Artikel

De onverwachte afrekening: coronavirus en kapitalisme

Radhika Desai

— 5 april 2020

De coronapandemie leidt tot een ernstige economische en sociale crisis, en tot een afrekening met de onbestuurbaarheid van het kapitalisme.

Het is misschien meer dan een toeval dat de ernst van de coronavirusdreiging het grootste deel van de westerse wereld trof rond de Iden van maart, de dag waarop traditioneel de uitstaande schulden afgerekend werden in het oude Rome. De week daarvoor was een echte rollercoaster. De Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) noemde de besmetting eindelijk een pandemie, regeringen begonnen halsoverkop een respons te zoeken, het virus domineerde zowel nieuwsberichten als de overvloed aan mis- en desinformatie op sociale media, steden en zelfs hele landen gingen dicht, markten van elke denkbare soort stortten in en bedrijven kondigden ontslagen en productieonderbrekingen aan. Ook al waren de oorsprong, verspreidingsroutes en dodelijkheid ervan nog niet duidelijk, dat het zogeheten Covid-19-virus het westerse kapitalisme en zijn veerkracht zwaar op de proef zou stellen was dat wel. En dat zou vrijwel zeker gebrekkig worden bevonden. De problemen en onevenwichtigheden in het westerse kapitalistische systeem hebben zich immers gedurende vier decennia opgehoopt, voornamelijk sinds de crisis van de jaren zeventig. Vanaf toen is men de neoliberale weg resoluut ingeslagen, zonder acht te slaan op de crises en problemen die dit met zich meebracht.

Radhika Desai is hoogleraar aan de afdeling Politieke Studies van de Universiteit van Manitoba en is momenteel directeur van de Onderzoeksgroep Geopolitieke Economie.

In deze decennia heeft de westerse kapitalistische wereld, zoals een belangrijke analyse het uitdrukte, “tijd gekocht” door schulden op te bouwen, zowel in de publieke als in de private sector, om de afrekening met zijn krappe en enge markten te vermijden. Het neoliberalisme heeft met zijn niet-aflatende neerwaartse druk op de lonen en prijzen dit probleem alleen maar verder verergerd.

De crisis van 2008 was een eerder moment van de waarheid, maar leidde niet tot een serieuze heroriëntering van het beleid. Het gaf wel de aanzet tot een socialisatie van particuliere schuldenbergen, omdat men de banken die ‘too big to fail’ werden geacht redde en hun leidinggevenden, die ‘too big to jail’ werden genoemd, hun oude praktijken gewoon voortzetten. Alleen gewone stervelingen verloren huizen en banen en kregen te maken met de opgelegde ellende van de bezuinigingen in naam van het consolideren van de overheidsfinanciën.

De huidige pandemie is zeker anders, niet omdat ze dodelijker is dan de vorige (dat is ze niet), noch omdat ze een ravage aanricht op de financiële markten (dat hebben de meeste crises van het neoliberale tijdperk gedaan), maar omdat ze de zwakheden, verstoringen en onevenwichtigheden van het productieapparaat blootlegt die het neoliberalisme in de loop van vier decennia heeft gecreëerd.

De huidige pandemie onthult de zwakheden die onder 40 jaar neoliberalisme opstapelden.

Het neoliberalisme zou het kapitalisme nieuw leven inblazen, de ‘dierlijke drive’ herstellen die tot nu toe door de ‘dode hand van de staat’ was ingetoomd. Dat heeft het echter nooit gedaan. De groeicijfers van de afgelopen vier decennia liggen consequent onder die van de naoorlogse staatsgeleide ‘Gouden Eeuw’ van het kapitalisme.1 In plaats daarvan werd het door het westerse kapitalisme geordend productiesysteem op minstens drie manieren onder druk gezet. Ruimtelijk ging het de hele wereld omspannen. In tijd heeft het zich opgespannen volgens de logica van de ‘just-in-timeproductie’, door te werken met weinig of geen voorraden en evenmin met financiële marge voor onvoorziene omstandigheden. Ten slotte heeft het sociaal een enorme druk gezet op de werknemers en kleine ondernemers, door hen te dwingen hun werk en producten voor lage lonen en prijzen te leveren en door allerlei sociale en financiële risico’s op hen af te wentelen.

De ontwrichtingen die het virus en de bestrijding ervan al hebben veroorzaakt en die nog in het verschiet liggen, hebben ons al enorm veel gekost en zullen dat blijven doen: je kunt onmogelijk cruciale delen van de wereldeconomie maandenlang stilleggen zonder dergelijke kosten op te lopen. Maar een gezonde structuur met wat overtollig vet zou er veel beter tegen opgewassen geweest zijn dan onze afgeslankte, overspannen en overwerkte productiestructuur die sowieso tegen de lamp zou lopen.2

Tijdens de tweede week van maart, toen de WHO de Covid-19-epidemie eindelijk een ‘wereldwijde pandemie’ noemde, vielen de wereldmarkten ten prooi aan een ongekende onrust. De aandelenmarkten in de VS ondergingen hun grootste eendaagse daling sinds de crash van ‘87, ondanks de uitzonderlijke renteverlaging van de Federal Reserve en de net gemaakte belofte om biljoenen (dat lees je juist) in het systeem te injecteren. Dit was niet zomaar een ‘correctie’. In tegenstelling tot de normale gang van zaken waren de aandelenmarkten, die men meestal als de meest risicovolle beschouwt, niet de enige die getroffen waren. Ook de minder risicovolle obligatiemarkten leden, evenals de markten in de ‘veiligste’ activa, de Amerikaanse obligaties en de goudmarkten, omdat beleggers alleen nog op zoek waren naar liquiditeit.

Bovendien was de pijn meer dan financieel. Omdat land na land zijn grenzen sloot en reisbeperkingen oplegde, kregen luchtvaartmaatschappijen, cruisemaatschappijen, luchthavens en andere bedrijven in de toerismesector te lijden onder sluitingen, bezuinigingen en ontslagen. Dit gold ook voor enorme delen van de grote – misschien wel té grote – dienstensector die sterk steunt op face-to-face-productie en -consumptie. De verstoorde toeleveringsketens en de instorting van de markten bedrukten de productie. Als klap op de vuurpijl leidde de onenigheid tussen de OPEC en bondgenoten tot een prijzenoorlog die de Amerikaanse schaliegasproductie, die alleen floreert bij hoge olieprijzen, onrendabel maakte. Die schaliegasproductie was een van de weinige sterren aan het Amerikaanse economische firmament in overigens somber decennium.

Hoewel de omvang van al deze ellende aan het virus tevoren ging, was het bijna ondenkbaar dat de neoliberale regeringen de pandemie niet als de schuldige van de neergang zouden aanwijzen. George Bush Jr. had immers de schuld van de recessie, die in feite al maanden eerder was begonnen, ook al in de schoenen van 9/11 geschoven en de Amerikanen gevraagd zich patriottisch te gedragen door te gaan winkelen.

Er zijn minstens vier verschillende aspecten aan de langetermijnafrekening waarmee de westerse kapitalistische samenlevingen te maken krijgen tijdens de ‘ergste volksgezondheidscrisis van deze generatie’.3

Het vraagprobleem en de oplossingen van het monetaire beleid

Het allerbelangrijkste is het lage niveau van de totale vraag vanuit consumptie en investeringen in verhouding tot de productiecapaciteit, om nog maar te zwijgen van het productiepotentieel, dat aan de basis lag van de groeivertraging van de jaren zeventig. Het neoliberalisme, de voorkeursoplossing van het Westen, pakte dat probleem niet alleen niet aan, maar maakte de zaak nog erger door de financiële “investeringen” te vergemakkelijken, in de lonen en de overheidsuitgaven te snoeien en de ongelijkheid te vergroten. Dat brengt alleen maar geld in de zakken van degenen die het toch niet uitgeven of productief investeren, en de enorme bedragen die op de speculatieve activamarkten rondslingeren alleen maar nog verder verhogen. De afrekening hiervan werd eerst afgehouden door meer overheidsleningen die niet dienden om de broodnodige sociale uitgaven te financieren, maar voor steeds krankzinnigere belastingverlagingen voor de rijken en enorme stijgingen van de militaire uitgaven, subsidies aan bedrijven en dergelijke. Later werd de eindafrekening opnieuw vooruitgeschoven door de privé-schuldenlast, die aan de basis lag van de crisis van 2008.

De weinige groei die het neoliberalisme mogelijk maakte bestond uit zeepbellen.

De weinige groei die deze neoliberale maatregelen mogelijk maakten, was vooral te danken aan de ‘winst’ op de zeepbellen van de activamarkten. Daarmee kon enkel een kleine elite haar consumptie verhogen. Tijdens de laatste twaalf jaar ‘soberheidsbeleid’ is zelfs die kleine groei afgenomen tot vrijwel nul en tekent het Westen de laagste groeicijfers uit de hele neoliberale periode op. Zelfs als strategie voor minimale groei is de neoliberale optie dus uitgeput. De laatste twintig jaar is de vraag verder blijven slabakken en kwam het merendeel van de nieuw gecreëerde vraag naar consumptie en beleggingen uit China en andere landen buiten het Westen.

De schok die de huidige pandemie in de vraag veroorzaakt, heeft een situatie die al dramatisch was nog verergerd. Daarbij zal de ongelijkheid, opgebouwd tijdens de neoliberale periode, de verspreiding van de pandemie bevorderen, wat op zijn beurt die ongelijkheid nog zal verergeren, zodat de vraag nog verder zal afnemen.

Sinds 2008 hebben westerse regeringen en centrale banken een nieuwe manier ontdekt om tijd te winnen voor het kapitalisme: ze pretenderen de trage groei aan te pakken met een puur monetair beleid – en ze doen dat met veel flair. Beleidsmakers en analisten houden iedereen in spanning door almaar meer ingenieuze monetaire konijnen uit hun hoge hoed te toveren, op het ronduit bizarre af – almaar lagere interestvoeten, negatieve interestvoeten, quantitative easing (QE), beleidsrichtlijnen voor de centrale banken. Zo scheppen ze de indruk dat ze voortdurend al hun hersencellen pijnigen om de wereldeconomie te redden. Het zijn echter allemaal schijnmanoeuvres: John Maynard Keynes waarschuwde lang geleden al dat het alleen een kwestie van tijd was tot blijkt dat een zuiver monetair beleid “op zich niet volstaat om het optimale investeringsniveau te bepalen” om voldoende groei te produceren. Hij beschreef de effectiviteit van zo’n beleid als “pushing on a string” (een touw vooruitduwen).

Als kapitalisten niet in staat blijken te investeren en tewerkstelling te creëren, wat is dan hun verdienste?

De onophoudelijke retoriek over een monetair beleid leidt de aandacht van het publiek af van een fiscaal beleid, dat wil zeggen van meer uitgaven en investeringen door de staat. Terwijl delen van de financiële pers dit erkennen, beelden ze zich met veel fantasie in dat een minimalistisch fiscaal beleid voldoende is. Daarbij vergeten ze dat Keynes de hoger geciteerde uitspraak aanvulde met de zin: “ik denk daarom dat een vrij alomvattende socialisering van de investeringen4 de enige methode is om iets te bereiken dat volledige tewerkstelling benadert.” Voor Keynes was volledige tewerkstelling de belangrijkste doelstelling van het beleid, een doelstelling die we zonder veel overdrijving kunnen beschouwen als een eerste stap om het kapitalisme te overstijgen en de weg in te slaan naar een betere maatschappij.

Het hoeft geen betoog dat wat Keynes enigszins onderkoeld “een vrij alomvattende socialisering van de investeringen” noemde, een soort socialisme zou zijn waarin regeringen het initiatief nemen om te investeren, al is het maar omdat de privésector niet in staat of niet bereid is om te investeren. Anders gezegd, het niveau van fiscaal activisme dat nodig zal zijn om opnieuw voldoende groei, tewerkstelling en vraag te realiseren, zal zodanig hoog blijken dat het fundamentele vragen oproept. Als kapitalisten niet in staat en bereid blijken te zijn om te investeren en tewerkstelling te creëren de enige activiteit die maakt dat we zelfs de meest schadelijke onder hen tolereren wat is dan de meerwaarde van een kapitalistische klasse? Waarom zouden onze democratische staten hen dan de controle laten behouden over onze economieën? Het kapitalisme verkeert al minstens tien jaar in een impasse. De huidige crisis zal het misschien onmogelijk maken dit nog langer door de vingers te zien.

Het monetaire beleid ontspoort

Terwijl de focus op monetair beleid de aandacht van het publiek heeft afgeleid van het broodnodige fiscale activisme, richtte dat beleid enorme schade aan. Op dit ogenblik heeft het waarschijnlijk zelfs het perverse nut verloren dat het ooit had. De financiële sector, de belangrijkste begunstigde van zowel de dereguleringsdrift van het neoliberalisme als de zwakke vraag die het neoliberalisme genereerde, de sector die investeerde in activamarkten in plaats van productieve investeringen te doen, wordt nu geconfronteerd met de instorting van haar belangrijkste instrument: de beurs. De beurscrash van 1987 was de eerste grote financiële crisis van het neoliberale tijdperk. De toenmalige voorzitter van de Federal Reserve, Alan Greenspan, reageerde op die crash met zijn notoire Greenspan Put. Die kwam neer op het aanvullen van de verdwenen liquiditeit – eenvoudig uitgedrukt: hij schonk de glazen nog eens vol zodat het speculatiefeestje kon verdergaan. Sindsdien blijven de Federal Reserve en de andere centrale banken in het westen op financiële crisissen reageren door liquiditeit te injecteren: ze verlagen de interestvoeten of passen de meer directe methode toe van het opkopen van minder liquide activa, ook gekend als quantitative easing.

Als reactie op de crash van 2008 ging het speculatiefeestje gewoon door.

Ze verantwoorden deze praktijken door te stellen dat ze nodig zijn om de investeringen, de economische activiteit en de tewerkstelling te herstellen, maar het enige dat in feite hersteld wordt, is de mogelijkheid van de financiële sector om verder te gaan met haar onproductieve speculatie en de ongelijkheid verder te vergroten. Het resultaat was de reeks zeepbellen van artificieel opgeblazen activaprijzen, die het fortuin van de rijkste 1%, en in mindere mate van de rijkste 10% vergroot heeft, en enorme economische rampspoed heeft gebracht voor de 90% telkens wanneer de volgende bubbel barstte. De reeks gebarsten zeepbellen is gekend: de beurscrash van 1987, de opeenvolgende financiële crisissen in de jaren 1990 met als hoogtepunt de Oost-Aziatische financiële crisis van 1997-98, gevolgd door de ‘dotcom crash’ van 2000 en de crisis van 2008.

Hoewel het monetaire beleid sindsdien de glazen blijft volschenken, wordt het feestje almaar minder levendig. De internationale kapitaalstromen blijven bijvoorbeeld nog altijd 65% onder hun piek van voor 2008, ondanks de vrijgevigheid van de centrale banken.5 Banken en financiële instellingen worden geremd door de hogere reservevereisten, zowat de enige maatregel die de inefficiënte regulators na de crisis wisten op te leggen. Met de enorme hoeveelheden liquiditeit die vandaag nodig zijn om winsten te genereren in de financiële markten – de enorme hoeveelheid geld die op zoek is naar winst verkleint nu eenmaal de marges – heeft zelfs deze relatief zwakke regulering de winsten in de sector aangetast.

Desondanks heeft er zich tijdens de afgelopen tien jaar een belangrijke aandelenbubbel gevormd op de beurs, die nu gebarsten lijkt te zijn. Toen de onmiddellijke verlaging van de rentevoet door de Federal Reserve en de injectie van biljoenen dollars in het systeem tijdens de eerste week van maart niet werkten, kondigde de Fed op zondag 15 maart, vlak voor de opening van de beurzen in het Azië, een verdere verlaging van de rentevoet tot bijna nul, naast meer aankopen van activa en de gebruikelijke belofte om “het hele arsenaal in te zetten”.6 Daarmee had de centrale bank van de VS zo goed als al haar munitie verschoten. Sinds 2015 had de Fed de rentevoeten verhoogd met het expliciete doel om nog iets achter de hand te houden in het geval van een nieuwe crisis, dat wil zeggen om nog wat ruimte te hebben om de rentevoet te verlagen. Tijdens de laatste zes maanden, vooral in maart dan, heeft ze die munitie opgebruikt. Nu is er niets meer over. Negatieve rentevoeten zijn niet meer dan gebakken lucht. Zelfs de meer avontuurlijk aangelegde Europese centrale banken zijn nooit verder durven zakken dan tot -0,5% en de Fed heeft altijd geweigerd om negatief te gaan. Door op maandag 16 maart niet te reageren op deze maatregelen en van ‘s morgens in het oosten tot ‘s avonds in het westen te dalen tot ongekende diepten, hebben de markten een vernietigend oordeel uitgesproken over de grenzen van een monetair beleid.

De staatsinterventie die een recessie kan vermijden zal de toekomst  van het kapitalisme in vraag stellen.

Hoe hoog de waarderingen van activa ook stijgen in eender welke speculatieve roes, en hoezeer de Federal Reserve ze ook aanmoedigt, uiteindelijk worden de prijzen bepaald door de zwaartekracht uitgeoefend door de productieve economie en haar behoeftes en vraag. De dotcombubbel moest eenvoudigweg barsten omdat zoveel van haar ‘asset lite’ aandelen geen echte waarde hadden. De vastgoed- en kredietbubbels zijn in 2008 gebarsten toen de rentevoeten verhoogd moesten worden om de dollarkoers te ondersteunen terwijl de prijzen van handelsgoederen stegen. Dit leidde tot een daling van de vastgoedprijzen, zodat meer en meer hypotheken niet meer gedekt waren omdat de waarde van het onderliggende vastgoed daalde. De aanleiding voor de huidige crash van de aandelenbeurzen mag dan wel de pandemie zijn, maar de echte oorzaak zijn de onderliggende problemen.

Naarmate de activamarkten, die speculatie financieren met de waarde van eerder geproduceerde activa, over de jaren bleven groeien, werd hun grootte buitenproportioneel in relatie tot de productieve economie – dat wil zeggen investeringen in de productie van nieuwe goederen en diensten. De activamarkten hangen echter af van die productie – wat wel eens de ‘echte’ economie genoemd wordt. Het relevante aspect van die afhankelijkheid in de huidige crisis is dat banken en financiële instellingen de fondsen van productieve bedrijven als de hoogste kwaliteit van financiering beschouwen. De impact van de hevige schommelingen in vraag en aanbod voor en tijdens de pandemie heeft die productieve bedrijven echter gedwongen om die fondsen meer en meer aan te spreken en zelfs extra fondsen te lenen. Bovendien zijn alle multinationals en grote bedrijven dit tegelijkertijd beginnen doen.

Hoewel dit niet onmiddellijk tot een crisis van de banken heeft geleid, doemen er toch problemen op aan de horizon: in een opiniestuk in de Financial Times werd opgemerkt dat precies de Dodd-Frank-wet en andere striktere reguleringen die de banken na 2008 meer veerkracht gaven, hen ook dwingt om minimale niveaus van dergelijke fondsen van hoge kwaliteit aan te houden. “Het snelle verlies van deze fondsen bedreigt het liquiditeitsprofiel en de naleving van de reguleringen zelf door de banken. En daarbij komt dat we weldra een piek zullen zien in verlies van kredietwaardigheid en faillissementen van grote bedrijven die de financiering nog meer onder druk zullen zetten.”7

De injectie van nieuwe liquiditeit door centrale banken heeft geen effect meer omdat de economie nu een manier nodig heeft om de totale vraag van consumenten en beleggers te verhogen en om de productie te herstellen en uit te breiden. In de huidige omstandigheden van lage private uitgaven en investeringen, kunnen enkel regeringen dit doen. Dit stelt het kapitalistische westen voor een probleem: enerzijds zal de financiële en economische crisis zonder staatsinterventie zich op zeer korte termijn veralgemenen en verdiepen tot een recessie die veel verder gaat dan de tijdelijke dip in productie en consumptie die de pandemie alleen veroorzaakt. Anderzijds zal een staatsinterventie van voldoende omvang om zo’n recessie te vermijden een groot vraagteken plaatsen bij de toekomst van het kapitalisme.

Het overbelaste productiesysteem

Zoals al eerder gezegd was het door veertig jaar neoliberalisme in alle dimensies – ruimtelijk, qua tijd en sociaal – onder hoge druk gezette productiesysteem sowieso al toe aan een eindafrekening. De groei in het westen was al aan het vertragen lang voor de crisis van 2008, met leveringsketens die tussen 1995 en 2005 de wereld rondgetrokken waren tot in China. Een aantal factoren speelden daar een rol in, waaronder de verzadiging van de westerse markten die gewurgd werden door het neoliberalisme en de stijgende lonen in China. Na de veralgemening van soberheidsmaatregelen van 2008 begonnen de gevolgen van tientallen jaren van ‘vrijhandelsovereenkomsten’ bovendien ook het westen zelf te treffen. Deze verdragen waren in werkelijkheid geen handelsovereenkomsten maar afspraken die buitenlandse investeringen bevrijdden van de beperkingen van sociale, ecologische en andere normen. Ondanks de bibliotheken aan vakliteratuur die stelt dat westerse loon- en tewerkstellingsniveaus geen enkel verband houden met handel, ondermijnden die handelsovereenkomsten in werkelijkheid beide aspecten, en troffen daarbij in het westen vooral handarbeiders.

Gimmicks zoals de Brexit en handelsoorlogen ontwrichtten verder de al overbelaste globale productiestructuren.

De linkerzijde had de ontevredenheid daarover moeten kunnen mobiliseren, maar tientallen jaren van demonisering van links door een neoliberaal rechts dat de wind in de zeilen had, en de gelijktijdige verrechtsing van de traditionele sociaaldemocratische partijen, deels als gevolg van hun eigen historisch gewortelde beperkingen, hebben dit verhinderd. In plaats daarvan werd de verarming van de arbeiders electoraal uitgebuit door rechtse populisten met gimmicks zoals de Brexit en handelsoorlogen. Dit deed weinig om de precaire toestand van de arbeiders te verbeteren, maar ontwrichte wel verder de al overbelaste globale productiestructuren. Het coronavirus heeft de onafwendbare komst van de eindafrekening enkel bespoedigd.

De crisis van het crisismanagement

Het laatste element in deze giftige cocktail heeft te maken met de mechanismes die historisch gebruikt werden om de crisissen van het kapitalisme te beheersen – de staat en het politieke systeem. Tientallen jaren neoliberalisme hebben zowel de staat als het bredere politieke vermogen in westerse maatschappijen in zo’n mate aangevreten dat ze niet meer in staat zijn om een coherent antwoord te bieden op de huidige crisis; noch om de pandemie op korte termijn onder controle te houden en te stoppen, noch om de economische heroriëntering te bewerkstelligen die op lange termijn nodig zal zijn.

Door neoliberalisme uitgeholde staten zijn niet meer in staat een coherent antwoord te bieden op de huidige crisis.

Dit onvermogen manifesteert zich het duidelijkst in de traagheid van de westerse respons op de pandemie. Nadat westerse regeringen maanden spendeerden aan het bekritiseren van de aanpak van China, bleek hun eigen reactie veel minder adequaat en efficiënt te zijn dan die van Beijing. Het verslag van WHO-China Joint Mission on Coronavirus Disease 2019 (Covid-19) concludeert:

“Geconfronteerd met een tot nu onbekend virus, heeft China gereageerd met wat wellicht de meest ambitieuze, veelzijdige en agressieve campagne ooit is om de verspreiding van een ziekte in te dammen. De strategie waarop deze campagne gebaseerd is, was initieel een nationale campagne voor universele temperatuurcontroles, het dragen van mondmaskers en handhygiëne. Naarmate de uitbraak evolueerde en de kennis van het virus verbeterde, werd overgeschakeld op een aanpak gebaseerd op wetenschap en risicobeperking om een implementatie op maat te ontwikkelen voor verschillende situaties. Specifieke controlemaatregelen werden aangepast aan de provinciale, lokale en zelfs gemeentelijke context, de aanwezige capaciteiten en de manier waarop de overdracht van dit nieuwe coronavirus ter plaatse gebeurde.”8

Het contrast met de aanpak in het westen kon nauwelijks groter zijn. Neem nu de twee dominante neoliberale staten, de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk. In beide landen heeft veertig jaar neoliberalisme de daadkracht van de staat aangevreten, cruciale instellingen vernietigd en de meest bekwame werkkrachten kwijtgespeeld. In beide landen ontbreekt de politieke klasse geloofwaardigheid en zijn de politieke structuren zozeer aangetast dat openlijke charlatans de hoogste politieke functies bekleden. Hoe kunnen systemen die zo uitgehold zijn de politieke wil en de structurele capaciteit opbrengen om de algemene crisis aan te pakken die zich nu ontrolt? En we kunnen hieraan toevoegen dat de pandemie ook de architectuur van de eurozone zelf op de proef stelt.

In de VS, met zijn geprivatiseerde gezondheidszorg en verzekeringen, leggen de kostprijzen en andere commerciële parameters een chaotische respons op. Zelfs de hoeveelheid testen blijkt ontoereikend, zodat de schaal van de pandemie een mysterie blijft. In het VK heeft de soberheidspolitiek van de laatste tien jaar de National Health Service (NHS) al zo verzwakt had dat ze de jaarlijkse griepseizoenen niet meer aankon zonder niet-dringende gevallen uit te stellen. De regering probeerde er haar onvermogen als een deugd voor te stellen door te beweren dat ze de ‘groepsimmuniteit’ nastreefde. Dit was niets anders dan een eufemisme om het bankroet van de staat te verbergen, dat bovendien sterk naar genocidale intenties rook. Gezien de pandemie de armsten het hardst zal treffen, komt de aanvaarding dat het virus zich zou verspreiden, dat ieder tientallen ‘naasten’ zouden verliezen en dat enkel de sterksten zouden overleven eenvoudigweg neer op ‘redde wie zich redden kan’. In het hele westen zorgde de controle van private mediabedrijven over de informatiesystemen en de sociale media bovendien voor een niveau van mis- en desinformatie dat de bestaande problemen enkel kan verergeren.

Daarnaast wordt het onvermogen op nationaal niveau nog verergerd door internationale rivaliteit en spanningen die een internationaal gecoördineerde aanpak bemoeilijken. De rivaliteiten die de eenentwintigste eeuw kenmerken zijn natuurlijk geworteld in de verschuiving van het zwaartepunt van de globale economie weg van het westen. Deze evolutie werd uiteraard versneld door de trage groei van het westen tijdens de neoliberale periode en het vermogen van China en bepaalde andere regeringen om te ontsnappen uit of zich aan te passen aan de door het westen opgelegde beperkingen. Het westen reageerde al langere tijd op een slechte manier op deze verschuiving, door een militaire en economische oorlog tegen rivalen en opkomende economieën te voeren. De opkomst van populisme in het westen heeft die tendens enkel nog verergerd.

Het onvermogen op nationaal niveau wordt nog verergerd door internationale rivaliteit en spanningen.

Terwijl de betekenis van internationale vriendschap en samenwerking na 2008 altijd werd overdreven en de G20 in werkelijkheid maar weinig hebben gedaan om de crisis in te perken, zien we in het tijdperk van ‘America First’ en Brexit wel een hoger niveau van vijandigheid. De poging van Trump om farmaceutische bedrijven ‘grote sommen geld’ te bieden voor exclusieve toegang tot een potentieel vaccin is wellicht het voorlopige dieptepunt in het gedrag van westerse staten tijdens deze pandemie. De meeste westerse beleids- en mediacentra zijn zelfs niet bereid het succes van China te bestuderen. Dat gaat zo ver dat medische vorderingen in de ontwikkeling van een succesvolle behandeling niet eens gemeld worden, laat staan besproken of overgenomen. Internationale sancties tegen gedemoniseerde regeringen zoals die van Venezuela verhinderen ondertussen de import van geneesmiddelen voor de behandeling van de ziekte.

Als de pandemie had toegeslagen in een gezonde en evenwichtige globale economie, zou ze grote schade hebben toegebracht, maar zou die schade beperkt zijn gebleven in tijd en ruimte. Het coronavirus heeft echter een globale economie en een kapitalistisch systeem getroffen dat al verzwakt was door tientallen jaren neoliberalisme. Het effect van de pandemie is dus onlosmakelijk verbonden met die onderliggende gebreken en dat zal zo blijven. Al het voorgaande maakt duidelijk dat de situatie grote mogelijkheden inhoudt voor een versterking van linkse krachten. Maar daarover moeten we het een volgende keer hebben.

Dit artikel werd oorspronkelijk gepubliceerd in Canadian Dimension. Vertaling en herneming met toestemming.

Footnotes

  1. Alan Freeman, “The sixty-year downward trend of economic growth in the industrialised countries of the world”, GERG data group working paper N° 1.
  2. Nouriel Roubini, “The Anatomy of the Coming Recession”, Project Syndicate, August 22 2019.
  3. Andrew Sparrow, “Boris Johnson calls coronavirus ‘worst public health crisis for a generation’ – as it happened”, The Guardian.
  4. John Maynard Keynes, The General Theory of Employment, Investment and Money. Chapter 24.
  5. Susan Lund, Eckart Windhagen, James Manyika, Philipp Härle, Jonathan Woetzel, and Diana Goldshtein, “The new dynamics of financial globalization”, McKinsey Global Institute, August 2017.
  6. FT Reporters, “Fed cuts US interest rates to zero as part of sweeping crisis measures”, Financial Times, March 15 2020.
  7. Rana Foroohar, “How coronavirus became a corporate credit run”, Financial Times, March 15 2020.
  8. Report of the WHO-China Joint Mission on Coronavirus Disease 2019 (COVID-19)”, 16-24 February 2020.