hoewel ‘ecologisme in één land’ een contradictio in terminis is, kunnen de verandering van houdingen, waarden en prioriteiten en de omvorming van eco-structuren en productiecapaciteiten voor milieuherstel en duurzaamheid in de eerste plaats maar binnen elk land plaatsvinden. Op die basis kunnen zinvolle internationale overeenkomsten worden ondertekend, kunnen technologieën en andere steun vrijelijk ter beschikking worden gesteld van armere landen en kan echte internationale samenwerking tot stand worden gebracht.

In het geval van immigratie willen we de bewering dat de verschuiving naar binnenwaartse ontwikkeling binnen de ontwikkelde landen – die allemaal veel meer migranten kunnen opnemen dan nu het geval is – op zich al een oplossing is voor de immigratiecrises niet overdrijven. Maar die verschuiving zou toch positieve internationalistische implicaties kunnen hebben. Stel, we bekijken de migratiecrisis opnieuw vanuit de vraag: “Waarom voelen mensen zich gedwongen hun land te verlaten?” Uit deze optiek zou de verschuiving naar binnenlands-gerichte ontwikkeling onder de ontwikkelde landen steun voor armere landen die hetzelfde trachten kunnen legitimeren. En door de afgenomen druk van de competitieve globalisering en een groter gevoel van veiligheid bij de werknemers in de ontwikkelde landen, zou het argument dat de opmars van de armere landen alleen maar ten koste van ons gaat minder doorwegen. Het zou bijgevolg gemakkelijker zijn zich voor te stellen dat anders concurrerende technologieën worden overgedragen aan armere landen, samen met solidariteitsteams van jonge opvoeders en opleiders.

Dit artikel verscheen oorspronkelijk in het Engels op de site Socialist Project.

Footnotes

  1. Eric Reguly, “Coronavirus is circling the planet and exposing the risks of the globalization model”, Globe and Mail, 3 maart 2020.
  2. Steven Erlanger, “Spread of Virus Could Hasting the Great Coming Apart of Globalization”, New York Times, 25 februari 2020.
  3. Jon Hilsenrath, ““Global Viral Outbreaks Like Coronavirus, Once Rare, Will Become More Common”, Wall Street Journal, 6 maart 2020.
  4. Barbara-Harriss White, “Making the World a Better Place: Restitution and Restoration”, Socialist Register, 2020.
  5. Gregory Albo, “A World Market of Opportunities? Capitalist Obstacles and Left Economic Policy.The Socialist Register, 1997.